Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM0371

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
09/03219
Formele relaties
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBHAA:2008:BC7009
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2009:BJ2917
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM0371
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 25b Wet IB 1964; art. 6 Belastingverdrag met België 1970; art. 1 Eerste Protocol EVRM. Het Belastingverdrag met België 1970 verzet zich niet ertegen dat Nederland van een inwoner van België inkomstenbelasting heft ter zake van de waardestijging van zijn blote eigendom van een in Nederland gelegen onroerende zaak ten gevolge van het verstrijken van de periode van het vruchtgebruik. Invoering van art. 25b Wet IB 1964 zonder eerbiedigende werking is niet in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/62.10 met annotatie van Redactie
BNB 2011/189 met annotatie van I.J.J. Burgers
FutD 2010-0930
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03219

Derde Kamer A

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998-1999

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. R.L.H. IJZERMAN

ADVOCAAT-GENERAAL

Conclusie van 3 mei 2010 inzake:

X

tegen

Staatssecretaris van Financiën

Inleiding

1.1 Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 09/03219 naar aanleiding van het beroep in cassatie van X, belanghebbende, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 7 juli 2009, nr. 07/00135 en 07/00136, LJN BJ2917, V-N 2009/53.11, NTFR 2009/1711.

1.2 Belanghebbende woonde in de onderhavige belastingjaren in België. In deze conclusie gaat het om de vraag of het belastingverdrag tussen Nederland en België van 19 oktober 1970(1) (hierna: Belastingverdrag Nederland-België 1970) er aan in de weg staat dat Nederland, op grond van artikel 25b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), inkomstenbelasting mocht heffen over de waardeaangroei van belanghebbendes bloot eigendom van in Nederland gelegen onroerende zaken. Tevens komt aan de orde of het ontbreken van eerbiedigende werking bij de inwerkingtreding van artikel 25b Wet IB 1964 in strijd te achten is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM(2) (hierna: Eerste Protocol EVRM).

1.3 Deze conclusie is als volgt opgebouwd. In onderdeel 2 worden de feiten en het geding in feitelijke instanties beschreven, gevolgd door het procesverloop in cassatie in onderdeel 3. In de onderdelen 4 en 5 worden de hier relevante wet- en regelgeving, jurisprudentie en literatuur(3) weergegeven met betrekking tot respectievelijk het nationale en het internationale belastingrecht. Onderdeel 6 ziet op het Eerste Protocol EVRM. De beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen van cassatie vindt plaats in het kader van de beschouwing in onderdeel 7. De conclusie volgt in onderdeel 8.

2. De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1 Belanghebbende stond in 1974 als directeur-groot aandeelhouder aan het hoofd van het zogenoemde A-concern, bestaande uit een houdstermaatschappij met (klein)dochtervennootschappen. In 1974 heeft belanghebbende tezamen met een aantal familieleden tegen vergoeding een dertigjarig recht van vruchtgebruik gevestigd op aan hen in eigendom toebehorende in Nederland gelegen onroerende zaken, ten behoeve van de B-stichting (hierna: de Stichting), een stichting die uitkeringen verrichtte aan oud-werknemers van het A-concern.

2.2 Belanghebbende bezat na vestiging van het vruchtgebruik 25% van de bloot eigendom van de hiervoor bedoelde onroerende zaken. Doordat de op een bloot eigendom drukkende last van het recht van vruchtgebruik jaarlijks afneemt, neemt de waarde van de bloot eigendom dienovereenkomstig toe. De jaarlijkse waardeaangroei van de bloot eigendom werd tot het jaar 1996 niet in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Met ingang van 1 januari 1996 is artikel 25b Wet IB 1964 ingevoerd, op grond waarvan die waardeaangroei bij de bloot eigenaar sindsdien in de heffing van inkomstenbelasting werd betrokken als inkomsten uit vermogen.

2.3 Belanghebbende woonde tot juni 1995 in Nederland. In juni 1995 is hij verhuisd naar België. In december 2001 is belanghebbende metterwoon teruggekeerd naar Nederland.

2.4 In 2001 heeft belanghebbende, naar aanleiding van een onderzoek door de Belastingdienst bij enkele familieleden van belanghebbende, aan de Belastingdienst gemeld dat hij vanaf 1996 de waardeaangroei van de bloot eigendom van voornoemde onroerende zaken mogelijk niet correct in zijn aangiften had verwerkt. In verband daarmee zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd voor de jaren 1998 en 1999, zonder boete.

2.5 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze navorderingsaanslagen.

2.6 De Inspecteur(4) heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 april 2006 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Rechtbank

2.7 Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank te Arnhem (hierna: de Rechtbank).(5)

2.8 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 22 februari 2007 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

Hof

2.9 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof).(6) De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

2.10 Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:

3.1. Tussen partijen is in geschil of de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (...), eraan in de weg staat dat Nederland belasting heft over de waarde-aangroei van de blote eigendom van de hiervoor bedoelde onroerende zaken (...) en of het gebrek aan eerbiedigende werking bij de inwerkingtreding van artikel 25b Wet IB 1964 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

2.11 Ten aanzien van het geschil is door het Hof overwogen:

4.1. Het Hof is van oordeel dat het onderhavige rendement voor de toepassing van het Verdrag moet worden aangemerkt als een voordeel dat samenhangt met de onroerende zaak waarop het betrekking heeft. Voorts is het Hof van oordeel dat in de artikelen 6 en 13 van het Verdrag daarvoor een sluitende regeling is getroffen die meebrengt dat de heffingsbevoegdheid over deze voordelen aan Nederland is toegewezen. In het midden kan derhalve blijven of het rendement valt onder het bereik van artikel 6 dan wel onder artikel 13. Daaraan doet niet af dat het voordeel volgens de bepalingen van de Nederlandse belastingwet op forfaitaire wijze wordt bepaald.

4.2. Het Hof stelt vast dat belanghebbende in 1974 als (mede-)eigenaar van de onroerende zaken ten behoeve van de B-stichting (hierna: de stichting) tegen een tegenprestatie het dertigjarig vruchtgebruik op de onroerende zaken heeft gevestigd, terwijl hijzelf daarvan eigenaar bleef. De stichting verkreeg aldus het recht de onroerende zaken te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. De last voor belanghebbende dit recht te respecteren neemt gedurende de looptijd van het vruchtgebruik geleidelijk af. De afname van deze last leidt - afgezien van andere omstandigheden - tot een geleidelijke toename van het vermogen van belanghebbende. Op deze wijze heeft belanghebbende beschikt over de voordelen die de onroerende zaken oplevert en deze te gelde gemaakt. Dit moet worden aangemerkt als een vorm van exploitatie van de onroerende zaak. Het door belanghebbende deswege genoten voordeel is derhalve een inkomste uit de onroerende zaak als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag. Daarbij is niet van belang dat de vestiging van het vruchtgebruik naar Nederlands nationaal belastingrecht in 1974 nog werd aangemerkt als een onbelaste vermogenstransactie en niet als het (op een bijzondere wijze) renderend maken van vermogen, te meer nu (1) het begrip 'inkomsten uit onroerende goederen' is omschreven in artikel 6, § 4, van het Verdrag en de nationale betekenis gelet op artikel 3, § 2, van het Verdrag betekenis mist en voorts (2) het begrip 'exploitatie van onroerende goederen' in de Nederlandse belastingwet geen betekenis heeft.

4.3. Voor het geval het rendement niet zou zijn aan te merken als inkomste als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag (en het hiervoor onder 4.3 overwogene zou derhalve onjuist zijn), is het Hof van oordeel dat het tegen vergoeding vestigen van een vruchtgebruik op een onroerende zaak is aan te merken als de vervreemding van onroerende goederen als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag. De belastingheffing over het daaruit verkregen voordeel - hetzij de tegenprestatie voor de vestiging daarvan, hetzij de vermogenstoename door het door tijdsverloop afnemen van de last van het vruchtgebruik - is door artikel 13 aan Nederland toegewezen. Daaraan staat niet in de weg dat de onderhavige regeling geen rekening houdt met veranderingen in de waarde van de onroerende zaak, aangezien die waardeveranderingen los staan van de last van het vruchtgebruik.

4.4. Het Hof verwerpt belanghebbendes stelling dat het onderhavige rendement niet kan worden aangemerkt als 'verkregen inkomsten' of 'verkregen voordelen', omdat belanghebbende niets zou hebben verkregen. Belanghebbende heeft immers enerzijds bij de vestiging van het vruchtgebruik van de stichting een tegenprestatie ontvangen en anderzijds neemt - als andere kant van dezelfde medaille - belanghebbendes vermogen geleidelijk toe ten gevolge van de geleidelijke afname van de last van het op de eigendom van de onroerende zaken drukkende vruchtgebruik. Daaraan staat niet in de weg dat belanghebbende in het onderhavige jaar geen betalingen ter zake heeft ontvangen, aangezien het Verdrag geen bepalingen omvat over het tijdstip waarop voordelen worden betrokken in de belastingheffing. Naar 's Hofs oordeel zijn ook ongerealiseerde vermogenstoenamen aan te merken als verkregen inkomsten dan wel voordelen (...). Evenmin is van belang dat het voordeel wordt bepaald zonder acht te slaan op (veranderingen in) de waarde van de onroerende zaken.

