Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM1070

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
09/04091
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM1070
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Afwijzing van op art. 1:377a lid 1 BW gebaseerd verzoek om een omgangsregeling van in penitentiaire inrichting verblijvende vader, die cassatieberoep heeft ingesteld tegen zijn strafrechtelijke veroordeling voor moord op de moeder van zijn kinderen; omgangsregeling in strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 756
JWB 2010/237
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 09/04091

mr. Wuisman

Parketdatum: 9 april 2010

CONCLUSIE inzake:

[De vader]

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen;

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg

verweerster in cassatie,

advocaten: mr. J. van Duijvendijk-Brand en mr. I.C. Blomsma.

De voorliggende zaak heeft betrekking op een op artikel 1:377a, lid 1 BW stoelend verzoek van verzoeker tot cassatie om een omgangsregeling.

1. Feiten en procesverloop

1.1 De kinderen met wie verzoeker tot cassatie (hierna: de vader) omgang wenst te hebben, zijn [kind 1] (geboren op [geboortedatum] 1998) en [kind 2] (geboren op 17 november 2000). Zij zijn geboren uit een buitenhuwelijkse samenleving van de vader met [de moeder] (hierna: de moeder). Zij was tot haar overlijden op 12 maart 2006 alleen met het gezag over [kind 1] en [kind 2] belast. De vader heeft de kinderen erkend.

1.2 De vader van de kinderen verblijft al enige tijd in een penitentiaire inrichting. Hij is in twee instanties tot gevangenisstraf veroordeeld wegens het om het leven brengen van de moeder. Bij de Hoge Raad is nog het cassatieberoep tegen de uitspraak van het hof aanhangig.

1.3 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 31 oktober 2006 heeft de rechtbank Utrecht op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht (hierna: de Stichting BJz) benoemd tot voogdes over [kind 1] en [kind 2]. Zij verblijven in het gezin van pleegouders (familie aan moederszijde).

1.2 Bij een op 8 december 2006 bij de rechtbank Utrecht binnengekomen verzoekschrift heeft de vader de rechtbank verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen primair dat tussen hem en [kind 1] en [kind 2] een omgangsregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat er telefonische contacten worden opgestart tussen hem en de kinderen en dat daarna een omgangsregeling tot stand komt in die zin dat de kinderen één keer per twee weken bij hem in de gevangenis op bezoek zullen komen, subsidiair dat een onderzoek zal worden ingesteld door de Raad en dat advies wordt uitgebracht over een omgangsregeling tussen hem en de kinderen.

1.3 In haar eindbeschikking van 15 oktober 2008 honoreert de rechtbank het primaire en subsidiaire verzoek van de vader niet. Deze beslissing wordt in appel door het hof Amsterdam bij beschikking van 7 juli 2009 bekrachtigd. Daartoe overweegt het hof, na eerst de inhoud van artikel 1:377a BW te hebben weergegeven, onder meer:

4.2 Wat betreft het verzoek van de vader om een onderzoek in te stellen naar de vraag of omgang tussen de vader en [kind 1] en [kind 2] in hun belang is, oordeelt het hof als volgt. Het rapport van het Universitair Medisch Centrum is weliswaar opgemaakt op 29 juni 2007, maar het hof ziet thans, in tegenstelling tot de vader, geen aanleiding om te besluiten tot een nieuw onderzoek. Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Met de raad is het hof bovendien van oordeel dat een nieuw onderzoek op dit moment een te grote belasting voor [kind 1] en [kind 2] mee zal brengen, zodat het verzoek van de vader zal worden afgewezen.

