Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM5703

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
09-07-2010
Zaaknummer
09/03414
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM5703
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. kinderalimentatie; draagkracht alimentatieplichtige; miskenning door appelrechter dat het bij de bepaling van de draagkracht van de alimentatieplichtige niet alleen gaat om de middelen waarover hij beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken; vaststelling door appelrechter dat het vermogen van alimentatieplichtige niet liquide is, vormt onvoldoende weerlegging van het standpunt dat de alimentatieplichtige gelet op zijn onderhoudsverplichting niet een geldbedrag onrendabel had mogen maken door het te investeren in een (te dure) woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010/399
RvdW 2010/840
RFR 2010/111
EB 2010, 74
NJB 2010, 1545
FJR 2011, 31 met annotatie van Mr. I.J. Pieters
JWB 2010/275
JPF 2010/116 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/03414

Mr L. Strikwerda

Parket, 21 mei 2010

conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. Inzet van deze kinderalimentatiezaak is de vraag welke consequenties bij de beoordeling van de draagkracht van de alimentatieplichtige vader verbonden dienen te worden aan de omstandigheid dat de vader een groot deel van zijn vermogen heeft aangewend voor de aankoop van een woning en een weiland en met het oog op deze aankoop hypothecaire geldleningen is aangegaan.

2. De feiten liggen als volgt.

(i) Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen, hierna: de vrouw en de man, zij drie kinderen geboren: [kind 1 en kind 2], beiden op [geboortedatum] 1996, en [kind 3], op [geboortedatum] 1998.

(ii) Bij beschikking van 15 december 2005 heeft de rechtbank Leeuwarden de door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld op Euro 100,- per kind per maand.

(iii) De man heeft een bedrag van Euro 215.312,- ontvangen ter zake van de boedelverdeling en verkoop van de echtelijke woning. Hij heeft dit bedrag aangewend voor de aankoop van een woning en weiland. Voor de financiering van de aankoop en verbouwing van de woning heeft de man voorts hypothecaire leningen afgesloten met een totale rentelast van Euro 1.025,22 bruto per maand.

3. De man op 24 april 2007 een verzoekschrift bij genoemde rechtbank ingediend en daarbij onder meer verzocht dat de bij de beschikking van 15 december 2004 vastgestelde kinderalimentatie met ingang van 1 april 2007 op nihil wordt gesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en daarbij het verzoek van de man bestreden. Voorts heeft zij bij wege van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2006 te verhogen tot Euro 200,- per kind per maand.

4. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2007 het verzoek van de man afgewezen en het verzoek van de vrouw in zoverre toegewezen dat, met wijziging van de beschikking van 15 december 2004, de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 27 juni 2007 is bepaald op Euro 146,66 per kind per maand.

5. De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Leeuwarden en had (gedeeltelijk) succes: bij beschikking van 28 mei 2009 heeft het hof de beroepen beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beslissende, de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 24 april 2007 bepaald op Euro 14,- en met ingang van 1 januari 2008 bepaald op Euro 23,-, telkens per kind per maand.

6. Het hof heeft met betrekking tot de draagkracht van de man onder meer overwogen:

"het vermogen

11. Het hof acht de stelling van de vrouw dat rekening dient te worden gehouden met een rendement van 4% over het vermogen van de man niet houdbaar, nu het vermogen niet liquide is, maar uit onroerend goed (zijn woning en grond) bestaat en aldus niet kan worden geïnvesteerd ten einde rendement te behalen.

12. Daarbij komt dat de man voldeed aan zijn alimentatieverplichting ten tijde van de aankoop en verbouwing van zijn woning en het weiland, zodat zich dus op dat moment niets verzette tegen de investeringskeuzes van de man. Verkoop van een en ander - zoals de vrouw bepleit - kan van de man daarom niet worden gevergd. Een eventueel te riant wonen in verhouding tot de onderhoudsplicht van de man jegens zijn kinderen - zoals de vrouw stelt - zal het hof corrigeren in het kader van de woonlasten, indien en voor zover sprake blijkt te zijn van een onredelijk hoge woonlast.

de woonlasten

13. (...).

14. De man heeft (...) voldoende aannemelijk gemaakt dat hij drie aflossingsvrije hypothecaire leningen heeft met een totale rentelast van Euro 1.025,22 bruto per maand (zijnde Euro 663,- netto per maand) ofwel Euro 12.302,- bruto per maand. (...).

15. Het door de rechtbank in aanmerking genomen eigenwoningforfait van Euro 1.788,- is door partijen niet betwist, zodat ook dit bedrag wordt meegenomen in de berekening.

16. De totale woonlast van de man bedraagt (Euro 663,- + Euro 95,- =) Euro 758,- per maand. Zijn besteedbaar inkomen, geabstraheerd van het te genieten fiscaal voordeel in verband met de eigen woning bedraagt Euro 1.703,- per maand. Hieruit volgt dat de man ruim 44% van zijn besteedbaar inkomen, geabstraheerd van fiscaal voordeel, besteedt aan wonen.

17. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een redelijke woonlast niet meer bedraagt dan 33,3% van het besteedbaar inkomen, geabstraheerd van fiscaal voordeel. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgewezen (lees: afgeweken), zodat het hof de woonlasten zal corrigeren tot dit percentage. Dit betekent dat een correctie van Euro 190,- per maand wordt toegepast."

7. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee klachten. De man heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de klachten bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

8. Klacht 1 keert zich tegen r.o. 11 en 12 van de bestreden beschikking en valt uiteen in een aantal deelklachten.

9. De klacht houdt in de eerste plaats in dat het hof in deze overwegingen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover daarin moet worden gelezen dat het hof van oordeel is dat bij de vaststelling van de draagkracht onder geen enkele omstandigheid vermogen dat niet liquide is, in aanmerking mag worden genomen.

