Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM0285

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
08/05201
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM0285
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over o.m. het aanwezigheidrecht van een in Brazilië gedetineerde verdachte. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 768
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/05201(1)

Mr. Vegter

Zitting: 30 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. en 3. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot elf jaar en zes maanden gevangenisstraf met aftrek. Het Hof heeft voorts een gsm met batterij en SIM-kaart verbeurdverklaard en de teruggave van de overige in beslag genomen voorwerpen gelast.

2. Namens de verdachte heeft mr. B.A.F. van Drimmelen, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof het door de verdediging ter terechtzitting van 3 juni 2008 gedane verzoek om aanhouding van de zaak in verband met het aanwezigheidsrecht dan wel verdedigingsbelang van verdachte ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen.

4. De gang van zaken is -kort weergegeven- als volgt geweest. Bij aanvang van de behandeling in hoger beroep bevond verdachte zich in voorlopige hechtenis. De voorlopige hechtenis van verdachte is in december 2006 geschorst onder voorwaarden, waaronder vanaf juli 2007 de voorwaarde dat verdachte op een vakantieadres buiten Nederland mocht verblijven, mits hij zijn vakantieadres en de duur van het verblijf vooraf meldde bij de politie, en hij zich tevens na terugkeer meldde. Verdachte heeft begin januari 2008 gemeld dat hij naar Aruba ging en dat hij 27 januari terug naar Nederland zou reizen. Ter zitting van 29 januari 2008 bleek echter dat verdachte zich in Brazilië bevond. Hij had via zijn raadsman laten weten dat hij ziek was en twee weken niet kon reizen. Op dat moment had verdachte dus niet voldaan aan de schorsingsvoorwaarde en het Hof heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis dan ook op 29 januari 2008 opgeheven. Ook na ommekomst van de twee weken "ziekteverlof" koos verdachte er kennelijk voor om niet terug te keren naar Nederland.

Verdachte verschijnt niet op de zitting van 19 februari 2008, en evenmin ter zitting van 4 maart 2008, waarop het door de verdediging ingediende verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zou worden behandeld. Voorafgaand aan die zitting stuurt de raadsman een fax inhoudende onder meer "Om hem moverende omstandigheden kan [verdachte] a.s. 4 maart niet bij de behandeling van het door hem ingediende verzoekschrift zijn", en dat het verzoekschrift als ingetrokken diende te worden beschouwd.

Voorafgaand aan de zitting van 16 mei 2008 stuurt de raadsman een fax inhoudende dat verdachte is aangehouden in Brazilië en dat hij gedetineerd zit. De raadsman bevestigt dit ter zitting en stelt dat verdachte bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op 3, 4 en 6 juni 2008 aanwezig wil zijn. Hij verzoekt om aanhouding. Dit verzoek wordt afgewezen.

5. Ter terechtzitting van 3 juni 2008 heeft de raadsman wederom om aanhouding verzocht en daarbij aangevoerd hetgeen in de toelichting op het middel staat weergegeven.

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2008 houdt dienaangaande het volgende in:

"De advocaat-generaal deelt, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, mede:

Aan de afdeling IPOL, voorheen DIMPEL, is een officieel rechtshulpverzoek gedaan, ook om te bezien wat voor de raadsman de mogelijkheden zijn tot contact met de verdachte vanuit Nederland.

Van Gessel merkt op, zakelijk weergegeven en voor zover van belang:

Ik heb geen afschrift ontvangen van het rechtshulpverzoek aan Brazilië om mijn cliënt hier te krijgen. (...)

De advocaat-generaal deelt, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, mede:

Het betreft geen formeel rechtshulpverzoek, maar een verzoek via IRS. Van de uitgaande mail kunt u een kopie krijgen. Het is niet gebruikelijk dat ik het antwoord van de liaisonofficier op voornoemd verzoek overleg, maar u kunt daarvan wel een woordelijke weergave krijgen. (...)

(...)

