Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM3630

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
07/12758
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2007:BJ1464
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM3630
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Art. 51 Sr. Ontbonden rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit. Ontvankelijkheid OM. 2. Artt. 1.a en 30 Wet op de kansspelen. Internetgokkast. Internetzuil. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 1994/408 en HR LJN NJ 2008/550 m.b.t. de vervolgbaarheid van een rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit indien deze is ontbonden, en HR AE0553 m.b.t. de plicht van de OvJ om onderzoek te doen indien uit de stukken van het geding een rechtsreeks en ernstig vermoeden rijst dat de rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit voor het instellen van de vervolging was ontbonden. Ad 2. ’s Hofs oordeel komt er op neer dat de internetgokzuilen tijdens gebruik kansspelautomaten i.d.z.v. art. 30 Wok vormden. Voor speelautomaten - waaronder ook kansspelautomaten - geldt een apart wettelijk regime, zodat deze zijn uitgezonderd van het algemene verbod van art. 1.a Wok. Gelet daarop getuigt ’s Hofs verwerping van het verweer dat de regeling van de Wok inzake de speelautomaten geen lex speciales vormt t.o.v. art. 1 Wok, waarop de tll. is toegesneden, van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 363
RvdW 2010/1379
NJ 2010/625
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12758

Mr. Aben

Zitting 20 april 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 10 oktober 2007 de verdachte ter zake van "medeplegen van overtreding van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet op de kansspelen, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een geldboete van € 5.000,=.

2. Namens de verdachte is tegen dit arrest cassatie ingesteld. Mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.(1)

3. Het eerste middel keert zich tegen 's hofs verwerping van een verweer dat strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie vanwege de ontbinding van de vennootschap voorafgaande aan de instelling van de vervolging.

4.1.1. Ter terechtzitting van het hof van 26 september 2007 heeft de raadsvrouw het woord gevoerd overeenkomstig haar pleitnota. Daarin is onder meer opgenomen:

"Vervolging ontbonden V.O.F.

De verdachte [verdachte] is ontbonden per 1 januari 2006. De opzegtermijn van een halfjaar is in acht genomen.

Uit het proces-verbaal in de hoofdzaak blijkt dat vervolging is ingesteld tegen de verdachten [medeverdachte 2], [betrokkene 5] en [medeverdachte 1]. De V.O.F, wordt in het proces-verbaal van niet genoemd. Het proces-verbaal is op 26 juli 2005 aan de verdediging ter hand gesteld, dat wil zeggen nadat de opzegging van de V.O.F, tegen 1 januari 2006 al een feit was. Het gegeven dat de V.O.F, ook als verdachte is aangemerkt in de hoofdzaak is voor de verdediging in eerste aanleg pas duidelijk geworden op of vlak voor de eerste zitting van 20 juni 2006.

Het feit dat volgens het ontnemingdossier, dat is opgemaakt op 29 april 2005 en dat blijkens het interlocutoir vonnis van de rechtbank van 4 juli 2006 in de ontnemingzaken tegen zowel verdachte [medeverdachte 2] in persoon als tegen de V.O.F, in een laat stadium in bezit van de verdediging is gesteld, de V.O.F, wordt genoemd als verdachte, is dan ook curieus en maakt niet dat kan worden gezegd dat de vervolging is ingesteld voorafgaande aan de ontbinding van de V.O.F, per 1 januari 2006.

Verzocht wordt derhalve het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in tegen de V.O.F, ingestelde vervolging alsmede in de daarmee samenhangende ontnemingzaak."

4.1.2. Op die terechtzitting heeft de raadsvrouw in aanvulling op het voorgaande nog het volgende te berde gebracht:

"Op de vraag van de advocaat-generaal of de vennootschap onder firma ontbonden is op 1 januari 2006, antwoord ik bevestigend. De vennootschap onder firma is omgezet naar een eenmanszaak. Die eenmanszaak heeft hetzelfde dossiernummer bij de Kamer van Koophandel. Je kunt bij de Kamer van Koophandel niet twee zaken op hetzelfde dossiernummer krijgen. Daar kunt u uit afleiden dat de vennootschap onder firma niet langer bestaat. In een brief van de voormalig advocaat van mijn cliënt van juli 2005 wordt al gesproken over het beëindigen van de vennootschap onder firma."

4.1.3. De raadsvrouw heeft de twee door haar genoemde uittreksels uit het handelsregister van de kamer van koophandel en fabrieken voor De Veluwe en Twente aan het hof overgelegd.(2) Zij komen hieronder ter sprake.

4.1.4. Het hof heeft in het bestreden arrest als volgt overwogen.

"Het openbaar ministerie zou, zo heeft de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting betoogd, niet-ontvankelijk zijn, omdat de vennootschap, [A], al vóórdat het tot de vervolging kwam, per 1 januari 2006 is ontbonden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Vaste rechtspraak leert dat als op het tijdstip dat een vervolging wordt aangevangen voor derden kenbaar is (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister) dat een rechtspersoon of een voor de toepassing van artikel 51 wetboek van Strafrecht daarmee gelijkgestelde entiteit ontbonden is, het recht tot strafvordering tegen die rechtspersoon of die entiteit als vervallen moet worden beschouwd, onverminderd de bevoegdheid van het openbaar ministerie om ter zake van een door die rechtspersoon of voor de toepassing van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht daarmee gelijkgestelde entiteit begaan strafbaar feit een vervolging in te stellen tegen hen die tot dat feit opdracht hebben gegeven of feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging. Is de vervolging evenwel ingesteld voordat jegens derden kenbaar was dat de rechtspersoon of de voor de toepassing van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht daarmee gelijkgestelde entiteit ontbonden is, dan is het recht tot strafvordering door de ontbinding niet aan het openbaar ministerie komen te ontvallen. Met het aan artikel 2:6, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek ten grondslag liggende beginsel strookt te aanvaarden dat in die situatie de zich in staat van liquidatie bevindende rechtspersoon of ingevolge artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht daarmee gelijkgestelde entiteit in zoverre ook strafrechtelijk blijft bestaan.

In de onderhavige zaak is de verdachte een vennootschap onder firma. De vervolging is aangevangen met het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg op 17 mei 2006.

