Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM4398

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
08/04155
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2008:BC5638
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM4398
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Verhoor i.s.m. pressieverbod van art. 29.1 Sv? HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/1230
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/04155

Mr. Machielse

Zitting 11 mei 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 4 maart 2008 vrijgesproken van de tenlastegelegde misdrijven.

2. Mr. A.M.W. Verdegaal, Advocaat-Generaal bij het Ressortsparket te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr. L. Plas, plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Ressortsparket te 's-Hertogenbosch heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3.1 Het middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat de wijze waarop verdachte door de politie is verhoord in strijd is met het pressieverbod.

3.2 Het Hof heeft overwogen:

"A l .

Op de zitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat door de wijze waarop de politie het dossier heeft opgebouwd, gehandeld is in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Volgens de raadsman zijn de op papier gestelde verhoren die zich in het dossier bevinden zeer summier weergegeven in vergelijking met de werkelijk gesproken tekst. Zo zouden bepaalde van belang zijnde passages niet of slechts zeer summier op schrift zijn gesteld, zoals het herhaaldelijk hameren door de verhorende verbalisanten op het beweerde ziek zijn van de verdachte. Verder zouden de verhoren in het dossier veel stelliger zijn dan de daadwerkelijk gesproken teksten en zouden de twijfels die de verdachte heeft uitgesproken niet in het proces-verbaal zijn opgenomen.

A2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het dossier bevinden zich diverse processen-verbaal waarin de verhoren van de verdachte op schrift zijn weergegeven. Deze verhoren zijn tevens vastgelegd op DVD. Het hof heeft delen uit deze DVD's bekeken. Verder zijn alle op DVD opgenomen verhoren woordelijk uitgeschreven.

Ten aanzien van de verhoren van de verdachte is het volgende gebleken.

De verdachte is verspreid over een vijftal dagen twaalfmaal verhoord. Tijdens de verhoren hebben de verbalisanten veelvuldig gebruik gemaakt van suggestieve en sturende vraagstellingen. Zo werd het onderwerp 'benzine' ter sprake gebracht door de verdachte op 11 januari 2006. Aan de verdachte werd gevraagd wat hij bij Karwei had gekocht. Het antwoord van de verdachte was dat hij alleen lampjes had gekocht. Vervolgens werd gevraagd of de verdachte zeker wist dat hij geen brandbare middelen had gekocht. De verdachte ontkende en voerde toen aan zeker geen benzine te hebben gekocht. De reactie hierop van de verhorende verbalisanten was dat dit daderkennis was.

Verder is door de verbalisanten herhaaldelijk op een bijkans manipulatieve wijze benadrukt dat de verdachte psychisch ziek zou zijn. Zo hield een van de verbalisanten de verdachte, nadat deze zich vertwijfeld had afgevraagd waarom hij het gedaan zou hebben, voor: "omdat je ziek bent".

A3.

Het hof acht de hiervoor omschreven wijze van verhoor ongeoorloofd en in strijd met het

pressieverbod zoals dit is neergelegd in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van

Strafvordering. Evenwel is naar het oordeel van het hof geen sprake van een ernstige

schending van beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust tekort is gedaan aan

het recht van de verdachte op een behoorlijke behandeling van zijn zaak.

Het verweer wordt verworpen.

Vrijspraak

- B 1 -

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

B2.

Het hof overweegt dienaangaande nog het volgende.

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, dat het enige directe bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit besloten ligt in zijn verklaringen bij de politie als verdachte op en na 10 januari 2006.

Deze verklaringen acht het hof evenwel niet bruikbaar voor het bewijs van het ten laste gelegde. Zoals hiervoor besproken acht het hof de wijze waarop de verdachte in de onderhavige zaak door de politie is verhoord, ongeoorloofd en in strijd met het pressieverbod van artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dit brengt mee dat deze verklaringen moeten worden aangemerkt als niet in vrijheid afgelegd. Nu verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep stellig heeft ontkend, acht het hof de verklaringen bij de politie, voor zover deze als bekennend kunnen worden geduid, onvoldoende betrouwbaar.