4.3 Ten aanzien van het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [kind 1] en [kind 2], overweegt het hof als volgt. Uit de stukken en hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij dit hof naar voren is gekomen is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat omgang tussen de vader en [kind 1] en [kind 2] in strijd is met zwaarwegende belangen van [kind 1] en [kind 2]. Gebleken is dat [kind 1] en [kind 2] een complexe voorgeschiedenis hebben. De vader is in twee instanties schuldig bevonden aan de moord op de moeder en hij is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar. Door hun jonge leeftijd, (zij zijn thans 10 en 8 jaar oud), het verlies van de moeder en het feit dat zij op zeer jonge leeftijd met geweld zijn geconfronteerd, zijn [kind 1] en [kind 2] kwetsbare kinderen. De raad stelt dat de gebeurtenissen uit het verleden de veiligheid in het opgroeien van [kind 1] en [kind 2] hebben aangetast en zowel hun cognitieve als emotionele ontwikkeling hebben beïnvloed. Sinds het overlijden van de moeder hebben [kind 1] en [kind 2], afgezien van enkele door de vader gestuurde kaarten, geen contact meer gehad met hem. Uit de rapportage van het Universitair Medisch Centrum van 29 juni 2007 is gebleken dat zij een afwijzende houding hebben ten aanzien van iedere vorm van contact met hem. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat deze houding sinds dat onderzoek niet is veranderd. Zo hebben de pleegouders ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat [kind 1] en [kind 2] niet over de vader willen spreken. Volgens de stichting en de pleegouders hebben [kind 1] en [kind 2] daarnaast heftig en afwijzend gereageerd op de uitspraak van dit hof van 6 januari 2009 waarin, kort gezegd, is bepaald dat de stichting de vader door middel van foto's en verslagen op de hoogte dient te houden van de ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2]. Mede gelet op deze reactie acht het hof aannemelijk dat gedwongen contact tussen de vader en [kind 1] en [kind 2] een negatieve weerslag op de kinderen zal hebben en bovendien de hechting van [kind 1] en [kind 2] binnen het pleeggezin zal bemoeilijken.

4.4 Verder is gebleken dat de vader in verband met zijn strafrechtelijke veroordeling beroep in cassatie heeft ingesteld, welke procedure naar verwachting niet beëindigd zal worden voor medio 2010. De vader blijft bij zijn ontkenning in deze strafzaak. Als gevolg daarvan loopt de perceptie van vader aan wie schuldig is aan de dood van de moeder enerzijds en de kinderen en hun omgeving anderzijds uiteen. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen is dit verschil in perceptie voor hen verwarrend en niet begrijpelijk en daarom in strijd met hun zwaarwegende belangen. Ook de raad acht dit niet in het belang van de kinderen en stelt dat dit verschil in werkelijkheid tijdens omgang een beangstigend effect zal hebben op [kind 1] en [kind 2].

4.5 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en zal het hof het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling afwijzen.

1.4 Naar aanleiding van een daartoe strekkend aanvullend verzoek van de vader heeft hetzelfde hof al eerder, nl. bij beschikking van 2 april 2008, bepaald dat de Stichting BJz gehouden is om belangrijke informatie die de persoon van [kind 1] en [kind 2] of hun verzorging en opvoeding betreffen aan de vader te verstrekken, waaronder eenmaal per kwartaal een verslag over hun ontwikkeling, bij welke gelegenheid tevens een kopie van het schoolrapport van de kinderen wordt overgelegd en eenmaal per jaar een recente foto van de kinderen gemaakt in een neutrale omgeving.

1.5 De vader is van de beschikking van 7 juli 2009 van het hof in cassatie gekomen met een op 7 oktober 2009 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift, dat één cassatiemiddel bevat. Stichting BJz heeft in een op 14 december 2009 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verweerschrift de door de vader aangevoerde cassatieklachten bestreden en tot verwerping van diens cassatieberoep geconcludeerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bevat meer klachten.

2.2 Indien beoogd is in 4.2 van het verzoekschrift een met artikel 8 EVRM en de artikelen 3 en 20 IVKR samenhangende klacht te formuleren, dan geschiedt dat niet op een wijze waarmee duidelijk wordt wat het hof niet correct heeft gedaan. De klacht voldoet daardoor niet aan de eisen die aan een cassatieklacht mogen worden gesteld, en komt om die reden voor verdere behandeling niet in aanmerking.

