Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM3642

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
08/02727
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM3642
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gevaarlijk dier a.b.i. art. 425.2° Sr. ’s Hofs oordeel dat de hond reeds vóór de overtreding gevaarlijk voor personen kon zijn en derhalve een gevaarlijk dier i.d.z.v. art. 425.2° Sr is, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/821
NJ 2010/378
NJB 2010, 1420
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02727

Mr. Knigge

Zitting: 20 april 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier" veroordeeld tot een geldboete van € 500, --, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft het Hof een onder de verdachte inbeslaggenomen dier verbeurd verklaard, en de teruggave aan de verdachte gelast van een onder de verdachte inbeslaggenomen dier.

2. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"zij op 24 juli 2007 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder haar hoede staand gevaarlijk dier, te weten een hond (zijnde een kruising tussen een Rottweiler en een herdershond), immers heeft zij toen en aldaar die hond onbeheerd achter gelaten op een onvoldoende afgesloten terrein, gelegen aan de [a-straat], waarna die hond dat terrein verliet en vervolgens een persoon, te weten [slachtoffer 1], heeft gebeten in zijn schoen en een persoon, te weten [slachtoffer 2], meermalen in haar onderbeen heeft gebeten."

4. Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de hond van de verdachte kan worden aangemerkt als een gevaarlijk dier blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het oordeel van het Hof dat de hond ook voor de incidenten van 24 juli 2007 reeds als zodanig moest worden aangemerkt onbegrijpelijk is.

5. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt de aanvulling als bedoeld in de artikelen 415 jo. 365a Sv in:

"1.1 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende voorzover van belang:

Ik woon op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Bij mijn huis hoort een terrein, dat vanaf de openbare weg toegankelijk is. Op 24 juli 2007 moest ik naar de dierenarts. In de zenuwen ben ik mijn honden Brons en Cha Cha vergeten en heb hen op het terrein bij mijn huis achtergelaten. Ik wist dat de honden dit niet gewend waren omdat ik deze tijdens mijn afwezigheid in de regel binnenshuis bracht. Cha Cha (naar het hof begrijpt: de in de te lastelegging genoemde hond) is een onzuivere Rottweiler, te weten een kruising tussen een Rottweiler en een herdershond en is een waakhond die normaal gesproken niet los loopt. De hekken van het terrein waarop de honden zich bevonden waren niet door middel van sloten afgegrendeld en het terrein was voor een ieder vanaf de openbare weg toegankelijk.

1.2. Een proces-verbaal met nummer PL 1251/07-094099, op 2 augustus 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 4] (dossierparagraaf 11).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Er staat me bij dat met Cha Cha in het verleden een politietraining is gedaan. Cha Cha is een felle tante. Als ze op het erf loopt en er komt iemand aan laat zij veel agressie zien. Dan gromt en blaft zij heel erg. Daarbij zie ik een borstel op haar rug komen. Zij maakt zich groot, doet afwisselend haar oren omhoog en plat, ontbloot haar tanden en trekt haar mondhoeken naar achteren."

6. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt het bestreden arrest in:

"Bespreking van een gevoerd verweer

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de honden van verdachte, te weten Cha Cha, zijnde een kruising tussen een Rottweiler en een herdershond, en Brons, een Mechelse herder, niet als een gevaarlijk dier in de zin van artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt, nu niet is gebleken dat deze honden gevaarlijk waren voor de overtreding werd gepleegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende. Op 24 juli 2007 is verdachte met één van haar honden, een paar maanden oude Bull Mastif, naar de dierenarts gegaan. Verdachte heeft haar twee andere honden, de Mechelse herder Brons en de hond Cha Cha achtergelaten op het terrein waar verdachte tijdelijk verbleef. Tijdens haar afwezigheid hebben de achtergebleven honden het terrein kunnen verlaten. De honden zijn vervolgens blaffend en grommend op een zich op openbare weg bevindende fietser af gerend, waarbij Cha Cha de fietser in zijn schoen heeft gebeten. Tevens heeft Cha Cha een ter plaatste gekomen politieagente meermalen in haar onderbeen gebeten.