Uit de stukken blijkt ook nu, nadat op de zitting van 30 mei 2007 door het hof aandacht was besteed aan die vraag en daarover om opheldering was gevraagd, niet dat en hoe voor het openbaar ministerie op of kort voor 17 mei 2006 kenbaar kon zijn dat de vennootschap op die datum reeds was ontbonden. Het verweer wordt daarom verworpen."

4.2. Het middel stelt aan de orde op welk tijdstip het recht tot strafvordering tegen een vennootschap onder firma vervalt in de situatie dat die vennootschap is ontbonden.

4.3.1. Verval van het recht tot strafvordering hoeft niet samen te gaan met de ontbinding van een rechtspersoon of een vennootschap. Anders dan natuurlijke personen kunnen rechtspersonen en vennootschappen na ontbinding blijven voortbestaan en zo nodig zelfs herrijzen. Bij leven een fictie, dan ook na de dood. Deze notie geeft in rechte een zekere ruimte voor maatschappelijk gewenste resultaten.

De ontbinding van de vennootschap onder firma heeft in het civiele recht tot gevolg dat de vennootschap moet worden vereffend.(3) De lopende zaken van de ontbonden vennootschap moeten worden afgewikkeld, zodat de boedel in een toestand wordt gebracht waarin deze zonder moeilijkheden kan worden verdeeld. Pas daarna eindigt het civiele bestaan van de ontbonden vennootschap.(4)

4.3.2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 oktober 2007(5) overwegingen gewijd aan het eindpunt van het strafrechtelijke bestaan van een rechtspersoon of van een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid die voor de toepassing van het eerste en tweede lid van artikel 51 Sr met een rechtspersoon wordt gelijkgesteld, zoals de vennootschap onder firma.

Indien op het tijdstip dat een vervolging wordt aangevangen voor derden kenbaar is dat een rechtspersoon of een voor de toepassing van artikel 51 Sr daarmee gelijkgestelde entiteit ontbonden is, moet het recht tot strafvordering tegen die rechtspersoon of die entiteit als vervallen worden beschouwd.

Is de vervolging echter ingesteld voordat jegens derden kenbaar was dat de rechtspersoon of de voor de toepassing van artikel 51 Sr daarmee gelijkgestelde entiteit is ontbonden, dan is het recht tot strafvordering door de ontbinding niet aan het openbaar ministerie komen te ontvallen. Met het aan artikel 2:6, eerste lid, BW ten grondslag liggende beginsel strookt te aanvaarden, aldus de Hoge Raad, dat in die situatie de zich in staat van liquidatie bevindende rechtspersoon of ingevolge artikel 51 Sr daarmee gelijkgestelde entiteit in zoverre ook strafrechtelijk blijft bestaan.

Overigens laat een en ander onverlet de bevoegdheid van het openbaar ministerie om ter zake van een strafbaar feit dat door een rechtspersoon of een daarmee gelijkgestelde entiteit is begaan een vervolging in te stellen tegen hen die tot dat feit opdracht hebben gegeven of feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging.

4.3.3. De ontbinding van een rechtspersoon of een daarmee in dit verband gelijkgestelde vennootschap onder firma staat dus alleen dan aan een strafvervolging in de weg indien zij voor derden kenbaar is op het moment waarop die vervolging een aanvang neemt.

Dit is een demarcatie waarmee de rechtspraktijk uit de voeten kan, maar zij is niet vanzelfsprekend.(6) Wat te doen indien een vennootschap onder firma waarvan de ontbinding voor derden kenbaar is in toestand van vereffening een delict pleegt? Zoiets is niet ondenkbaar bij het afwikkelen van lopende zaken of bij het voeren van een civiele procedure, bijvoorbeeld door als 'bewijsmateriaal' valse geschriften over te leggen. Deze vraag hoeft thans niet tot hoofdbrekens te leiden aangezien de voorliggende casus de beantwoording daarvan niet vergt.

4.3.4. Bij het hiervoor uiteengezette ijkpunt van de Hoge Raad zijn twee tijdstippen van belang, te weten:

(1) het moment waarop de strafvervolging een aanvang neemt, en

(2) het moment waarop de ontbinding van de rechtspersoon of vennootschap voor derden kenbaar is.

4.3.5. Uit de al genoemde uitspraak van HR 2 oktober 2007 kan worden opgemaakt dat voor het bepalen van het eerste tijdstip het klassieke vervolgingsbegrip maatgevend is: de vervolging vangt aan op het moment dat het openbaar ministerie de strafrechter in een strafzaak betrekt. De strafvervolging kan dus een aanvang nemen door het doen uitgaan van een dagvaarding ter terechtzitting.

4.3.6. De kenbaarheid van de ontbinding wordt door de Hoge Raad meer casuïstisch benaderd. Aan HR 24 september 2002(7) ontleen ik in geval van een maatschap:

"In de onderhavige zaak is de verdachte een voor de toepassing van art. 51 Sr met een rechtspersoon gelijkgestelde entiteit, te weten een maatschap. Naar uit de overwegingen van het Hof moet worden afgeleid heeft ten aanzien van verdachtes onderneming geen inschrijving in het Handelsregister plaatsgevonden. Raadpleging van dat register zal derhalve geen uitsluitsel geven of de maatschap al dan niet ontbonden is. Evenmin heeft het Hof vastgesteld dat de ontbinding aan de Officier van Justitie vóór het instellen van de strafvervolging is bekendgemaakt. Onder die omstandigheden was de Officier van Justitie slechts gehouden tot een nader onderzoek van de vraag of de maatschap ontbonden was, indien uit de stukken ten tijde van het instellen van de strafvervolging het rechtstreekse en ernstige vermoeden rijst dat de maatschap voor het begin van de vervolging was ontbonden."

De in het handelsregister opgenomen gegevens vervullen derhalve een rol van betekenis, doch geen exclusieve. Mededelingen van de zijde van een ontbonden rechtspersoon of vennootschap kunnen eveneens bij derden de nodige kennis van de ontbinding opleveren.

Een onderzoeksplicht van de zijde van het openbaar ministerie ontstaat uitsluitend indien op het moment waarop de vervolging een aanvang neemt aan de dossierstukken sterke aanwijzingen zijn te ontlenen dat de vennootschap op dat moment reeds was ontbonden. Onder die dossierstukken bevindt zich, naar mag worden aangenomen, een uittreksel uit het handelsregister met gegevens omtrent de bedoelde rechtspersoon of vennootschap. Eventuele aan het openbaar ministerie geadresseerde brieven van de vennootschap waarin mededeling wordt gedaan van de ontbinding zullen zich, naar eveneens mag worden aangenomen, in datzelfde dossier bevinden. Hetzelfde geldt voor geverbaliseerde verklaringen van getuigen of verdachten, waarin (eventueel) mededelingen worden gedaan omtrent de staat van de vennootschap.