4.5. Belanghebbende stelt dat de onderhavige heffing leidt tot een indirecte verschuiving in de verdeling van heffingsbevoegdheid tussen Nederland en België, doordat belanghebbende ter betaling van deze heffing zijn privé-vermogen zal moeten aanspreken, wat leidt tot vermindering van dat vermogen en daardoor tot vermindering van de Belgische heffingsgrondslag. Een dergelijke verschuiving is, aldus belanghebbende, niet toegestaan. Tot steun voor zijn stelling verwijst belanghebbende naar Hoge Raad 5 september 2003, nr. 37.670, LJN: AE8404. Het Hof verwerpt deze stelling. Dat verschuldigde belasting mogelijk zal moeten worden voldaan uit vermogen waarover een ander land belasting mag heffen, maakt nog niet dat de heffing van die belasting inbreuk maakt op het heffingsrecht van dat andere land.

4.6. Belanghebbende stelt dat sprake is van een door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM verboden ontneming van eigendom, omdat bij de invoering van art. 25b geen rekening is gehouden met reeds bestaande gevallen, belanghebbende ter voldoening aan zijn (aanzienlijke) belastingverplichting zijn vermogen zou moeten aanspreken, omdat de belaste inkomsten niet werkelijk zijn genoten en omdat de belastingheffing niet aansluit bij de werkelijke waarde(ontwikkeling) van de onroerende zaak. Voorts stelt belanghebbende dat bij hem de verwachting is gewekt dat de tot en met 1995 bestaande regeling, of eigenlijk afwezigheid van een regeling, niet zou worden gewijzigd.

4.7. Een verdragsstaat dient bij het treffen van een maatregel die leidt tot een ontneming van eigendom als bedoeld in het vorenvermelde artikel 1 een 'fair balance' te treffen tussen de eisen van het algemeen belang en die van de bescherming van fundamentele rechten van het individu. Bij de beoordeling van de vraag of een staat aan dit vereiste heeft voldaan dient een 'wide margin of appreciation' aan die staat te worden toegekend, zeker indien het belastingmaatregelen betreft (...). Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever in het onderhavige geval de grenzen van deze 'wide margin of appreciation' niet overschreden. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden brengen niet mee dat de onderwerpelijke wetswijziging of het ontbreken van een overgangsregeling daarbij in de specifieke omstandigheden voor belanghebbende leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden'). Naar het oordeel van het Hof hebben de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden in redelijkheid bij hem niet het vertrouwen kunnen wekken dat het onderhavige rendement (steeds) onbelast zou blijven.

2.12 Het Hof heeft bij uitspraak van 7 juli 2009 de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

3. Het geding in cassatie

3.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een conclusie van dupliek in te dienen.

3.2 Belanghebbende heeft zes middelen van cassatie voorgesteld.

3.3 Het eerste middel luidt:

Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen 6 en 13 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en België uit 1970 (hierna: het Verdrag), omdat het Hof heeft geoordeeld dat het fictieve rendement ex artikel 25b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) in verbinding met artikel 81 Wet IB 1964 voor de toepassing van het Verdrag moet worden aangemerkt als een voordeel dat samenhangt met de onroerende zaak waarop het betrekking heeft en dat de heffingsbevoegdheid over deze voordelen aan Nederland is toegewezen en dat daarbij in het midden kan blijven of het rendement onder het bereik van artikel 6 of 13 valt zulks ten onrechte, omdat het Hof met dat oordeel miskent dat geen sprake is van "genieten van inkomsten" noch van een "voordeel uit vervreemding" zoals bedoeld in genoemde artikelen.

Dit middel is als volgt toegelicht:

Het oordeel van het Hof dat het rendement dat op grond van artikel 25b Wet IB 1964 moet worden aangemerkt als een voordeel dat samenhangt met de onroerende zaak waarop het betrekking heeft, is onjuist. Immers, de inkomsten ex artikel 25b Wet IB 1964 kunnen niet worden beschouwd als inkomsten uit een onroerende zaak maar moeten worden gekwalificeerd als fictieve inkomsten uit vermogen op basis van een recht. Het is een recht van vruchtgebruik waaraan de inkomsten worden verbonden. De fictie van artikel 25b Wet IB 1964 bestaat eruit dat de bloot eigenaar wordt geacht inkomsten te genieten vanwege het afnemen van de waarde van een recht van vruchtgebruik. Die inkomsten vloeien derhalve niet uit de onroerende zaak zelf voort maar uit een recht van vruchtgebruik. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de afname van de waarde van het vruchtgebruik niet noodzakelijkerwijze met zich meebrengt (ook in casu is dat niet zo) dat de waarde van het bloot eigendom toeneemt. Zoals hieronder uit de toelichting bij de middelen II en 111 volgt, vallen de onderhavige fictieve inkomsten niet onder de werking van artikel 6 van het Verdrag noch onder de werking van artikel 13, lid 1 van het Verdrag. De fictieve inkomsten vallen derhalve onder de werking van artikel 13, lid 4 althans artikel 22 van het Verdrag en zijn als overige inkomsten toegewezen aan België, waar X in 1998 en 1999 woonde.

3.4 Het tweede middel is:

Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 6, § 4 van het Verdrag omdat het Gerechtshof ten onrechte heeft beslist dat X door in 1974 een vruchtgebruik op de onroerende zaak te vestigen over de voordelen die de onroerende zaken opleveren, heeft beschikt en dat het door X deswege genoten voordeel een inkomste is uit de onroerende zaak als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag, zulks ten onrechte omdat dergelijke inkomsten niet onder de werking van artikel 6 van het Verdrag vallen en omdat het Hof miskent dat een dergelijke transactie in 1974 als een vermogenstransactie werd beschouwd waaruit geen inkomsten voortvloeiden.

In de toelichting wordt betoogd:

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het door belanghebbende genoten voordeel een inkomste uit de onroerende zaak is als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag. Daarbij is het - aldus het Hof - niet van belang dat de vestiging van het vruchtgebruik naar Nederlands nationaal belastingrecht in 1974 nog werd aangemerkt als een onbelaste vermogenstransactie en niet als het (op bijzondere wijze) renderend maken van vermogen, te meer nu (1) het begrip 'inkomsten uit onroerende goederen' is omschreven in artikel 6, § 4 van het Verdrag en de nationale betekenis gelet op artikel 3, § 2 van het Verdrag betekenis mist en voorts (2) het begrip 'exploitatie van onroerende goederen' in de Nederlandse belastingwet geen betekenis heeft. Dit oordeel is onjuist. Terecht oordeelt het Hof dat de nationale betekenis gelet op artikel 3, § 2 geen betekenis heeft maar zulks leidt niet tot de gevolgtrekking dat de inkomsten waar het hier om gaat onder artikel 6 van het Verdrag vallen.

3.2.2. 's Hofs oordeel dat het in 1974 vestigen van een vruchtgebruik moet worden beschouwd als het beschikken over de voordelen die de onroerende zaak oplevert en deze te gelde maken en dat dit moet worden beschouwd als een vorm van exploitatie van de onroerende zaak, is onjuist. Ten eerste is er in casu geen sprake van exploitatie van een onroerende zaak. Ten tweede heeft die bewuste rechtshandeling zich niet in het onderhavige jaar voorgedaan, noch heeft die rechtshandeling in dit jaar inkomsten uit de onroerende zaak opgeleverd. Integendeel, zoals X in de stukken van het geding heeft gesteld en door de inspecteur niet is weersproken, is de waarde van de bloot eigendom van de onroerende zaak in de onderhavige periode gedaald. De inkomsten waar het hier om gaat, zijn fictieve ongerealiseerde waardestijgingen. Dergelijke inkomsten vallen niet onder artikel 6 van het Verdrag.

3.2.3. De tekst van artikel 6, § 1 van het Verdrag luidt:

"Inkomsten uit onroerende goederen mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen."

Artikel 6 § 3 van het Verdrag bepaalt:

"De bepaling van paragraaf I is van toepassing op de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen."

De Franse tekst van het Verdrag spreekt van "revenues provenant de".

