Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM0241

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
08/03082
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM0241
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijs opzet op de dood. De motivering van het bewezenverklaarde opzet schiet tekort. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat (de door verdachte uitgelokte) X de ernst van het letsel dat het s.o. zou oplopen door zijn messteken op voorhand heeft willen beperken door de effectieve lengte van het lemmet van het mes te bekorten tot ca. 2 cm, is ’s Hofs oordeel dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op haar dood heeft aanvaard niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/996
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/03082

Mr. Machielse

Zitting 30 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 9 juni 2008 voor 1 primair, tweede alternatief: medeplegen van opzettelijk uitlokken van poging tot moord, en voor 2 primair, tweede alternatief: diefstal door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar. Voorts heeft het hof voorwerpen verbeurd verklaard, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Mr. L.M.L. Van Berkel, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie. Mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, heeft een aanvullende schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

Gelet op de onderlinge verhoudingen der schrifturen ligt het voor de hand de bespreking van de middelen te beginnen met de schriftuur van mr. Spong.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het opzet van [betrokkene 1] zoals bewezen verklaard in feit 1 primair, tweede alternatief, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen is af te leiden.

3.2. Het hof heeft onder 1 primair, tweede alternatief bewezenverklaard dat:

"[Betrokkene 1] op 23 juni 2005 te Amsterdam, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] meermalen met een mes in de rug en de rechter arm heeft gestoken,

welk feit hij, verdachte, in de periode van 20 juni 2005 tot en met 23 juni 2005 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft uitgelokt door bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en middelen,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader -zakelijk weergegeven-

- tegen [betrokkene 1] dreigend gezegd dat hij ([betrokkene 1]) en zijn familie zouden worden gedood als hij ([betrokkene 1]) niet zou doen wat er van [betrokkene 1] geëist werd en

- dreigend een scalpel bij het oog van [betrokkene 1] gehouden en

- [betrokkene 1] een mes voorgehouden en

- [betrokkene 1] zijn ([betrokkene 1]s) huissleutels en mobiele telefoon afgenomen en

- tegen [betrokkene 1] gezegd dat [slachtoffer] dood moest en/of invalide gemaakt moest worden en

- met [betrokkene 1] een mes, een trainingspak en handschoenen gekocht en

- [betrokkene 1] naar de woning van [slachtoffer] gebracht en

- gedurende telefonische contacten met [betrokkene 1] gezegd dat [betrokkene 1] genoemde [slachtoffer] moest steken".

3.3. Het middel keert zich meer bepaald tegen de overwegingen die het hof aan het opzet van [betrokkene 1] heeft gewijd en die als volgt luiden:

"Opzet en voorbedachte raad van [betrokkene 1]

Bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde opzet van [betrokkene 1] op het [slachtoffer] van het leven beroven bewezen te achten is, is het hof tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen, waarbij het hof zich door de volgende overwegingen laat leiden.

In het algemeen moet voorop worden gesteld dat betekenis moet worden toegekend aan hetgeen [betrokkene 1] zelf over zijn opzet heeft verklaard, maar dat hetgeen [betrokkene 1] zelf daarover heeft verklaard, niet doorslaggevend is. Immers ook als van de juistheid van de hierboven op dit punt zakelijk samengevatte verklaring van [betrokkene 1] wordt uitgegaan, in het bijzonder ten aanzien van het onderdeel "zodat ik er niet diep mee kon steken", laat dat ruimte voor een oordeel, op grond van hetgeen wordt vastgesteld over de door [betrokkene 1] verrichte handelingen en de omstandigheden waaronder die handelingen zijn verricht, dat [betrokkene 1] door zijn handelingen willens en wetens het risico "op de koop toe" heeft genomen dat dodelijk letsel het gevolg zou kunnen zijn.