Het hof beperkt zich bij de bespreking van bovenvermeld verweer tot de hond Cha Cha nu alleen deze hond in de tenlastelegging wordt vermeld.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat Cha Cha een onzuivere Rottweiler, te weten een kruising tussen een Rottweiler en een herder, is en dat zij een waakhond is die normaal gesproken niet los loopt. Verdachte heeft tevens verklaard dat zij de hond in haar zenuwen, omdat zij onverwachts naar de dierenarts moest, is vergeten en deze op het terrein heeft achtergelaten, terwijl zij wist dat de hond dit niet gewend was omdat zij deze tijdens haar afwezigheid in de regel binnenshuis bracht. Volgens verdachte waren de hekken van het terrein waarop de hond zich bevond niet door middel van sloten afgegrendeld en was het terrein voor een ieder vanaf de openbare weg toegankelijk. Verdachte heeft op 2 augustus 2007 bij de politie verklaard dat haar bijstaat dat in het verleden met de hond een politietraining is gedaan.

Daarnaast heeft de verdachte op 2 augustus 2007 verklaard dat Cha Cha volgens haar een felle hond is en dat de hond, wanneer deze op het erf loopt en er iemand aan komt, veel agressie vertoont. De agressie blijkt volgens verdachte uit het grommen en blaffen en het overeind zetten van de haren. Ook maakt de hond zich op een dergelijk moment groot, ontbloot deze haar tanden en trekt de hond de mondhoeken naar achteren.

Al het voorgaande in aanmerking nemend, is het hof van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze door verdachte over de hond naar voren zijn gebracht -en niet slechts door de bijtincidenten op 24 juli 2007- kan worden aangenomen dat de hond Cha Cha gevaarlijk voor personen kan zijn en derhalve als gevaarlijk in de zin van artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt.

Het hof heeft kennis genomen van de door de raadsman ingebrachte brief van het dierentehuis Kennemerland van 20 mei 2008 en het e-mailbericht van 21 mei 2008 van H. Luik, erkend Kynologisch Gedragstherapeut, waaruit blijkt dat de hond thans goed is te hanteren en de prognose positief is te noemen. Gelet op het voorgaande, zal het hof de hond niet onttrekken aan het verkeer, zodat de hond niet behoeft te worden afgemaakt. Teruggave van de hond aan verdachte acht het hof echter onverantwoord nu onvoldoende vast staat dat zich niet opnieuw een vergelijkbaar incident zal kunnen voordoen als op 24 juli 2007 indien de hond zich onder de hoede van verdachte bevindt."

7. De toelichting op het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat de beoordeling of sprake is van een gevaarlijk dier ex ante moet geschieden, zodat in het onderhavige geval de bijtincidenten van 24 juli 2007 bij die beoordeling derhalve geen rol mogen spelen.(1) Anders dan het middel kennelijk meent, heeft het Hof zulks ook niet gedaan. In zijn hiervoor weergegeven overweging is het Hof kennelijk ingegaan op het door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat niet gebleken is dat de hond reeds voor de overtreding werd gepleegd gevaarlijk was, en heeft het in dat verband tot uitdrukking gebracht dat ook afgezien van de bijtincidenten de hond als een gevaarlijk dier moet worden beschouwd. Voor zover het middel klaagt dat het oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting faalt het dan ook.

8. De vraag is vervolgens of het oordeel van het Hof dat in casu sprake was van een gevaarlijke hond, onbegrijpelijk is. Ik stel daarbij voorop dat een hond niet eerst dan als "gevaarlijk" in de zin van art. 425 Sr kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. Volgens de Hoge Raad moet ook een hond "waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, als gevaarlijk in de zin van die bepaling [..] worden aangemerkt".(2) Ik meen deze overweging daarbij zo te mogen begrijpen dat een hond "gevaren oplevert" als er een bepaalde kans is dat hij de schade aanricht die art. 425 Sr beoogt te voorkomen. De vraag waarop het zogezien aankomt, is hoe groot die kans dient te zijn. Volgens Van Dale is "gevaarlijk" het tegengestelde van "ongevaarlijk". Op grond daarvan kan worden verdedigd dat de plicht tot onschadelijk houden waaraan art. 425 Sr refereert, wordt geactiveerd zodra er niet meer vanuitgegaan mag worden dat de hond géén gevaar oplevert. Zelf zou ik menen dat er een nuanceverschil is tussen "gevaarlijk" en "niet ongevaarlijk". Dat betekent gezien de wettekst dat er positieve aanwijzingen dienen te zijn dat de hond gevaar oplevert. Daarvan is mijns inziens sprake als er een serieuze kans of een aanmerkelijk risico bestaat dat de hond schade aanricht. Wat in elk geval niet vereist is, is dat vooraf met zekerheid vaststaat dat de hond schade aanricht als geen voorzorgsmaatregelen worden genomen.

