Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM1844

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
10/00448
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM1844
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 1, aanhef en onder b, F. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/782
JWB 2010/250
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 10/00447

en

Zaaknummer: 10/00448

mr. Wuisman

Parketdatum: 15 april 2010

CONCLUSIE inzake:

[De vrouw],

en

[De man],

verzoekers tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen.

De zaken 10/00447 en 10/00448 betreffen schuldsaneringszaken met een zodanige samenhang dat het nemen van een conclusie in beide zaken tezamen de voorkeur verdient.

1. Voorgeschiedenis

1.1 Verzoekers in cassatie zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij hebben kinderen in de leeftijd van 24, 22 19 en 15 jaar. Na de echtscheiding staat [de vrouw] (de vrouw) ingeschreven bij de gemeente Beverwijk en [de man] (de man) bij de gemeente Heemskerk. Na daartoe strekkende aanvraag heeft ieder van hen van de gemeente, waarbij zij zijn ingeschreven, een uitkering uit de Wet werk en bijstand (Wwb) ontvangen. De man is - buiten het verband van een huwelijk en geregistreerd partnerschap - in de loop van 2004 weer zodanig bij de vrouw in [plaats] gaan inwonen dat er gesproken kan worden van een gezamenlijke huishouding in de zin van genoemde wet.

1.2 De vrouw en de man hebben ieder apart bij verzoekschrift van 11 maart 2009 bij de rechtbank Haarlem verzocht om de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing te verklaren.((1)) Ieder van hen heeft een staat van schulden als bedoeld in artikel 285 lid 1, sub a, Fw overgelegd, die geheel gelijk is aan die van de ander. Iedere staat vermeldt een schuldenlast van in totaal € 52.683,16, waarvan in beide gevallen ook een schuld van € 43.911,05 aan de gemeente Heemskerk deel uitmaakt. Dit bedrag heeft betrekking op een terugvordering door de gemeente Heemskerk van ten onrechte aan de man uitgekeerde bijstand over de periode 18 september 2000 tot en met 7 december 2004. In die periode voerde de man met de vrouw in [plaats] de hierboven in 1.1 vermelde gezamenlijke huishouding zonder de gemeente Heemskerk hiervan in kennis te hebben gesteld. Tot terugvordering heeft de gemeente besloten bij besluit van 18 februari 2005. Dat besluit is tevergeefs in rechte bestreden.

1.3 Bij vonnissen van 8 september 2009 wijst de rechtbank het verzoek van zowel de vrouw als de man af op grond van artikel 288 lid 1 sub b Fw. Ten aanzien van beiden oordeelt de rechtbank dat zij niet te goeder trouw zijn geweest voor wat betreft de schuld aan de gemeente Heemskerk, terwijl die schuld binnen de periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van het indienen van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ontstaan. Het terugvorderingsbesluit is van 18 februari 2005 en heeft betrekking op de periode van frauduleus handelen van 18 september 2000 tot en met 7 december 2004.

Ieder gaat in appel van dit vonnis bij het hof Amsterdam.

1.4 Bij arrest van 26 januari 2010 heeft het hof het vonnis van de rechtbank inzake het verzoek van de vrouw vernietigd en de vrouw niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek. Tijdens de behandeling van de zaak in appel is gebleken dat de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde schuldenstaat onjuist is. De schuld van de gemeente Heemskerk heeft geen betrekking op haar; de gemeente vordert het bedrag van € 43.911,05 alleen van de man. Haar gaan hooguit twee schulden aan, te weten een schuld van € 1.359,55 aan International Card Sevices en een schuld van € 1.870,04 aan Wehkamp. Waarschijnlijk is het zelfs zo dat alleen deze laatste schuld een haar betreffende schuld is. Vanwege dit geheel andere beeld van de schuldenlast van de vrouw is het hof niet overtuigd van de juistheid van de verklaring van de gemeente met betrekking tot het mislukken van de minnelijke regeling (artikel 285 lid 1, sub f, FW). Dat brengt naar het oordeel van het hof de niet-ontvankelijkheid van het verzoek van de vrouw mee.

1.5 Bij een arrest van eveneens 26 januari 2010 acht het hof het beroep van de man ongegrond en bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank inzake het verzoek van de man. Zijn schuld aan de gemeente Heemskerk is niet te goeder trouw ontstaan binnen de termijn van vijf jaren voorafgaande aan de datum van het indienen van het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling. Hierbij moet naar het oordeel van het hof worden uitgegaan van de datum van het terugvorderingsbesluit van de gemeente (18 februari 2005). Maar hetzelfde geldt, indien - zoals de man verdedigt - in verband met de vijf jaren termijn zou moeten worden aangehaakt bij diens onrechtmatig handelen. Het frauduleuze handelen van de man heeft immers voortgeduurd tot en met 7 december 2004, terwijl het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling op 11 maart 2009 is ingediend. Verder is er naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken van omstandigheden die moeten leiden tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw. Daar wordt de rechter de bevoegdheid verleend om een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in afwijking van lid 1 sub b van artikel 288 Fw toch toe te wijzen, indien aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.