3.2.4. Grammaticale uitleg van deze bepalingen wijst er op dat artikel 6 van het Verdrag ziet op inkomsten die getrokken worden uit de onroerende zaak, zoals huurtermijnen die een vruchtgebruiker ontvangt. In het geval van inkomsten uit artikel 25b Wet IB 1964 is evenwel geen sprake van uit onroerende zaken getrokken inkomsten uit vermogen maar van fictieve inkomsten uit vermogen op basis van een recht. Het creëren van fictieve inkomsten maakt niet dat een onroerende zaak een bron van inkomen wordt. Op grond van artikel 25b Wet IB 1964 behoort mede bij de belastingplichtige tot de inkomsten uit vermogen hetgeen bij hem opkomt ten gevolge van het verstrijken van de periode van gerechtigdheid van een ander tot een roerende of onroerende zaak. Deze fictieve inkomsten uit vermogen, met een fictief genietingsmoment, houden in casu geen verband met de onroerende zaak, met de inkomsten uit die onroerende zaak en met de waardeontwikkeling van die onroerende zaak.

(...)

3.5 Het derde middel luidt:

Middel III

Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 13 van het Verdrag, omdat het Hof heeft geoordeeld dat het tegen vergoeding vestigen van een vruchtgebruik op een onroerende zaak is aan te merken als een vervreemding van onroerende goederen als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag, zulks ten onrechte, omdat het tegen vergoeding vestigen van een vruchtgebruik zich niet in de onderhavige jaren 1998 en 1999 heeft afgespeeld.

Dit middel is als volgt toegelicht:

3.3.1. Het Hof heeft vervolgens in 4.3. van zijn uitspraak geoordeeld dat het tegen vergoeding vestigen van een vruchtgebruik op een onroerende zaak is aan te merken als de vervreemding van onroerende goederen als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag. De belastingheffing over het daaruit verkregen voordeel -hetzij de tegenprestatie voor de vestiging daarvan, hetzij de vermogenstoename door het door tijdsverloop afnemen van de last van het vruchtgebruik- is volgens het Hof door artikel 13 van het Verdrag toegewezen aan Nederland. Deze oordelen van het Hof zijn onjuist. Het Hof gaat er immers aan voorbij dat (i) de in aanmerking genomen voordelen los staan van de bron, de onroerende zaak, en van de daadwerkelijke voordelen daaruit en (ii) dat er voor de in geschil zijnde jaren 1998 en 1999 geen sprake is van vermogenswinsten of inkomsten. De tegenprestatie voor de vestiging van het vruchtgebruik heeft uitsluitend plaatsgevonden in 1974. In de jaren 1998 en 1999 is geen inkomste ontvangen en is er geen sprake van een vermogensvermeerdering. Derhalve is op grond van artikel 13 van het Verdrag in 1998 of 1999 geen inkomen aan Nederland ter heffing toegewezen. U zie in dit verband tevens onderdeel 3.53 van de bijlage bij de conclusies van A-G Wattel in de zaken HR 5 september 2003, nrs. 37 651, 37 657 en 37 670, BNB 2003/379 t/m 381, waar deze betoogt dat Nederland zijn heffingsbevoegdheid overschrijdt indien in verliessituaties geen mogelijkheid tot tegenbewijs wordt geboden.

3.3.2. De tegenprestatie die in 1974 is ontvangen voor het vestigen van het vruchtgebruik, werd destijds behandeld als een onbelaste vermogenstransactie. In 1974 was die tegenprestatie op grond van artikel 13 van het Verdrag (indien toepassing van het Verdrag toen aan de orde kwam) voor heffing aan Nederland toegewezen. De tegenprestatie in 1974 kan derhalve geen reden zijn om de onderhavige fictieve vermogensinkomsten in 1998 en 1999 onder de werking van artikel 13 van het Verdrag te scharen.

3.6 Het vierde middel is:

Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 13 van het Verdrag, omdat het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van 'verkregen' voordelen in de zin van artikel 13 van het Verdrag, zulks ten onrechte, omdat het Hof daarmee miskent dat artikel 13 niet ziet op ongerealiseerde vermogenswinsten en het Hof voorbij gaat aan de omstandigheid dat in het onderhavige geval in de jaren dat artikel 25b in verbinding met artikel 81 Wet IB 1964 van toepassing was in het geheel geen sprake was van een vermogensaanwas.

De toelichting bij dit middel vermeldt:

3.4.1. Artikel 13, § 1, van het Verdrag luidt:

"Voordelen verkregen uit de vervreemding van onroerende goederen (...) mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen."

3.4.2. Artikel 13 van het Verdrag ziet gelet op de tekst op de vermogenswinst die wordt behaald bij de vervreemding van onroerende zaken. Ongerealiseerde vermogenswinsten die bovendien nog fictief worden berekend vallen niet onder deze bepaling. Er wordt immers slechts gesproken over "vervreemding" of "alienation" zoals in de Engelse tekst van het OESO modelverdrag. Uit paragraaf 7 van het OESO commentaar bij dit artikel volgt dat vermogensvermeerdering buiten een daadwerkelijke vervreemding niet onder de toewijzingsregels van artikel 13 valt. Slechts de herwaardering van bedrijfsmiddelen, in de winstsfeer, zou in sommige landen onder de werking van dit artikel kunnen vallen.

3.4.3. Noch de tekst noch de gezamenlijke toelichtingen van de verdragsluitende partijen, noch het OESO-Commentaar bieden daarom steun voor de opvatting dat de vermogenstoename door het door tijdsverloop afnemen van de last van het vruchtgebruik onder de werking van artikel 13 van het Verdrag valt, nu er geen enkel verband is tussen de (waardeontwikkeling van de) onroerende zaak en de veronderstelde inkomsten. Vanuit de optiek van de Belgische verdragspartner, is er in de onderhavige jaren geen sprake is van van jaar tot jaar genoten vermogenswinsten behaald bij de vervreemding van onroerende zaken. Ook uit de wetsgeschiedenis bij artikel 25b Wet IB 1964 kan worden opgemaakt dat de wetgever van mening was dat de vermogensinkomsten die uit de toepassing van artikel 25b Wet IB 1964 vloeien niet onder de vermogenswinsten van artikel 13 van het Verdrag vallen. Zie de Nota naar aanleiding van het eindverslag, Kamerstukken II, 23 319, nr. 11, blz. 6-7).

3.4.4. Ten onrechte oordeelt het Hof dat niet van belang is dat het voordeel wordt bepaald zonder acht te slaan op (veranderingen in) de waarde van de onroerende zaken. Daarmee gaat het Hof ten onrechte voorbij aan de omstandigheid dat in onderhavige jaren geen sprake van een waardestijging. Zoals door X is gesteld en door de inspecteur niet is bestreden is in de jaren 1996 tot en met 1999 per saldo sprake van een waardedaling van fl. 950.957,--. Dat brengt eens te meer met zich dat artikel 13 van het Verdrag niet van toepassing is omdat geen sprake is van een voordeel verkregen uit de vervreemding of herwaardering van onroerende zaken als bedoeld in dat Verdrag. Het in 1996 e.v. veronderstellen van een dergelijk voordeel naar aanleiding van een vermogenstransactie in 1974 is gekunsteld en vergezocht. U zie hier wederom onderdeel 3.53 van de bijlage bij de conclusies van A-G Wattel in de zaken HR 5 september 2003, nrs. 37 651, 37 657 en 37 670, BNB 2003/379 t/m 381, waar deze betoogt dat Nederland zijn heffingsbevoegdheid overschrijdt indien in verliessituaties geen mogelijkheid tot tegenbewijs wordt geboden.

3.7 Het vijfde middel stelt:

Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van artikelen 6 en 13 van het Verdrag, omdat het Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een indirecte verschuiving van heffingsrechten tussen Nederland en België, zulks ten onrechte, omdat sprake is van inkomsten uit een recht die niet onder de werking van de artikelen 6 en 13, § 1 van het Verdrag vallen maar onder de werking van artikel 13, § 4 althans artikel 22 van het Verdrag en aldus aan België toegewezen inkomsten in Nederland worden belast.

Dit middel is als volgt toegelicht:

3.5.1. De fictie van artikel 25b Wet IB 1964 leidt tot een niet toegelaten indirecte verschuiving in de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen Nederland en België, zoals door uw Raad geformuleerd in het arrest van 5 september 2003, BNB 2003/381 c*. Er is sprake van een indirecte verschuiving omdat de in aanmerking genomen inkomsten geen enkel verband houden met het door X gehouden bloot eigendom. Met ingang van 1 januari 1996 worden op basis van een vermogenstransactie in 1974 inkomsten gefingeerd, zonder enig verband met de waarde van de onroerende zaak 22 jaar na dato. Er is derhalve geen sprake van inkomen in de zin van artikel 6, § 1 of artikel 13, § 1 van het Verdrag.

(...)