Uit de voor het bewijs te bezigen verklaringen van [betrokkene 1] volgt dat de verdachte en de mededader [betrokkene 5] [betrokkene 1] ertoe hebben aangezet [slachtoffer] te doden of zodanig te verwonden dat zij daardoor invalide zou raken en dat [betrokkene 1] [slachtoffer] daartoe met een mes diep in de rug moest steken. Uit die verklaringen en uit de verdere te bezigen bewijsmiddelen volgt voorts het volgende. [Betrokkene 1] heeft vervolgens inderdaad [slachtoffer] benaderd en haar zesmaal in de rug gestoken. Dit steken in de rug is geschied (mede) toen [slachtoffer] op de grond lag en veel bewegingen maakte en het steken ging gepaard met krachtige bewegingen van [betrokkene 1]. [Slachtoffer] was toen luchtig gekleed.

De door [betrokkene 1] verrichte handelingen zijn naar hun aard geschikt te achten om dodelijk letsel te veroorzaken. [Betrokkene 1] heeft het risico van dodelijk letsel tevoren onderkend en daarom bij wijze van voorzorgsmaatregel de voorziening getroffen, hierin bestaande dat het lemmet van het mes op ongeveer twee centimeter na met elektriciteitsdraad werd omwikkeld. Die voorziening kon echter niet afdoen aan het opzet van [betrokkene 1], omdat bepaald niet viel uit te sluiten dat met het aldus geprepareerde mes vitale organen zouden kunnen worden geraakt en dat dodelijk letsel kon worden veroorzaakt.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat [betrokkene 1] de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou kunnen verwonden door met kracht in haar rug te steken, zonder dat hij de plaats van de insteek precies kon bepalen en onder de voormelde verdere omstandigheden. Het tenlastegelegde opzet van [betrokkene 1] op het [slachtoffer] van het leven beroven is derhalve bewezen te achten."

3.4. Blijkens de toelichting op dit middel zou het hof over het hoofd hebben gezien dat het aanvaarden van een aanmerkelijke kans nog niet betekent dat die aanmerkelijke kans ook welbewust is aanvaard. Het woord 'welbewust' is hier van belang omdat aldus de subjectieve zijde van het voorwaardelijk opzet tot uitdrukking komt. Voor voorwaardelijk opzet is immers nodig dat [betrokkene 1] zelf heeft kunnen inzien dat toch niet uit te sluiten viel dat hij met het mes met het verkorte lemmet toch vitale organen van het slachtoffer zou kunnen raken.

3.5. Het middel doet mijns inziens de overwegingen van het hof te kort. Deze overwegingen dienen in hun geheel te worden gelezen. Eerder heeft het hof overwogen dat de verklaring van [betrokkene 1] over de omwikkeling van het lemmet van het mes ruimte laat voor de vaststelling dat [betrokkene 1] door zijn handelingen willens en wetens het risico op de koop toe heeft genomen dat dodelijk letsel het gevolg zou kunnen zijn. Dit thema wordt vervolgens in de daaropvolgende alinea's uitgewerkt. Het lijdt daarom geen twijfel dat het hof in de door het middel bekritiseerde passage het oog heeft gehad op het willens en wetens aanvaarden waarvan eerder al sprake was.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn zeer beperkt is geweest en daarom geen consequentie behoeft te hebben. Uit de overwegingen van het hof volgt immers dat na het instellen van het hoger beroep door verdachte de inzendtermijn van acht maanden met drie maanden is overschreden zodat een strafvermindering had moeten worden toegepast.

4.2. Het arrest van het hof houdt dienaangaande het volgende in:

"Verweer inzake de redelijke termijn

De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsvrouw heeft daartoe betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in de onderhavige zaak is overschreden. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. In de eerste aanleg is het vonnis net binnen de termijn van 16 maanden na aanvang van de voorlopige hechtenis gewezen, doch door toedoen van de officier van justitie is de verdachte opzettelijk en met grote veronachtzaming van zijn belangen geschaad door het ontbreken aan voortvarendheid in het onderzoek. De termijn van 8 maanden voor het toezenden van de stukken aan het hof na het instellen van het hoger beroep is overschreden. De aanvulling van het verkorte vonnis is pas 8 maanden na het instellen van het hoger beroep afgerond. Met de behandeling van het hoger beroep is meer dan 19 maanden gemoeid geweest. Aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

