Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM3638

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
08/01889
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM3638
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn en betekening verstekmededeling. HR herhaalt daaromtrent relevante overwegingen uit HR LJN BD2578 en neemt voorts in aanmerking hetgeen in HR LJN ZD2099 is overwogen t.a.v. de op de verdachte rustende verplichting om te zorgen dat hij op de hoogte raakt van de inhoud van voor hem bedoelde stukken. I.c. kan niet worden gezegd dat de vertraging die is opgetreden vanaf de datum van de bestreden uitspraak tot de datum waarop cassatie is ingesteld valt toe te rekenen aan het OM, in aanmerking genomen dat de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend op de in art. 588.1.b.3° Sv voorziene wijze, het OM minstens 1 maal per jaar heeft getracht te achterhalen of verdachte inmiddels in de GBA was opgenomen en verdachte op geen enkel moment ingeschreven is geweest in de GBA. Van overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/951
NJ 2010/458
NBSTRAF 2010/323
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/01889

Mr. Aben

Zitting 20 april 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft de verdachte bij arrest van 7 maart 2003 wegens 1. "het medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging, meermalen gepleegd", 2. "het medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of volledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging, meermalen gepleegd" en 3. "het medeplegen van opzettelijk een in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen bedoelde verplichting niet nakomen, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging, meermalen gepleegd" bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het betalen van een geldboete van € 10.000,- (subsidiair 185 dagen hechtenis).

2. Namens de verdachte is er beroep in cassatie ingesteld. Mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingediend, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het tweede middel klaagt over de betekening van de dagvaarding in hoger beroep. De akte van uitreiking van de appeldagvaarding d.d. 11 december 2002 houdt niet in dat die dagvaarding overeenkomstig artikel 588, derde lid aanhef en onder c Sv per gewone brief aan het GBA-adres van de verdachte is verzonden, aldus de steller van het middel.

3.2. Voor zover hier relevant hield artikel 588 Sv ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep het volgende in:

'1. De uitreiking geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, dan wel,

2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde, dan wel,

3°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend.

(..)

3. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

b. niemand wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde of aan een door deze gemachtigde op de plaats die vermeld wordt in een schriftelijk bericht dat op het in de mededeling vermelde adres wordt achtergelaten. Uitreiking aan een door de geadresseerde schriftelijk gemachtigde geldt als betekening in persoon;

c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. De griffier zendt alsdan de mededeling onverwijld als gewone brief over de post aan dat adres en tekent zulks aan op de akte van uitreiking, bedoeld in artikel 589. (..)'

3.3.1. Uit de stukken van het geding kan omtrent de betekening van de dagvaarding in hoger beroep het volgende worden afgeleid. Blijkens een recent GBA-overzicht d.d. 7 april 2010 stond de verdachte vanaf 5 november 2001 ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Volgens datzelfde overzicht was van de verdachte in de periode van 19 december 2002 tot 31 december 2008 geen vaste woon- of verblijfplaats bekend. Eerdere GBA-overzichten vermelden in dit verband dat de verdachte vanaf 19 december 2002 vertrokken was naar 'Land onbekend.' Dat laatste betekent niet dat de verdachte is geëmigreerd. In "GBA-taal" staat deze vermelding gelijk aan: geen (nieuw) adres bekend.

3.3.2. Op 6 december 2002 (op welke datum - alsook vijf dagen nadien - de verdachte dus stond ingeschreven op voornoemd GBA-adres) is getracht de appèldagvaarding aan de verdachte uit te reiken op zijn GBA-adres, nogmaals: [a-straat 1] te [woonplaats]. Het uitreiken van de dagvaarding is toen niet gelukt, omdat volgens de mededeling van degene die zich op dat adres bevond de verdachte zich niet op dat adres bevond, noch daar verbleef. Op 6 december 2002 heeft de postbode de dagvaarding teruggezonden aan de afzender, waarna de dagvaarding is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de rechtbank te Arnhem.

