Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM4309

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
08/02712 Hs
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM4309
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Geurproef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02712 Hs

Mr. Fokkens

Zitting 11 mei 2010

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijke uitspraak van 13 november 2003(1) wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien weken.

2. De raadsman van aanvrager heeft namens hem herziening gevraagd. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2° Sv. Wat de raadsman daartoe aanvoert komt erop neer dat de vervolging in deze zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.

3. Voor wat betreft de aanleiding van het verzoek verwijs ik naar wat in HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592 in rubriek 4 ten aanzien van soortgelijke zaken is vermeld. In die uitspraak heeft de Hoge Raad verder overwogen dat hij tegen de achtergrond van wat in zijn arrest eerder was vastgesteld aanneemt:

"dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - heeft plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dat brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden".

In de onderhavige zaak is door genoemde geurhondendienst op 13 januari 2003 een geuridentificatieproef gehouden.

4. Ten laste van aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt verzocht bewezen verklaard dat:

"hij op 29 december 2002 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een viswinkel heeft weggenomen een kassalade met kleingeld en een pot zuur toebehorende aan V.O.F. [A], waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak."

5. De aanvulling op het arrest houdt het volgende in:

1. Het (als bijlage 1 bij het in de wettelijke vorm opgemaakt stamproces-verbaal, genummerd 2002076433, gedateerd op 7 januari 2002 en opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], dienstdoende bij politie Flevoland, district Almere, gevoegd) in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, genummerd 2002076433-1, gedateerd op 29 december 2002 en opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], dienstdoende bij politie Flevoland, district Zuid, voor zover inhoudende als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1] - zakelijk weergegeven - :

Ik ben namens de benadeelde V.O.F. [A], [a-straat 1] te [plaats] gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben een medewerker van de viswinkel [A]. Op 29 december 2002, omstreeks 07.40 uur werd ik gebeld dat er ingebroken was in de viswinkel. De daders hebben de winkelruit ingeslagen. Via het gat in de ruit heeft men de kassalade van een aldaar staande kassa opengemaakt en de geldlade weggenomen. Ook hebben ze een pot zuur weggenomen. Ik kan niet met zekerheid zeggen hoeveel geld er in de lade zat. Dit was het klein geld om de dag mee te beginnen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het (als bijlage 2 bij voormeld stamproces-verbaal gevoegd) in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, genummerd 2002076433-3, gedateerd op 29 december 2002 en opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], dienstdoende bij politie Flevoland, district Zuid, voor zover inhoudende als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 2] - zakelijk weergegeven - :

Zojuist, 29 december 2002, omstreeks 07.00 uur lag ik in mijn woning te slapen. Ik werd wakker van lawaai en ik ben uit bed gegaan om te kijken. Ik hoorde het geluid van slaan op een ruit en vervolgens het geluid van brekend glas. Ik keek vervolgens vanuit het raam van mijn woonkamer naar beneden de winkelstraat in. Dit is de [a-straat]. Ik zag toen schuin beneden mijn woning een drietal jongens staan voor de aldaar gevestigde vishandel. Ik zag dat een van de jongens door een gat in de ruit aan de kassa stond te trekken, welke achter het raam in de viswinkel stond. Ik zag vervolgens dat één van de jongens de kassa door het gat in de ruit naar buiten trok. Ik zag toen ook dat één van de jongens een pot met uien of iets dergelijks door het gat in de ruit uit de viswinkel pakte.

3. De verklaring van de getuige [betrokkene 3], afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 30 oktober 2003, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Mijn broer en mijn moeder wonen allebei in [plaats]. Ik ben op 29 december 2002 omstreeks 06.30 uur op de fiets weggegaan. [Betrokkene 4] en [aanvrager] waren ook op de fiets. Ze zaten met zijn tweeën op één fiets. Ik zag ze en ik ben met ze meegegaan. Vervolgens zag ik dat [aanvrager] met een fiets en met zijn voet het raam van de viswinkel aan de [a-straat] aan het intrappen was. Hoe dat ging? Er zat een barst in het raam. [Aanvrager] zat op zijn fiets terwijl hij met zijn voet het raam van de viswinkel intrapte waarna hij de kassalade eruit haalde. Hoe hij dat deed? Hij duwde met zijn mouw tegen het glas waar de barst zat waardoor het gat groter werd. Via dat gat haalde hij de kassalade eruit. Ik heb door dat zelfde gat de pot uien gepakt. [Aanvrager] had de kassa in zijn hand en [betrokkene 4] fietste.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2002076433-29, gedateerd op 20 oktober 2003 en opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 4], beiden dienstdoende bij regiopolitie Flevoland, Basiseenheid Almere Buiten, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten - zakelijk weergegeven -