Ander bewijsmateriaal waaruit de directe betrokkenheid van de verdachte volgt, heeft het hof niet aangetroffen."

3.3 In het middel wordt betoogd dat 's Hofs motivering niet begrijpelijk is omdat er slechts twee voorbeelden worden gegeven terwijl het Hof het heeft over "veelvuldig gebruik" van suggestieve en sturende vraagstellingen en over "herhaaldelijk" op een bijkans manipulatieve wijze benadrukken dat verdachte psychisch ziek zou zijn. Bovendien is niet begrijpelijk waarom de in deze voorbeelden genoemde situaties als zodanig zijn aan te merken.

3.4 Art. 29, eerste lid, Sv bevat het verbod om op de verdachte ongeoorloofde lichamelijke en psychische druk uit te oefenen om hem te laten bekennen. Het ontlokken van een verklaring kan op vele manieren plaatsvinden. Ongeoorloofde verhoormethoden zijn giften, beloften, misbruik van gezag, bedreiging, geweld, misleiding, strikvragen en ongeoorloofde zedelijke druk.(1) De grens tussen toelaatbare beïnvloeding en ongeoorloofde pressie is niet steeds duidelijk. Verhorende opsporingsambtenaren mogen een verdachte bijvoorbeeld niet voorhouden dat hij naar huis mag zodra hij een bekentenis heeft afgelegd maar hij mag wel op de mogelijkheid gewezen worden dat hij na het afleggen van een verklaring eventueel naar huis mag.(2) Inspelen op de religieuze overtuiging(3) of familiesituatie(4) van de verdachte is evenmin toelaatbaar. In het algemeen kan worden gezegd dat gedragingen tijdens verhoren - zoals gebaren en mededelingen - die naar hun aard de strekking hebben een verklaring van de verdachte te verkrijgen waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd, onrechtmatig zijn.(5)

3.5 De mogelijkheid dat het Hof zou oordelen dat tijdens de politieverhoren in strijd met art. 29, eerste lid, Sv is gehandeld en dat de daarop afgelegde verklaringen niet alleen op ongeoorloofde wijze verkregen maar ook als onbetrouwbaar zouden zijn aan te merken, is niet uit de lucht komen vallen. De wijze waarop de politie verdachte heeft verhoord is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veelvuldig besproken. Bij rapport van 16 september 2006 hebben twee deskundigen, na een daartoe verstrekte opdracht door de rechter-commissaris, hun bevindingen weergegeven over het verhoor van verdachte. De deskundigen concluderen dat in hun onderzoek meer steun gevonden kan worden voor het scenario waarin de bekentenis door verdachte vals is dan voor een scenario waarin die betekenis waarheidsgetrouw is. In deze rapportage staat onder meer:

"Voorts maken verbalisanten veelvuldig gebruik van suggestieve vraagstellingen. Voorbeelden hiervan zullen veelvuldig aan bod komen bij beantwoording van uw tweede vraag. (...)

Verder valt nog een aantal zaken op. Zo benadrukken de verbalisanten herhaaldelijk dat de verdachte ziek is en weten ze te melden dat er twee [verdachten] bestaan. Eén lieve en behulpzame [verdachte], en één [verdachte] waarbij een bommetje zou zijn gebarsten waardoor hij de brand zou hebben gesticht. Tijdens het verhoor op 12 januari wordt zelfs gemeld dat zijn "kinderen ook [zien] dat [hij] ziek [is]" (disk 5, 2.36.00). Vlak voordat de verdachte bekent, houdt een van de verbalisanten de verdachte nog eens voor, nadat hij zich vertwijfeld afvraagt waarom hij het überhaupt gedaan zou hebben, dat hij ziek is: "Omdat je ziek bent. Ik vind dat moeilijk om te zeggen, maar ik hou van eerlijk zijn. En dit klinkt heel hard, maar jij bent ziek" (disk 5, 3.03.10). De verdachte vraagt uiteindelijk dan ook aan verbalisant of hij, als hij ziek was, dit gedaan zou kunnen hebben. Nadat de verbalisant hem hiervan verzekert heeft ("Ja, zeker te weten", disk 5, 3.05.10), bekent verdachte dan ook."