De raadsman doet een aanhoudingsverzoek en overlegt hiertoe pleitnotities.

(...)

De advocaat-generaal verklaart, -zakelijk weergegeven en voor zover van belang-:

Ik heb de mailwisseling met de IRS overgelegd, met het verzoek, via een collega, de verdachten over te brengen naar Nederland. Met zowel Israël als met Brazilië is niets geregeld over tijdelijke overbrenging, ik weet niet of dat wel geregeld kan worden. Ik acht het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak gerechtvaardigd. In dat geval zal ik een zo breed mogelijk formeel rechtshulpverzoek opstellen en nagaan wat de daadwerkelijke mogelijkheden voor tijdelijke overbrenging zijn. Wel wens ik op te merken dat de verdachten zich tot op heden niet hebben gehouden aan hun verschijningsplicht en zich nu beroepen op hun verschijningsrecht.

(...)

Het hof overweegt, na beraad in raadkamer, het volgende:

Bij een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting dient een afweging te worden gemaakt tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Het hof gaat bij deze afweging van belangen uit van de volgende feiten en omstandigheden:

- onderhavige zaak is in 2001 gestart. Op 20 ([medeverdachte]) resp. 21 november 2001 ([verdachte]) zijn de verdachten aangehouden en op 3 februari 2004 zijn zij door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot o.a. 8 resp. 12 jaar gevangenisstraf. Van dit vonnis zijn de verdachten in hoger beroep gekomen en op 13 juni 2004 vond de eerste zitting in hoger beroep plaats;

- op 20 november 2006 resp. 4 december 2006 is de voorlopige hechtenis van de verdachten geschorst onder voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat zij aan iedere oproeping van een justitiële instantie gehoor zullen geven;

- verdachten zijn niet ter zitting van 29 januari 2008, alwaar een inhoudelijke behandeling plaatsvond, verschenen, waarop de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgeheven. Verdachten hebben zich nadien, in strijd met de schorsingsvoorwaarden, onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis;

- verdachten, die blijkens de mededeling van de verdediging ter terechtzitting van 16 mei 2008 (abusievelijk staat dit niet vermeld in het proces-verbaal van die terechtzitting) tijdig op de hoogte waren van de data waarop de onderhavige zaak inhoudelijk ter terechtzitting zal worden behandeld, zijn in Israël resp. Brazilië gebleven, alwaar zij op 21 april 2008 resp. begin maart 2008 zijn aangehouden op verdenking van "offences against human lives, traffic offences en attacking and obstructing a police officer", resp. op grond van art. 33, caput, art. 35, caput, wet nr. 11.343/2006 en art. 69 van de wet inzake verdovende middelen;

- verdachten hebben zichzelf aldus in de positie gebracht dat zij thans niet zelfstandig tegenwoordig kunnen zijn bij hun berechting in hoger beroep;

- verdachten hebben na hun aanhouding te kennen gegeven dat zij bij de behandeling van hun zaak in hoger beroep tegenwoordig wensen te zijn;

- ondanks pogingen van de advocaat-generaal te achterhalen hoe lang de verdachten gedetineerd zullen blijven en of, en zo ja, op welke termijn een eventuele tijdelijke overbrenging van de verdachten zou kunnen plaatsvinden, is hij hierin niet geslaagd;

- de raadslieden zijn uitdrukkelijk gemachtigd de verdachten ter terechtzitting te verdedigen;

Het hof is van oordeel dat bij deze stand van zaken in het kader van de belangenafweging het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging, waaronder de afdoening binnen een redelijke termijn, thans zwaarder dient te wegen dan het recht van verdachten op berechting in hoger beroep in hun tegenwoordigheid. Het verzoek wordt derhalve in al zijn onderdelen afgewezen, dat wil zeggen ook het subsidiaire verzoek tot het horen van verdachten tijdens de zitting via een video verbinding.

(...)

