Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM2448

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
08/02491 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM2448
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. 1. Geen middel van cassatie als in de wet bedoeld. 2. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 729
NJB 2010, 1285
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02491 P

Mr. Knigge

Zitting: 13 april 2010

Conclusie inzake:

[Betrokkene=verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het door de veroordeelde uit "de voortgezette handeling van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod" verkregen voordeel vastgesteld op € 36.800, -- en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 36.800, --.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 08/02490 en 08/02491 P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. B.A. Fijma, advocaat te Zwijndrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. De schriftuur begint met een inleiding waarin wordt aangegeven dat de middelen in de onderhavige zaak voorwaardelijk worden ingesteld, en wel onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het cassatieberoep in de met deze zaak samenhangende strafzaak zal verwerpen. De steller van het middel gaat er kennelijk vanuit dat indien de Hoge Raad de beslissing in de strafzaak vernietigt dit tevens tot vernietiging van de onderhavige beslissing van het Hof leidt. Die opvatting is onjuist. De omstandigheid dat na een vernietiging tot een ander oordeel omtrent de strafzaak wordt gekomen, kan, gelet op het bepaalde in artikel 577b Sv, aanleiding geven het vastgestelde ontnemingsbedrag te verminderen of kwijt te schelden. Ik zal daarom voorbij gaan aan de bedoelde voorwaarde, die mij niet in het belang van de veroordeelde lijkt.

5. Het eerste middel klaagt, als ik het goed begrijp, dat het Hof de veroordeling in de strafzaak niet aan de onderhavige ontnemingsvordering ten grondslag had mogen leggen aangezien die veroordeling berust op onrechtmatig verkregen bewijs. Het Hof had er in de strafzaak, zo wordt daartoe in de toelichting op het middel aangevoerd, niet vanuit mogen gaan dat de hennepkwekerij onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de verdachte werd geëxploiteerd.

6. De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel moet oordelen, is in beginsel gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak.(1) Dat geldt ook voor diens beslissing dat geen sprake was van medeplegen.

7. Het middel faalt.

8. Het tweede middel klaagt dat onbegrijpelijk is dat het Hof bij de berekening van het verkregen voordeel aan de kostenkant heeft meegenomen dat de verdachte voor [medeverdachte] als beloning voor diens hulp in de hennepkwekerij twee maal een reis naar Thailand, in totaal een bedrag van € 3.000, --, heeft betaald. Daartoe wordt aangevoerd dat als het Hof er vanuit wil gaan dat de verdachte een medewerker had, het Hof niet van de 'zwart' gemaakte kosten had moeten uitgaan, maar van de 'witte' kosten die een werkgever heeft op basis van een normaal weeksalaris.

9. Het middel faalt. Dit behoeft geen nadere motivering nu noch het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, noch enig ander belang meebrengt dat wordt uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden.

10. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 8 juni 1999, LJN ZD1501, NJ 1999, 589.