3.3.3. Ingevolge de hiervoor aangehaalde wettelijke bepaling diende de appèldagvaarding door de griffier vervolgens per gewone post naar het GBA-adres van de verdachte te worden verzonden. In de akte uitreiking is in dit verband aangetekend dat de gerechtelijke brief op 11 december 2002 als gewone brief is verzonden, welke verklaring is bekrachtigd door de handtekening van de griffier. Door de griffier is echter niet één van de hokjes aangekruist die ertoe dienen nader te specificeren naar welk adres de dagvaarding per gewone brief is verzonden: ofwel aan het 'aan ommezijde vermelde adres van geadresseerde' (in dit geval dus meergenoemd GBA-adres), ofwel 'aan een door de afdeling bevolking van de woongemeente van geadresseerde opgegeven nieuw adres te weten:'.

3.4. Waarschijnlijk bedoelt de steller van het middel te betogen dat vanwege het verzuim van de griffier om één van die hokjes aan te kruisen niet kan worden vastgesteld dat de dagvaarding overeenkomstig het wettelijke voorschrift naar het GBA-adres van de verdachte is verzonden, zodat het hof de appèldagvaarding nietig had dienen te verklaren. De vraag is echter of aan bedoeld verzuim deze door de steller van het middel getrokken conclusie moet worden verbonden. Ik meen van niet.

3.5. In de bestreden uitspraak ligt besloten 's hofs oordeel dat de griffier heeft nagelaten aan te kruisen dat de brief 'aan het aan ommezijde vermelde adres van geadresseerde' is verzonden, en dat dit verzuim van de griffier uitsluitend als een als zodanig kenbaar abuis moet worden bestempeld. Ik acht dat kennelijke oordeel in het licht van de stukken onjuist, noch onbegrijpelijk. Behoudens van voornoemd GBA-adres, blijkt immers niet van enig ander adres waarnaar de appèldagvaarding verzonden had kunnen worden. Er is dan ook door de griffier geen "opgegeven nieuw adres" ingevuld.(1)

3.6. Het tweede middel faalt.

4.1. Het eerste middel klaagt over een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in de cassatiefase, aangezien het openbaar ministerie bij de betekening van de verstekmededeling ex artikel 366 Sv niet de nodige voortvarendheid zou hebben betracht. De steller van het middel voert daartoe aan, zo begrijp ik,

(1) dat de verstekmededeling nooit rechtsgeldig is betekend,

(2) dat het openbaar ministerie geen verzoek heeft gedaan om over te gaan tot opneming van de verdachte in het opsporingsregister,

(3) dat het openbaar ministerie iedere poging heeft nagelaten op enig moment na 3 juli 2003 te achterhalen of, en zo ja op welk adres, de verdachte in de basisadministratie stond ingeschreven, en

(4) dat er in de periode na 3 juli 2003 geen handeling is verricht die strekte tot mededeling van het bij verstek gewezen arrest.

4.2.1. Vooropgesteld zij het volgende. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van artikel 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.(2) In het geval de dagvaarding of de oproeping om ter nadere terechtzitting te verschijnen niet in persoon is betekend en de verdachte niet ter (nadere) terechtzitting is verschenen noch bij de uitspraak aanwezig is, kan de verdachte lange tijd onkundig blijven van de einduitspraak en van de mogelijkheid tot aanwending van een rechtsmiddel. Indien in een dergelijk geval van de verdachte een woon- of verblijfplaats bekend is (of door middel van het raadplegen van de gemeentelijke basisadministratie bekend kan zijn) en het openbaar ministerie doet geen of onvoldoende moeite om de mededeling uitspraak aan de verdachte te betekenen, kan in voorkomende gevallen de verdachte daardoor aanzienlijk langer met de bestreden uitspraak onbekend blijven dan nodig was geweest. Een niet te rechtvaardigen vertraging in de rechtsgang die daarvan het gevolg is, kan meebrengen dat de berechting niet binnen de in artikel 6 EVRM genoemde redelijke termijn heeft plaatsgevonden.(3)