Indien uit een of ander dossierstuk of door raadpleging van het handelsregister kan worden opgemaakt dat de ontbinding van de rechtspersoon is verwezenlijkt, heeft zulks rechtstreeks consequenties voor het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie. Anderzijds doet de voorbereiding van de ontbinding van een rechtspersoon of vennootschap, hoe kenbaar ook, het vervolgingsrecht niet vervallen. Op dat moment is een rechtspersoon of vennootschap immers juist niet ontbonden en leeft zij wat deze kwestie betreft probleemloos voort. Niettemin zouden kenbaar gemaakte voornemens tot ontbinding, zeker indien zij al langer geleden zijn geuit, het openbaar ministerie alert moeten maken.

Al met al hangt de rechterlijke beoordeling van de kenbaarheid van de ontbinding dus samen met de selectie en waardering van feiten en omstandigheden. Die zijn aan de feitenrechter voorbehouden en kunnen in cassatie slechts beperkt worden getoetst.

4.4.1. Thans de onderhavige zaak. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de verdachte met ingang van 1 januari 2006 is ontbonden door de daaraan voorafgaande opzegging van de ene vennoot aan de andere.(8) Als ik het goed zie heeft het hof dit aangenomen op basis van de mededelingen van de raadsvrouw.

Bovendien heeft het hof in cassatie onbestreden vastgesteld dat de strafvervolging tegen de verdachte is aangevangen met het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg op 17 mei 2006.

4.4.2. De vraag rijst dus of deze ontbinding op dat laatstbedoelde moment voor derden kenbaar was. De raadsvrouw heeft zich daartoe ter terechtzitting van 26 september 2007 beroepen op een tweetal door haar overgelegde uittreksels uit het handelsregister betreffende de verdachte.

In het uittreksel van 8 september 2004 met dossiernummer 06041961 zijn de registratiegegevens vermelde [verdachte] (de verdachte), op 1 januari 1992 opgericht voor onbepaalde duur. Vennoten zijn [medeverdachte 2] (medeverdachte) en [betrokkene 5]. [Verdachte] is gevestigd aan het woonadres van de beide vennoten te Hengelo. In een elektronisch vervaardigd uittreksel van 24 april 2006(9) staat onder hetzelfde dossiernummer geregistreerd dat eenmanszaak [A] sedert 1 januari 2006 wordt gedreven voor rekening van genoemde [medeverdachte 2]. Het adres van [A] is gelijk aan dat van [verdachte].

4.4.3. Het hof heeft geoordeeld dat op het moment dat de vervolging tegen de verdachte aanving voor derden niet kenbaar kon zijn dat de verdachte op die datum reeds was ontbonden. Het hof heeft blijkens zijn overwegingen het hierboven geschetste, toepasselijke toetsingskader in acht genomen.

4.4.4. 's Hofs oordeel is m.i. niet onbegrijpelijk. Ook indien het openbaar ministerie op of kort voor het doen uitgaan van de dagvaarding in eerste aanleg het handelsregister zou hebben geraadpleegd, en in dat geval bekend mag worden verondersteld met de gegevens die de raadsvrouw door middel van de genoemde uittreksels heeft overgelegd, acht ik niet voor derden kenbaar dat de vennootschap is ontbonden.

In de eerste plaats is de inschrijving van de ontbinding als zodanig achterwege gebleven, ofschoon de verdachte en/of haar vennoten tot inschrijving daarvan verplicht waren ingevolge artikel 31 WvK. Ik kan in de genoemde uittreksels immers geen enkele mededeling terugvinden van de strekking dat de vennootschap onder firma is ontbonden.

Bovendien kan ik aan de wél geregistreerde gegevens uitsluitend ontlenen dat op hetzelfde adres als dat van [verdachte] een andere, soortgelijke onderneming ([A]) wordt gedreven, thans door een eenmanszaak. Hieruit volgt niet zonder meer dat de vennootschap onder firma die [verdachte] dreef thans niet anders dan in staat van ontbinding kan verkeren. Ook indien moet worden aangenomen dat [verdachte] en [A] dezelfde onderneming zijn, wil dat nog niet zeggen dat de firma [verdachte] is ontbonden, hooguit dat de onderneming is overgegaan in de handen van de eenmanszaak van [medeverdachte 2].

Dat van beide uittreksels de dossiernummers gelijk zijn acht ik niet beslissend. Het dossiernummer zou zeer wel betrekking kunnen hebben op de op het genoemde adres gedreven cafetaria('s).

Dat uit de aan het hof overgelegde uittreksels "ondubbelzinnig" blijkt dat de firma niet langer bestaat, zoals het middel ingang wil doen vinden, is dus een treffend geval van 'wishful thinking'.

4.5. Het middel faalt.

5.1. De bespreking van de overige middelen laat zich beter begrijpen indien omtrent de onderliggende feiten enige opheldering wordt verschaft.

Bewezenverklaard is dat de verdachte

"op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 16 november 2004 in de gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met een ander of anderen in perceel [a-straat 1] ("[A]") opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan personen uit het publiek om door middel van enige kansspelen - op internetzuilen - mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend."

5.2. Uit de bewijsmiddelen valt voor zover relevant af te leiden dat in de cafetaria van de verdachte door een exploitant, [medeverdachte 1], (aanvankelijk twee, later drie) internetzuilen waren geplaatst met behulp waarvan bezoekers van de cafetaria toegang hadden tot internet en door hen op goksites kon worden gegokt. Bij een medewerker van de cafetaria kon daartoe tegen geldelijke vergoeding een kaart, een pincode en speeltegoed worden verkregen. Met de kaart en pincode logde de bezoeker via zo'n zuil in op de internetgoksite waarop de medewerker van de cafetaria het tegoed (uitgedrukt in punten) had geplaatst.(10) De eventuele met gokken gewonnen punten konden desgewenst (weer) worden omgezet in geld dat door de medewerker van de cafetaria werd uitgekeerd.