3.8 In het zesde middel wordt gesteld dat sprake is van:

Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens (EVRM), omdat het Hof heeft geoordeeld dat de wetgever bij de invoering van artikel 25b in verbinding met artikel 81 Wet IB 1964 niet de grenzen van de 'wide margin of appreciation' heeft overschreden, zulks ten onrechte, omdat de wetgever door invoering van die artikelen zonder eerbiedigende werking de gerechtvaardigde verwachtingen van belastingplichtigen heeft geschonden.

In de toelichting hierbij is onder meer opgemerkt:

3.6.1. X houdt vast aan zijn opvatting dat de wetgever door artikel 25b Wet IB 1964 in te voeren zonder eerbiedigende werking artikel 1 van het Eerste Protocol bij artikel 1 EVRM heeft geschonden. Ten onrechte heeft het Hof geoordeeld dat geen sprake is van een schending van het vrij genot van eigendom.

De transactie waar het om gaat, de vestiging van een levenslang vruchtgebruik, waaruit in 1998 en 1999 inkomsten vloeien, heeft reeds in 1974 plaatsgevonden. In 1974 had ter zake van deze rechtshandeling belasting kunnen worden geheven. Destijds werd evenwel een dergelijke transactie beschouwd als een onbelaste vermogenstransactie. Dan gaat het niet aan om 22 jaar na dato terug te komen op de kwalificatie van die transactie door bij wetsfictie het levenslange vruchtgebruik te herkwalificeren tot een tijdelijk vruchtgebruik. Gelet op het lange tijdsverloop sinds 1974 mocht X de verwachting koesteren dat hij tot aan het einde van het vruchtgebruik ongestoord van zijn bloot eigendom zou kunnen genieten.

(...)

3.6.4. Voorts leidt ook de wijze waarop de artikelen 25 a en b Wet IB 1964 in werking zijn getreden tot de gevolgtrekking dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is geschonden. Immers, in 1989 heeft de wetgever een nadere studie aangekondigd naar vermeend ongewenst gebruik van een aantal transacties met onroerend goed.

De vestiging van een "levenslang" vruchtgebruik zoals hier aan de orde is, werd, tot de wetswijziging in 1996, ook door de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld BNB 1995/293) aangemerkt als vervreemding van de volle eigendom, zodat het vruchtgebruik wel, maar (de aangroei van) de bloot eigendom niet, in de belastingheffing werd betrokken.

X hoefde tot 1996 noch voor de inkomstenbelasting, noch voor de vermogensbelasting iets aan te geven. Toen hij in 1974 de onderhavige transactie aanging mocht hij erop vertrouwen dat hij geen inkomsten uit de blote eigendom behoefde aan te geven. Eerst met ingang van 1996 wordt, bij wetsfictie, een 30-jarig vruchtgebruik ten behoeve van een rechtspersoon als tijdelijk aangemerkt, waardoor (de aangroei van) de bloot eigendom in de belastingheffing wordt betrokken. Deze wetswijziging gold met ingang van 1 januari 1996 voor alle destijds bestaande rechtsverhoudingen. (...)

(...)

Zoals (...) blijkt, was de wetgever zich ervan bewust dat deze wetswijziging voor belastingplichtigen met reeds jarenlang lopende rechtsverhoudingen bezwarend was. Desondanks is geen eerbiedigende werking voor reeds bestaande rechtsverhoudingen opgenomen. Naar de mening van X is dat in strijd met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM omdat het een inbreuk is op het ongestoorde eigendomrecht van de bloot eigenaar.

(...)

4. Artikel 25b van de Wet IB 1964

Wet- en regelgeving

4.1 In de Wet IB 1964, zoals deze luidde in 1998 en 1999, was voor zover hier van belang bepaald:(7)

Artikel 25b

1. Indien een ander dan de belastingplichtige (...) tijdelijk is gerechtigd tot voordelen uit een tot het vermogen van de belastingplichtige behorende onroerende of roerende zaak (...) behoort bij de belastingplichtige mede tot de inkomsten uit vermogen hetgeen bij hem opkomt ten gevolge van het verstrijken van de periode van de gerechtigdheid van die ander (...); hetgeen bij de belastingplichtige opkomt wordt beoordeeld met inachtneming van de waarde in het economische verkeer van de zaak op het tijdstip van de verkrijging daarvan door hem. De in de vorige volzin bedoelde inkomsten worden met inachtneming van grenzen van redelijkheid beschouwd van dag tot dag te zijn genoten, waarbij hetgeen ten tijde van het eindigen van de aldaar bedoelde gerechtigdheid nog niet in aanmerking is genomen, wordt beschouwd ten laatste te zijn genoten op dat tijdstip.

2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover:

a. de aldaar bedoelde gerechtigdheid is ontstaan na de verkrijging van de zaak door de belastingplichtige (...) en op het moment van het ontstaan van de gerechtigdheid de zaak geen deel uitmaakte van het vermogen van een onderneming;

(...)

5. De inspecteur stelt de voor de bepaling van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde inkomsten benodigde gegevens alsmede de periode van de aldaar bedoelde gerechtigdheid vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Indien de in de vorige volzin bedoelde gegevens of periode onjuist zijn vastgesteld, kan de inspecteur de in de vorige volzin bedoelde beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van vijf jaren na de vaststelling van de beschikking.

Artikel 81

1. (...)

2. Artikel 25b, tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing ingeval de aldaar bedoelde gerechtigdheid vóór 1 januari 1996 tegen een prestatie is gevestigd ten behoeve van een rechtspersoon, behoudens voor zover ter zake van die vestiging inkomsten uit vermogen in aanmerking zijn genomen.

Wetsgeschiedenis

4.2 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van artikel 25b Wet IB 1964 is over de aanleiding voor de regeling opgemerkt:(8)

Het wetsvoorstel heeft betrekking op situaties waarin reguliere, belaste inkomsten als het ware worden getransformeerd in een waardestijging van de onderliggende zaak. Het gaat hier bij voorbeeld om situaties waarin de belastingplichtige een zaak heeft verworven waarop een tijdelijk recht van vruchtgebruik is gevestigd. De belastingplichtige kan op eenvoudige wijze het gemis aan belaste inkomsten uit de zaak compenseren met een thans onbelaste waardestijging. De waardestijging van blote naar volle eigendom, die optreedt louter ten gevolge van het verstrijken van de periode van het tijdelijk recht van vruchtgebruik, wordt in de voorgestelde regeling in de heffing betrokken. Het zou niet rechtvaardig zijn deze waarde-aangroei buiten de heffing te laten. Waardemutaties uit andere oorzaken, zoals marktontwikkelingen en inflatie, blijven buiten de heffing. Het onderhavige wetsvoorstel vloeit daarom naar mijn mening uit dit streven naar rechtvaardigheid voort. In de door het wetsvoorstel bestreken gevallen gaat het veelal om hoge bedragen.

(...)

De onderhavige problematiek op zichzelf is niet nieuw. Vergelijkbare problemen zijn er geweest met betrekking tot rechten die niet op zaken zijn gevestigd, zoals obligaties en aandelen. De constructie die deze problemen veroorzaakte, is bekend onder de verzamelnaam mantelconstructie of blote-eigendomconstructie. Zij is bestreden met de sinds 1 januari 1990 van kracht zijnde wet met betrekking tot tijdelijke genotsrechten op schuldvorderingen en effecten, de zogenoemde mantelwetgeving.(9) De voorgestelde regeling beoogt soortgelijke constructies met onroerende en roerende zaken te bestrijden; zij ligt in het verlengde van bedoelde mantelwetgeving.

Ten aanzien van de berekening van de jaarlijks als inkomsten uit vermogen in aanmerking te nemen voordelen is opgemerkt:(10)

De voorgestelde regeling voorziet in de mogelijkheid in bepaalde gevallen de waarde-aangroei van de blote eigendom naar de volle eigendom van een onroerende of roerende zaak in de belastingheffing te betrekken (...). Aangezien de blote-eigendomconstructies thans met name bekend zijn met betrekking tot onroerende zaken, is deze memorie in de desbetreffende passages op onroerende zaken toegesneden.

Het in aanmerking te nemen voordeel, dat wil zeggen het waardeverschil tussen de blote eigendom en de volle eigendom, wordt vastgesteld op het moment van de verkrijging van de zaak in bezwaarde staat. Hiermee wordt voorkomen dat waardemutaties uit andere oorzaken dan het aflopen van het uiterlijk op een vast tijdstip eindigend genotsrecht - te denken valt bij voorbeeld aan gestegen marktprijzen uit hoofde van inflatie of marktontwikkelingen - in de heffing worden betrokken. Vervolgens wordt het gevonden bedrag over de periode van de gerechtigdheid verdeeld.

(...) Er bestaan (...) aanmerkelijke verschillen in het mogelijk feitelijk te behalen rendement tussen de verschillende soorten onroerende zaken onderling. Het te behalen rendement op de verschillende soorten onroerende zaken loopt sterk uiteen van globaal 2% voor verpachte landbouwgrond tot meer dan 10% voor winkelpanden en kantoorgebouwen (...).

