Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM1675

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
10/00322
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM1675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging toepassing schuldsanering krachtens art. 350 F.; niet-voldoening schuldenaar aan informatieplicht en afdrachtplicht (art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F.); schuldenaar heeft bovenmatige nieuwe schulden laten ontstaan (art. 350 lid 3, aanhef en onder d, F.). (81 RO)

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/780
JWB 2010/247
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/00322

Mr L. Strikwerda

Parket, 16 april 2010

conclusie inzake

[Verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 januari 2010. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 oktober 2009, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds is beëindigd, bekrachtigd.

2. Het cassatieberoep berust op één middel. De in het middel aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

3. Het middel bevat vier klachten.

4. De eerste klacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] vanaf de toelating tot de schuldsaneringsregeling nimmer heeft voldaan aan de verplichting om maandelijks af te dragen aan de boedel. Volgens het middel is deze vaststelling onjuist en daardoor onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, omdat [verzoeker] in hoger beroep een betalingsbewijs heeft overgelegd van zijn volledige achterstand.

5. De klacht faalt omdat, nog daargelaten dat het bestreden oordeel feitelijk van aard is en derhalve op juistheid in cassatie niet kan worden onderzocht, de omstandigheid dat [verzoeker] in één keer zijn achterstand in boedelbetalingen heeft betaald, niet afdoet aan (de begrijpelijkheid van) het oordeel van het hof dat [verzoeker] - vóór die betaling - nimmer heeft voldaan aan de verplichting om maandelijks af te dragen aan de boedel.

6. De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat [verzoeker] niet, althans niet naar behoren, heeft voldaan aan de informatieplicht door niet te reageren op informatieverzoeken van de bewindvoerder, onbegrijpelijk is want in strijd met de voorliggende feiten, nu de advocaat van [verzoeker] in het kader van het hoger beroep informatie heeft verstrekt. Voorts wijst de klacht erop de bewindvoerder eerst in de hoger beroepsprocedure heeft aangegeven dat [verzoeker] voor begeleiding moet zorgen, indien hij niet zelf in staat is naar behoren aan zijn informatieplicht te voldoen.

7. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Bij de beoordeling van de vraag of [verzoeker] aan zijn informatieplicht heeft voldaan, komt het aan op de informatie die [verzoeker] tijdens de uitvoering van de schuldsaneringsregeling aan de bewindvoerder verschaft, en niet op informatie die zijn advocaat ter gelegenheid van de behandeling in hoger beroep alsnog aandraagt. Nu het hof - onbestreden in cassatie - heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat het tekortschieten van [verzoeker] in zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen geheel of in overwegende mate te wijten is aan diens psychische problemen, kan de door de klacht aangevoerde omstandigheid dat de bewindvoerder eerst in de hoger beroepsprocedure zou hebben aangegeven dat [verzoeker] voor begeleiding had moeten zorgen (wat daar verder ook van zij), niet in de weg staan aan het oordeel van hof dat [verzoeker] toerekenbaar in zijn informatieplicht is tekortgeschoten.

8. De derde klacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat in aanmerking moet worden genomen dat [verzoeker] nieuwe bovenmatige schulden heeft laten ontstaan (in verband met een aanrijding en een diefstal). Dit oordeel is volgens de klacht onbegrijpelijk en in strijd met het recht, aangezien de vader van [verzoeker] deze schulden voor zijn rekening heeft genomen dan wel zal nemen.

9. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Miskend wordt dat het aanknopingspunt voor de beëindigingsgrond van art. 350 lid 3 sub d Fw niet zozeer ligt in de toename van de schuldenlast, maar in het gedrag van de schuldenaar, die door het laten ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden ervan blijk geeft niet in staat of van zins te zijn om zijn financiën op orde te houden en daardoor de uitvoering van de schuldsaneringsregeling in gevaar brengt. Vgl. Wessels, Insolventierecht, Deel IX, 2e dr. 2009, nr. 9372. Het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de vader van [verzoeker] bereid is om af te lossen op de bovenmatige schulden die [verzoeker] tijdens de schuldsaneringsregeling heeft laten ontstaan, niet ertoe leidt dat het laten ontstaan van die schulden buiten beschouwing gelaten dient te worden, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

10. De vierde klacht, die zich richt tegen het oordeel van het hof dat alle omstandigheden in aanmerking nemende sprake is van tekortkomingen die - elk afzonderlijk alsook tezamen - in de weg staan aan voortzetting van de schuldsaneringsregeling, mist zelfstandige betekenis naast de eerder aangevoerde klachten.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,