En bij het beantwoorden van vraag twee staat onder meer het volgende:

"de manier waarop er gezocht is naar informatie over deze doek was uitermate suggestief en kan derhalve niet voor daderkennis worden gehouden."

en

"Tijdens het verhoor van 12 januari heeft verdachte gezegd dat hij beneden een kaars had aangestoken (disk 6, 16.20). Even verderop gaan de verhoorders verder op de kaars door te vragen of het "een losse kaars (was) of stond het ergens in" (disk 6, 18.30). Verdachte antwoord met: "Zo'n waxinelichtje, of een gewone kaars, ik weet het ook niet". "Zou het ook een waxinelichtje kunnen zijn" was daarop de wedervraag van de verhoorders. De enige conclusie die getrokken kan worden, is dat de informatie over het waxinelichtje hem door de verhoorders is aangereikt met suggestieve vragen."

Ter terechtzitting van 12 oktober 2007 in hoger beroep deelt de voorzitter mee dat, gelet op de aanwijzingen van de deskundigen dat verdachtes verklaringen bij de politie een valse bekentenis vormen en de summiere schriftelijke weergave van de verhoren, de verhoren uitgeschreven moeten worden. De voorzitter geeft aan eerst grondig te willen onderzoeken of de afgelegde verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Bij schrijven van 13 februari 2008 stelt Wolters, psycholoog, op verzoek van het OM een second-opinion op over de vraag naar de geloofwaardigheid van de bekentenis van verdachte.

Ter terechtzitting van 19 februari 2008 stelt de voorzitter aan Wolters, die als deskundige gehoord wordt, de vraag wat hij vindt van opmerkingen van de verhoorders over het ziek zijn van verdachte. Wolters antwoordt dat hij dat begrijpelijk vindt nu de verhoorders zullen hebben gedacht dat verdachte schizofreen was. Vervolgens zegt Wolters dat het klopt dat door het voorhouden aan verdachte dat hij ziek is, het gevaar groeit dat verdachte iets zegt wat niet juist is. Men had daarmee voorzichtiger moeten zijn, volgens Wolters.

3.6 Tegen de achtergrond van hetgeen ter terechtzitting is besproken, meen ik dat het Hof niet gehouden was om meer voorbeelden te noemen.

Voorts is niet onbegrijpelijk dat het Hof van oordeel is dat het voorhouden aan verdachte dat hij psychisch ziek zou zijn bijkans manipulatief is. Nu in cassatie niet is aangevoerd waarom dergelijke uitlatingen verdachte onberoerd hebben gelaten en het dossier ook anderszins geen aanwijzingen bevat dat de verbalisanten slechts met de beste bedoelingen verdachtes geestesgesteldheid aan de orde hebben gesteld - zoals bijvoorbeeld bij een koppige verdachte die duidelijk baat zou hebben bij een behandeling van een ontstoken wond - levert 's Hofs oordeel geen onbegrijpelijkheid op.

Evenmin is onbegrijpelijk dat de vragen over het kopen van de brandbare middelen als sturend en suggestief zijn aangemerkt. Door in een vraag een wezenlijk element te voegen dat niet eerder aan de orde is geweest en ook niet door de verdachte is genoemd en de verdachte te vragen of hij zeker weet dat hij niets met dit element te maken heeft, heeft de verbalisant het verhoor in ieder geval in een bepaalde richting gestuurd.

Dat het Hof heeft geoordeeld dat de politie door sturende en suggestieve vragen te stellen en meerdere malen te zeggen dat verdachte psychisch ziek is in strijd met het pressieverbod heeft gehandeld waardoor een onbetrouwbare verklaring is verkregen, vind ik niet onbegrijpelijk.

3.7 In het middel wordt nog gesteld dat uit de tekst van art. 29, eerste lid, Sv kan worden afgeleid dat er sprake moet zijn van een zodanig verband tussen de gevolgde wijze van verhoren en de "als bekennend te duiden" verklaringen van de verdachte dat die verklaringen geacht moeten worden niet in vrijheid te zijn afgelegd. Hoewel deze stelling niet hoeft te worden besproken nu in de toelichting niet wordt gesteld dat een zodanig verband ontbreekt, wil ik er toch wel iets over opmerken.