1.6 Zowel de vrouw als de man hebben ieder - tijdig - cassatieberoep ingesteld.

2. Het cassatieberoep van de vrouw

2.1 Ter inleiding eerst de navolgende opmerkingen.

2.1.1 Vóór de per 1 januari 2008 van kracht geworden vernieuwing van de wettelijke regeling van de schuldsaneringsregeling bestond al het streven om tot een schuldenregeling in der minne te komen in het kader van het 'minnelijke traject' voorafgaande aan de schuldsaneringsregeling volgens de wet. Dat streven is versterkt met de per 1 januari 2008 in artikel 287a Fw ingevoerde gedwongen schuldenregeling. Ook hier is, zoals van menig andere vernieuwing van de schuldsaneringsregeling, het achterliggende oogmerk om te komen tot een grotere ontlasting van het wettelijke saneringstraject.((2))

2.1.2 In het - ook met ingang van 1 januari 2008 vernieuwde - artikel 285 Fw lid1 wordt aangegeven welke informatie bij het verzoekschrift met het verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling moet worden overgelegd. Bij het verzoekschrift moet onder meer gevoegd worden een overzicht van de bestaande schulden (sub a) en een verklaring van het College van Burgemeester en Wethouders dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldenregeling te komen (sub f). Over het vernieuwde artikel wordt in de memorie van toelichting bij het betrokken wetsontwerp opgemerkt:

"Doordat in het wetsvoorstel wordt voorgesteld het saneringsplan af te schaffen (.....) zal er naast het indienen van het verzoekschrift in beginsel geen tweede moment meer zijn waarop nadere informatie verstrekt kan worden. Het verstrekken van informatie bij het verzoekschrift verzwaart de eisen die aan het verzoekschrift gesteld worden. Dit past in het beleid strenger te zijn aan de poort van de WSNP en die alleen te openen voor schuldenaren die er klaar voor zijn, die een minnelijke procedure hebben doorlopen en waarvan bekend is hoe hun financiële positie is."((3))

2.1.3 In artikel 287 lid 2 Fw is bepaald dat, indien gegevens als genoemd in artikel 285 lid 1 Fw ontbreken, de rechtbank de schuldenaar een termijn van één maand kan gunnen om ontbrekende gegevens te verstrekken. Ontbreken de gegevens na die termijn nog steeds dan wordt het verzoek niet ontvankelijk verklaard. Het artikel verplicht de rechtbank niet tot gunnen van een termijn van één maand voor het aanvullen van ontbrekende gegevens.

2.2 Uit de Aantekeningen van Mr. M.B. Meindersma voor de zitting in appel van 15 januari 2010 en uit hetgeen het hof op die zitting blijkens het van die zitting gemaakt proces-verbaal is gebleken, heeft het hof kunnen concluderen dat het in eerste aanleg in het geding gebrachte overzicht van de schulden betreffende de vrouw niet klopt. Daaraan heeft het hof zijn twijfel kunnen verbinden omtrent de juistheid van de verklaring van de zijde van de gemeente over het mislukken van de minnelijke regeling voor wat de vrouw betreft. Die twijfel over de verklaring brengt mee, dat kan worden geoordeeld dat bij het inleidende verzoekschrift van de vrouw niet alle informatie is gevoegd die krachtens artikel 285 lid 1 FW bijgevoegd behoort te zijn. De rechter kan maar hoeft niet een termijn van één maand te gunnen voor het aanvullen van de ontbrekende informatie. Voor het geen gebruik maken van die bevoegdheid bestaat te meer aanleiding in het geval dat van de incompleetheid in appel blijkt. Bovendien legt het in de wet verankerde streven om eerst een schuldenpositie in het kader van een minnelijk traject tot oplossing te brengen extra gewicht in de schaal om van het gebruik van deze bevoegdheid af te zien. Ten slotte, met het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid gaat de bevoegdheid om, voor zoveel nodig, opnieuw een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen niet verloren.

2.3 Op hetgeen hiervoor in 2.2 is opgemerkt, stuiten de aangevoerde klachten af. Ter aanvulling diene nog het volgende.

Voor zover het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid heeft verrast, zoals sub 9 van het verzoekschrift wordt gesteld, is er geen sprake van een onaanvaardbare verrassing.

Het is, anders dan sub 10 van het verzoekschrift wordt betoogd, in het licht van de gebleken onjuistheid van het overzicht van de schulden van de vrouw geenszins onbegrijpelijk dat het hof twijfel koestert over de juistheid van de verklaring van de gemeente over het mislukken van de minnelijke regeling voor wat de vrouw betreft. Mede vanwege de prioriteit die aan het minnelijk traject dient te worden toegekend, heeft het hof de vrouw niet in de gelegenheid hoeven te stellen om aanvullende informatie te verstrekken.