Op 29 december 2002, omstreeks 07.00 uur kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse bij een inbraak gepleegd bij de viswinkel V.O.F. [A] aan de [a-straat 1] te [plaats]. Wij, verbalisanten, zagen dat de ruit van de viswinkel, gelegen aan het voetpad van de [a-straat], verbroken was. Wij, verbalisanten, zagen dat onder de ruit op het voetpad twee losse keien lagen. Wij hebben de keien veilig gesteld.

5. Het in de wettelijke vorm opgeraakt proces-verbaal uitvoeren geuridentificatie, genummerd 13.01.03.13.25.[...], gedateerd op 13 januari 2003 en opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6], dienstdoende bij de technische recherche van de regiopolitie Twente respectievelijk bij de regiopolitie Flevoland, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten - zakelijk weergegeven -

Verdachte: [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats]

wonende [b-straat 1] te [plaats]

Feit: Inbraak bedrijf

Straat en plaats: [a-straat 1] te [plaats]

Datum feit: 29 december 2002

Corpus delicti: twee straatkeien, 2002076433, veiliggesteld op 29 december 2002

Op 13 januari 2003 werd door mij, [verbalisant 5], speurhondengeleider, tevens brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente, een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Rex. Met de hond Rex haalde ik op 19 december 2001 een certificaat Politie speurhond menselijke geur, Identificatie taak, certificaatnummer 08/01. De geuridentificatieproef werd uitgevoerd in de daarvoor bestemde ruimte van de afdeling speurhonden te Apeldoorn, op verzoek van de regiopolitie Flevoland. Als gecertificeerd helper was ik, [verbalisant 6], brigadier, werkzaam bij de regiopolitie Flevoland, bij de proef betrokken.

Op 7 januari 2003 werd door mij, [verbalisant 6], de geuridentificatieproef voorbereid in politiebureau te Almere, waarbij ik de verdachte, de controlepersoon en 5 figuranten, nagenoeg gelijktijdig ieder twee geurdragers liet vasthouden. Nadat zij de geurdragers, te weten roestvrij stalen geuridentificatiebuizen, en het controle voorwerp (aansteker) gedurende 5 minuten in handen hadden gehouden, kon worden aangenomen dat hieraan voldoende menselijke lucht kleefde waarna de geurdragers en het controlevoorwerp door mij werden ingenomen. Deze werden afzonderlijk verpakt in steriele glazen potten die door mij werden afgesloten met een deksel en gewaarmerkt. De pot van de verdachte werd door mij gemerkt met X, de potten van de controle persoon met A en de potten van de vijf figuranten met B t/m F.

Deze geuren werden Rex aangeboden op twee zogenaamde identificatiebanken. De buisjes liggen vast en kunnen door de geleider worden vrijgegeven. Nadat Rex een geur is aangeboden loopt hij in de lengterichting over de rij tijdens het beruiken van de buisjes. Als Rex zijn keus maakt probeert hij het betreffende buisje te apporteren. Door mij, [verbalisant 5], wordt dan door middel van handopsteken aan de helper kenbaar gemaakt dat Rex een duidelijke keuze maakt en wordt door mij, [verbalisant 5], na het afgesproken teken van de helper, het betreffende buisje vrijgegeven waarna Rex dit buisje kan en zal apporteren.

Op 13 januari 2003 heb ik, [verbalisant 6], de geurdragers volgens het schema (N° 35) geplaatst op de identificatiebanken. Volgens dit schema werden de geurdragers van de verdachte op de posities 2 (rij 1) en 2 (rij 2) geplaatst De afstand tussen de geurdragers bedroeg ongeveer 50 centimeter.