Op de internetzuilen konden ook andere sites dan goksites worden benaderd, maar het virtuele toetsenbord waarvan de internetzuilen waren voorzien bemoeilijkten het "gewone" gebruik van internet enigszins. Via de sites www.1gok.com en www.euromillionaires.com(11) zijn verscheidene kansspelen te beoefenen, waaronder ook het spel 'random winner', dat (nagenoeg) identiek is aan het spel dat op fruitautomaten wordt gespeeld. De internetzuilen vormden zodoende een universeel (elektronisch) kansspelautomaat, dat qua functionaliteit vergelijkbaar is met diverse elektrische speelautomaten waaronder (bijvoorbeeld) een fruitmachine.

De in de cafetaria aangekochte kaart bood bovendien de mogelijkheid om thuis via internet te gokken, waarna de gewonnen punten wederom konden worden geïncasseerd in de cafetaria.(12)

De verdachte en haar vennoten beschikten niet over enige vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen.

6.1. Het tweede middel en het vierde middel stellen de verhouding tussen de verbodsbepaling van artikel 1 onder a van de Wet op de kansspelen (Wok) en die van artikel 30b Wok aan de orde.

6.2.1. Artikel 1 van de Wok, waarop de tenlastelegging is geënt, bepaalt voor zover relevant:

"Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden:

a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend;"

6.2.2. Deze bepaling vormt het hart van de Wet op de kansspelen. Het betreft een verbod op het gelegenheid geven tot (deelneming aan) een kansspel, behoudens vergunning. Volgens de wetstekst onderscheidt het kansspel zich van andere spelen, i.e. behendigheidsspelen, doordat de aanwijzing van de winnaars (van een kansspel) geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers aan het spel in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen.

6.2.3. In Titel Va van de Wok zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot speelautomaten. Daaronder verstaat artikel 30 Wok:

"een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;"

Vervolgens wordt in die bepaling gedifferentieerd tussen behendigheidsautomaten en kansspelautomaten.(13) Een kansspelautomaat is een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is.

Een behendigheidsautomaat is volgens deze bepaling:

"een speelautomaat waarvan het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de spelduur verlengd of het recht op gratis spelen verkregen wordt;"

Artikel 30b, lid 1 Wok verbiedt, behoudens het in Titel Va bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben (onder meer) op voor het publiek toegankelijke plaatsen. De tenlastelegging is niet toegesneden op deze verbodsbepaling.

6.2.4. In het tweede middel wordt conform een ten overstaan van het hof gevoerd verweer toegelicht dat de Wok een (scherp) onderscheid maakt tussen enerzijds de organisatoren van een kansspel, althans diegenen die op de voet van de Titels Ia tot en met V van de Wok over een kansspelvergunning dienen te beschikken, en anderzijds de verstrekkers en houders van een speelautomaat, die op de voet van Titel Va van de Wok over een exploitatievergunning dan wel een aanwezigheidsvergunning dienen te beschikken.(14) De verdachte, die als cafetariahouder internetzuilen had geplaatst, kan volgens de steller van het middel niet gelijkgesteld worden met de organisator c.q. de aanbieder van kansspelen (op internet). Als de verdachte al behoorde te beschikken over een vergunning, moet worden gedacht aan een exploitatie- of aanwezigheidsvergunning en niet aan een kansspelvergunning, aldus het middel. Alleen dat laatste is tenlastegelegd en bewezenverklaard.

6.2.5. Het hof heeft hieromtrent in zijn bestreden uitspraak het volgende overwogen:

"Verdachte zou, zo heeft de raadsvrouw ter terechtzitting betoogd, moeten worden vrijgesproken, omdat de kansspelen, waartoe gelegenheid zou zijn gegeven, niet door verdachte werden georganiseerd. De norm waarvan overtreding aan verdachte wordt verweten, zou (uitsluitend) geadresseerd zijn aan de organisator, zich richten tot degene die deze internetfaciliteit op het web aanbiedt of bood en niet tot verdachte of, algemener, niet tot degene (zoals verdachte) die een internetzuil - zoals ter terechtzitting van het hof van 26 september 2007 werd getoond en gedemonstreerd - exploiteert, door middel waarvan een website waarop dergelijke spellen gespeeld kunnen worden, kan worden bezocht. Het hof volgt de verdediging niet in die stelling, omdat het in de Wet op de kanspelen, in de wetsgeschiedenis van die wet of in artikel 1 of 30 van die wet geen aanknopingspunten vindt voor een dergelijke beperkte uitleg van de woorden in artikel 1 onder a van die wet waar het gaat om "gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers geen overwegende invloed uit kunnen oefenen"."

6.2.6. Het vierde middel poogt ingang te doen vinden dat de verbodsbepaling van artikel 30b Wok een specialis is van het meer algemene verbod van artikel 1, onder a Wok. Indien een internetzuil voor zolang als het spel duurt kan worden gelijkgesteld met een kansspelautomaat is niet langer de algemene verbodsbepaling van artikel 1 onder a van de Wok, maar die van artikel 30b van toepassing, waardoor volgens de steller van het middel het beginsel van 'lex specialis derogat legi generali' als neergelegd in artikel 55, lid 2 Sr is geschonden.

6.2.7. Het hof heeft in zijn bestreden uitspraak een vrijwel gelijkluidend verweer verworpen, althans zo versta ik het oordeel, nu de bepalingen van Titel Va Wok volgens het hof geen lex specialis vormen ten opzichte van het bepaalde in artikel 1 onder a Wok.

6.3.1. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

6.3.2. Het tweede middel berust op de opvatting dat enerzijds de verbodsbepaling van artikel 1 onder a Wok, die het gelegenheid geven tot een kansspel aan een vergunning bindt, en anderzijds de verbodsbepaling van artikel 30b Wok, die onder meer het oog heeft op het publiekelijk aanwezig hebben van speelautomaten, twee categorieën elkaar uitsluitende gedragingen betreffen. Het vierde middel veronderstelt dat de tweede categorie gedragingen (aanwezig hebben van speelautomaten) besloten ligt in de eerste categorie gedragingen, en dat de bepaling die voor de tweede categorie gedragingen een (aanwezigheids)vergunning voorschrijft, derogeert aan de verbodsbepaling die ziet op de generieke gedragingen (van artikel 1 onder a Wok).