Het lijkt erop dat de steller van het middel van mening is dat het pressieverbod pas dan aan de orde is als een verdachte een bekentenis heeft afgelegd. Die gedachte is onjuist. Ook als de verdachte blijft zwijgen of als de verdachte verklaringen aflegt die niet met de waarheid overeenkomen kan de rechter oordelen dat tijdens het verhoor in strijd met art. 29, eerste lid, Sv is gehandeld. Pas bij de vraag of en hoe dit verzuim dient te worden gesanctioneerd - door niet-ontvankelijkverklaring van het OM, bewijsuitsluiting of strafvermindering - is dit verschil relevant. Uitsluiting van het bewijs is een voor de hand liggende sanctie als de verdachte heeft bekend, maar is juist onbruikbaar als verdachte is blijven zwijgen.

Overigens is het Hof niet toegekomen aan het uitsluiten van de verklaring van het bewijs, omdat de verklaring reeds buiten beschouwing is gelaten wegens onvoldoende betrouwbaarheid van de verklaring.(6)

3.8 Het middel faalt.

4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Melai/Groenhuijsen, art 29, aantekening 10 waarin wordt verwezen naar J. Remmelink, Het verhoor in strafzaken, RMThemis 1966, p. 332-335.

Gerritsen stelt in haar bijdrage in AA (2000) 4, p. 228-238 dat dit rijtje op het eerste gzicht helder is, maar bij nader inzien mistig blijkt te zijn; zij stelt o.a. dat zonder enige nuancering niet kan worden gezegd dat misleiding ongeoorloofd is; Gerritsen meent dat de grens van het ontoelaatbare pas is overschreden als de gestelde vragen bedoeld zijn om de verdachte met onwaarheden of onjuiste suggesties te misleiden; suggestieve vragen als 'je wist toch dat ze nog geen zestien was? en 'wat deed jij op 6 april in Rotterdam' terwijl niet vaststaat dat de verdachte op die dag in die stad was of 'waarom stopte je niet met slaan?' zijn volgens Gerritsen niet ongeoorloofd omdat ze weliswaar een belangrijke stap overslaan maar niet het oogmerk hebben de verdachte te misleiden.

Iets anders: Lensing en Mulder in 'Hoofdbeginselen van strafprocesrecht, 1994 (p. 86); zij stellen dat suggestieve vragen: 'Is het niet waar dat (...)?', 'U weet toch wel dat (...)?' niet toelaatbaar zijn wanneer het omstandigheden betreft die door de verdachte worden ontkend maar aan de verdachte een erkentenis ontlokken waartoe hij zich niet zou hebben verleid bij een neutrale vraag.

2 HR 19 april 1988, NJ 1989, 15; HR 22 september 1998, NJ 1999, 104 m.nt. JdH. Zie ook HR 3 juli 1989, NJ 1990, 122.

3 Naeyé, Heterdaad, 1990, 2e gew. druk, p. 237.

4 Lensing en Mulder, Hoofdbeginselen van strafprocesrecht, 1994, p. 86.

5 Zie voor voorbeelden: HR 9 mei 2000, NJ 2000, 521, m.nt. YB, waarin het Hof het maken van schietende bewegingen bij het hoofd van verdachte en de opmerking dat de rechtbank voor waar zal aannemen wat tegen hem pleit en daarbij zeggen 'wij gaan knippen en plakken' ten onrechte niet als onrechtmatig had aangemerkt;

HR 12 maart 2002, LJN AD8906, waarin het Hof ten onrechte niet als onrechtmatig had aangemerkt dat een verbalisant tijdens een verhoor tegen de verdachte heeft gezegd dat de politie ervoor kan zorgen dat de verdachte twintig jaren krijgt opgelegd alsmede dat het mogelijk is om verdachtes gezichtsprofiel te laten passen in de in het dossier aanwezige compositietekening; idem HR 12 maart 2002, LJN AD8901.

6 HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, m.nt. YB, rov. 3.6.4.