Op 4 juli 2005 is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde in verzekering gesteld. De inleidende dagvaarding is hem betekend op 21 september 2005. De rechtbank heeft de zaak ter terechtzitting van 12 oktober 2005 verwezen naar de rechter-commissaris teneinde onder meer een aantal personen als getuigen te horen. Vervolgens is de zaak nog een aantal malen ter terechtzitting behandeld en heeft de rechtbank op 16 oktober 2006 vonnis gewezen. Zowel de officier van justitie als de verdachte hebben hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis, respectievelijk op 26 en 27 oktober 2006. Het hof heeft de zaak een aantal malen pro forma ter terechtzitting behandeld in afwachting van het dossier (waarin zich ook de aanvulling van het verkorte vonnis bevindt), dat op 17 september 2007 is ingekomen ter griffie van het hof. De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 en 26 mei 2008 waarna het hof op 9 juni 2008 het arrest uitspreekt.

Het hof is van oordeel dat de termijn die is verstreken na aanvang van de vervolging tot het uitspreken van het arrest weliswaar te lang is om nog als redelijk (als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM) te kunnen worden aangemerkt, doch dat de overschrijding van deze redelijke termijn zeer beperkt is en dat daaraan in deze zaak geen verdere consequentie behoeft te worden verbonden, laat staan dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof volstaat derhalve met de constatering van deze overschrijding van de redelijke termijn.

De raadsvouw heeft nog opgemerkt dat de voorlopige hechtenis bij de beoordeling van het tijdsverloop op redelijkheid mede in aanmerking dient te worden genomen, met inbegrip van de tijd dat de tenuitvoerlegging daarvan is geschorst. De raadsvrouw wijst erop dat de voorlopige hechtenis niet opgeheven is en volgens haar dient bij de beoordeling geen onderscheid te worden gemaakt tussen een wel of niet geschorste voorlopige hechtenis.

In dit betoog kan het hof de raadsvrouw niet volgen, omdat het wel degelijk voor de positie van de verdachte uitmaakt of hij zijn berechting in hechtenis dan wel in vrijheid kan afwachten. Juist in het geval waarin de berechting in hoger beroep langer dan gewenst op zich laat wachten, komt het vaker voor dat het hof de voorlopige hechtenis schorst, omdat in die situatie het gewicht van de persoonlijke belangen van de verdachte in verhouding tot het maatschappelijk belang dat met het voortduren van de voorlopige hechtenis is gediend, (sterk) toeneemt. Aldus bezien is er in het zich hier voordoende geval van termijnoverschrijding en geschorste voorlopige hechtenis minder ruimte voor compensatie door middel van verlaging van de aan de verdachte op te leggen straf."

4.3. Het hof heeft niet anders gedaan dan gereageerd op het verweer zoals het is gevoerd. De advocaat van verdachte heeft aangevoerd dat de schending van de redelijke termijn alleen maar gevolgd kon worden door een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Om een andere, eventueel subsidiaire, sanctie op de door het hof erkende schending van de redelijke termijn heeft de verdediging niet gevraagd. Ik citeer uit HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 m.nt. Buruma:

"3.7. Het vorenoverwogene brengt mee dat een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de hiervoor onder 3.5 besproken factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd.

Met het oog daarop mag van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van die factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven."

Daarom faalt het middel.(2)

5.1. Het derde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 primair, tweede alternatief innerlijk tegenstrijdig is omdat verdachte veroordeeld is voor het medeplegen van uitlokking van poging tot moord, terwijl de bewezenverklaring de mogelijkheid openhoudt dat is uitgelokt tot een (poging tot) zware mishandeling.

5.2. Gelet op de overwegingen van het hof over het opzet van [betrokkene 1] is in de bewezenverklaring sprake van een vergissing. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring met correctie van deze vergissing lezen zonder de woorden "en/of invalide gemaakt moest worden" na het vijfde gedachtestreepje. Aldus komt aan dit middel de feitelijke grondslag te ontvallen.

6.1. Het vierde middel klaagt over het bewijs van feit 2 primair, tweede alternatief. De bewezenverklaring zou niet gesteund worden door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen voor zover deze bewezenverklaring inhoud dat verdachten hebben gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening. Zo blijkt niet hoelang [betrokkene 1] niet over zijn mobiele telefoon en zijn huissleutels kon beschikken, terwijl ook niet blijkt dat hij zich heeft verzet.