De advocaat-generaal wordt verzocht na te gaan of en hoelang de detentie van de verdachten in het buitenland duurt en of er in concreto mogelijkheden tot overbrenging van de verdachten naar Nederland zijn"

7. Nadat ter zitting van 6 juni 2008 nog een getuige is gehoord, wordt het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 6, 7 en 10 oktober. Op die zitting zal het requisitoir en pleidooi gehouden worden. Ik merk op dat het Hof daarmee in beginsel heeft voldaan aan het verzoek om aanhouding.

8. Ik vraag mij derhalve af in hoeverre verdachte belang heeft bij de klacht van het middel, nu het Hof door de schorsing van het onderzoek voor vier maanden feitelijk het verzoek heeft toegewezen. Mijns inziens heeft verdachte geen belang bij de klacht. Voor het geval de Hoge Raad daar anders over denkt, merk ik het volgende op.

9. In casu zit verdachte gedetineerd in Brazilië, een land waarmee geen regeling omtrent tijdelijke overbrenging bestaat. In de in het verzoek om aanhouding genoemde uitspraken van de Hoge Raad betrof het een in Duitsland gedetineerde verdachte; de mogelijkheden voor (tijdelijke) overbrenging zijn met Duitsland eenvoudiger en ruimer.

De Advocaat-Generaal heeft geïnformeerd naar de vermoedelijke duur van de vrijheidsbeneming van verdachte in Brazilië en naar de mogelijkheden om verdachte naar Nederland over te brengen. Vooralsnog is dat niet bekend. Ook de advocaat van verdachte kan niets concreets melden over de vermoedelijke duur van de detentie van verdachte in Brazilië.

Het Hof heeft de Advocaat-Generaal, ondanks de afwijzing van het verzoek, desalniettemin opgedragen onderzoek te doen naar de mogelijkheden om verdachte over te brengen. Daaruit blijkt dat het Hof niet nalaat serieus te bezien of er wellicht mogelijkheden zijn om verdachte via de internationale rechtshulp alsnog op de zitting te krijgen.

Voorts heeft verdachte zich onttrokken aan de schorsingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis en is in die periode van onttrekking opgepakt in Brazilië. Hij heeft, zoals ook het Hof overweegt, zichzelf derhalve in deze positie gemanoeuvreerd. Deze overweging is, anders dan in de toelichting op het middel wordt opgemerkt, niet in strijd met het onschuldbeginsel. De overweging van het Hof houdt slechts in dat als verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden had gehouden hij niet in een Braziliaanse gevangenis terecht zou zijn gekomen. Het Hof refereert niet aan het drugsdelict in verband waarmee verdachte in Brazilië is aangehouden.

Daarbij komt nog dat het onderzoek in hoger beroep al op 13 juli 2004 is aangevangen, zij het dat het Hof toen nog niet over het volledige dossier beschikte. In ieder geval was het hoger beroep op het moment van het verzoek om aanhouding al zo'n vier jaar bezig, hetgeen niet pleit voor een uitstel voor onbekende tijd.

10. In het licht van deze argumenten acht ik de afwijzing van het aanhoudingsverzoek door het Hof dan ook geen blijk geven van een verkeerde rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt dat 's Hofs afwijzing van het door de verdediging ter terechtzitting van 6 en 7 oktober 2008 gedane verzoek om aanhouding van de zaak onbegrijpelijk is.

13. Ten aanzien van bedoeld verzoek heeft ter terechtzitting van 6 en 7 oktober 2008 het volgende plaatsgevonden:

"De voorzitter maakt melding van na te noemen binnengekomen stukken die aan het dossier zullen worden toegevoegd:

(...)

- een afschrift van de fax van 3 oktober 2008 van het hoofd van de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken, [betrokkene 1], van het directoraat-generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie, gericht aan het ressortsparket Amsterdam, overgelegd door de advocaat-generaal.

(...)