[Er ...] is gekozen voor een systeem waarin de voorzienbare waarde-aangroei ten tijde van de verkrijging, en wel gespreid over de periode van het genotsrecht, in aanmerking wordt genomen.

(...)

Over de afbakening van de werkingssfeer is opgemerkt:(11)

Het wetsvoorstel ziet in beginsel op de gevallen waarin de belastingplichtige een zaak verkrijgt waarop reeds een tijdelijk genotsrecht rust of ter zake waarvan bij de vervreemding een dergelijk recht is voorbehouden.

Heffing over de waarde-aangroei blijft dan ook achterwege ingeval de belastingplichtige als volle eigenaar van een zaak, anders dan in de hoedanigheid van ondernemer, een al dan niet uiterlijk op een vast tijdstip eindigend genotsrecht ten behoeve van een derde heeft gevestigd. In geval van de vestiging van een tijdelijk genotsrecht leidt de vestiging thans reeds tot heffing over de ontvangen vergoeding op grond van artikel 24 of 31 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Voor een heffing over de waarde-aangroei is dan geen reden.

(...)

Ook indien de belastingplichtige als volle eigenaar van een zaak een uiterlijk op een vast tijdstip eindigend genotsrecht tegen een prestatie ten behoeve van een rechtspersoon heeft gevestigd en ter zake daarvan niet in de belastingheffing is betrokken, is de voorgestelde regeling van toepassing. De reden hiervoor is de volgende.

Bij de zogenoemde mantelwetgeving is een grensverlegging tot stand gebracht met betrekking tot de vestiging van een dertig-jarig genotsrecht ten behoeve van een rechtspersoon. Vóór deze grensverlegging speelde de vestiging van een 30-jarig genotsrecht ten behoeve van een rechtspersoon tegen een vergoeding zich namelijk in beginsel af in de onbelaste vermogenssfeer.

Met betrekking tot deze genotsrechten - waarvan de vestiging thans belast is - zal in het verleden veelal belastingheffing ter zake van de vestiging achterwege zijn gebleven. Indien een aanvullende wettelijke bepaling op dit punt thans achterwege zou blijven, dan zou bij voorbeeld een bloot-eigenaar van een dertig-jarig recht van vruchtgebruik ten behoeve van een rechtspersoon dat tegen een vergoeding is gevestigd vóór de mantelwetgeving - hoewel sprake is van een uiterlijk op een vast tijdstip eindigend recht - noch voor de vestiging noch voor de latere waarde-aangroei in de heffing kunnen worden betrokken. Uit een oogpunt van een rechtvaardige heffing komt mij dit als ongewenst voor.

(...)

4.3 Artikel 25b is ingevoerd bij wet van 15 december 1995 en in werking getreden per 1 januari 1996.(12)

5. Het Belastingverdrag Nederland-België 1970

5.1 Per 1 januari 2003 is het Belastingverdrag Nederland-België 1970 vervangen door het belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 2001(13) (hierna: Belastingverdrag Nederland-België 2001).(14) De bestreden navorderingsaanslagen zijn opgelegd voor de jaren 1998 en 1999, zodat in casu het Belastingverdrag Nederland-België 1970 van toepassing is.(15)

Wet- en regelgeving

5.2 In het Belastingverdrag Nederland-België 1970 is, voor zover hier van belang, bepaald:

Artikel 3 Algemene bepalingen

(...)

§ 2. Voor de toepassing van de Overeenkomst door elk van de Staten heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke niet anders omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetten van die Staat met betrekking tot de belastingen die het onderwerp van de Overeenkomst uitmaken.

Artikel 6 Inkomsten uit onroerende goederen

§ 1. Inkomsten uit onroerende goederen mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.

§ 2. De uitdrukking "onroerende goederen" heeft de betekenis die daaraan wordt toegekend door het recht van de Staat waar de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval (...) vruchtgebruik van onroerende goederen (...).

§ 3. De bepaling van paragraaf 1 is van toepassing op de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.

(...)

Artikel 13. Vermogenswinsten (...)

§ 1. Voordelen verkregen uit de vervreemding van onroerende goederen als omschreven in artikel 6, paragraaf 2, mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.

(...)

Artikel 22 Overige inkomsten

Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een van de Staten, waarop de voorgaande artikelen van deze Overeenkomst geen toepassing vinden, zijn slechts in die Staat belastbaar.

Artikel 23 (...)

§ 1. Vermogen bestaande uit onroerende goederen als omschreven in artikel 6, paragraaf 2, mag worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.

(...)

OESO-conceptverdrag en -commentaar

5.3 Het Belastingverdrag Nederland-België 1970 is gebaseerd op het conceptverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling(16) (hierna: OESO) uit 1963 (hierna: OESO-conceptverdrag). Het OESO-conceptverdrag is in 1977 vervangen door het OESO-modelverdrag dat sindsdien enkele malen is gewijzigd.(17) De hiervoor geciteerde artikelen van het Belastingverdrag Nederland-België 1970 zijn gebaseerd op de dienovereenkomstige artikelen van het OESO-conceptverdrag:(18)

Article 3 General definitions

1. (...)

2. As regards the application of the Convention by a Contracting State any term not otherwise defined shall, unless the context otherwise requires, have the meaning which it has under the laws of that Contracting State relating to the taxes which are the subject of the Convention."

Article 6 Income from immovable property

1. Income from immovable property may be taxed in the Contracting State in which such property is situated.

2. The term "immovable property" shall be defined in accordance with the law of the Contracting State in which the property in question is situated. The term shall in any case include (...) usufruct of immovable property (...)

3. The provisions of paragraph 1 shail apply to income derived from the direct use, letting, or use in any other form of immovable property.

(...)

Article 13 Capital gains

1. Gains derived by a resident of a Contracting State from the alienation of immovable property referred to in Article 6 and situated in the other Contracting State may be taxed in that other State.

(...)

Article 21 Income not expressly mentioned

Items of income of a resident of a Contracting State which are not expressly mentioned in the foregoing Articles of this Convention shall be taxable only in that State.

5.4 De OESO heeft haar modelverdragen voorzien van artikelsgewijs commentaar. Dit commentaar, voor het eerst gepubliceerd bij het modelverdrag van 1977, is dienstbaar aan de uitleg en interpretatie van op het OESO-modelverdrag gebaseerde belastingverdragen.(19) Het Belastingverdrag Nederland-België 1970 is gebaseerd op het OESO-conceptverdrag waarvoor geen OESO-commentaar beschikbaar is. De OESO, althans haar Committee on Fiscal Affairs, is van mening dat ook later OESO-commentaar bruikbaar kan zijn bij de interpretatie van OESO-modelteksten.(20) Aangezien de hier relevante teksten van de latere OESO-modelverdragen niet-wezenlijk verschillen(21) van die in het OESO-conceptverdrag, kan het OESO-commentaar in principe ook in casu van betekenis zijn.

5.5 Aan het OESO-commentaar bij artikel 6 van het OESO-modelverdrag uit 1977 kan het volgende worden ontleend:

1. Paragraph 1 gives the right to tax income from immovable property to the State of source, that is, the State in which the property producing such income is situated. This is due to the fact that there is always a very close economic connection between the source of this income and the State of source. (...)(22)

(...)

3. Paragraph 3 indicates that the general rule applies irrespective of the form of exploitation of the immovable property. (...)(23)

5.6 Het OESO-commentaar verschaft geen uitsluitsel over de verdragsrechtelijke kwalificatie van ficties in nationale heffingswetgeving, zoals die van artikel 25b Wet IB 1964.(24)

Jurisprudentie

5.7 Op 5 september 2003 heeft de Hoge Raad een drietal arresten gewezen waarin een hier relevante uitleg van belastingverdragen, met België en met Singapore, aan de orde was. HR BNB 2003/379 en HR BNB 2003/381 zien op de verdragskwalificatie van fictief loon onder het Belastingverdrag Nederland-België 1970; in HR BNB 2003/379 is overwogen:(25)

3.4.1. De artikelen 15 en 16 van het Verdrag kennen Nederland heffingsrecht toe over inkomsten verkregen door een inwoner van België uit een in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking of bestuurdersfunctie. Artikel 12a van de Wet [op de loonbelasting 1964, RIJ] kan ertoe leiden - en het doet dat in het onderhavige geval - dat ten laste van die inwoner als inkomsten uit dienstbetrekking in Nederland worden belast inkomsten die op het moment van heffen niet daadwerkelijk door hem als werknemer zijn verkregen. Dit wettigt op zichzelf nog niet reeds de gevolgtrekking dat Nederland voor situaties die door het Verdrag worden bestreken, zijn heffingsrecht uitbreidt buiten de grens die het Verdrag daaraan stelt. Indien bepaalde inkomsten naar hun aard, zoals die bepaald wordt door de bron waaruit zij ontstaan, aan Nederland ter heffing zijn toegewezen, laat artikel 3, § 2, van het Verdrag Nederland de ruimte om, onder de voorbehouden welke in die bepaling worden genoemd, in verhoudingen welke door het Verdrag worden bestreken die inkomsten te belasten volgens Nederlandse wettelijke bepalingen met betrekking tot de wijze van heffing, de bepaling van het tijdstip waarop die inkomsten in aanmerking worden genomen, de bepaling van hun omvang en de wijze van hun berekening. Binnen dat kader kan er ook ruimte zijn voor het toepassen van nationale bepalingen waarbij de wetgever zich bedient van forfaits of ficties.