4.2.2. Voor zover hier relevant overwoog de Hoge Raad in het eerder aangehaald overzichtsarrest inzake de redelijke termijn:

"Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:

(...)

b. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3o, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, èn indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv."(4)

De woorden 'in elk geval' zijn in dit verband - naar moet worden aangenomen - niet zonder betekenis en brengen m.i. tot uitdrukking dat niet in alle gevallen waarin één van de door de Hoge Raad genoemde, toepasselijke voorwaarden onvervuld is gebleven (bijvoorbeeld: het openbaar ministerie heeft nagelaten de verdachte in het opsporingsregister te plaatsen), de redelijke termijn geacht moet worden te zijn overschreden.

In dit arrest heeft de Hoge Raad voorts nog overwogen omtrent de duur van de redelijke termijn:

"De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

(...)

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, (...)."(5)

4.2.3. Ik roep in dit verband bovendien een overweging in herinnering die de Hoge Raad in meer arresten in zijn beoordeling van deze kwestie heeft betrokken:

"Bij de beoordeling van het middel dient in aanmerking te worden genomen dat een verdachte, die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres waar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven, en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht kan beroepen op schending van de hiervoor genoemde verdragsbepaling."(6)

In verband met het aanwezigheidsrecht heeft de Hoge Raad overwogen:

"Tenslotte geldt dat van degene die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appèldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt."(7)

Het komt mij voor dat deze door de Hoge Raad uitgesproken normatieve verwachting evenzeer betrekking heeft op de bereikbaarheid voor verstekmededelingen.(8)

4.3. Ter beoordeling van de klacht zijn de volgende, uit de stukken voortvloeiende feiten en omstandigheden, van belang:

(i) in eerste aanleg is de verdachte op 28 februari 2002 bij verstek veroordeeld door de rechtbank te Arnhem;

(ii) uit een zich onder de stukken bevindende akte van uitreiking kan worden afgeleid dat het verstekvonnis op 26 maart 2002 in persoon aan de verdachte is uitgereikt;

(iii) blijkens een akte rechtsmiddel heeft verdachtes raadsman mr. Zwarts, die ter griffie van de rechtbank Arnhem verklaarde door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het instellen van het hoger beroep, op 28 maart 2002 appèl ingesteld tegen het verstekvonnis;

(iv) de dagvaarding in hoger beroep is op 11 december 2002 op de voet van artikel 588 derde lid aanhef en onder c Sv rechtsgeldig aan de griffier betekend en tevens per gewone brief aan het GBA-adres van de verdachte verzonden;(9)

(v) de verdachte, die niet is verschenen op de zitting in hoger beroep d.d. 21 februari 2003, is door het hof op 7 maart 2003 bij verstek veroordeeld;

(vi) uit verscheidene (welgeteld zeventien)(10) zich onder de stukken bevindende 'GBA-overzichten' (met inbegrip van een door de griffie van de Hoge Raad op 7 april 2010 opgevraagd exemplaar) vloeit m.i. voort dat de verdachte vanaf 19 december 2002 niet meer stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en tevens dat hij op de onderscheidene momenten van bevraging niet was gedetineerd. Een (ander) verblijfadres hier te lande was niet bekend. Met ingang van 31 december 2008, enkele maanden nadat de verdachte de leeftijd van 65 jaar had bereikt, heeft de verdachte zich wederom doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie;

(vii) uit een akte uitreiking kan voorts worden afgeleid dat op 2 juli 2003 tevergeefs getracht is de mededeling uitspraak aan de verdachte te betekenen op het laatst bekende GBA-adres ([a-straat 1] te [woonplaats]), alsmede dat deze mededeling op 3 juli 2003 aan de griffier is betekend en vervolgens per gewone brief aan voornoemd (laatst- en enigbekend) adres is verzonden;

(viii) uit nog een andere akte van uitreiking kan worden afgeleid dat de mededeling uitspraak ook op 21 januari 2005 aan de griffier is uitgereikt, omdat van de verdachte in Nederland geen woon- of verblijfplaats bekend was;

(ix) op 25 april 2008 heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld.

