Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM4095

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
08/04839 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM4095
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklagzaak. Faillissement en beslag ex art. 94 Sv. Art. 33 Fw. Een faillissement staat niet eraan in de weg dat ex art. 94 Sv strafvorderlijk beslag wordt gelegd. Het stelsel van de Fw brengt mee dat het faillissement, als alg. beslag, in de plaats treedt van de maatregelen van executie die tevoren de schuldeisers afzonderlijk konden nemen. Dit komt o.m. tot uitdrukking in art. 33 Fw, volgens hetwelk het vonnis van faillietverklaring ten gevolge heeft dat alle gerechtelijke t.u.l. een einde neemt en gelegde beslagen vervallen (HR NJ 1964, 144). Gelet daarop en op de wetsgeschiedenis, in samenhang bezien met art. 94d.3 Sv moet worden aangenomen dat in geval van faillissement van de beslagene wel een ex art. 94a Sv gelegd conservatoir verhaalsbeslag vervalt, maar niet een ex art. 94 Sv gelegd beslag. Dat beslag dient immers de waarheidsvinding in strafzaken dan wel veiligstelling van voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring of o.a.h.v. door de strafrechter kan worden bevolen, en houdt derhalve geen verband met de positie van de overheid als schuldeiser. Het oordeel van de Rb getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het kennelijke oordeel dat art. 33 Fw ook niet eraan in de weg staat dat onder de gefailleerde ex art. 94 Sv beslag wordt gelegd getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/946
RI 2010/68
NJ 2013/322 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
NJB 2010, 1614
JOW 2011/3
JOR 2010/327
NBSTRAF 2010/333
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/04839 B

Mr. Vegter

Zitting: 20 april 2010

Conclusie inzake:

K.C. Mensink in hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1]

1. De Rechtbank te Haarlem heeft het beklag strekkende tot opheffing van het daarop gelegde beslag en afgifte aan klager van de in de beschikking omschreven in beslag genomen voorwerpen (een geldbedrag, een laptop, een gsm en diverse administratieve bescheiden) ongegrond verklaard.

2. Namens de klager heeft mr. A. de Groot, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Beide middelen komen op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de Officier van Justitie voorwerpen in beslag kan nemen onder een verdachte die op dat moment in staat van faillissement verkeert en dat art. 33 Faillissementswet niet in de weg zou staan aan strafvorderlijke beslaglegging op tot het faillissement behorende voorwerpen en gelden, en dat dit beslag slechts beheerst zou worden door de regels van het Wetboek van Strafvordering.

4. De Rechtbank te Amsterdam heeft op 27 maart 2007 [betrokkene 1], verdachte in de onderliggende strafzaak, failliet verklaard en klager als curator aangesteld. Op 5 juli 2008 wordt [betrokkene 1] aangehouden op Schiphol op verdenking van witwassen. Onder hem worden 86.010 euro, een laptop, een gsm, een usb-stick, administratieve bescheiden en een auto in beslag genomen.(1) Blijkens het zich onder de stukken bevindende politieproces-verbaal strekt de inbeslagname (in eerste instantie) tot nader onderzoek van het inbeslaggenomene en voor wat betreft het geldbedrag, tot onderzoek naar de herkomst daarvan.

5. Klager, de curator, dient een klaagschrift in strekkende tot opheffing van het beslag en tot afgifte aan hem van het in beslag genomen geldbedrag en de laptop, de gsm, en diverse administratieve bescheiden. Tijdens de behandeling in raadkamer op 11 september 2007 is ook [betrokkene 1] als belanghebbende aanwezig.

6. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer hebben klager, belanghebbende respectievelijk de Officier van Justitie daar het volgende aangevoerd:

"Klager, in raadkamer ondervraagd, verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Het in beslaggenomen geldbedrag en overige goederen en administratieve bescheiden zijn eigendom van [betrokkene 1]. De helft van het geldbedrag is bij [betrokkene 1] aangetroffen en de andere helft bij zijn vriendin, [betrokkene 2]. Deze vriendin heeft verklaard dat zij het geld heeft gekregen van [betrokkene 1]. De rechtbank te Amsterdam heeft op 27 maart 2007 het faillissement van [betrokkene 1] uitgesproken. Ik ben belast met het beheer van de eigendommen van [betrokkene 1]. De goederen vallen onder het algemene faillissementsbeslag en op grond van artikel 33 van de Faillissementswet is strafvorderlijk beslag niet mogelijk. De officier van justitie kan zich, net als een ander, bij mij melden als crediteur. De officier van justitie stelt dat het onderzoek nog in gang is, maar dat staat niet in de weg om mij het geldbedrag en de overige stukken te doen toekomen. Een eventuele tussenoplossing is om het geld te storten op een bankrekening.