6.2. Bewezen verklaard is dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 20 juni 2005 tot en met 23 juni 2005 te Amsterdam, telkens tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en huissleutels, toebehorend aan [betrokkene 1]."

6.3. [Betrokkene 1] heeft verklaard dat de beide verdachten zijn huissleutels hebben afgepakt (bewijsmiddel 1) evenals zijn telefoon (bewijsmiddel 2 en 4).

Uit het feit dat [betrokkene 1] spreekt over 'afpakken' is af te leiden dat hij tegen zijn zin de heerschappij over de sleutels en de mobiele telefoon kwijtraakte. Een en ander geschiedde kennelijk met de bedoeling om [betrokkene 1] onder controle te houden en om de dreigementen kracht bij te zetten. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte de goederen heeft weggenomen met de bedoeling daarvan een zodanig gebruik te maken dat dit kan worden beschouwd als wegnemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.(3)

Het middel faalt.

7.1. Het eerste door mr. Nooitgedagt voorgestelde middel klaagt dat de reactie van het hof op het verweer dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar zijn en niet bruikbaar voor het bewijs tekortschiet gelet op hetgeen de verdediging aan dat verweer ten grondslag heeft gelegd. Aldus zou artikel 359 lid 2 Sv zijn geschonden.

7.2. Het hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:

"2. De raadsvrouw heeft in hoger beroep opnieuw betoogd dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar en kennelijk leugenachtig zijn. Daarbij doelt de raadsvrouw op de verklaringen die [betrokkene 1] heeft afgelegd ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris, ten overstaan van de rechtbank, zowel als verdachte in zijn eigen zaak ter terechtzitting van 25 september 2006 alsook als getuige ter terechtzitting in de onderhavige zaak in eerste aanleg, en thans ook ten overstaan van het hof ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

[Betrokkene 1] heeft op gewichtige punten aanvankelijk anders verklaard dan hij later heeft verklaard. Zo heeft hij aanvankelijk ontkend dat hij op 23 juni 2005 het slachtoffer met een mes heeft gestoken, en daarin heeft hij enkele weken lang volhard, totdat hij dat feit heeft bekend. Ook heeft hij aanvankelijk verklaard dat hij sinds lange tijd onder bedreiging is gedwongen geld en goederen af te geven aan de verdachte en diens mededader, [betrokkene 5], maar na voormelde bekentenis heeft hij daaraan toegevoegd dat hij tot het steken van het slachtoffer is gekomen onder zware psychische druk van de verdachte en [betrokkene 5], die hem ernstig hadden bedreigd.

Vanaf april 2006 is [betrokkene 1] weer anders gaan verklaren. Voortaan hielden zijn verklaringen in dat de bedreigingen van de kant van de verdachte en [betrokkene 5] tot de nacht van 20 op 21 juni 2005 "slechts" bestonden in dreigen met het bekendmaken van zijn betrokkenheid bij een aantal inbraken, onder meer in de school waar [betrokkene 1] toen als tekenleraar werkte. Daarnaast hielden zijn verklaringen nu in dat hij in de nacht van 20 op 21 juni 2005 en op de dagen daarna door de verdachte en [betrokkene 5] ernstig is bedreigd en onder zware psychische druk is gezet.

Aanvankelijk had [betrokkene 1] dus met betrekking tot de periode vóór 20 juni 2005 de ondergane bedreigingen sterk aangedikt: daarvan is hij later teruggekomen. Voorts heeft [betrokkene 1] - in andere gevallen - anderen valselijk beschuldigd teneinde zijn eigen verantwoordelijkheid te ontlopen. Zo heeft hij - de in de eerste aanleg tegelijk met hem terechtstaande - [A] valselijk beschuldigd van een inbraak bij [...] in 2004 teneinde zelf buiten schot te blijven; hij heeft toegegeven dat hij daarover tegenover de politierechter heeft gelogen.

