Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM0289

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
09/01618
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2009:BH1621
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM0289
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Meervoudige fotoconfrontatie. Onrechtmatige bewijsgaring. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 1993, 407 m.b.t. fotoconfrontaties. ’s Hofs motivering van de verwerping van het verweer laat in het ongewisse of het Hof het aangevoerde niet aannemelijk heeft geacht, of dat het aangevoerde die confrontatie niet onrechtmatig doet zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/870
NJ 2010/412
NJB 2010, 1491
NBSTRAF 2010/315
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01618(1)

Mr. Vegter

Zitting: 30 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, wegens zaak "diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken" veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek. Het Hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest weergegeven.

2. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de volgende twee klachten:

A. Het Hof heeft ten onrechte het verweer, dat sprake is van onrechtmatige bewijsgaring met betrekking tot de verklaring van getuige [slachtoffer 1], inhoudende herkenning van verdachte als betrokken bij een strafbaar feit middels een meervoudige fotoconfrontatie, verworpen, althans de verwerping van het verweer is onbegrijpelijk;

B. Het Hof heeft ten onrechte het verweer dat de verklaringen van getuige [getuige 1], inhoudende herkenning van verdachte als betrokken bij een strafbaar feit naar aanleiding van videobeelden, onbetrouwbaar zijn verworpen, althans de verwerping van het verweer is onbegrijpelijk.

4. Voor wat betreft de klacht onder A is namens de verdachte ten aanzien van de betrouwbaarheid van de fotoconfrontatie het verweer gevoerd zoals weergegeven in de toelichting op het middel onder (A).

5. In zijn arrest heeft het Hof ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen, waarbij het Hof tevens is ingegaan op bedoeld verweer:

"Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, op grond van de volgende bewijsmiddelen:

(...)

* het proces-verbaal van tonen selectie bij sequentiële fotobewijsconfrontatie met de getuige [slachtoffer 1] van 12 maart 2008, bezien in combinatie met het daarbij gevoegde verslag van opsporingsconfrontatie, waarbij [slachtoffer 1] de verdachte herkent als één van de overvallers;

(...)

Niet gebleken of aannemelijk geworden is dat de herkenning van de verdachte door [slachtoffer 1], alsmede de herkenning van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] door [getuige 1] als gebrekkig of onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

Niet gebleken of aannemelijk geworden is dat de selectie van de foto's die aan [slachtoffer 1] zijn getoond en de meervoudige fotoconfrontatie zelf niet op de juiste wijze hebben plaatsgevonden."

6. Het Hof heeft het verweer verworpen met de algemeen geformuleerde overweging dat het aangevoerde niet is gebleken of aannemelijk is geworden. Op het in het verweer geconstateerde discrepantie tussen het signalement dat [slachtoffer 1] had gegeven en het signalement aan de hand waarvan de fotoverzameling was samengesteld gaat het Hof niet uitdrukkelijk in. Evenmin gaat het Hof uitdrukkelijk in op het verweer dat de foto van verdachte de enige foto was met daarop een persoon met acnestippels. Het Hof ziet in deze omstandigheden kennelijk geen probleem dat zou kunnen raken aan de betrouwbaarheid van de herkenning door [slachtoffer 1] of de rechtmatige uitvoering van de fotoconfrontatie.

7. De vraag is of de gang van zaken bij de fotoconfrontatie onverenigbaar was met een eerlijke procesvoering; dan zou de bewijsvergaring immers onrechtmatig zijn. Hiervan kan sprake zijn als de bij de confrontatie gevolgde werkwijze strekt tot beïnvloeding van de getuigen met het oog op de door hen af te leggen verklaring. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien bij een meervoudige confrontatie de verdachte de enige is die ook maar enigszins voldoet aan de tevoren door de omtrent diens herkenning ondervraagde persoon gegeven beschrijving van de dader.(2)

