Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM0246

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
08/03590 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM0246
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag door niet-beslagene. Conclusie AG over toepasselijke huwelijksvermogensrecht. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/997
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/03590 B

Mr. Machielse

Zitting 30 maart 2010

Conclusie inzake:

[Klager]

1. De Rechtbank te Breda heeft bij beschikking van 6 augustus 2008 het beklag ex art. 552a Sv strekkende tot teruggave aan de klager van een onder zijn vrouw in beslag genomen auto ongegrond verklaard.

2. Mr. R.A. Oliemans, advocaat te Bergen op Zoom, heeft cassatie ingesteld en namens de klager bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt onder meer het volgende in:

"De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:

Op 27 februari 2007 zijn er in het kader van een grootschalig onderzoek in de zogenaamde Piramide zaak goederen inbeslaggenomen onder [betrokkene 1]. Er is conservatoir beslag gelegd. [betrokkene 1] wordt verdacht van witwassen en haar vermogen wordt geschat op € 122.000,=. De vordering tot ontneming zal na de zitting worden uitgestuurd.

[betrokkene 1] is in gemeenschap van goederen getrouwd met klager. Ik verwijs naar een arrest van de Hoge Raad, HR 2209 1998, NJ 1999 077, en zal enkele punten hieruit citeren.

De raadsman verklaart andermaal, zakelijk weergegeven:

Het is onjuist dat gesteld wordt dat cliënt in gemeenschap van goederen is getrouwd. Hij is getrouwd in Marokko en trouwen in gemeenschap van goederen bestaat daar niet. Ik heb een afschrift van de huwelijksakte.

Door de officier van justitie wordt naar voren gebracht dat de goederen conform artikel 94a van het wetboek van strafvordering in beslag zijn genomen. Mijns inziens kunnen goederen alleen in beslag worden genomen als ze afkomstig zijn van een misdrijf. Klager is zover mij bekend niet als verdachte aangemerkt zodat er geen sprake is van een misdrijf. In die zin heeft het openbaar ministerie ook geen recht het beslag in stand te houden.

(...)

De officier van justitie voert nogmaals het woord en verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik heb navraag gedaan bij de rechtbank Breda maar daar is niet bekend dat klager gehuwd is onder huwelijkse voorwaarden, althans hij staat hiervoor niet ingeschreven bij de rechtbank. Vervolgens heb ik navraag gedaan bij de rechtbank te 's-Gravenhage maar ook hier staat klager niet ingeschreven.

Voor wat betreft de auto's, het is onverklaarbaar dat klager een bedrag voor handen had dat beschikbaar was voor auto's. Uit de SFO-stukken die inmiddels bij de rechtbank liggen in verband met de andere verdachten, wordt hierover een en ander duidelijk gemaakt.

De vraag die hier speelt is of meneer de auto terugkrijgt. Ik heb eerder aangegeven wat de Hoge Raad hiervan vindt en verzoek u het klaagschrift ongegrond te verklaren.

De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik ben niet betrokken bij de strafzaak zelf en beschik derhalve niet over de stukken die door de officier van justitie naar voren worden gebracht. Het enige waar ik over beschik is de huwelijksakte. Hieruit blijkt duidelijk dat er volgens Marokkaans recht geen sprake kan zijn van een huwelijk in gemeenschap van goederen. (...)"

3.2. De bestreden beschikking houdt onder meer in:

"2. De beoordeling.

Op 27 februari 2007 is onder [betrokkene 1] voornoemd een personenauto, merk Audi, type A6, in conservatoir beslag genomen in het kader van een grootschalig onderzoek.

Klager stelt dat hij eigenaar is van genoemde auto en verzoekt teruggave hiervan. De raadsman werpt op dat klager gehuwd is met beslagene en dat de huwelijksplechtigheid in Marokko heeft plaatsgevonden. Partijen zijn niet in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn cliënt is geen verdachte.

In raadkamer geeft klager desgevraagd aan dat hij de auto, ongeveer een week voor de inbeslagneming, heeft gekocht voor een bedrag van € 10.500,-- bij garagebedrijf [A] te [plaats]. Hij heeft de auto contant afgerekend, grotendeels met het geld dat hij van de koper van zijn vorige auto had ontvangen. De papieren van de auto staan allemaal op zijn naam. Zijn vrouw reed in een andere auto, een Ford Ka.

De officier van justitie voert aan dat er conservatoir beslag is gelegd en derhalve redenen zijn de auto niet terug te geven. Het openbaar ministerie gaat beslagene, [betrokkene 1], vervolgen wegens witwassen. Er loopt een strafrechtelijk financieel onderzoek waaruit naar voren komt dat het wederrechtelijk verkregen vermogen wordt geschat op € 122.000,--. Het openbaar ministerie heeft inmiddels al onderzoek verricht naar de huwelijkse staat van klager. Bij de rechtbank Breda is niet bekend dat klager getrouwd zou zijn onder huwelijkse voorwaarden. Eveneens is navraag gedaan bij de rechtbank Den Haag maar ook daar is niets bekend.

De officier van justitie concludeert tot ongegrondverklaring van het klaagschrift.

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of er een geringe mate van waarschijnlijkheid is dat de in beslag genomen auto kan dienen tot verhaal van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. Niet staat buiten redelijke twijfel dat klager enig eigenaar is van de auto; beslagene kan mogelijk eveneens aanspraak maken op (een aandeel in) de eigendomsrechten van de auto.