Met de rechtbank acht het hof de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar ten aanzien van het steken van het slachtoffer op 23 juni 2005 en ten aanzien van de omstandigheid dat hij daarbij handelde onder druk van de verdachte en [betrokkene 5].

Anders dan de rechtbank ziet het hof ook geen aanleiding om die verklaringen onbetrouwbaar te achten wat betreft het onderdeel dat het daarbij ging om zware psychische druk als gevolg van ernstige bedreigingen, begaan door de verdachte en [betrokkene 5] in en na de nacht van 20 op 21 juni 2005, te weten bedreigingen met de dood van [betrokkene 1] en/of zijn familie en bedreigingen met een scalpel en een mes. In het bijzonder levert de omstandigheid dat [betrokkene 1] over van de kant van de verdachte en [betrokkene 5] ondervonden bedreigingen niet consistent heeft verklaard, immers die bedreigingen met betrekking tot de periode voor 20 juni 2005 aanvankelijk sterk heeft aangedikt en daarvan later is teruggekomen, geen zodanige aanleiding op.

Dat wordt niet anders doordat de lange voorgeschiedenis van de betrekkingen tussen [betrokkene 1] en de verdachte en [betrokkene 5] het begrijpelijk (zij het daarom nog niet verontschuldigbaar) zou kunnen maken, dat [betrokkene 1] de verdachte en [betrokkene 5] in een onnodig kwaad daglicht heeft willen stellen en daarom is overgegaan tot dat aandikken. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [betrokkene 1] in andere gevallen anderen valselijk heeft beschuldigd teneinde zelf vrijuit te gaan.

De raadsvrouw zoekt voor het verweer dat hier aan de orde is nog steun in de bewering dat [betrokkene 1] heeft gelogen toen hij ter terechtzitting in hoger beroep ontkende dat hij een op zijn naam gestelde account heeft aangemaakt op de website www.hyves.nl; die bewering is niet aannemelijk geworden.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de verklaringen van [betrokkene 1], voor zover het die als bewijsmiddel zal bezigen, niet als onbetrouwbaar of leugenachtig aanmerkt. Het onderhavige verweer wordt in zoverre verworpen en behoeft voor het overige geen bespreking."

7.3. Artikel 359 lid 2 Sv heeft geen wijziging gebracht in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal, maar verplicht de rechter wel zijn beslissing in een aantal gevallen nader te motiveren.(4) In hoger beroep heeft de verdediging veel moeite gedaan om de onbetrouwbaarheid van [betrokkene 1] aan te tonen. Het hof heeft de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar en bruikbaar geacht voor zover het gaat om het steken van het slachtoffer en de rol die verdachte en de medeverdachte [betrokkene 5] hierin hebben gespeeld.

Blijkens de inhoud van de overwegingen heeft het hof zich ter dege gerealiseerd dat [betrokkene 1] wisselende verklaringen heeft afgelegd, geprobeerd heeft zijn eigen handelen te bagatelliseren en anderen ten onrechte te incrimineren. Maar het hof heeft de onbetrouwbaarheid van [betrokkene 1] zich niet laten uitstrekken tot het steken en de rol van verdachte. Dit oordeel hangt samen met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid kunnen worden onderzocht. Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de kritiek die de verdediging had op de getuige [betrokkene 1], maar heeft kennelijk ook in ogenschouw genomen dat de verklaringen van [betrokkene 1] over het steken en de rol van verdachte, over het bezit van verdachten van de sleutels van de getuige en over de aanschaf van kleding en een mes ondersteund worden door andere bewijsmiddelen. Dat het hof niet is ingegaan op ieder onderdeel van het pleidooi voor zover dat de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] betwistte staat er niet aan in de weg dat het oordeel van het hof om onderdelen van die verklaringen toch voor het bewijs te gebruiken niet onbegrijpelijk is. Dat er geen onderzoek is gedaan naar het aanmaken van een hyves site die zou kunnen worden herleid naar [betrokkene 1] brengt hierin geen verandering.

Het middel faalt.

8.1. Het tweede middel klaagt over schending van het tweede lid van artikel 342 Sv omdat de belastende verklaringen van [betrokkene 1] voor zover het de juridische relevante onderdelen van de beschuldiging betreft geen steun vinden in enig ander bewijsmiddel.