4.4.1. De hierboven onder 4.3. weergegeven gang van zaken leidt in het licht van hetgeen ik onder 4.2. heb vooropgesteld tot het volgende. De verdachte droeg, gelet op de betekening in persoon van het verstekvonnis, alsmede gelet op het instellen van het hoger beroep, kennis van de vervolging die tegen hem aanhangig was.(11)

4.4.2. Kort nadat de dagvaarding in hoger beroep op rechtsgeldige wijze is betekend, heeft de verdachte zich uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie. Niet blijkt dat de verdachte op de voorgeschreven wijze opgave heeft gedaan van zijn verhuizingen en/of in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen heeft getroffen om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres waar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven. Een andere woon- of verblijfplaats dan het adres aan [a-straat] te [woonplaats] is door hem niet op enigerlei wijze bekend gemaakt.(12) Alleen al om die reden kan de verdachte zich m.i. niet beroepen op een schending van meergenoemde verdragsbepaling. Degene die hoger beroep instelt tegen een hem onwelgevallig strafvonnis en zich vervolgens schuil houdt voor justitie, heeft de lange duur van de strafvervolging die daarvan het gevolg kan zijn zelf in de hand gewerkt en ging daaronder derhalve klaarblijkelijk niet gebukt.

4.4.3. Tegenover dit absolute stilzitten van de verdachte, heeft het openbaar ministerie - anders dan de steller van het middel lijkt te willen betogen - in dit verband wel degelijk de nodige inspanningen verricht. Zo heeft het zowel in 2003 als in 2005 de mededeling uitspraak rechtsgeldig doen betekenen. Blijkens de akte uitreiking is in 2003 de mededeling uitspraak niet alleen aan de griffier betekend, maar is daarbij ook getracht de mededeling uitspraak te betekenen op het laatst bekende GBA-adres van de verdachte. Naar dit adres is de desbetreffende mededeling vervolgens per gewone brief verzonden. Voorts heeft het openbaar ministerie zoals gezegd door middel van het raadplegen van GBA-overzichten veelvuldig getracht te achterhalen of de verdachte zich inmiddels weer had ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

4.4.4. Gelet op het vorenstaande kan niet worden volgehouden dat de vertraging die is opgetreden vanaf de datum waarop de bestreden uitspraak is gewezen (7 maart 2003) tot de datum waarop de verdachte cassatieberoep heeft ingesteld (25 april 2008) valt toe te rekenen aan het openbaar ministerie. In dat tijdvak is van een overschrijding van de redelijke termijn dus geen sprake geweest. Dat niet uit de stukken voortvloeit dat het openbaar ministerie de verdachte in die periode in het opsporingsregister heeft doen opnemen of daartoe een verzoek heeft gedaan doet daaraan m.i. dus niet af.

4.4.5. Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen, kan de alsdan vastgestelde schending van artikel 6 EVRM op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd door vermindering van de opgelegde straf.

4.5. Het middel faalt.

5. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. eenzelfde geval met een gelijke uitkomst: HR 5 juni 2007, LJN AZ8360, CAG Machielse.

2 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, r.o. 3.19 (overzichtsarrest inzake de redelijke termijn).

3 Tekst & Commentaar Strafvordering, 8e druk, a.t. 6 bij artikel 366 Sv, p. 1309 e.v.

4 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. Mevis, r.o. 3.19.

