Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM5150

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
10/01398
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM5150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis; niet-toepasselijkheid art. 6 lid 1 BOPZ. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/784
FED 2010/44
JWB 2010/241
BJ 2010/35
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/01398

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 23 april 2010

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

tegen

Officier van Justitie te Rotterdam

1. Deze BOPZ-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) is al geruime tijd onder psychiatrische behandeling. Na een vrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis heeft een incident van zelfverminking plaatsgevonden dat aanleiding is geweest tot een inbewaringstelling. Op 2 november 2009 heeft de rechtbank te Rotterdam een machtiging verleend tot voortzetting van die inbewaringstelling. Een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een daarop aansluitende voorlopige machtiging werd bij beschikking van 30 november 2009 afgewezen, op de grond dat betrokkene ter zitting blijk had gegeven van de nodige bereidheid tot vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis en nadat de behandelaar had verklaard hierin vertrouwen te hebben.

2. Op 4 december 2009 is betrokkene opnieuw in bewaring gesteld. Bij beschikking van 10 december 2009 heeft de rechtbank de door de officier van justitie verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling afgewezen, op de grond dat er geen sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar (art. 20, lid 2 onder c, Wet Bopz).

3. Op 15 december 2009 heeft de officier van justitie de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen (art. 2 Wet Bopz). Bij het verzoek was onder meer gevoegd een geneeskundige verklaring d.d. 8 december 2009, opgemaakt door de waarnemend geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis, die betrokkene heeft onderzocht als niet bij de behandeling betrokken psychiater. Het verzoek is behandeld ter zitting van 30 december 2009, waarna de rechtbank bij beschikking van 4 januari 2010 de gevraagde voorlopige machtiging heeft verleend voor de duur van zes maanden.

4. Het - tijdig - daartegen ingestelde cassatieberoep(1) klaagt in middel 1 over een schending van art. 6 lid 1 Wet Bopz, omdat het verzoek van de officier van justitie bij de rechtbank is ingediend binnen het tijdvak van één jaar nadat een vorig verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging is afgewezen, namelijk bij beschikking van 30 november 2009. Sinds die beschikking zou geen sprake zijn van nieuwe feiten.

5. De klacht faalt omdat art. 6 lid 1 Wet Bopz hier niet van toepassing is. Dit artikellid heeft slechts betrekking op een verzoek als bedoeld in art. 4 lid 1 van die wet. Een dergelijk verzoek van een familielid of mentor verplicht de officier van justitie tot het indienen van een verzoek bij de rechtbank tenzij de officier van justitie het verzoek, bedoeld in artikel 4, kennelijk ongegrond acht of minder dan een jaar verstreken is sinds de afwijzing van een vorig verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging en uit het nieuwe verzoek, bedoeld in artikel 4, niet blijkt van nieuwe feiten. In dit geval echter gaat het (uitdrukkelijk: zie de kop van het inleidend rekest) om een autonoom door de officier van justitie gedaan verzoek als bedoeld in art. 6 lid 2 Wet Bopz.

6. Middel 2 komt neer op de klacht dat de rechtbank een essentiële waarborg van het grondrecht op vrijheid niet in acht heeft genomen en art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz heeft geschonden. In die bepaling staat dat een voorlopige machtiging slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Ter zitting in eerste aanleg is het verweer gevoerd dat het gevaar kan worden afgewend door tussenkomst van de vader van betrokkene, zijnde diens mentor. Ook wordt de rechtbank verweten de wettelijke taak van de mentor te hebben miskend.

7. In aangelegenheden betreffende de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding vertegenwoordigt de mentor de betrokkene in en buiten rechte, tenzij op grond van wet of verdrag vertegenwoordiging uitgesloten is. Verzet de betrokkene zich evenwel tegen een handeling van ingrijpende aard, dan kan die handeling slechts plaatsvinden indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen (zie art. 1:453, leden 1, 2 en 5, BW; vgl. art. 7:465 en 466 BW). In de Wet Bopz is een van deze algemene regel afwijkende regeling getroffen. Wat betreft de gedwongen opneming in een psychiatrisch ziekenhuis is de betrokkene zelf bekwaam in deze procedure in rechte op te treden (art. 8 lid 2 Wet Bopz). De mentor kan wel een verzoek tot opneming bij de officier van justitie indienen (art. 4 lid 1 Wet Bopz) en wordt, zo mogelijk, ook door de rechter gehoord (art. 8 lid 4 Wet Bopz). Met betrekking tot een gedwongen psychiatrische behandeling van een onvrijwillig opgenomen patiënt gelden de regels van art. 38 e.v. Wet Bopz.

8. De rechtbank heeft de mentor (de vader van betrokkene) gehoord. Blijkens het overgelegde proces-verbaal is bij de rechtbank ter sprake gekomen dat betrokkene een reeks ECT-behandelingen(2) krijgt. Volgens de behandelaar is betrokkene de ene keer wel, een andere keer niet bereid deze behandeling te ondergaan. Ter zitting is als verweer aangevoerd dat het gevreesde gevaar (te weten zelfdoding of zelfverminking, bij een diagnose van schizofrenie) kan worden afgewend door tussenkomst van de vader van betrokkene, die hem steeds kan motiveren de ECT-behandelingen te ondergaan en vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven. De rechtbank is betrekkelijk uitgebreid op dit verweer ingegaan en heeft dit uiteindelijk verworpen (blz. 2 Rb). Dat oordeel berust op een waardering van de feiten, welke in een cassatieprocedure niet kan worden getoetst anders dan op de begrijpelijkheid van de motivering. Het oordeel geeft geen blijk van miskenning van art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz of van art. 1:453 BW. Het argument in de toelichting op dit cassatiemiddel, dat de rechtbank en de behandelaar op 10 december 2009 (twee dagen na het opstellen van de geneeskundige verklaring) van mening waren "dat er wel degelijk sprake is van voldoende bereidheid", heb ik niet teruggevonden in (de motivering van) de beschikking van 10 december 2009; het middel noemt verder geen vindplaats.

9. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 In verband met het gestelde op blz. 3 van het cassatierekest merk ik op dat tegen een beschikking houdende voorlopige machtiging geen hoger beroep openstaat (art. 9 lid 5 Wet Bopz), maar wel beroep in cassatie.

2 De afkorting staat voor: electro convulsie therapie. Zie over deze behandelmethode bijv. Rb. 's-Gravenhage 25 april 2005 (LJN: AU1562), BJ 2005, 28 m.nt. R.H. Zuijderhoudt; Rb. Zutphen 5 april 2007 (LJN: BA6675), BJ 2007, 30 m.nt. red.