8.2. De bewezenverklaring is hiervoor onder 3.2. weergegeven. Het hof heeft in dit verband overwogen:

"3. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep, eveneens opnieuw, aangevoerd dat de eerder bedoelde verklaringen van [betrokkene 1] wat betreft de juridisch relevante onderdelen daarvan, geen steun vinden in enig ander bewijsmiddel. Tevens heeft de raadsvrouw herhaald dat de "unus testis"-regel aan veroordeling van de verdachte in de weg staat, omdat de betrokkenheid van de verdachte slechts uit de verklaringen van één getuige, namelijk [betrokkene 1], kan volgen. Deze verweren vinden hun weerlegging in de door het hof te bezigen bewijsmiddelen."

8.3. Het hof heeft onder meer het volgende voor het bewijs gebezigd:

"7. Een proces-verbaal met nummer 2005150754-1 van 24 juni 2005 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina's 59 e. v.].

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juni 2005 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik doe aangifte terzake poging tot doodslag/moord.

Een paar dagen geleden stonden [betrokkene 3], [betrokkene 5] en [betrokkene 1] voor mijn deur tegen half één 's nachts. Op een gegeven moment begint één van hen aan te bellen om vervolgens weer weg te lopen. Dat herhaalden zij tot een uur of half vier waarna mijn vader ging kijken wie er nou belde. Hij zag toen een jongen staan. Deze jongen zei dat hij [betrokkene 1] heette en dat hij met mij wilde praten. Hij zei dat het moest van [betrokkene 3].

Ik bevond mij in mijn slaapkamer en ik kon horen wat er beneden gezegd werd. Zo hoorde ik ook dat de telefoon van [betrokkene 1] diverse malen overging. Ik hoorde hem toen zeggen: "ik blijf aanbellen maar er wordt niet opengedaan". Ik zag dat [betrokkene 3] met [betrokkene 5] in zijn auto rondjes bleef rijden door mijn straat.

Gistermiddag liep ik met mijn zusje naar buiten. Ik zag een jongen komen aanlopen. Hij zag er vreemd uit. De armen van deze jongen waren heel donker en hij was gekleed in een donkerblauw trainingspak van het merk Champions. Ik weet dat [betrokkene 1] ook donker gekleurd is. Hij was slank van postuur en langer dan ik. Ik schat hem op 1.90 meter. Ik weet dat [betrokkene 1] hetzelfde postuur heeft.

Ik zag toen een mes in zijn handen. Ik zag dat hij op mij afkwam rennen. Toen begon deze jongen mij te steken. Hij bleef mij steken. Hij heeft mij ook gestoken in mijn rechterarm. Toen viel ik op de grond en heeft hij mij in mijn rug gestoken. In totaal heeft hij mij zeven keer gestoken. De arts zei dat 2 van de steekwonden diep waren en gehecht moesten worden.

Ik weet dat [betrokkene 1] gechanteerd wordt door [betrokkene 3]."

8.4. Onder meer in deze verklaring van [slachtoffer] heeft het hof voldoende steun(5) kunnen vinden voor de verklaringen van [betrokkene 1], omdat uit bewijsmiddel 7 is op te maken dat het verdachte en zijn maat [betrokkene 5] zijn geweest die [betrokkene 1] op het meisje hebben afgestuurd en met hem contact onderhielden en hem controleerden toen hij zich enige dagen voor de steekpartij bij de woning van [slachtoffer] vervoegde. Het middel, dat op het standpunt berust dat de bewezenverklaring slechts steunt op de verklaringen van [betrokkene 1], mist feitelijke grondslag.(6) Het bewijs voor feit 2 steunt niet alleen op de verklaringen van [betrokkene 1], maar ook op bewijsmiddel 6, waarin is gerelateerd dat een sleutel van [betrokkene 1] in het bezit van [verdachte] is aangetroffen. Het hof was niet gehouden de bewezenverklaring nader te motiveren dan het heeft gedaan.

Het middel faalt.