[Betrokkene 1], belanghebbende, verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik ben bestuurder van [A]. Het in beslaggenomen geldbedrag en andere zaken moeten terug naar de rechtmatige eigenaar. De crediteuren willen geld terug. Ik ben ook aandeelhouder van [A]. Als het geld terug is bij [A] wil ik overleggen met de curator hoe daarmee om te gaan.

De officier van justitie voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:

Het bezwaarschrift dient ongegrond te worden verklaard. De inbeslagname dient gehandhaafd te worden gelet op het strafvorderlijk belang. Er is onderzoek gaande naar het geldbedrag en de overige goederen en hieruit kan een mogelijke verbeurdverklaring volgen. Een verbeurdverklaring is een straf en het in staat van faillissement verkeren van verdachte staat dit op zichzelf niet in de weg."

7. In haar beschikking heeft de Rechtbank het volgende overwogen en beslist:

"2. Beoordeling

Vast is komen te staan, dat bedoeld beslag op 5 juli 2008, gelet op de voorwaarden die strafvordering daaraan stelt, op rechtmatige wijze onder verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt.

Klager heeft er onder meer op gewezen, dat het in beslaggenomen geldbedrag en overige goederen en administratieve bescheiden eigendom zijn van [betrokkene 1]. De rechtbank Amsterdam heeft op 27 maart 2007 het faillissement van [betrokkene 1] uitgesproken. Klager is als curator belast met het beheer van de eigendommen van [betrokkene 1]. Volgens klager vallen de goederen onder het algemene faillissementsbeslag en is op grond van artikel 33 van de Faillissementswet strafvorderlijk beslag niet mogelijk.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. De inbeslagname dient gehandhaafd te worden gelet op het strafvorderlijk belang. Er is onderzoek gaande naar het geld en de overige goederen en hieruit kan een mogelijke verbeurdverklaring volgen. Een verbeurdverklaring is een straf en het in staat van faillissement verkeren van verdachte staat dit op zichzelf niet in de weg.

De rechtbank is het volgende van oordeel. Op 5 juli 2008 zijn op Schiphol [betrokkene 1] en diens vriendin, [betrokkene 2], aangehouden. [Betrokkene 1] bleek te willen reizen met een valse identiteitkaart. Bij zowel [betrokkene 1] als bij zijn vriendin [betrokkene 2] is een grote hoeveelheid geld in contanten aangetroffen. [Betrokkene 2] heeft verklaard dat het geld dat bij haar is aangetroffen aan [betrokkene 1] toebehoort. Gelet op deze omstandigheden is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat het geld en de overige goederen verbeurd zullen worden verklaard. Het belang van strafvordering is aldus nog steeds aanwezig.

Aan het bovenstaande staat niet in de weg het bepaalde in artikel 33 van de Faillissementswet. De ratio van dat artikel is immers dat schuldeisers niet buiten de verdeling van de boedel hun vordering op vermogensbestanddelen van de failliet kunnen verhalen.

Strafvorderlijk beslag dient andere doelen dan het verhalen van een vordering en valt dus buiten de reikwijdte van genoemd artikel. Een zodanig beslag vangt aan en eindigt volgens de regels van het Wetboek van Strafvordering, waaraan in casu is getoetst.

Op grond van het vorenstaande dient derhalve met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift ongegrond."