8. Bedoelde fotoconfrontatie bevindt zich in het dossier, pagina 363 tot en met 383 van het politieproces-verbaal 2007322914. Uit het proces-verbaal van voorbereiding, gevolgde werkwijze en de procedure van fotobewijsconfrontatie met de getuige volgt dat de confrontatie is uitgevoerd overeenkomstig de procedures fotobewijsconfrontatie zoals omschreven in de Handleiding Confrontatie. Een blik op de foto's leert voorts dat de foto's qua huidkleur en huidconditie niet dusdanig afwijkend zijn dat gezegd kan worden dat de samenstelling van de foto's strekte tot beïnvloeding van de getuige [slachtoffer 1] met het oog op de door haar af te leggen verklaring. Alle foto's voldoen mijns inziens aan de omschrijving "negroïde, vermoedelijk Antilliaanse jongen, lichtgetinte huidskleur (...) leeftijd ongeveer 20 tot 25 jaar oud", en meerdere foto's voldoen op een of andere wijze aan de omschrijving "zwarte acnestippeltjes in zijn gezicht", waarbij ik opmerk dat de foto van verdachte daaraan in aanzienlijk mindere mate voldoet dan een paar andere foto's. Het onderscheidend criterium tussen de foto's onderling werd dus niet overwegend gevormd door huidkleur of huidconditie. In dat licht kan niet gezegd worden dat de aan de testobservatoren gegeven omschrijving "negroïde jongen, vermoedelijk van Antilliaanse afkomst en 20 tot 25 jaar oud" tot een onbetrouwbare samenstelling van foto's heeft geleid.

9. Het bovenstaande in aanmerking genomen meen ik dat 's Hofs oordeel geen blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. Een nadere motivering lag wel min of meer voor de hand, maar was niet noodzakelijk gelet op de inhoud van het verweer in relatie tot de betreffende foto's.

10. In de toelichting op de klacht wordt nog aangevoerd dat het Hof ten onrechte niet heeft gereageerd op de verweren dat de foto van verdachte de eerste foto was waarop sprake was van de door de getuige vooraf genoemde kenmerken en dat de testobservatoren enerzijds niet over de juiste signalementkenmerken beschikten, anderzijds dat met de door hen geplaatste opmerkingen over de neus en leeftijd niets is gedaan. Met zijn overweging dat niet gebleken of aannemelijk geworden is dat de selectie van de foto's die aan [slachtoffer 1] zijn getoond en de meervoudige fotoconfrontatie zelf niet op de juiste wijze hebben plaatsgevonden, heeft het Hof echter wel gereageerd op bedoelde verweren.

Voor zover bedoeld is dat deze reactie van het Hof niet begrijpelijk is, verwijs ik naar hetgeen ik hierboven heb overwogen. Het verweer dat de foto van verdachte de eerste getoonde foto was die voldeed aan de kenmerken van een lichte huidkleur en acnelittekens stuit af op mijn vaststelling dat huidkleur noch acnestippels een doorslaggevend onderscheidend criterium vormden tussen de foto's onderling. Verder worden de foto's in een random volgorde getoond; dat maakt al dat van beïnvloeding van de getuige door een specifieke volgorde geen sprake kan zijn.

Wat betreft de opmerkingen van de testobservatoren merk ik op dat die geen diskwalificatie van de samenstelling van de foto's inhielden. De eerste testobservator stelde slechts dat de leeftijden wat verschilden maar dat niemand er daarin echt uitsprong en de tweede testobservator merkte op dat zij één persoon vond opvallen omdat deze een bredere neus had; zij gaf echter niet aan dat zij die foto -om welke reden dan ook- zou aanwijzen, oftewel dat die foto een eventuele herkenning zou beïnvloeden enkel door dat kenmerk.

11. De klacht onder A faalt derhalve.

12. Voor wat betreft de klacht onder B is namens de verdachte ten aanzien van de herkenning van verdachte door getuige [getuige 1] op de videobeelden het verweer gevoerd zoals weergegeven in de toelichting op het middel onder (B).

13. In zijn arrest heeft het Hof ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen, waarbij het Hof tevens is ingegaan op bedoeld verweer:

"Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, op grond van de volgende bewijsmiddelen:

(...)

* de processen-verbaal van [getuige 1] van 29 februari 2008, 11 maart 2008 en 12 maart 2008 -

[getuige 1] heeft daarin telkens verklaard dat zij op camerabeelden die de groep personen toont die de overval hebben gepleegd [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) en [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte]) heeft herkend;

(...)

Niet gebleken of aannemelijk geworden is dat de herkenning van de verdachte door [slachtoffer 1], alsmede de herkenning van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] door [getuige 1] als gebrekkig of onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

(...)