Bovendien heeft de officier van justitie in raadkamer aangegeven dat klager en beslagene een aantal auto's in bezit hadden en dat de aanwezigheid van dit vermogen zich niet laat verklaren door de inkomsten die beiden genoten. Op grond van de wet, artikel 94a wetboek van strafvordering, kunnen ook die voorwerpen in beslag worden genomen die aan een ander toebehoren doch die middellijk afkomstig zijn van het misdrijf waarmee het voordeel kan worden ontnomen danwel indien die ander ten tijde van dat gaan toebehoren wist of redelijkerwijs kan vermoeden dat die voorwerpen afkomstig waren van enig misdrijf. Niet buiten redelijke twijfel staat dat zich één van deze situaties voordoet."

4.1. Het eerste middel klaagt in de kern dat het oordeel van de Rechtbank dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager enig eigenaar van de auto is en dat de beslagene mogelijk eveneens aanspraak kan maken op (een aandeel in) de eigendomsrechten van de auto onvoldoende is gemotiveerd.

4.2. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende voorop worden gesteld. In het geval dat een derde zich keert tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, tweede lid, Sv en stelt dat hij eigenaar is van het inbeslaggenomen voorwerp, dient de rechter na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde als enig(1) eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt.(2) Indien dit laatste het geval is zal vervolgens moeten worden onderzocht of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet.(3) Als dan buiten redelijke twijfel is dat niet is voldaan aan de in het derde lid opgesomde voorwaarden, geldt dat de teruggave moet worden gelast. Pas dan is het immers hoogstonwaarschijnlijk dat de op te leggen betalingsverplichting op het inbeslaggenomene kan worden verhaald.

4.3. De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager de enige eigenaar is van de auto, omdat de beslagene mogelijk eveneens aanspraak kan maken op (een aandeel in) de eigendomsrechten van de auto. Aldus heeft de Rechtbank de juiste maatstaf toegepast.(4) Vervolgens is de vraag of het oordeel van de Rechtbank begrijpelijk is.

4.4. In het oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat zij de stelling van de verdediging dat in casu het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht van toepassing is, in welk geval volgens de raadsman geen sprake zou kunnen zijn van een gemeenschap van goederen, niet voldoende onderbouwd achtte. Buiten redelijke twijfel moet zijn dat de klager de enige eigenaar is van de auto. De raadsman heeft slechts aangevoerd dat de huwelijksplechtigheid in Marokko heeft plaatsgevonden. Voor de bepaling welk huwelijksvermogensrecht op het vermogensregime van de echtgenoten van toepassing is wanneer het huwelijk is gesloten na 1 september 1992, de dag waarop het op 14 maart 1978 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (Trb. 1988, 130) voor Nederland in werking trad, is echter niet zonder meer beslissend in welk land het huwelijk is gesloten of welke nationaliteit de huwelijkspartners hebben.(5) Nu mitsdien niet is uitgesloten dat bijvoorbeeld toch het Nederlandse huwelijksvermogensrecht van toepassing is en in Nederland in ieder geval geen huwelijkse voorwaarden bekend zijn(6), acht ik het oordeel van de Rechtbank niet onbegrijpelijk en, gelet op de onderbouwing van de stelling door de verdediging, voldoende gemotiveerd. Het eerste middel faalt.

5.1. Het tweede middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat niet buiten redelijke twijfel staat dat zich een van de situaties als bedoeld in art. 94a, derde lid, Sv voordoet.

5.2. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 voorop is gesteld, had de Rechtbank slechts indien zou zijn vastgesteld dat buiten redelijke twijfel staat dat de klager als enig eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt behoeven te onderzoeken of zich mogelijk een situatie als bedoeld in art. 94a, derde lid, Sv voordoet. De in het middel bedoelde overwegingen van de Rechtbank moeten dan ook als overwegingen ten overvloede worden beschouwd. Aangezien de bestreden beschikking niet rust op deze overwegingen, moet het middel reeds daarom falen.(7)

6. Beide middelen falen. Het tweede middel kan naar mijn oordeel met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 22 september 1998, NJ 1999, 77 m.nt. De Hullu en HR 9 april 2002, NJ 2002, 368.

2 Vgl. bijv. HR 31 maart 1998, NJ 1998, 575.

3 Vgl. bijv. HR 5 juli 2005, LJN AT2970.

4 Vgl. HR 21 april 2009, LJN BH4078

5 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 20 december 2005, zaaknr. 00957/05 B (niet gepubliceerd) en de daar genoemde verwijzingen. Op een huwelijk gesloten vóór 1 september 1992 zouden de verwijzingsregels zoals ontwikkeld in HR 10 december 1976, NJ 1977, 275 m.nt. J.C.S. (Chelouche/Van Leer) van toepassing kunnen zijn. Zie bijv. Gerechtshof 's-Gravenhage 31 januari 2007, LJN AZ8421; Gerechtshof Arnhem 2 februari 2010, LJN BL5742. Nu betrokkenen blijkens onderliggende stukken zijn geboren in 1978 en 1979 ligt een huwelijksdatum vóór 1 september 1992 niet erg voor de hand.

6 Art. 1:116, eerste lid, BW bepaalt dat, ingeval een huwelijk buiten Nederland is aangegaan, bepalingen in huwelijkse voorwaarden slechts aan derden die daarvan onkundig waren kunnen worden tegengeworpen indien die bepalingen waren ingeschreven in het openbaar huwelijksgoederenregister gehouden ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage. Volgens de Officier van Justitie is daarvan geen sprake.

7 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e druk, p. 176.