10. Deze klacht mist feitelijke grondslag. De overwegingen van het hof zijn betrokken op het onderhavige geval, zodat daaruit slechts mag worden afgeleid dat het hof heeft geoordeeld dat het niet liquide vermogen van de man onder de omstandigheden van dit geval niet bij de beoordeling van de draagkracht van de man in aanmerking mag worden genomen.

11. In de tweede plaats worden de overwegingen van het hof als onvoldoende gemotiveerd bestreden. Het hof heeft volgens de klacht niet gerespondeerd op de stelling van de vrouw dat van de man kan worden verwacht dat hij zijn vermogen te gelde maakt door verkoop van de woning en het weiland.

12. Ook deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in r.o. 12 overwogen dat verkoop van de woning en het weiland van de man niet kan worden gevergd. Het hof is aan de stelling van de vrouw dus niet voorbijgegaan, maar heeft deze verworpen.

13. Voorts wordt geklaagd dat de motivering die het hof heeft meegegeven aan zijn oordeel dat verkoop van de woning en het weiland van de man niet kan worden gevergd, onbegrijpelijk is.

Het hof heeft zijn oordeel gemotiveerd met de overweging dat de man ten tijde van de aankoop en verbouwing van zijn woning en het weiland voldeed aan zijn alimentatieverplichting, zodat zich dus op dat moment niets verzette tegen de investeringskeuzes van de man. Daaraan heeft het hof toegevoegd dat het een eventueel te riant wonen in verhouding tot de onderhoudsplicht van de man jegens zijn kinderen zal corrigeren in het kader van de woonlasten, indien en voor zover sprake blijkt te zijn van een onredelijk hoge woonlast.

14. De klacht is m.i. ongegrond. Blijkens de gedingstukken heeft de man de woning en het weiland gekocht voordat hij de beschikking had over het vermogen uit de boedelscheiding en uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning, en heeft de man dit vermogen onmiddellijk nadat het vrijkwam aangewend voor de aflossing van het ter verkrijging van de woning en het weiland afgesloten overbruggingskrediet. Zie in dit verband de in zoverre niet weersproken toelichting op grief 3 in het beroepschrift van de man. In dit licht heeft het hof met de bestreden overweging kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de man zich door zijn onderhoudplicht jegens de kinderen van herinvestering van zijn vermogen in de aankoop van de woning en het weiland niet behoefde te laten weerhouden, aangezien ook reeds vóór de aankoop geen rendement op het vermogen werd behaald en de herinvestering in nieuwe woonruimte dus geen invloed heeft gehad op de alimentatiebetalingen van de man. Deze gedachtegang is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het hof aan de gewraakte overweging heeft toegevoegd dat het een eventueel te riant wonen van de man in verhouding tot zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen zal corrigeren in het kader van de woonlasten, indien en voor zover sprake blijkt te zijn van een onredelijk hoge woonlast.

15. Ten slotte wordt erover geklaagd dat het hof in ieder geval heeft miskend dat voor de bepaling van de kinderalimentatie geen rekening mag worden gehouden met de aanschaf van de te dure woning door de man. Daarbij wijst de klacht erop dat het onderhavige geschil raakvlakken vertoont met de situatie waarin een alimentatieplichtige een teruggang van inkomen accepteert, althans niet het inkomen verwerft dat hij redelijkerwijs kan verwerven, en met de situatie waarin een alimentatieplichtige ten onrechte een schuld aangaat. Zie ik het goed, dan wil de klacht betogen dat het hof ten onrechte de in verband met de aankoop van de - volgens de klacht - te dure woning en daarom door de man onnodig aangegane hypothecaire geldleningen niet (gedeeltelijk) buiten beschouwing heeft gelaten, dan wel de beslissing om deze schulden in de draagkrachtberekening te betrekken onvoldoende heeft gemotiveerd.

16. De rechtsklacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de aan de (aflossingsvrije) hypothecaire leningen verbonden rentelasten bij de berekening van de draagkracht van de man buiten beschouwing gelaten voor zover de hoogte daarvan de grenzen van redelijke woonlasten overschrijdt (r.o. 12, slot, en r.o. 13 t/m 17). De motiveringsklacht is evenmin doeltreffend. De desbetreffende overwegingen van het hof zijn, in aanmerking genomen dat zij uitsluitend de waardering en weging van de voor de draagkracht van de man relevante omstandigheden betreffen, toereikend gemotiveerd en zijn niet onbegrijpelijk.

17. De slotsom is dat klacht 1 niet tot cassatie kan leiden.

18. Klacht 2 keert zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 17 - dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een redelijke woonlast niet meer bedraagt dan 33,3% van het besteedbaar inkomen, en dat, nu in dit geval geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, de woonlasten van de man met dit percentage zullen worden gecorrigeerd. De klacht houdt in dat dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, aangezien het hof met de aangebrachte correctie in het geheel geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de man ervoor heeft gekozen zijn vermogen niet te laten renderen, maar dat in de woning te investeren.

19. De klacht faalt. Het hof heeft in het kader van de vaststelling van de draagkracht van de man in r.o. 11 en 12 reeds aandacht besteed aan en een oordeel uitgesproken over de aanwending van het vermogen van de man. In r.o. 13 t/m 17 was nog slechts de vraag aan de orde of in verhouding tot de onderhoudsplicht van de man jegens de kinderen de woonlasten (met name de rentelast op de hypothecaire geldleningen) van de man onredelijk hoog zijn. Het is, ook zonder nadere motivering, daarom niet onbegrijpelijk dat het hof de kwestie van de herinvestering door de man van zijn vermogen in de nieuwe woning niet heeft betrokken bij de beoordeling van de redelijkheid van de woonlasten.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,