Anders dan in 11 van het verzoekschrift wordt gesteld, miskent het hof niet het belang van de vrouw bij toepassing op haar van een schuldsaneringsregeling. De uitspraak van het hof impliceert niet meer dan dat het op dit moment het hof nog niet voldoende duidelijk is of de vrouw genoemd belang heeft. Blijkt dat belang er uiteindelijk wel te zijn, dan kan zij opnieuw een verzoek indienen.

Onder 12 van het verzoekschrift wordt van een veronderstelling bij het hof uitgegaan, waarvoor het arrest geen aanknopingspunt biedt. De betreffende klacht mist feitelijke grondslag.

3. Het cassatieberoep van de man

3.1 De voor de man aangevoerde klachten zijn opgenomen in 10 e.v. van het voor hem ingediende verzoekschrift.

3.2 De klachten in 10 t/m 13 slagen niet. Zij stoelen, zo schijnt het toe, op de verwachting dat de vrouw ter zake van de schuld aan de gemeente Heemskerk tot de schuldsaneringsregeling zal (kunnen) worden toegelaten. Dan, zo wordt betoogd, dient ook de man tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten, want dan pas is het toelaten van de vrouw tot de schuldsaneringsregeling zinvol. Niet alleen speelt genoemde verwachting geen rol bij artikel 288 lid 3 Fw, maar is die verwachting ook ongegrond. De schuld aan de gemeente Heemskerk gaat, zo is in appel gebleken, de vrouw niet aan. Een eventuele op de vrouw van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling kan op die schuld geen betrekking hebben.

3.3 In 14 t/m 16, eerste zin, wordt bestreden dat het hof voor de beantwoording van de vraag of de schuld aan de gemeente Heemskerk wel of niet is aangegaan binnen de termijn van vijf jaren voorafgaande aan de datum van het indienen van het verzoekschrift bij de rechtbank, de datum van het terugvorderingsbesluit van de gemeente aanhoudt. Deze datum houdt het hof inderdaad aan, zij het primair. Het hof is ook van oordeel dat, indien zou moeten worden aangeknoopt bij het feitelijk onrechtmatig handelen van de man zoals door hem verdedigd, dan eveneens geldt dat de man binnen de termijn van vijf jaren voorafgaande aan de datum van het indienen van het verzoekschrift bij de rechtbank niet te goeder trouw is geweest. Diens onrechtmatige handelen tegenover de gemeente heeft immers tot 7 december 2004 geduurd. Dit oordeel is in cassatie niet bestreden en kan het oordeel van het hof aangaande artikel 288, lid 1 sub b Fw ten volle dragen. Dit betekent dat de klacht tegen de primaire beslissing van het hof bij gebrek aan belang doel mist.((4))

3.4 In 16, tweede zin, komt de klacht voor: "Relevant zijn voorts in dit verband deze feiten en omstandigheden: het tijdsverloop of de kwalificatie dat de fraude plaatsvond in een afgesloten levensfase, dat die fraudeschuld het merendeel uitmaakt van de totale schuld - er zijn weinig andere schulden, terwijl Abedine alles in het werk stelt om schulden af te lossen (en ook daadwerkelijk jegens de gemeente aflost - zie rov. 2.3 in het hof-arrest." Wat met deze klacht precies beoogd wordt, is niet echt duidelijk. Wellicht strekt de klacht tot bestrijding van het oordeel van het hof dat onvoldoende van omstandigheden is gebleken die moeten leiden tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw.

De klacht faalt. Zij gaat mede blijkens de verwijzingen naar het proefschrift van Noordam uit van de goede trouw-regeling in artikel 288 lid 2, sub b, Fw, zoals dat artikel vóór 1 januari 2008 gold. De daarin vervatte facultatieve afwijzingsgrond is per 1 januari 2008 omgezet in een voorwaarde voor toelating tot de schuldsaneringsregeling in artikel 288 lid 1, sub b, Fw. Die voorwaarde laat geen ruimte voor een belangenafweging als in 16 wordt voorgestaan.

4. Conclusie

Het voorgaande voert tot de slotsom dat zowel de klachten van de vrouw als die van de man geen doel treffen. Geconcludeerd wordt dan ook tot verwerping van beide cassatieberoepen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. De bij de rechtbank ingediende verzoekschriften en de daarbij horende bijlagen bevinden zich niet in de procesdossiers.

2. Zie TK 2004-2005, 29 942, nr. 3, blz. 16 en 17.

3. Zie TK 2004-2005, 29 942, nr. 3, blz. 14.

4. In het licht van de ratio achter de termijn van vijf jaren is het niet zonder meer vanzelfsprekend dat de datum van het terugvorderingsbesluit als beslissend wordt beschouwd voor het al dan niet aangehouden zijn van die termijn. Maar aan deze kwestie hoeft in de onderhavige zaak geen verdere aandacht te worden geschonken, omdat daartoe het belang ontbreekt en bovendien de feiten te dezen ook niet helemaal duidelijk zijn.