3.4.2. Anders wordt het indien door wetsduiding of door het gebruik van ficties de nationale wetgever inkomsten die naar hun aard volgens het Verdrag onder een bepaald verdragsartikel vallen dat die inkomsten niet aan Nederland ter heffing toewijst, bestempelt tot inkomsten die, zo de nationale duiding ook voor de toepassing van het Verdrag zou gelden, onder de omschrijving van een ander verdragsartikel komen te vallen dat die inkomsten wel aan Nederland ter heffing toewijst. Voor een duiding met een dergelijk effect laat artikel 3, § 2, van het Verdrag geen ruimte, omdat daarmee de werking van het Verdrag eenzijdig zou worden gewijzigd.

3.4.3. In het onderhavige geval gaat het om het heffen van belasting over inkomsten die niet daadwerkelijk zijn verkregen en die, indien zij in de toekomst alsnog worden verkregen, als dividend of vermogenswinst kunnen toevloeien aan de ontvanger. Daarmee brengt de fictie, nu het Verdrag voor inkomsten uit dienstbetrekking andere toewijzingsregels kent dan voor dividend en vermogenswinst, potentieel een verschuiving teweeg in de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen Nederland en België, welke is gebaseerd op het onderscheid naar de aard van de inkomsten. Derhalve laat het Verdrag een op die fictie gebaseerde heffing niet toe.

5.8 In HR BNB 2003/380 ging het om de kwalificatie van de afkoop van pensioenrechten onder het Belastingverdrag Nederland-Singapore.(26) De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen:(27)

3.4. Ingevolge de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964, zoals deze ten tijde van het afsluiten van het Verdrag en ook daarna, tot 1 januari 1995, luidden, diende een uitkering ineens, die door een (voormalige) werknemer werd ontvangen als afkoopsom voor door zijn (voormalige) werkgever toegekende pensioenaanspraken, te worden behandeld als inkomsten uit een vroegere dienstbetrekking. Het bepaalde in artikel 18, lid 1, van het Verdrag bracht tot 1 januari 1995(28) mee dat Nederland een dergelijke uitkering, indien deze werd genoten door een inwoner van Singapore, niet kon belasten omdat die bepaling, zoals hiervoor is overwogen, meebracht dat het heffingsrecht ter zake van dergelijke inkomsten bij uitsluiting toekwam aan Singapore.

3.5. Aangezien een tussen twee staten gesloten overeenkomst, zoals ook in artikel 31 van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969, Trb. 1977, 169, is neergelegd, te goeder trouw moet worden uitgelegd, kan een in een dergelijke overeenkomst opgenomen bepaling waarbij een staat aan de andere staat bij uitsluiting het recht verleent tot het belasten van een som die wordt toegekend ter afkoop van pensioenaanspraken, niet worden uitgehold of ontgaan door het opnemen in de wetgeving van die eerste staat van een bepaling die de heffing over een uitkering, toegekend voor of in verband met de afkoop van pensioenaanspraken, vervangt door een bepaling krachtens welke tot het te belasten inkomen of te belasten loon wordt gerekend de waarde van de pensioenaanspraken op het moment dat onmiddellijk voorafgaat aan het tijdstip waarop die aanspraken worden afgekocht. Dat geldt in het onderhavige geval ook ten aanzien van de heffing over het gedeelte van de pensioenaanspraken dat niet is afgekocht, omdat zowel pensioentermijnen als afkoopsommen ter heffing zijn toegewezen aan Singapore. De toepassing van artikel 11c van de Wet [op de loonbelasting 1964, RIJ] dient derhalve als strijdig met het bepaalde in artikel 18, lid 1, van het Verdrag achterwege te blijven.

5.9 In V-N 2009/53.11 is bij de uitspraak van het Hof onder meer aangetekend:

(...)

Dat belanghebbende voor de betaling van deze Nederlandse belasting privévermogen moet aanwenden waarvan het rendement anders ter belastingheffing zou zijn toegewezen aan België en er daardoor toch een dergelijke eenzijdige verschuiving van heffingsbevoegdheden van België naar Nederland zou plaatsvinden, is alleen maar spitsvondig, maar fiscaal-juridisch natuurlijk irrelevant. Dat is immers niet de verschuiving van heffingsbevoegdheden waarop de Hoge Raad het oog had in genoemde gebruikelijkloonarresten.

Tot slot was ook belanghebbendes betoog dat hij in de onderhavige jaren 1998 en 1999 geen voordelen uit de onroerende zaak had verkregen, zoals art. 6 respectievelijk art. 13 van het verdrag voorschrijven, gedoemd te mislukken. Dit betoog is ook in de gebruikelijkloonarresten ten beste gegeven, maar de Hoge Raad heeft dit toen niet gehonoreerd. Het hof doet dat in casu ook niet en legt duidelijk uit dat belanghebbende in onderhavige jaren mogelijk geen daadwerkelijke inkomsten uit de onroerende zaak heeft ontvangen, maar dat dit niet wil zeggen dat hij niet is verrijkt. Belanghebbende heeft deze inkomsten namelijk destijds in 1974, toen het vruchtgebruik werd gevestigd, in één bedrag voor dertig jaren vooruit ontvangen, welk bedrag ook mede betrekking had op onderhavige jaren 1998 en 1999, en tevens is belanghebbende ook in de onderhavige jaren 1998 en 1999 verrijkt doordat de last van het vruchtgebruik is afgenomen waartegenover zijn vermogen is toegenomen.

(...)

5.10 Rozendal heeft in NTFR 2009/1711 bij de uitspraak van het Hof geannoteerd:

(...)

Ook de stelling van belanghebbende dat de heffing over de waardeaangroei van de blote eigendom leidt tot een indirecte verschuiving in de verdeling van heffingsbevoegdheid tussen Nederland en België wordt door het hof verworpen. Belanghebbende beroept zich tevergeefs op HR 5 september 2003, nr. 37.670, BNB 2003/381, NTFR 2003/1512, welk arrest in samenhang moet worden bezien met twee andere arresten gewezen op dezelfde datum (nr. 37.651, NTFR 2003/1511 (met commentaar van Albert), BNB 2003/379, en nr. 37.657, NTFR 2003/1510, BNB 2003/380). In dit arrest oordeelde de Hoge Raad kort gezegd dat het Nederland is toegestaan te heffen over inkomsten die naar hun aard, zoals bepaald door de bron waaruit zij ontstaan, aan Nederland ter heffing zijn toegewezen. Het is de wetgever daarbij toegestaan zich te bedienen van forfaits en ficties. Het is echter niet toegestaan om inkomsten die naar hun aard aan het andere verdragsland zijn toegewezen alsnog door middel van ficties in de Nederlandse heffing te betrekken, aangezien dit zou leiden tot een ongeoorloofde verschuiving van de heffingsbevoegdheid, aldus de Hoge Raad. Aangezien er in de onderhavige casus sprake is van inkomsten (te weten de waardeaangroei van het Nederlandse vastgoed) die naar hun aard reeds aan Nederland ter heffing zijn toegewezen, kan het beroep op voornoemd arrest belanghebbende echter niet baten. Dat het vermogen van belanghebbende (waarover het heffingsrecht aan België toekomt) wordt aangetast, is volgens het hof geen valide argument dit arrest in de onderhavige casus toe te passen.

(...)

Inmiddels is art. 25b Wet IB 1964 komen te vervallen en is er een nieuw belastingverdrag met België in werking getreden. Onder de Wet IB 2001 wordt de blote eigendom van een in Nederland gelegen onroerende zaak in box 3 op grond van art. 5.3 Wet IB 2001 in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Het nieuwe belastingverdrag met België brengt geen wijziging in de toewijzing van de heffingsbevoegdheid over de waardeaangroei van de blote eigendom van Nederlands vastgoed aan Nederland.

Eerste Protocol EVRM

6.1 In het Eerste Protocol EVRM is bepaald:

Article 1. Protection of property

Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law.

The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions or penalties.