9. Ik meen dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de bewijsmiddelen 1.1 en 1.2 zoals die hiervoor zijn weergegeven, voldoende feiten en omstandigheden inhouden op grond waarvan het Hof heeft kunnen oordelen dat er een aanmerkelijk risico bestond dat Cha Cha, indien zij alleen wordt achtergelaten, mensen zou aanvallen. Tot die omstandigheden behoort ook dat Cha Cha niet gewend was om los rond te lopen zonder dat haar bazin daarbij aanwezig was. Die onwennige situatie zal het risico dat Cha Cha haar tanden in onbekende voorbijgangers zou zetten, hebben vergroot. Het Hof zal daarbij uit de verklaring van de verdachte dat Cha Cha een waakhond is "die normaal gesproken niet los loopt" en dat verdachte in de zenuwen "vergeten" was de honden in huis op te sluiten, hebben afgeleid dat de verdachte, haar Cha Cha kennende, van oordeel was dat het niet verantwoord was de hond los te laten rond lopen als zij daarbij niet aanwezig was.

10. Aan de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel doet niet af dat, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, het Hof heeft vastgesteld dat de hond heel erg blaft indien zij op het erf is en er iemand aan komt. Dat dit blaffen een contra-indicatie voor gevaarlijkheid oplevert omdat "blaffende honden niet bijten", durf ik de steller van het middel niet na te zeggen. Een feit van algemene bekendheid levert deze volkswijsheid in elk geval niet op.(3) Het moge misschien zo zijn dat als een hond blijft blaffen terwijl er geen belemmeringen zijn om aan te vallen, aangenomen mag worden dat hij niet zal bijten. Als de hond aangelijnd is, moet er op grond van zijn agressieve blaffen en grommen wel ernstig rekening mee worden gehouden dat hij zal bijten als hij los gelaten wordt.

11. Dat, zoals voorts in de toelichting op het middel wordt gesteld, ook de meest miezerige hondjes het in bewijsmidel 1.2 omschreven gedrag kunnen vertonen (en dan, zo lijkt de toelichting op het middel te willen betogen, niet als gevaarlijk dier kunnen worden aangemerkt), doet aan de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel niet af. Het Hof heeft immers vastgesteld dat het hier niet het gedrag van een miezerig hondje betreft, maar een kruising tussen een Rottweiler en een herdershond. Bovendien heeft het Hof niet alleen op grond van dit gedrag aangenomen dat Cha Cha gevaarlijk was. Zie punt 9.

12. In de toelichting op het middel wordt voorts nog opgemerkt dat de omstandigheid dat de hond heeft meegedaan aan een politietraining mogelijk als een contra-indicatie voor gevaarlijkheid zou kunnen worden aangemerkt. Erkend kan worden dat de gedachtegang van het Hof op dit punt niet erg duidelijk is. Aan de begrijpelijkheid van 's Hofs motivering in haar geheel beschouwd, doet dat mijns inziens echter niet af.

13. Tot slot wordt in de toelichting op het middel nog geklaagd dat 's Hofs oordeel dat de hond ten tijde van het tenlastegelegde als een gevaarlijk dier moest worden aangemerkt onbegrijpelijk is, nu het Hof de hond kennelijk niet gevaarlijk genoeg vond om haar te onttrekken aan het verkeer.

14. Het middel berust op de weinig optimistische gedachte dat een gevaarlijk dier onverbeterlijk is. Eens gevaarlijk, altijd gevaarlijk. Dat die gedachte onjuist is, leert lezing van de aan de pleinota in hoger beroep gehechte verslagen van de erkend Kynologische Gedragstherapeut waarop het Hof zich baseert. Daaruit blijkt dat zich een gedragsverandering heeft voltrokken waarop Reclassering Nederland jaloers mag zijn. Op grond daarvan was Cha Cha niet langer zo gevaarlijk dat ze afgemaakt moest worden. De spectaculaire gedragsverandering was mede het gevolg van een verandering van de omgeving. Daarmee wordt en passant nog eens onderstreept dat situationele factoren (waaronder het gedrag van de baas en een afwijking van wat de hond gewend is) van invloed zijn op de grootte van het risico dat de hond zal bijten en daarmee op diens gevaarlijkheid in de zin van art. 425 Sr.

15. Het middel faalt.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie in die zin de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Meijers ten behoeve van HR 28 februari 1989, NJ 1990, 8, als ook Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 425, aant. 2 (bijgewerkt tot 1 juli 2006 door A.J.M. Machielse).

2 HR 10 maart 1992, LJN ZC8999, NJ 1992, 591.

3 Ik merk op dat uit bewijsmiddel 2 blijkt dat Cha Cha, toen zij het slachtoffer [slachtoffer 1] aanviel, eerst gromde en blafte en vervolgens toehapte.