5 Zie vorige voetnoot, r.o. 3.13.1.

6 Vgl. HR 1 juli 1996, NJ 1997, 6; HR 30 januari 2001, LJN ZD2099, NJ 2001, 243; HR 10 december 2002, LJN AE9630, r.o. 3.4.; HR 12 april 2005, LJN AS4741, NJ 2005, 385; HR 15 november 2005, LJN AU3475; HR 7 maart 2006, LJNAU8283; en HR 31 oktober 2006, LJN AY8320, r.o. 4.3.. Zie ook de conclusie van mijn voormalige Bleichrodt voorafgaande aan HR 1 april 2008, LJN BC5931, waarin de Hoge Raad klaarblijkelijk belang hechtte aan de omstandigheid dat de verdachte in de relevante periode wél stond ingeschreven in een gemeentelijke basisadministratie.

7 HR12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.37. Uit HR 12 april 2005, LJN AS4741, NJ 2005, 385 leid ik af dat deze overweging zich ook leent voor toepassing binnen het bestek van de beoordeling van de op zijn redelijkheid te toetsen termijn.

8 Zo begrijp ik althans ook het genoemde HR 12 april 2005, LJN AS4741, NJ 2005, 385.

9 Zie de bespreking van het eerste middel.

10 In de periode tussen het wijzen van het bestreden arrest (7 maart 2003) en het instellen van het cassatieberoep (25 april 2008) zijn er op naam van de verdachte - door naar aangenomen kan worden het openbaar ministerie - op de navolgende zestien data door middel van de zogeheten VIP-applicatie GBA-overzichten opgevraagd: 1 juli 2003, 3 juli 2003, 11 december 2003, 2 maart 2004, 13 mei 2004, 2 december 2004, 7 april 2005, 29 juli 2005, 27 december 2005, 28 juni 2006, 18 oktober 2006, 5 februari 2007, 2 mei 2007, 3 augustus 2007, 12 november 2007 en 3 maart 2008. Alle op deze data opgevraagde uittreksels houden in dat de verdachte sedert 19 december 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet is gedetineerd.

11 Vgl. wederom HR 12 april 2005, NJ 2005, 385.

12 De vraag rijst nog of de verdachte bij de gemeentelijke basisadministratie een adres in het buitenland zou kunnen hebben achtergelaten. Ik verwijs in dat verband naar de uitvoerige conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga voorafgaande aan HR 20 februari 2007, LJN AZ3889, waaraan ik ontleen dat met ingang van 1 juni 2005 in GBA-overzichten die met behulp van de Verwijs Index Personen (VIP) zijn gegenereerd ook de in de GBA opgenomen buitenlandse adressen kunnen worden weergegeven. Toegegeven zij dat daarmee nog niet zonder meer gezegd is dat de eventueel opgegeven buitenlandse adressen daadwerkelijk zijn terug te vinden op het GBA-overzicht. In het bijzonder kan die vraag rijzen ten aanzien van buitenlandse adressen die bij de GBA zouden kunnen zijn achtergelaten voorafgaande aan de datum van 1 juni 2005. Ik heb om die reden navraag gedaan bij de Justitiële Informatiedienst, verantwoordelijk voor het beheer van de VIP. Mij is meegedeeld dat indien in de GBA de buitenlandse-adresgegevens van een emigrant zijn genoteerd, zulks zichtbaar is op de GBA-overzichten die door VIP worden gegenereerd, ongeacht wanneer die eventuele opgave van het buitenlandse adres heeft plaatsgehad. Het afzonderlijk navragen bij de GBA of de verdachte een adres in het buitenland heeft achtergelaten, heeft dus geen meerwaarde, zo begrijp ik die mededeling. In deze zaak is ook op de GBA-overzichten die na 1 juni 2005 zijn opgemaakt geen adres in het buitenland vermeld. Bij deze stand van zaken meen ik dat de Hoge Raad voorbij mag gaan aan de mogelijkheid dat de verdachte toen hij zich liet uitschrijven van het adres [a-straat 1] te [woonplaats] een adres in het buitenland heeft opgegeven. Zulks wordt in cassatie overigens ook niet gesteld. In de cassatieschriftuur deelt de tot cassatie gemachtigde raadsman mede dat zijn cliënt woont op de [a-straat 1] te [woonplaats].