2.3 In 4.4 van het verzoekschrift wordt de beslissing van het hof in rov. 4.2 bestreden om niet een nieuw onderzoek van een deskundige te doen plaatsvinden naar de vraag of omgang tussen de vader en de kinderen in het belang van laatstgenoemden is, ook al dateert het ter zake opgemaakte rapport van het Universitair Medisch Centrum van 29 juni 2007.

Betoogd wordt dat het van het grootste belang is dat over de meest actuele rapportage wordt beschikt, en dat het vanuit kinderpsychiatrische hoek bezien, onbestaanbaar is dat een hof oordeelt dat een nieuw onderzoek op dit moment voor de kinderen een te grote belasting zal meebrengen.

2.4 Bij de beoordeling van een verzoek als hier aan de orde, prevaleert uiteindelijk het belang van het betrokken kind. Anders dan zonder enige onderbouwing wordt gesteld, laat ook de kinderpsychiatrie ruimte voor het oordeel dat op een bepaald moment het onderwerpen van een kind aan een onderzoek naar de mogelijkheid van een omgangsregeling voor dat kind te belastend is. Reeds op die grond heeft het hof over het bezwaar heen kunnen stappen dat het rapport van het Universitair Medisch Centrum van 29 juni 2007 dateert. Overigens laat het hof zich blijkens rov. 4.2 bij zijn oordeelsvorming omtrent de verzochte omgangsregeling mede leiden door wat hem uit de stukken en op de mondelinge behandeling is gebleken. Uit dien hoofde acht het hof zich voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Ook op die grond heeft het hof kunnen afzien van een nieuw onderzoek. Dit betreft een aan de feitenrechter voorbehouden oordeel.((1)) Op een en ander stuit de klacht in 4.2 van het verzoekschrift af.

2.5 In 4.5 van het cassatiemiddel wordt erover geklaagd dat het hof de stellingname van Stichting BJz en de pleegouders ten onrechte in zijn overwegingen en oordeel betrekt zonder die stellingname te checken. Deze klacht faalt. Het gaat hier om de geloofwaardigheid van de uitlatingen van de Stichting BJz en de pleegouders. Er worden geen omstandigheden aangevoerd die zonder meer de noodzaak van het verifiëren van de uitlatingen van Stichting BJz en de pleegouders aangeven. Buiten dat is de beoordeling van de geloofwaardigheid van de uitlatingen van BJz en de pleegouders een geheel aan het hof als feitenrechter voorbehouden oordeel.

2.6 In 4.7 van het cassatiemiddel wordt het onjuist geacht dat het hof in rov. 4.4 voor zijn eindbeslissing laat meewegen dat het niet in het belang van de kinderen is dat zij worden geconfronteerd met de perceptie van de vader op zijn betrokkenheid bij het overlijden van de moeder, welke perceptie afwijkt van die van de kinderen en hun omgeving. Dat verschil in perceptie werkt, aldus het hof, verwarrend. Aangevoerd wordt dat voor een confrontatie met een verschil in perceptie niet hoeft te worden gevreesd, nu de vader heeft te kennen gegeven de kinderen niet te willen en niet te zullen belasten met de strafzaak. In verband hiermee wordt naar blz. 7 van het UMC-rapport van 2007 verwezen.

In zo stellige zin als nu wordt gesteld heeft de vader zich blijkens blz. 7 van het UMC-rapport niet uitgelaten over de wijze waarop hij tegenover de kinderen met de strafzaak zal omgaan. De klacht in 4.7 van het cassatiemiddel mist dan ook feitelijke grondslag. Dat het hof met de hiervoor bedoelde confrontatie rekening heeft gehouden, is verder geenszins onbegrijpelijk in het licht van de door de vader tot nu toe in de strafzaak ingenomen houding.

2.7 Aan wat in 4.9 van het cassatiemiddel wordt opgemerkt, komt geen zelfstandige betekenis toe.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge raad der Nederlanden

1. Dat het aan de feitenrechter is om te bepalen of hij nog door een deskundige wenst te worden voorgelicht heeft de Hoge Raad nog eens beslist in HR 9 september 2005, NJ 2006, nr. 619, rov. 6.2.