Voorts maakt de enkele omstandigheid dat [getuige 1] bij het verhoor door de politie aanvankelijk weinig informatie of details heeft gegeven en gaande weg meer informatie en details heeft verstrekt en daarover wisselend heeft verklaard niet dat de verklaringen van [getuige 1] zoals afgelegd bij de politie in alle onderdelen als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

De omstandigheid dat [getuige 1] niet consistent heeft verklaard in de diverse politieverhoren die zij heeft ondergaan, is in elk geval voor wat betreft de herkenning van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] niet relevant, aangezien [getuige 1] daarover juist wel consistent heeft verklaard."

14. In de toelichting op de klacht wordt aangevoerd dat 's Hofs overweging ten aanzien van de verklaringen van [getuige 1] van 29 februari 2008, 11 maart 2008 en 12 maart 2008, dat zij daarin telkens verklaard heeft dat zij op de beelden verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] heeft herkend, onjuist is, nu in de tot het bewijs gebezigde inhoud van de verklaringen van [getuige 1] van 29 februari 2008 en 12 maart 2008 zij slechts verklaart dat zij medeverdachte [medeverdachte] herkent.

15. De door het Hof genoemde verklaringen bevinden zich onder de stukken. In de verklaring van 29 februari 2008 heeft [getuige 1] inderdaad alleen gezegd dat zij [medeverdachte] herkende op de beelden. In haar verklaring van 11 maart 2008 zegt [getuige 1] dat zij op de beelden verdachte herkent en dat zij vlak na het verhoor van 29 februari 2008 gesproken heeft met haar vriend [betrokkene 1] en tegen hem heeft gezegd dat zij verdachte in dat verhoor niet had genoemd. Daaruit valt af te leiden dat [getuige 1] verdachte op 29 februari 2008 dus wel op de beelden had herkend. In haar verklaring van 12 maart 2008 verklaart [getuige 1] dat zij dat zij bij het zien van de beelden direct [medeverdachte] herkende en dat zij, in gesprek met haar vriend [betrokkene 1], naar aanleiding van die beelden tegen hem zei dat zij op die beelden ook verdachte, de neef van [betrokkene 1], herkend had.

16. Gelet op deze verklaringen vermag ik niet in te zien in welk opzicht 's Hofs gewraakte overweging onjuist zou zijn. Nog daargelaten dat het Hof met het gebruik van het woord "telkens" bedoeld kan hebben dat [getuige 1] in de drie genoemde verklaringen hetzij beide verdachten hetzij één van hen heeft herkend, komt het mij voor, dat nu [getuige 1] verklaard heeft dat zij verdachte eigenlijk al bij haar eerste confrontatie met de beelden heeft herkend, het woord "telkens" als toepasselijk op het noemen van beide verdachten naar de geest van haar verklaringen zonder meer op de plaats is.

17. Dat het Hof vervolgens in de aanvulling bewijsmiddelen vervolgens maar één van de verklaarde herkenningen opneemt doet hier niet aan af. Meer is niet nodig voor het bewijs.

18. De volgende klacht in de toelichting op het middel houdt in dat 's Hofs overweging, dat de omstandigheid dat [getuige 1] niet consistent heeft verklaard in de diverse politieverhoren die zij heeft ondergaan, in elk geval voor wat betreft de herkenning van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] niet relevant is, aangezien [getuige 1] daarover juist wel consistent heeft verklaard, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is gelet op het gevoerde verweer.

19. Zoals ik hierboven al heb overwogen acht ik 's Hofs overweging dat [getuige 1] over de herkenning van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] consistent heeft verklaard geenszins onbegrijpelijk. Daarmee heeft het Hof gereageerd op de kern van het verweer, zijnde de eventuele inconsequenties in die herkenningen. De overige in het verweer genoemde omstandigheden raken geheel aan de, door de steller van het middel in de toelichting op de klacht al vooropgestelde, selectie en waardering van het bewijs welke is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en ten aanzien van welke de rechter in beginsel niet gehouden is zijn oordeel dienaangaande nader te motiveren.

20. Ook de klacht onder B faalt derhalve.

21. Het middel faalt in alle onderdelen en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak 09/01733, waarin ik heden eveneens concludeer.

2 HR NJ 1993, 407 m.nt ThWvV.