6.4.1. Allereerst sta ik stil bij een aspect van deze zaak dat het in zich heeft om verwarring te zaaien: internet. Een eigenaardigheid van de zuilen die in de cafetaria van de verdachte waren opgesteld is immers dat het internetzuilen zijn en dat het gokken waarmee het gebruik van deze zuilen veelal gepaard ging plaatsvond door websites te bezoeken die waren ontworpen om kansspelen te bedrijven.

6.4.2. Niettemin ben ik van mening dat dit aspect bij de beoordeling van het tweede en vierde middel niet wezenlijk van belang is. Beslissend zijn m.i. de functionaliteit van de apparatuur en de daarmee in de cafetaria geboden mogelijkheden. Zolang met de internetzuil een fruitmachine werd gesimuleerd was de internetzuil in essentie een fruitmachine, met inbegrip van de faciliteit van directe uitbetaling van gokwinsten door medewerkers van de cafetaria.

6.4.3. Steun voor dit meer functionele standpunt meen ik te vinden in de rechtspraak van de Raad van State.(15) De door de Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelde casus die ten grondslag lag aan haar beslissing van 20 oktober 2004 betrof - eveneens - een internetzuil in een snackbar. Op de beide beeldschermen van die zuil was een virtuele fruitautomaat te zien, waarop na inworp van geld kon worden gespeeld. Ook in die casus konden de eventueel gewonnen punten desgewenst in geld worden uitbetaald door medewerkers van de cafetaria. Ook met die internetzuil kon op andere wijze van het internet gebruik worden gemaakt. Ik verwijs voor meer details naar die uitspraak. Verschillen zijn m.i. niet doorslaggevend. De Afdeling oordeelde:

"Een op een dergelijke wijze opgestelde en ingerichte internetzuil valt onder de definitie van speelautomaat als bedoeld in artikel 30 van de wet."(16)

6.4.4. Over de betekenis van het internet voor de verbodsbepaling van artikel 1 onder a van de Wok is de volgende kort geding-uitspraak van belang. In het geval dat aanleiding gaf voor het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 18 februari 2005(17) bood de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde kansspelaanbieder Ladbrokes via haar websites op internet de mogelijkheid om deel te nemen aan diverse sportgerelateerde kansspelen. Alle handelingen die nodig waren voor het afsluiten van weddenschappen konden in Nederland via de computer worden uitgevoerd. Ofschoon meer kwesties een rol speelden oordeelde de Hoge Raad voor zover relevant:

"3.3.2 Bij de beantwoording van de vraag of het via internet aanbieden van kansspelen kan worden beschouwd als het hier te lande door art. 1, aanhef en onder a, Wok verboden "gelegenheid geven", moet worden vooropgesteld dat doel en strekking van die bepaling tot een ruime uitleg van dat begrip nopen. De wetgever heeft, zoals onder meer blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal in 2.7 vermelde gegevens, zich ten doel gesteld de menselijke speelzucht te kanaliseren. Door onder strikte voorwaarden een beperkt legaal aanbod toe te staan, waarbij de opbrengst aan de schatkist of op de bevordering van het algemeen belang gericht particulier initiatief diende toe te komen, zou worden voorkomen dat de burger zich op buitenlandse kansspelen of het illegale aanbod zou richten. Regulering werd nodig geacht teneinde voldoende spelersbescherming te kunnen bieden en uitwassen en misstanden te voorkomen.

3.3.3 De verwezenlijking van deze doelstellingen zou ernstig worden bemoeilijkt wanneer de vanuit Nederland geopende mogelijkheid tot deelneming aan kansspelen via internet wel en de vanuit het buitenland geopende, mede op potentiële deelnemers in Nederland gerichte mogelijkheid tot deelneming aan kansspelen via internet niet zou kunnen worden gekwalificeerd als gelegenheid geven in de zin van art. 1, aanhef en onder a, Wok. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat - naar in dit geding is komen vast te staan - software is ontwikkeld die de aanbieder van kansspelen via internet in staat stelt deelneming aan kansspelen vanuit bepaalde landen onmogelijk te maken. Gelet op dit een en ander moet worden aanvaard dat van hier te lande gelegenheid geven in evenbedoelde zin sprake is wanneer via internet door middel van een mede op Nederland gerichte website de toegang tot kansspelen wordt geboden aan potentiële deelnemers in Nederland en dezen via hun computer rechtstreeks aan het spel kunnen deelnemen, dat wil zeggen zonder dat andere handelingen zijn vereist dan die op de computer kunnen worden verricht. In dit verband is voldoende dat de website waarop de gelegenheid tot deelneming wordt geboden niet met gebruikmaking van de hiervóór bedoelde software de deelneming aan kansspelen onmogelijk maakt en blijkens haar inrichting mede is gericht op potentiële deelnemers in Nederland, hetgeen reeds het geval is indien Nederland is vermeld in een op de website voorkomende lijst van landen van waaruit aan de aangeboden kansspelen kan worden deelgenomen."

Het organiseren van kansspelen via (in Nederland toegankelijke) internetsites, waardoor het mogelijk is om (hier te lande) deel te nemen aan het betreffende kansspel, kan worden aangemerkt als het gelegenheid geven tot een kansspel. Een en ander valt dus onder het toepassingsbereik van artikel 1 onder a Wok, aldus begrijp ik deze uitspraak.

6.4.5. De Regering is eenzelfde - functioneel - oordeel toegedaan, zo volgt m.i. uit de in officiële publicaties neergelegde geschiedenis van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de kansspelen houdende tijdelijke bepalingen met betrekking tot kansspelen via internet.(18) Het beoogde artikel 27m, lid 2 Wok bepaalde onomwonden:

"Onder een kansspel via internet wordt verstaan: een gelegenheid als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, die wordt gegeven via het internet."

De Memorie van Toelichting(19) liet m.i. aan duidelijkheid niets te wensen over:

"Ingevolge artikel 1, onderdeel a, van de Wet op de kansspelen is het verboden om gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen en premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend. De Wet op de kansspelen behelst derhalve een gesloten systeem. Met deze wijziging van de Wet op de kansspelen wordt het organiseren van kansspelen via internet mogelijk gemaakt. Op grond van het artikel 27m, eerste lid, is het mogelijk vergunning te verlenen voor het organiseren van kansspelen via internet."