De raadsman voert -zakelijk weergegeven en voor zover van belang- het volgende aan:

Ik heb gisteravond telefonisch contact met de verdachte gehad, maar was nog niet in de gelegenheid om de fax van het Directoraat-Generaal Internationale Aangelegenheden met hem te bespreken. Mijn cliënt wil op de zitting aanwezig zijn, ondermeer om zijn standpunt naar voren te brengen, met name over alles wat er sinds januari 2008 heeft plaatsgevonden. Ook voor de straftoemeting is het horen van [verdachte] van belang.

Niet is onderzocht of een rogatoire commissie tot de mogelijkheden behoort. Ik heb mij verkeken op de mogelijkheden om [verdachte] te bezoeken, nu hij geen Nederlander is. Een bezoek kan alleen met hulp van het consulaat en de nationalen van Israel worden niet door het consulaat bezocht. Ook een gedelegeerd verhoor via de rechter-commissaris is niet mogelijk. De Brazilianen hebben toestemming gegeven hem als getuige te horen in een strafzaak. Op 30 oktober 2008 zal [verdachte] worden gehoord als getuige door een Amsterdamse rechter-commissaris.

Ik ben niet in staat om vandaag te pleiten.

De advocaat-generaal voert aan - zakelijk weergegeven en voor zover van belang-:

Dit gaat te lang duren. Ik kan niet zeggen of er een verhoor in Brazilië plaats kan vinden. Ik vind het zeer ongewis en uit de stukken van de AIRS blijkt dat niet.

De raadsman, voert -zakelijk weergegeven en voorzover van belang- het volgende aan:

Het gaat om een ander belang. Het belang van mijn cliënt, en zijn uitdrukkelijke wens, is om ter terechtzitting aanwezig te zijn. De advocaat-generaal kan gelijk hebben, maar we weten het niet en dat kan nog nader worden onderzocht, via de rechter-commissaris danwel via [betrokkene 1] van de AIRS, middels een telefoontje. Het verhoor van de verdachte als getuige is binnen anderhalve week rondgekomen. De verdachte heeft er recht op hier aanwezig te zijn.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter mede, nadat de voorzitter in raadkamer telefonisch contact met de griffier van de rechter-commissaris heeft gehad, dat:

- het bureau van de rechter-commissaris niet zal overgaan tot een aanvullend rechtshulpverzoek om [verdachte] ook als verdachte te horen, mede omdat ongewis is of en wanneer een dergelijk rogatoir verhoor zal kunnen plaatsvinden, terwijl het verhoor van [verdachte] als getuige in een andere strafzaak geen uitstel kan dulden;

- de raadsman uitdrukkelijk is gemachtigd de verdachte ter terechtzitting te verdedigen;

- de verdachte de Israëlische nationaliteit bezit, terwijl daarnaast de verdachte zich momenteel in Brazilië bevindt, zodat de Israëlische (en de Braziliaanse autoriteiten) in deze kwestie autoriteit bezitten.

Het hof is, met verwijzing naar zijn eerdere beslissing van 3 juni 2008 omtrent het aanwezigheidsrecht, van oordeel dat bij deze stand van zaken in het kader van de belangenafweging het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging, waaronder de afdoening binnen een redelijke termijn, thans zwaarder dient te wegen dan het recht van de verdachte op berechting in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid. Het verzoek wordt derhalve in al zijn onderdelen afgewezen."

14. In aanmerking genomen dat verdachte op 6 en 7 oktober kennelijk nog steeds gedetineerd zit in Brazilië (en er kennelijk geen zicht is op een spoedige invrijheidstelling), de raadsman verdachte telefonisch gesproken heeft en derhalve de mogelijkheid had om een en ander met verdachte te overleggen, en de Advocaat-Generaal bij het Hof inmiddels informatie heeft ontvangen inhoudende onder meer dat diens verzoek om een uitleveringsverzoek te doen niet ingewilligd kan worden, en dat eventueel een aangepast verzoek om een rogatoir verhoor kan worden gedaan, en nu ook zegt dat dit te lang gaat duren, en dit alles bezien in samenhang met 's Hofs eerdere overwegingen waar naar het Hof verwijst, meen ik dat 's Hofs afwijzing van het verzoek toereikend gemotiveerd is.

