Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM2410

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
25-06-2010
Zaaknummer
09/00929
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM2410
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Echtscheiding. Partneralimentatie. Onmogelijkheid aan arbeidsproces deel te nemen wegens gezondheidsklachten. (art. 81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/812
JWB 2010/257
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/00929

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Parket, 26 april 2010

CONCLUSIE inzake:

[De vrouw],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: mr. M.L. Kleyn,

tegen:

[De man],

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. E.J. Kim-Meijer.

Deze alimentatiezaak leent zich voor een verkorte conclusie.

1. Partijen, hierna afzonderlijk: de vrouw en de man, zijn op 15 juli 1982 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 20 november 2007 heeft de rechtbank Breda de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 10 juli 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2. Bij beschikking van 13 december 2007 heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand verschuldigde partneralimentatie bepaald op een bedrag van € 897 per maand.

3. Op het door de man tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch bij beschikking van 9 december 2008 de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het inleidende verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud alsnog afgewezen.

4. De vrouw is bij ter griffie van de Hoge Raad op 6 maart 2009 ingekomen verzoekschrift tijdig van de beschikking van het hof in cassatie gekomen met vijf middelen. De man heeft zich tegen de klachten verweerd met verzoek tot verwerping van het cassatieberoep.

5. De middelen 1 t/m 4 keren zich (kennelijk) tegen de overwegingen van het hof in rov. 4.11, inhoudende, kort gezegd, dat de vrouw haar stelling dat zij wegens niet nader gespecificeerde gezondheidsproblemen thans niet in staat is aan het arbeidsproces deel te nemen, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd en derhalve niet tot bewijslevering zal worden toegelaten.

5.1 Middel 1 bevat geen duidelijke (art. 426 lid 2 Rv), althans geen deugdelijke, op art. 79 RO toegesneden cassatieklacht. Voor zover het middel ertoe strekt te klagen dat het oordeel van het hof dat de vrouw, kort gezegd, niet aan haar stelplicht heeft voldaan, onbegrijpelijk is in het licht van de door haar overgelegde verklaring van haar huisarts, miskent het dat het hof genoemd oordeel heeft gegrond op de overweging dat de vrouw in haar verweerschrift danwel ter zitting heeft nagelaten nadere inlichtingen te verschaffen omtrent haar medische situatie, welke overweging de vrouw in cassatie niet op juistheid heeft bestreden. Bij deze stand van zaken was het hof niet gehouden om de vrouw tot bewijslevering toe te laten. Hierop stuit middel 2 af. Middel 3 miskent de devolutieve werking van het appel; door het hoger beroep van de man lag de vraag naar behoeftigheid van de vrouw opnieuw ter beoordeling aan het hof voor. Het stond het hof vrij de door de vrouw ingenomen stellingen en overgelegde documenten, mede in het licht van de stellingen van de man in hoger beroep, zelfstandig te waarderen en daarbij af te wijken van het oordeel van de rechtbank. De lezing van middel 4, te weten dat het hof geen enkele waarde aan de verklaring van de huisarts heeft toegekend, vindt geen steun in de bestreden beschikking; het middel kan derhalve bij gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

6. Middel 5 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.12 dat, nu de vrouw er, tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, niet in is geslaagd aan te tonen dat zij niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien, er geen sprake is van behoeftigheid aan de zijde van de vrouw, zodat de man niet gehouden is een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van de vrouw.

6.1 Het middel ziet eraan voorbij dat de vrouw haar behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud heeft gegrond op de stelling dat zij vanwege gezondheidsredenen niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Uit de gedingstukken blijkt niet dat de vrouw zich er (subsidiair) op heeft beroepen dat zij ook overigens, voor zover zij (weer) betaalde arbeid kan verrichten, niet geacht kan worden zelf volledig in haar behoefte te voorzien. Het middel bevat ook geen verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken waar daarop betrekking hebbende stellingen van de vrouw zijn te vinden; het middel mist in zoverre feitelijke grondslag althans voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. In het licht van de door de vrouw aan haar gestelde behoefte ten grondslag gelegde stellingen is niet onbegrijpelijk dat het hof - concluderend dat de vrouw haar stelling dat zij niet in staat is om te werken, niet aannemelijk heeft gemaakt - heeft geoordeeld dat er geen sprake is van behoeftigheid. Waar het aan de vrouw is haar behoefte aannemelijk te maken, getuigt het bestreden oordeel evenmin van een onjuiste rechtsopvatting.

7. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de in de middelen aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

8. De conclusie strekt mitsdien tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G