Met dit wetsontwerp werd dus niet beoogd uitbreiding te geven aan het toepassingsbereik van artikel 1 onder a van de Wok, om op die voet het internetaanbod van kansspelen - alsnog - te laten bestrijken door deze verbodsbepaling. Een dergelijke uitbreiding was in de ogen van de wetgever overbodig, en daarin voorzag het wetsvoorstel dan ook niet. De aanvulling van de Wok met tijdelijke bepalingen omtrent kansspelen via internet strekte ertoe het aanbieden van kansspelen juist - zij het geclausuleerd en bij wijze van proef - toe te staan, het organiseren van kansspelen via internet te reguleren en de doelstellingen van het kansspelbeleid te realiseren.

6.4.6. Bij de beoordeling van de middelen past dus een functionele benadering van de weg waarlangs het kansspel wordt aangeboden. In het voorliggende geval wordt het kansspel mogelijk gemaakt met behulp van in een cafetaria geplaatste internetzuilen die onder meer toegang geven tot goksites en waarbij is voorzien in de mogelijkheid van contante betaling van de inleg en onmiddellijke uitkering van de eventuele winst. De omstandigheden waarvan de bewijsmiddelen blijk geven nopen er m.i. toe de internetzuilen in casu aan te merken als speelautomaten, en meer specifiek kansspelautomaten in de zin van artikel 30 Wok. De toestellen zijn kennelijk (mede) ingericht voor het bedrijven van een kansspel.

6.4.7. Daarnaast kan semantisch evenzeer worden volgehouden dat met die internetzuilen gelegenheid werd gegeven voor deelneming aan een kansspel, welke woorden zijn ontleend aan artikel 1 onder a van de Wok. Het doen opstellen en inrichten van de internetzuilen en het verlenen van faciliteiten aangaande betalingen en uitkeringen van inleg, respectievelijk winst strekten ertoe het voor derden mogelijk te maken op deze wijze deel te nemen aan kansspelen.(20) Anders dan het tweede middel ingang wil doen vinden is 'gelegenheid geven' tot deelneming aan een kansspel niet voorbehouden aan de organisatoren daarvan.

's Hofs gelijkluidende oordeel acht ik dus in zoverre niet onbegrijpelijk. De vraag rijst evenwel welke betekenis moet worden toegekend aan de woorden "behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde", die zijn opgenomen in de aanhef van artikel 1 van de Wok.

6.5.1. Na deze uitwijding over internet keer ik dan ook terug bij de verhouding tussen de verbodsbepalingen van artikel 1 onder a Wok en die van artikel 30b Wok.

6.5.2. Kansspelen werden voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet op de kansspelen(21) bestreken door bepalingen die over meer wetten waren verspreid: de Loterijwet van 1905, de Totalisatorwet en het Wetboek van Strafrecht, waarvan in het bijzonder de artikelen 254bis (oud) en 457 (oud). Deze laatste twee bepalingen hadden betrekking op de zogeheten "hazardspelen". Daaronder werd verstaan elk spel waarbij in het algemeen de kans op winst van het toeval afhangt, ook wanneer die kans toeneemt met de meerdere geoefendheid of grotere behendigheid van de speler. Van deze ruime omschrijving van kansspelen werden loterijen uitdrukkelijk uitgezonderd.

6.5.3. In de oorspronkelijke Wet op de kansspelen(22) was naast de verbodsbepaling van artikel 1 onder a Wok één enkele verbodsbepaling, artikel 30 Wok (oud) ingeruimd voor speelautomaten:

"Onverminderd het bepaalde in artikel 1 is het verboden, zonder vergunning van de burgemeester op of aan de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen aanwezig te hebben speelautomaten of andere mechanische toestellen, ingericht voor de beoefening van een spel."

Artikel 1, aanhef en onder a Wok (oud) was vrijwel gelijkluidend aan de huidige tekst. Het verschil is door mij onderstreept. De bepaling luidde:

"Behoudens het in Titel II van deze wet bepaalde is het verboden:

a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend;"

Titel II had (en heeft) uitsluitend betrekking op de staatsloterij.

Over de verhouding tussen de verbodsbepalingen van artikel 1 onder a en artikel 30 Wok wordt in de Memorie van Toelichting(23) opgemerkt:

"In cafés, automatenhandel e.d. zijn vaak apparaten opgesteld, die het publiek tegen betaling kan bedienen, met de kans op een kleine prijs (gratis consumpties b.v.) of enkele voor amusement. Voorzover deze apparaten vallen onder de werking van artikel 254bis Sr. (hazardspel) zijn zij uiteraard verboden en zij zullen dat volgens het onderhavige ontwerp ook blijven. Er zijn echter ook toestellen waarmee niet, althans niet bewijsbaar, hazardspel wordt bedreven, doch die niet zonder een zekere controle van overheidswege dienen te worden geëxploiteerd. Zij bieden nl. een verleiding voor minderjarigen en voor zwakkere figuren om binnen korte tijd een aanzienlijk geldsbedrag te verspelen ten bate van de exploitant."

De wetgever van 1964 stond met andere woorden voor ogen dat voor zover speelautomaten het beoefenen van hazardspelen (lees in dit verband: kansspelen) mogelijk maakten (in dat geval kansspelautomaten genoemd), zij - ook - werden bestreken door de verbodsbepaling van artikel 1 onder a Wok.

Meer recent zou de wetgever het oorspronkelijke regime aldus beschrijven:

"Artikel 1 onderwerpt derhalve de zuivere kansspelautomaten (de z.g. gokautomaten) aan een algeheel verbod, terwijl de bepaling van artikel 30 er vooral toe strekt die speelautomaten aan banden te leggen waarmee niet, althans niet bewijsbaar, kansspel wordt bedreven."(24)

6.5.4. Met ingang van 1 december 1986 werd de Wet op de kansspelen herzien in verband met bepalingen over speelautomaten.(25) Titel Va (speelautomaten) werd daarbij ingevoegd, en een verwijzing daarnaar werd ingelijfd in het voorbehoud van artikel 1. Die bepaling is dus gaan luiden:

"Behoudens het in Titel II en Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden: (...)"(26)

In de artikelen 30 e.v. van de Wok (oud) werden verbodsbepalingen en een vergunningenstelsel opgenomen voor het aanwezig hebben c.q. exploiteren van speelautomaten.

Artikel 30b Wok (oud) kwam voor zover relevant als volgt te luiden:

"Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

a. op of aan de openbare weg;

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

c. (...)"

Artikel 30h Wok luidt sindsdien als volgt:

"1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister van Economische Zaken een of meer speelautomaten te exploiteren.