15. Het middel faalt.

16. Het derde middel klaagt dat het Hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

17. Het Hof heeft in zijn arrest ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn en de daaraan te verbinden consequentie het volgende overwogen:

"Overschrijding redelijke termijn

De verdediging heeft aangevoerd dat in deze zaak de redelijke termijn voor de behandeling van een zaak geschonden is. De behandeling van de zaak heeft in eerste aanleg 26 maanden in beslag genomen. De verdachte is op 21 november 2001 aangehouden. Vervolgens zijn er in eerste aanleg de volgende zittingsdata geweest:

5 september 2002, 26 en 27 september 2002, 12 december 2002, 27 januari 2003, 20 maart 2003, 12 mei 2003, 30 juli 2003, 18,19 en 21 augustus 2003, 10 november 2003, 14, 19 en 20 januari 2004. Op 3 februari 2004 is vonnis gewezen.

Dit zijn 15 zittingsdagen in een periode van 17 maanden. Aan het aantal zittingsdagen en de periode waarin de zittingen hebben plaatsgevonden, heeft de rechtbank in haar vonnis de nodige overwegingen gewijd en op grond daarvan geconcludeerd dat geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn. Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen en neemt dit oordeel hier over en maakt dit tot het zijne.

De verdachte heeft op 4 februari 2004 hoger beroep ingesteld. De stukken zijn op 12 augustus 2004 bij het hof ingekomen. In hoger beroep zijn de volgende zittingsdagen geweest:

13 juli 2004, 17 september 2004, 10 december 2004, 4 en 11 maart 2005, 20 mei 2005, 17 augustus 2005, 7 november 2005, 6 januari 2006, 31 maart 2006, 22 juni 2006, 25 augustus 2006, 20 november 2006, 4 december 2006, 2 juli 2007, 29 januari 2008, 16 mei 2008, 3 en 6 juni 2008 en 6 en 7 oktober 2008. Daarnaast heeft de rechter-commissaris ook in hoger beroep op verzoek van de verdediging veel activiteiten ontplooid. Hij heeft onder meer getuigen gehoord in het buitenland, naast diverse getuigen in Nederland, waarbij sommige getuigen meer dan éénmaal zijn gehoord. In hoger beroep is ter terechtzitting nog een groot aantal getuigen gehoord, van wie sommigen meer dan eenmaal. Tevens zijn er in hoger beroep nog stukken aan het dossier toegevoegd.

Op 13 juli 2004 en 17 september 2004 vinden de eerste (pro forma) zittingen in hoger beroep plaats, nu het hof blijkens het proces-verbaal nog niet over het volledige dossier in de strafzaak kan beschikken. Op 10 december 2004 vindt een (inhoudelijke) regiezitting plaats. De onderhavige zaak wordt dan gelijktijdig behandeld met de zaken tegen de medeverdachte [medeverdachte]. Op 4 maart 2005 blijkt het hof nog niet over het volledige dossier in de strafzaak te beschikken. Op 11 maart 2005 en 20 mei 2005 vindt dan wederom een regiezitting plaats. Op 17 augustus 2005 en 7 november 2005 vindt dan een pro forma zitting plaats, in verband met de door de rechter-commissaris te horen getuigen: op de laatste zitting wordt aangegeven dat de inhoudelijke behandeling medio februari 2006 zal aanvangen. Wederom pro forma zittingen op 6 januari 2006, 31 maart 2006 en 22 juni 2006 en 25 augustus 2006 en 20 november 2006. Op 4 december 2006 wordt de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het doen van nader onderzoek. Op 2 juli 2007 wordt de zaak wederom aangehouden en op 29 januari 2008 vindt er een inhoudelijke zitting plaats.