8. Als uitgangspunt bij de beoordeling van de middelen neem ik het oordeel van de Rechtbank dat de curator inderdaad kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van eerste lid van artikel 552a Sv. Die benadering sluit aan bij een beslissing van de Hoge Raad uit 1996.(2) Het betrof daar de vraag of een faillissementscurator belanghebbende kan zijn in de zin van artikel 552b Sv. In overweging 6.5 oordeelt de Hoge Raad: "Aldus kan van de curator, als gevolg van de hem bij wet opgedragen taak tot beheer en vereffening van de failliete boedel, worden gezegd dat deze als belanghebbende in de zin van 552 Sv kan worden aangemerkt." Dat argument gaat evenzeer op in het kader van artikel 552a Sv. Ik wijs er op dat in de literatuur wel twijfel is geuit. Voor die twijfel geeft Keulen(3) twee redenen: (1) de curator legt in zo'n geval eigendomsvragen voor en past minder bij het karakter van de beklagprocedure waarin niet ten volle wordt getoetst; (2) de curator claimt niet zozeer teruggave van het voorwerp, maar hij vraagt om feitelijke afgifte die wordt gerechtvaardigd door het vervallen van het beslag tengevolge van faillietverklaring. Als ik Keulen goed begrijp, komt hij ondanks deze bezwaren tot de slotsom dat de curator als belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv kan worden aangemerkt.

9. In de literatuur wordt, voor zover ik heb geconstateerd, algemeen de opvatting verdedigd dat het strafvorderlijk beslag op de voet van art. 94 Sv, het beslag dat dient voor de waarheidsvinding of de verbeurdverklaring, niet vervalt door faillissement, omdat het belang van strafvordering zich daartegen verzet.(4) En een beslag ex art. 94 Sv zou ook niet strekken tot verhaal. Het strafvorderlijk conservatoir beslag van art. 94a Sv vervalt wel in geval van faillissement op grond van art. 33 Fw.

In de toelichting op het middel wordt onder 18 een beroep gedaan op de wetsgeschiedenis van de ontnemingsmaatregel. Het betreft een passage in de memorie van toelichting(5): "Wordt de betrokkene op vordering van het openbaar ministerie failliet verklaard dan heeft dat wel tot gevolg dat krachtens het Wetboek van strafvordering gelegde beslagen, zoals alle beslagen, vervallen (vgl. art. 33 Fw). Dat geldt overigens ook voor krachtens Strafvordering gelegde conservatoire beslagen, indien het door toedoen van anderen tot fallietverklaring komt." Ik volg de door de steller van het middel onder punt 20 mede op grond hiervan getrokken conclusie niet. Geconcludeerd wordt namelijk dat algemene regel voor de conservatoire beslagen van artikel 94a Sv tevens zou gelden voor beslagen op grond van artikel 94 lid 2 Sv (beslag ter verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer(6)).

De eerste zin in bovenvermeld citaat is algemeen geformuleerd en geldt voor alle beslagen. Bedacht moet echter worden dat die zin zelf de beperking geeft: failliet verklaard op vordering van de Officier van Justitie. Dat is hier niet aan de orde. Het gaat dus om het tweede deel van het citaat en dat geldt alleen voor conservatoir beslag en daarmee wordt mijns inziens uitsluitend gedoeld op het beslag van artikel 94a Sv en dus niet op dat van artikel 94, tweede lid Sv.(7)

10. Een argument om het beslag ter verbeurdverklaring niet te doen vervallen bij faillissement is nog het volgende. In verband met het vervallen van beslag kan de Officier van Justitie in artikel 94d Sv tot bewaring van het recht op verhaal crediteursbevoegdheden uitoefenen. Weliswaar zwijgt artikel 94d Sv over de gevallen, waarin de Officier van Justitie die bevoegdheden kan uitoefenen, maar uit de memorie van toelichting valt af te leiden dat de Officier van Justitie hier optreedt ten behoeve van het verhaal als bedoeld in artikel 94a Sv.(8) Voor uitoefening van crediteursbevoegdheden door de Officier van Justitie ingeval van het vervallen van beslag ter verbeurdverklaring biedt de wet dus geen grondslag. Als de steller van het middel wordt gevolgd, betekent dit dus dat de Officier van Justitie bij het vervallen van beslag ter verbeurdverklaring in een aanzienlijk zwakkere positie komt dan bij het vervallen van conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv. Dat kan de bedoeling van de wetgever niet zijn.

11. In de toelichting op het middel (punt 21 e.v.) wordt het accent begrijpelijkerwijs gelegd op de omstandigheid dat een met het oog op verbeurdverklaring voortdurend beslag louter een conservatoir karakter heeft. Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat deze vorm van het gewone beslag op grond van artikel 94 Sv gelet op het bijzondere karakter moet worden behandeld als ware sprake van een conservatoir beslag als bedoeld in artikel 94a Sv. Hierboven heb ik al geconstateerd dat de geciteerde passage uit de memorie van toelichting er geen steun aan biedt en de tekst van de bepalingen evenmin. Toch kan ik mij bij de redenering van de steller van het middel wel iets voorstellen. Waarom moet een beslag op geld als baat van een delict anders worden behandeld dan een beslag op geld als instrument of object van het delict?