2. Onder exploiteren wordt verstaan het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten."

De bij die wet gegeven omschrijving van het begrip 'speelautomaat' is gelijk aan de thans geldende definitiebepaling in artikel 30 Wok.(27)

De Memorie van Toelichting(28) bevat de volgende beschouwingen:

"De voorstellen in het wetsontwerp kunnen als volgt worden samengevat:

a. In plaats van het tegenwoordige artikel 30 wordt een aparte titel gewijd aan de speelautomaten. De algemene bepaling van artikel 1 is niet meer op de regeling inzake speelautomaten van toepassing.

b. Het begrip speelautomaat wordt gedefinieerd. Onder de begripsomschrijving vallen zowel de behendigheids- als kansspelautomaten. De amusementsapparatuur is niet onder de definitie begrepen.

c. Voor het aanwezig hebben van speelautomaten op of aan de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen is, evenals in de bestaande regeling, een vergunning van de burgemeester vereist.

(...)."

Aan de artikelsgewijze toelichting(29) ontleen ik:

"De voorgestelde wijziging strekt ertoe een afzonderlijk wettelijk regime voor de speelautomaten mogelijk te maken. Met het oog daarop zijn de speelautomaten uitgezonderd van het algemene verbod zoals neergelegd in artikel 1, onder a."

6.5.5. Met ingang van 1 december 1986 is de verhouding tussen de algemene verbodsbepaling van artikel 1 onder a Wok en de wettelijke regeling met betrekking tot speelautomaten dus fundamenteel gewijzigd. Uit de toelichting op dit samenstel van regels kan worden afgeleid dat de wetgever voor het aanwezig hebben, respectievelijk exploiteren van speelautomaten de verbodsbepalingen van artikel 30b en 30h Wok op het oog had, zulks met uitschakeling van de verbodsbepaling van artikel 1 Wok.

6.5.6. Bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel tot herziening van de Wok in verband met speelautomaten is dit onderwerp als ik het goed zie niet meer aan de orde geweest. Nadien is de Wet op de kansspelen nog enkele malen gewijzigd,(30) maar bij die gelegenheden heeft het hier besproken onderwerp geen aandacht van de wetgever meer gekregen. Op de verhouding tussen de elkaar uitsluitende verbodsbepalingen van artikel 1 Wok en Titel Va Wok is de wetgever derhalve niet teruggekomen.

6.6.1. In de kern genomen klaagt zowel het tweede als het vierde middel over de onjuiste rechtstoepassing waarvan het hof in de bestreden uitspraak blijk heeft gegeven. Gelet op het vorenstaande is die klacht terecht voorgesteld. Niet de verbodsbepaling van artikel 1 onder a Wok, maar de verbodsbepaling van artikel 30b Wok is, zo lijkt mij, door de verdachte overtreden. De tenlastelegging was dus toegesneden op een verbodsbepaling die niet van toepassing is op de gedraging van de verdachte, te weten het aanwezig hebben van speelautomaten.

6.6.2. Ik heb me nog afgevraagd of de omstandigheid dat de in de cafetaria aangekochte kaart bovendien de mogelijkheid bood om thuis via internet te gokken, waarna de gewonnen punten wederom konden worden geïncasseerd in de cafetaria, afbreuk doet aan deze conclusie.

Ik meen van niet. Binnen de bewijsconstructie van het hof heeft die omstandigheid geen zelfstandige betekenis, nog daargelaten of met deze door de cafetaria geboden faciliteit de delictsomschrijving van artikel 1 onder a Wok wél is vervuld.

6.6.3. Een meer formele kwestie is hoe de verhouding tussen de twee verbodsbepalingen moet worden getypeerd. Ik zie een keuze uit twee mogelijkheden. Betreft artikel 30b Wok een - systematische - specialis van de generalis van artikel 1 onder a Wok, of gaat het bepaalde in artikel 30b Wok voor aan de bepaling van artikel 1 onder a Wok bij wijze van - in de woorden van De Hullu(31) - een derogatieregeling? Ofschoon aan dit onderscheid praktisch gezien niet veel belang toekomt, maakt het antwoord verschil voor de vraag welke van de twee middelen dient te slagen.

Het komt mij voor dat artikel 30b Wok derogeert aan artikel 1 Wok doordat zulks expliciet in de wetstekst (van artikel 1) is geregeld. Om die reden slaagt m.i. het tweede middel, en faalt het vierde middel, dat berust op het - in dat geval onjuiste - uitgangspunt dat de verhouding tussen bedoelde verbodsbepalingen wordt geregeerd door artikel 55, lid 2 Sr.

6.6.4. Erg bevredigend is deze uitkomst overigens niet. Artikel 30b Wok is m.i. de eerste in het oog springende - toepasselijke - verbodsbepaling. Als ondernemer van een laagdrempelige inrichting komt/kwam de verdachte echter niet in aanmerking voor een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten.(32) De strafdreiging van overtreding van artikel 1, onder a en die van artikel 30b Wok zijn gelijk.(33) De opgelegde straf bedraagt € 5.000,=. Er is simpelweg een verkeerde verbodsbepaling tenlastegelegd en bewezenverklaard. Na terugwijzing is het openbaar ministerie m.i. overigens in de gelegenheid de tenlastelegging dienovereenkomstig te wijzigen.

Mocht de Hoge Raad in weerwil van het voorgaande voorzien dat deze wijziging van de tenlastelegging de grenzen van artikel 313 Sv, jo. artikel 68 Sr te buiten gaat, kan de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afdoen en de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging. Het hof zou in dat geval immers niet kunnen komen tot een andere beslissing dan deze.

6.7. Het vierde middel faalt. Het tweede middel slaagt.

7.1. Na het voorgaande is met de bespreking van het derde middel m.i. geen belang meer gemoeid. Ik houd het dan ook kort.

7.2. Het middel komt op tegen 's hofs oordeel inhoudende enerzijds dat de internetzuilen als 'neutraal' moeten worden aangemerkt, doch anderzijds dat door die zuilen gelegenheid voor kansspel werd geboden 'zolang het (spel) duurde'.

7.3. Het middel heeft tot op zekere hoogte wel een punt. De gelegenheid tot kansspel werd niet alleen geboden voor zolang het spel duurde, maar m.i. voortdurend, ongeacht of die gelegenheid door bezoekers van de cafetaria werd benut.