De Nederlandse vertaling luidt:(29)

Artikel 1. Bescherming van eigendom

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

6.2 Het is vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) en de Hoge Raad dat de wetgever ten aanzien van de rechtvaardiging van een inbreuk op het in artikel 1 Eerste Protocol EVRM vervatte eigendomsgrondrecht, een ruime beoordelingsmarge toekomt.(30)

6.3 Een en ander is door de Hoge Raad op 10 maart 2010 opnieuw bevestigd met betrekking tot het wettelijk vastgestelde tarief voor het betekenen van een dwangbevel:(31)

3.2. Middel 2 faalt. Het Protocol laat de verdragsluitende partijen bij de heffing en invordering van belastingen een ruime beoordelingsmarge. Die marge heeft de Nederlandse wetgever niet overschreden met het vaststellen van het tarief in artikel 3, lid 1, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (...) aangezien van deze tariefstelling niet kan worden gezegd dat zij elke redelijke grond ontbeert. (...)

7. Beschouwing

7.1 De feiten en het procesverloop tot op heden komen op het volgende neer.(32) Belanghebbende woonde in de onderhavige belastingjaren, 1998 en 1999, in België. In 1974 heeft belanghebbende, tezamen met een aantal familieleden, ten behoeve van een stichting tegen een destijds onbelaste vergoeding een dertigjarig recht van vruchtgebruik gevestigd op aan hen in eigendom toebehorende in Nederland gelegen onroerende zaken.

7.2 Belanghebbende bezat na vestiging van het vruchtgebruik 25% van de bloot eigendom van de hiervoor bedoelde onroerende zaken. Doordat de op een bloot eigendom drukkende last van het recht van vruchtgebruik jaarlijks afneemt, neemt de waarde van de bloot eigendom dienovereenkomstig toe. De jaarlijkse waardeaangroei van de bloot eigendom werd tot het jaar 1996 niet in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Met ingang van 1 januari 1996 is artikel 25b Wet IB 1964 ingevoerd, op grond waarvan die waardeaangroei bij de bloot eigenaar sindsdien in de heffing van inkomstenbelasting werd betrokken als inkomsten uit vermogen. In verband daarmee zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd voor de jaren 1998 en 1999.

7.3 Het Hof heeft omtrent de toepassing van het Belastingverdrag Nederland-België 1970 geoordeeld 'dat het onderhavige rendement voor de toepassing van het Verdrag moet worden aangemerkt als een voordeel dat samenhangt met de onroerende zaak waarop het betrekking heeft'. Daarom is het Hof van oordeel 'dat de heffingsbevoegdheid over deze voordelen aan Nederland is toegewezen.(33)

7.4 Van de kant van belanghebbende is, thans in cassatie(34), gesteld dat het Belastingverdrag Nederland-België 1970 er aan in de weg staat dat Nederland, op grond van artikel 25b van de Wet IB 1964, inkomstenbelasting mocht heffen over de waardeaangroei van belanghebbendes bloot eigendom van die in Nederland gelegen onroerende zaken.

7.5 In artikel 6 van het Belastingverdrag Nederland-België 1970 is een toewijzingsregel opgenomen voor 'inkomsten uit onroerende goederen'.(35) Ingevolge artikel 3, § 2 van dat verdrag is de verdragstekst in de eerste plaats bepalend voor de uitleg van die toewijzingsregel.

7.6 Artikel 6, § 1 geeft de hoofdregel: 'Inkomsten uit onroerende goederen mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen'. Dat geldt niet alleen als een inwoner van België eigenaar is van in Nederland gelegen onroerende goederen, maar ook als hij daarvan vruchtgebruiker is, aangezien in artikel 6, § 2 is bepaald: 'De uitdrukking "onroerende goederen" (...) omvat in ieder geval (...) vruchtgebruik van onroerende goederen (...).' Mijns inziens geldt deze toewijzingsregel ook voor de in België wonende bloot eigenaar van in Nederland gelegen onroerende goederen. Ten eerste omdat bloot eigendom een vorm van eigendom is. Ten tweede omdat bloot eigendom op termijn een sterker recht is dan het genoemde vruchtgebruik, zodat er temeer reden is de inkomsten van een in België wonende bloot eigenaar uit in Nederland gelegen onroerende goederen te brengen onder deze toewijzingsregel.

7.7 Artikel 6 geeft de toewijzingsregel voor 'inkomsten uit onroerende goederen', maar definieert niet wat daaronder is te begrijpen. Ingevolge artikel 3, § 2 is in casu de Nederlandse omchrijving bepalend.

7.8 De in artikel 25b, lid 1, Wet IB 1964 gegeven omschrijving van het belastbare feit(36) ziet op de economische waardestijging van de door de belastingplichtige in bloot eigendom bezeten onroerende zaak: 'Indien een ander dan de belastingplichtige (...) tijdelijk is gerechtigd tot voordelen uit een tot het vermogen van de belastingplichtige behorende onroerende (..) zaak (...) behoort bij de belastingplichtige mede tot de inkomsten uit vermogen hetgeen bij hem opkomt ten gevolge van het verstrijken van de periode van gerechtigdheid van die ander (...)'.

7.9 Dat roept de vraag op of de wettelijke omschrijving van deze 'inkomsten uit vermogen' zodanig is dat die zijn te beschouwen als 'inkomsten uit onroerende goederen' als bedoeld in artikel 6 van het Belastingverdrag Nederland-België 1970.

7.10 Daartoe kan er ten eerste op worden gewezen dat in het OESO-commentaar bij artikel 6 van het OESO-modelverdrag uit 1977(37) een economische ratio wordt genoemd voor deze toewijzingsregel: 'Paragraph 1 gives the right to tax income from immovable property to the State of source, that is, the State in which the property producing such income is situated. This is due to the fact that there is always a very close economic connection between the source of this income and the State of source.' Het valt op dat hier wordt gedacht vanuit de bron die het inkomen voortbrengt. De ligging daarvan is objectief bepalend voor de verdragsrechtelijke toewijzing aan de bronstaat.

7.11 De verdragsdefinite van hetgeen hier moet worden verstaan onder 'inkomsten' is ruim en eveneens economisch georiënteerd. Uit artikel 6, § 1 juncto § 3, van het Belastingverdrag Nederland-België 1970 volgt dat onder 'inkomsten uit onroerende goederen' zijn te begrijpen 'de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen'. Het OESO commentaar verduidelijkt:(38) 'Paragraph 3 indicates that the general rule applies irrespective of the form of exploitation of the immovable property'.

7.12 Uit een en ander volgt dat zowel de formulering als de ratio van artikel 6 van het Belastingverdrag Nederland-België 1970 er op wijzen dat onder dat artikel zijn te begrijpen de inkomsten uit vermogen als omschreven in artikel 25b Wet IB 1964.

7.13 Hier doet zich niet een situatie voor als in de arresten HR BNB 379-381(39), waarin de Nederlandse wetgever heffingsmogelijkheden had uitgebreid, maar daarbij in strijd kwam met lopende belastingverdragen. Het Belastingverdrag Nederland-België 1970, met daarin het voornoemde artikel 6, heeft gegolden tot 1 januari 2003.(40) Het onderhavige vruchtgebruik is gevestigd in 1974, terwijl het hier gaat om de belastingjaren 1998 en 1999, zodat de gehele casus zich afspeelt binnen de looptijd van het Belastingverdrag Nederland-België 1970.

7.14 Het Belastingverdrag Nederland-België 1970 bevat geen bepalingen over het tijdstip van in aanmerking nemen als inkomsten uit vermogen van inkomsten uit in Nederland gelegen onroerende goederen, verkregen door een inwoner van België. Noch bepaalt het verdrag iets over het in aanmerking nemen van dergelijke inkomsten met toepassing van Nederlandse wetsficties of forfaits.(41) Dienaangaande is in casu van bijzonder belang hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in BNB 2003/379, in r.o. 3.4.1(42): 'Indien bepaalde inkomsten naar hun aard, zoals bepaald wordt door de bron waaruit zij ontstaan, aan Nederland ter heffing zijn toegewezen, laat (...) het Verdrag Nederland de ruimte om (...) in verhoudingen welke door het Verdrag worden bestreken die inkomsten te belasten volgens Nederlandse wettelijke bepalingen met betrekking tot de wijze van heffing, de bepaling van het tijdstip waarop die inkomsten in aanmerking worden genomen, de bepaling van hun omvang en de wijze van hun berekening. Binnen dat kader kan er ook ruimte zijn voor het toepassen van nationale bepalingen waarbij de wetgever zich bedient van forfaits of ficties.'