Stap 4.

Nadat ik, [verbalisant 5], de hond Rex geur gaf van het corpus delicti (twee straatkeien, 2002076433), liet ik Rex vrij zoeken op rij 1. Ik zag toen dat Rex de geurdrager op positie 2 wilde apporteren hetgeen ik meldde aan de helper. Nadat de helper mij een teken had gegeven dat Rex de geurdrager van de verdachte had gekozen liet ik Rex de geurdrager apporteren.

Stap 5.

Vervolgens gaf ik Rex opnieuw geur van het corpus delicti (twee straatkeien, 2002076433), en liet Rex Vrij zoeken op rij 2. Ik zag dat Rex de geurdrager op positie 2 wilde apporteren hetgeen ik meldde aan de helper. Nadat de helper mij een teken had gegeven dat Rex de geurdrager van de verdachte had gekozen liet ik Rex de geurdrager apporteren.

CONCLUSIE:

Gezien het gedrag en de werkwijze van Rex bleek mij, [verbalisant 5], dat Rex geurovereenkomst waarnam tussen, tenminste een van de corpus delicti (twee straatkeien, 2002076433), en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte [aanvrager].

De geuridentificatieproef is uitgevoerd volgens de voorschriften, genoemd in supplement 2 van het Keuringsregelement Politiespeurhond menselijke geur (sept 1997). De namen van de geurdragers zijn mij, [verbalisant 5], bekend.

6. Samengevat komt de hierboven onder 5. weergegeven bewijsconstructie van het Hof op het volgende neer. Het bewezenverklaarde feit betreft een diefstal door middel van braak in een viswinkel aan de [a-straat 1] te [plaats]. De verbalisanten zagen, toen zij op 29 december 2002 omstreeks 07.00 uur bij de viswinkel aankwamen, dat de ruit gebroken was. Getuige [betrokkene 2] verklaart dat hij op de nacht van de inbraak het geluid van brekend glas heeft gehoord. Toen hij door het raam de [a-straat] in keek zag hij drie jongens voor de viswinkel staan. Een van hen trok volgens hem door het gat in de ruit de kassa naar buiten. Een ander pakte door het gat in de ruit een pot uien uit de viswinkel. De mededader [betrokkene 3] verklaart ter terechtzitting van het Hof dat hij op de nacht van de inbraak omstreeks 06.30 uur tezamen met [betrokkene 4] en de aanvrager op de fiets naar de viswinkel is gereden. Toen zij daar aankwamen heeft de aanvrager de ruit van de viswinkel ingetrapt en vervolgens de kassalade door dit gat naar buiten getrokken. De mededader verklaart tevens dat hij vervolgens zelf de pot met uien uit de viswinkel heeft gepakt. Daarna zijn ze weggefietst. Onder de ruit op het voetpad hebben de verbalisanten twee losse keien gevonden. Op deze keien zijn geurdoeken aangebracht welke zijn veiliggesteld ten behoeve van een geuridentificatieproef. Hierbij is een geurovereenkomst waargenomen tussen de buisjes met daarin de menselijke geur van aanvrager en de keien.

7. Het bewijsmiddel 5 komt te vervallen, nu het resultaat van de geurproef niet voor het bewijs gebruikt kan worden. De vraag is of het Hof op grond van de overige bewijsmiddelen ook tot een veroordeling zou zijn gekomen. Het komt mij voor dat het op grond van al het voorgaande aannemelijk is dat het Hof ook zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het overige bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen. De aangifte van [betrokkene 1] en de verklaring van getuige [betrokkene 2] in combinatie met de verklaring van de mededader [betrokkene 3], kan de conclusie dat aanvrager met zijn metgezellen heeft ingebroken in de viswinkel zelfstandig dragen. Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder de resultaten van de geuridentificatieproeven uit het beschikbare bewijsmateriaal kan worden afgeleid, is er geen sprake van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken, indien het de resultaten van de geurproef niet had kunnen gebruiken.

8. Ik concludeer dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Tegen 's Hofs arrest is beroep in cassatie ingesteld door de aanvrager, welk beroep door de Hoge Raad bij arrest van 14 december 2004 (nr. 01051/04) is verworpen.