Op 4 december 2006 wordt de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst, welke schorsing op 29 januari 2008 wordt opgegeven. De verdachte blijkt dan in Brazilië te verblijven. Op 16 mei 2008 vindt weer een inhoudelijke zitting plaats, alsmede op 3 en 6 juni 2008 en 6 en 7 oktober 2008.

In de onderhavige zaak heeft de totale berechtingstermijn in eerste aanleg en hoger beroep zes jaar en elf maanden bedragen. Daar komt bij dat het hier gaat om een op zich niet ingewikkelde zaak, waarin echter sprake is van een groot aantal onderzoekswensen waaronder vele getuigenverhoren van de zijde van de verdediging in zowel de onderhavige als de samenhangende zaak, terwijl een deel van de door de verdediging verzochte verhoren in het buitenland hebben plaatsgevonden.

De uitvoering van deze onderzoekswensen heeft zeer veel tijd in beslag genomen. Daarnaast heeft het verblijf in het buitenland van de verdachte, na de schorsing van de voorlopige hechtenis, er ook aan bijgedragen dat de behandeling van de zaak meer tijd in beslag nam, gelet op de oproepingstermijn van de verdachte in Brazilië. De lange duur van de behandeling van de zaak is dan ook voor een zeer groot deel aan de verdachte toe te rekenen.

Het hof is van oordeel, gelet op het voorgaande, dat er in deze specifieke zaak, evenwel sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, nu het hof op 4 maart 2005, meer dan 13 maanden nadat vonnis was gewezen door de rechtbank, nog niet over het volledige dossier in deze zaak beschikte en de verdachte gedetineerd was, met tenminste zeven maanden. Deze overschrijding zal het hof verdisconteren in de op te leggen straf.

Naar het oordeel van het hof doet de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf geen recht aan de ernst van de bewezen geachte feiten.

Het hof acht gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, in beginsel passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden."

18. Het Hof heeft vervolgens elf jaar en zes maanden gevangenisstraf opgelegd.

19. Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat alleen onderzocht kan worden of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling in cassatie.(2)

20. Bij zijn beoordeling heeft het Hof betrokken dat het om een op zich niet ingewikkelde zaak gaat, waarin echter sprake was van een groot aantal onderzoekswensen, waarvan de uitvoering zeer veel tijd in beslag heeft genomen. Voorts heeft het Hof het verblijf van verdachte na de schorsing van de voorlopige hechtenis in Brazilië erbij betrokken, hetgeen ook tijd heeft gekost in verband met de oproeptermijn. Het Hof oordeelt dat er bij de netto duur van de behandeling van de zaak geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, maar wel bij de inzendtermijn, nu het Hof meer dan 13 maanden na het wijzen van het vonnis nog niet over het volledige dossier beschikte.

21. Het Hof legt vervolgens elf jaar en zes maanden gevangenisstraf op in plaats van de 12 jaar gevangenisstraf die het zonder overschrijding zou hebben opgelegd, een strafvermindering van zes maanden derhalve, zijnde de maximale strafvermindering die de Hoge Raad toepast bij overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.(3)

22. Het bovenstaande in aanmerking genomen geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

23. Het middel faalt.

24. Het vierde middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

25. Het middel is terecht voorgesteld. Namens verdachte is op 22 oktober 2008 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 29 augustus 2009 bij de Hoge Raad ingekomen, derhalve tien maanden en één week na het instellen van het cassatieberoep. De inzendtermijn is derhalve met ruim twee maanden overschreden.

De Hoge Raad kan de straf verminderen in de mate die hem goeddunkt.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak 08/04913 tegen de medeverdachte, in welke zaak ik heden eveneens concludeer.

2 Vgl. HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, LJN BD2578, m.nt P.A.M. Mevis.

3 Vgl. HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, LJN BD2578, m.nt P.A.M. Mevis, r.o. 3.6.2.