7.15 Het Hof heeft in het midden gelaten(43) of de onderhavige inkomsten, aan Nederland zijn toegewezen op grond van artikel 6 of op grond van artikel 13 van het Belastingverdrag Nederland-België 1970.(44) Het heeft mijn voorkeur de toewijzing te baseren op artikel 6. Aldus wordt aansluiting verkregen tussen het aanmerken van de waardestijging van de bloot eigendom als 'inkomsten uit vermogen' in artikel 25b Wet IB 1964 en 'inkomsten uit onroerende goederen' in artikel 6 van het Belastingverdrag Nederland-België 1970.

7.16 Het lijkt eveneens mogelijk de toewijzing aan Nederland te baseren op artikel 13 van het Belastingverdrag Nederland-België 1970: 'Voordelen verkregen uit de vervreemding van onroerende goederen als omschreven in artikel 6, paragraaf 2, mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.'(45) Als 'vervreemding' is dan aan te merken de vestiging tegen vergoeding, in 1974, van een dertigjarig vruchtgebruik op in Nederland gelegen onroerende zaken. In het bovengenoemde arrest HR BNB 2003/379 heeft de Hoge Raad aan de Nederlandse wetgever een bepaalde ruimte gelaten bij de invulling van 'het tijdstip waarop die inkomsten in aanmerking worden genomen'. In casu heeft de wetgever de met de vervreemding in 1974 behaalde winst aanvankelijk onbelast gelaten, maar is er per 1 januari 1996 toe overgegaan de jaarlijkse vermogensaanwas, als vooruitbetaald in de in 1974 door belanghebbende ontvangen vergoeding, te betrekken in de heffing van inkomstenbelasting door invoering van artikel 25b Wet IB 1964.(46)

7.17 Op het voorgaande stuiten de eerste vijf middelen af.

7.18 Het zesde middel (47) van belanghebbende houdt in dat de wetgever door artikel 25b Wet IB 1964 zonder eerbiedigende werking in te voeren, de gerechtvaardigde belangen van belastingplichtigen heeft geschonden, aldus dat sprake is van schending van artikel 1 Eerste Protocol EVRM.(48)

7.19 Dienaangaande kan worden opgemerkt dat artikel 25b Wet IB 1964 is ingevoerd bij wet van 15 december 1995 en in werking is getreden per 1 januari 1996 voor nadien opgekomen voordelen.(49) In zoverre was er eerbiedigende werking voor eerdere jaren, althans is er rechtens geen sprake van terugwerkende kracht.

7.20 Overigens stond het de wetgever vrij bij formele wet alsnog als inkomsten uit vermogen aan te merken 'situaties waarin reguliere, belaste inkomsten als het ware worden getransformeerd in een waardestijging van de onderliggende zaak'.(50) Hierbij is de wetgever gebleven binnen de hem in dit kader toekomende ruime 'wide margin of appreciation'.(51)

7.21 Dat betekent dat het zesde middel evenmin tot cassatie kan leiden.

8. Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, gesloten te Brussel, op 19 oktober 1970, Trb. 1970, 192. Per 1 januari 2003 is het Belastingverdrag Nederland-België 1970 vervangen door een nieuw belastingverdrag; zie onderdeel 5.1 van deze conclusie.

2 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 De in deze conclusie opgenomen citaten zijn weergegeven zonder de daarin voorkomende voetnoten.

4 Inspecteur van de Belastingdienst/P.

5 Rechtbank Arnhem 22 februari 2007, nr. AWB 06/3401, V-N 2007/28.1.2.

6 Hof Arnhem 7 juli 2009, nr. 07/00135 en 07/00136, LJN BJ2917, V-N 2009/53.11, NTFR 2009/1711.

7 Per 17 februari 1999 is de notering van de ondernummering van artikel 25b, lid 2, onder b, gewijzigd. Deze wijziging is blijkens haar toelichting 'van louter redactionele aard' (Kamerstukken II 1998/99, 25 836, nr. 7, blz. 100; Stb. 1999, 30, blz. 66); de geciteerde tekst is inclusief deze wijziging.

8 Kamerstukken II 1992/93, 23 219 (Wijziging van de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting (belastingheffing met betrekking tot uiterlijk op een vast tijdstip eindigende genotsrechten op onroerende en roerende zaken)), nr. 3, blz. 2-3.

9 Wet van 28 december 1989, Stb. 1989, 599 (noot toegevoegd, RIJ).

10 Blz. 7-9.

11 Blz. 11-12.

12 Wet van 15 december 1995, houdende wijziging van de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting (belastingheffing in geval van tijdelijke genotsrechten op zaken en op rechten die niet op zaken betrekking hebben), alsmede van de loonbelasting (aanpassing regime werknemersspaarregelingen), Stb. 1995, 633.

13 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, gesloten te Luxemburg, op 5 juni 2001, Trb. 2001, 136.

14 Voor een bespreking van de verschillen tussen beide belastingverdragen zie: Bernard Peeters (red.), Het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag: een artikelsgewijze bespreking, Brussel: Larcier 2008.

15 Zie artikel 33, § 5 juncto § 2, Belastingverdrag Nederland-België 2001.

16 Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD); zie www.oecd.org

17 Voor de meest recente versie zie: OECD Committee on Fiscal Affairs, Model Tax Convention on Income and on Capital, Parijs: OECD 2008.

18 Die bepalingen wijken niet wezenlijk af van de overeenkomstige bepalingen in de in 2008 gepubliceerde versie van het OESO-modelverdrag.

19 Voor beschouwingen over het gebruik van het OESO-commentaar voor de interpretatie van belastingverdragen zie: Ward e.a., The interpretation of income tax treaties with particular reference to the commentaries on the OECD model, IFA/IBFD 2005.

20 OECD Committee on Fiscal Affairs, Model Tax Convention on Income and on Capital, Parijs: OECD 2008; punt 33-36.1.

21 Vergelijk de in de onderdelen 5.2 en 5.3 van deze conclusie geciteerde bepalingen.

22 Deze ratio staat ook in het OESO commentaar bij artikel 6 van het ontwerp-modelverdrag uit 1963 (noot toegevoegd, RIJ).

23 Van Dale, Groot Woordenboek van de Nederlandse taal, 2005, noemt als hier toepasseliijke betekenis van 'exploitatie' of 'exploiteren': '(mbt. een bezit) gebruiken om er voordeel uit te trekken, winstgevend maken (...) een bos, een mijn (...) een pand exploiteren' (noot toegevoegd, RIJ).

24 Vgl. advocaat-generaal Wattel in zijn, in BNB 2003/379 opgenomen, gemeenschappelijke bijlage bij zijn conclusies voor HR BNB 2003/379-381.

25 Hoge Raad 5 september 2003, nr. 37 651, LJN AE8398, BNB 2003/379. Hoge Raad 5 september 2003, nr. 37 670, LJN AE8404, BNB 2003/381, is (vrijwel) gelijkluidend en om die reden niet geciteerd.

26 Overeenkomst van 19 februari 1971, gesloten te Singapore, Trb. 1971, 95; gewijzigd bij protocol van 28 februari 1994, Trb. 1994, 64.

27 Hoge Raad 5 september 2003, nr. 37 657, LJN AE8403, BNB 2003/380.

28 Per deze datum werd artikel 11c Wet op de loonbelasting 1964 van kracht (noot toegevoegd, RIJ).

29 Het betreft hier een door de Raad van Europa verstrekte vertaling; alleen de Engelse versie is authentiek.

30 Vgl. onderdeel 4 van de conclusie van A-G Van Ballegooijen van 28 januari 2010, nr. 08/05036, LJN BL4320.

31 Hoge Raad 5 maart 2010, nr. 09/02723, LJN BL6443, V-N 2010/13.29, NTFR 2010/626. De laatste regel van de annotatie van Vetter bij dit arrest in FED 2010/46 luidt: 'Als € 10 295 betalen voor iets dat € 1 kost geen 'individuele en buitensporige last' is, wat dan wel?'

32 Zie voor een meer uitvoerige weergave van de feiten de onderdelen 1 en 2 van deze conclusie.

33 Zie r.o. 4.1 van de Hofuitspraak, weergegeven in onderdeel 4.1 van deze conclusie.

34 Zie de in onderdeel 3.2 - 3.7 van deze conclusie weergegeven eerste vijf cassatiemiddelen.

35 Zie onderdeel 5.2 van deze conclusie.

36 Zie 4.1.

37 Zie 5.5.

38 Zie 5.5.

39 Zie 5.7.

40 Zie noot 1.

41 Zie 5.6.

42 Zie 5.7.

43 Zie r.o. 4.1 van de Hofuitspraak, opgenomen in 2.11.

44 Zie de verdragsteksten in 5.2.

45 Hetzelfde geldt, ingevolge artikel 23 van het Belastingverdrag Nederland-België 1970, voor het belasten van vermogen.

46 Vgl. de in 4.2 weergegeven wetsgeschiedenis.

47 Zie 3.8.

48 Zie 6.1.

49 Zie 4.3.

50 Zie 4.2.

51 Zie 6.2 en 6.3.