12. Het lijkt mij geraden om desondanks vast te houden aan het in de literatuur algemeen onderschreven onderscheid tussen het beslag van artikel 94 Sv waarvoor het faillissement als regel geen betekenis heeft en het beslag van 94a Sv dat vervalt bij faillissement. Dat behoeft ook niet tot ongelukken te leiden. De rechter kan bij een beklag inzake beslag ter verbeurdverklaring namelijk wel beoordelen of en in hoeverre het vervallen van de kans op verbeurdverklaring aanleiding geeft tot teruggave van de voorwerpen.(9) Voorwaarde daarvoor lijkt echter wel dat er geen verschil van inzicht bestaat over de rechten op de voorwerpen. Immers het overstijgt het summiere karakter van de behandeling en beoordeling in de raadkamer om in dat kader ingewikkelde civielrechtelijke knopen door te hakken. In de onderhavige procedure lijkt er in ieder geval tussen de curator en [betrokkene 1] verschil van inzicht te zijn over de vraag wie de rechthebbende op het geld is. [betrokkene 1] heeft zich immers op het standpunt gesteld dat het geld [A] toebehoort, terwijl de curator van oordeel is dat het geld in de boedel van [betrokkene 1] valt.

13. De steller van het middel gebruikt ter toelichting enkele malen (zie punt 23, 29 en 30 van de cassatieschriftuur) het argument dat de bijkomende straf van verbeurdverklaring slechts een geldvordering is van de Staat op de gefailleerde. Deze karakterisering lijkt mij niet juist voor verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen. Voor inbeslaggenomen voorwerpen geldt immers dat bij verbeurdverklaring de eigendom van het voorwerp van rechtswege overgaat op de Staat. De redenering van de steller van het middel kan opgaan bij verbeurdverklaring van voorwerpen die niet inbeslaggenomen zijn. In dat geval geldt immers dat de voorwerpen moeten worden uitgeleverd of de geschatte waarde moet worden betaald (art. 34 lid 2 Sr).

14. Uitgaande van de regel dat het strafvorderlijk beslag op de voet van art. 94 Sv, het beslag dus dat dient voor de waarheidsvinding of de verbeurdverklaring, niet vervalt door faillissement, omdat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, is er niets mis met het oordeel van de Rechtbank. De overweging van de Rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat het geld en de andere voorwerpen verbeurd zullen worden verklaard geeft blijk van toepassing van het juiste criterium en is niet onbegrijpelijk. Met de Rechtbank kan gezegd worden dat artikel 33 van de Faillissementswet niet aan inbeslagneming ter verbeurdverklaring in de weg staat (en dus ook niet dwingt tot teruggave). Hetgeen de Rechtbank verder nog overweegt over de ratio van artikel 33 van de Faillissementswet, het doel, het begin en het einde van strafvorderlijk beslag is in zijn algemeenheid niet onjuist. .

15. Beide middelen falen.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Er is overigens geen afgifte gevraagd van de auto en de usb-stick.

2 HR 12 maart 1996, NJ 1996, 479.

3 B.F.Keulen, Crimineel vermogen en strafrecht, Deventer 1999, p. 188.

4 Zie bijv. R.M. Vennix, Boef en beslag, p.87; N.J. Polak, Faillissementsrecht, 2002, p. 83; Wessels, Insolventierecht; gevolgen van faillietverklaring (1), deel II, 2e, 269; de Aanwijzing ontneming (2009A003) van het Openbaar Ministerie, paragraaf 3.5. Keulen, a.w., p.175.

5 Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21 504, nr. 3, p.27.

6 De onttrekking aan het verkeer laat ik verder buiten beschouwing, omdat het gevaarskarakter van de voorwerpen die vatbaar zijn voor onttrekking aan teruggave in de weg staat.

7 Zie ook Keulen, a.w., p. 175.

8 TK 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 26-27. Zie ook Wöretshofer in T&C Strafrecht, aantek. 2 bij art. 94d Sr.

9 Al dan niet naar aanleiding van een beklag van een curator als belanghebbende. Aldus ook Keulen, a.w., p. 175.