Deze kwestie vervult binnen de bewijsconstructie van het hof echter geen doorslaggevende rol. De bewijsmotivering wordt bij een ander inzicht hierover niet onbegrijpelijk en voor de bewezenverklaring maakt het geen verschil. Het middel faalt.

8. Het vijfde middel klaagt terecht en op goede gronden over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen, zo het daarvan komt, kan dit gegeven eventueel verdisconteren in de strafmaat.

9. Het tweede en het vijfde middel slagen. De overige middelen falen.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 In de met de onderhavige zaak samenhangende zaken tegen [medeverdachte 2] (07/12752) en [medeverdachte 1] (07/13167) concludeer ik heden eveneens.

2 De brief van de voormalige advocaat van de verdachte heb ik in het dossier niet aangetroffen. Ook overigens blijkt niet dat die brief aan het hof zou zijn overgelegd.

3 Artikel 32 WvK.

4 De vennootschap kan ook na haar ontbinding in rechte nog als procespartij optreden, aldus kan worden afgeleid uit artikel 51 Rv.

5 HR 2 oktober 2007, LJN BA5825, NJ 2008, 550 m.nt. Mevis; Voorts HR 8 maart 1994, LJN AE0553, NJ 1994, 408.

6 Zie o.m. De Hullu, Materieel strafrecht, 2009, p. 120, voorts: noot Mevis onder het al genoemde HR 2 oktober 2007, LJN BA5825, NJ 2008, 550.

7 HR 24 september 2002, LJN AE0553, NJ 2004, 186, m.nt. Knigge. Zie voorts ook: HR 15 oktober 2002, LJN AE6870, NJ 2004, 187, m.nt. Knigge.

8 Zie artikel 7A: 1683 BW. De vennootschap onder firma is een species van het genus maatschap en zij wordt beheerst door de negende titel van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek ("van maatschap"), alsmede door het Wetboek van Koophandel, artt. 15 e.v., het eerste voor zover daarvan niet is afgeweken bij het laatste.

9 Het laatste cijfer is weggevallen. Ik vermoed niettemin dat het uittreksel het jaartal 2006 betreft aangezien een ander (niet elektronisch vervaardigd) uittreksel dat zich in het dossier bevindt dezelfde informatie bevat en gedateerd is op 1 mei 2006.

10 Bovendien moest in de zuil zelf geld worden geworpen om internettijd te kopen (zie bewijsmiddel 4). De punten waren afkomstig uit een soort van 'wallets' die de eigenaar van de zuilen, [medeverdachte 1], aanhield bij de betreffende goksite. De medewerker van de cafetaria plaatste de gewenste hoeveelheid punten na betaling daarvan door de klant op de account die was geopend op de door de klant aangewezen zuil (zie bewijsmiddel 9).

11 Van dezelfde organisator. De eerste site is de opvolger van de andere.

12 Zie bewijsmiddel 5.

13 Deze differentiatie is in de Wok ingevoerd bij Wet van 24 december 1998, Stb. 1999, 9, die in werking is getreden op 1 juni 2000. De begrippen behendigheidsautomaten en kansspelautomaten waren voorheen neergelegd in het aan het Speelautomatenbesluit 2000 voorafgaande (thans dus vervallen) Speelautomatenbesluit, KB van 24 november 1986, Stb. 589, en de opvolger daarvan, KB van 1 december 1997, Stb. 617.

14 Meer specifiek vindt de aanwezigheidsvergunning grondslag in artikel 30b e.v. Wok, en de exploitatievergunning in artikel 30h e.v. Wok. In het Speelautomatenbesluit 2000 is deze materie nader geregeld.

15 RvS 20 oktober 2004, LJN AR4269, GST 2005, 24.

16 Ter vermijding van ieder misverstand: bedoeld wordt artikel 30 van de Wet op de kansspelen.

17 HR 18 februari 2005, LJN AR4841, NJ 2005, 404 (Ladbrokes Ltd. tegen de Nationale Sporttotalisator). Overigens heeft de Hoge Raad in de bodemprocedure bij arrest van 13 juni 2008, LJN BC8970, NJ 2008, 337, vragen van uitleg van gemeenschapsrecht (prejudiciële vragen) voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zulks kort gezegd betreffende de verenigbaarheid van de Wok en de nationale regeling van het kansspelbeleid met artikel 49 EG.

18 Kamerstukken II, 2005 - 2006, 30 362, nr. 2. Het wetsvoorstel is bij stemming in de Eerste Kamer op 1 april 2008 overigens verworpen. De onderhavige problematiek heeft daarbij geen enkele rol gespeeld. Zie Handelingen 2007 - 2008, 30 362, nr. 25, Eerste Kamer, p. 1040 - 1042.

19 Kamerstukken II, 2005 - 2006, 30 362, nr. 3, p. 1.

20 Vgl. HR 14 mei 1985, LJN AC3590, NJ 1986, 57 m.nt. Van Veen.

21 Wet van 10 december 1964, Stb. 1964, 483, in werking getreden op 31 december 1964.

22 Zie vorige voetnoot.

23 Kamerstukken II 1963 - 1964, 7603, nr. 3, p. 8.

24 Memorie van Toelichting bij Herziening van de Wet op de kansspelen (speelautomaten), Kamerstukken II 1980 - 1981, 16 481, nr. 3, p. 2.

25 Wet van 13 november 1985, Stb. 600. Kamerstukken 16 481.

26 Onderstreping wederom van mij, D.A.. Met ingang van 14 juni 1992 is de verwijzing naar Titel II vervallen.

27 Zie hierboven onder 6.2.3.

28 Memorie van Toelichting bij Herziening van de Wet op de kansspelen (speelautomaten), Kamerstukken II 1980 - 1981, 16481, nr. 3, p. 4.

29 Zie vorige voetnoot, p. 10.

30 De voor speelautomaten meest substantiële wijziging betreft de Wet van 24 december 1998, kamerstukken 25 727, in werking getreden op 1 juni 2000, waarbij de voortgeschreden inzichten omtrent het beleid ten aanzien van speelautomaten in nieuwe wetgeving zijn neergelegd.

31 J. de Hullu, Materieel strafrecht, 2009, p. 505 - 510, waarvan met name onder het kopje "derogatieregelingen" op p. 509.

32 Zie artikel 30c, eerste en tweede lid Wok.

33 Zie artikel 31, eerste en derde lid Wok, jo. artikel 1, aanhef en onder 3 WED.