9.1. Het derde middel klaagt dat het bewijs voor het opzet op levensberoving en de voorbedachte raad bij [betrokkene 1] niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen en dat de overwegingen over het bewijs op deze punten onbegrijpelijk zijn.

9.2. Het hof heeft ampele overwegingen aan het bewijs van het opzet en de voorbedachte raad gewijd, welke overwegingen ik hier citeer:

"Verdere overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het onder 1 primair, tweede alternatief, bewezen geachte houdt in, zakelijk, dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [betrokkene 1] heeft uitgelokt tot poging tot moord op [slachtoffer]. Met betrekking tot de uitvoeringshandelingen en het opzet en de voorbedachte raad van [betrokkene 1] wordt het volgende overwogen.

Uitvoeringshandelingen van [betrokkene 1]

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de ernst van het letsel dat het slachtoffer, [slachtoffer], door zijn steken zou oplopen, op voorhand heeft willen beperken door het steekwapen te prepareren. Volgens zijn verklaring heeft hij het lemmet van het mes met elektriciteitsdraad zodanig omwikkeld dat de effectieve lengte van het lemmet werd bekort tot ongeveer twee centimeter "zodat ik er niet diep mee kon steken". Het hof gaat uit van de juistheid van deze verklaring wat betreft het prepareren van het mes.

In de voor het bewijs te bezigen letselverklaring is het letsel door de arts omschreven als zeven steekwonden, zes in de rug, één in de rechterarm, een en ander tot in de onderhuid. Volgens deze arts was er geen vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel en/of inwendig bloedverlies.

Volgens de voor het bewijs te bezigen verklaring van [slachtoffer] is zij meermalen gestoken (waaronder de steek in de rechterarm) terwijl zij nog stond en ook nog gestoken (in haar rug) toen zij op de grond was gevallen, zijn er door het steken geen vitale delen geraakt en heeft zij van de arts vernomen dat twee van de steekwonden diep waren en gehecht moesten worden.

Ter terechtzitting in hoger beroep is dr. Botter, forensisch arts, als deskundige gehoord. Hij heeft - voor zover hier van belang en zakelijk samengevat - ter toelichting van zijn rapport van 14 februari 2008 als volgt verklaard.

De in het onderhavige geval beschikbare informatie is summier. Weliswaar is aannemelijk dat door het steken geen vitale organen zijn geraakt, maar daarmee is nog niets gezegd over de diepte van de steekkanalen. De effectieve lengte van het lemmet is een factor van betekenis voor de diepte van het steekkanaal. Een andere factor die daarvoor van betekenis is, vormt de kracht waarmee is gestoken. Ook een mes waarvan het lemmet op ongeveer twee centimeter na met draad is omwikkeld, kan dieper dan twee centimeter het lichaam binnendringen, bijv. indien er voldoende kracht is gebezigd. Informatie daaromtrent kan achteraf onder meer uit de wondrand worden afgeleid. Een inspectie met het oog daarop wordt door een reguliere arts in het algemeen niet verricht en is ook in casu niet verricht. In het onderhavige geval kan niet worden uitgesloten dat er door het steken ook een of meer diepe steekkanalen zijn veroorzaakt. De beslissing van een arts een wond te hechten, is niet per se afhankelijk van de diepte van de wond.

De steekrichting en de plaats op het lichaam waarin gestoken wordt, zijn bepalend voor het al dan niet raken van vitale organen. Als er met een mes waarvan het lemmet op ongeveer twee centimeter na met draad is omwikkeld, met kracht in de rug gestoken wordt, is het zeer wel mogelijk vitale organen te verwonden, bijv. kan de lever worden aangeprikt en de long worden geraakt, hetgeen een klaplong kan veroorzaken.

Blijkens de voor het bewijs te bezigen verklaringen van [betrokkene 1] heeft hij het slachtoffer meermalen gestoken met een mes, waarvan ten minste één maal terwijl zij op de grond lag, en maakte het slachtoffer, terwijl zij gestoken werd, veel bewegingen.

Uit de voor het bewijs te bezigen verklaring van de zus van het slachtoffer, [betrokkene 4], blijkt dat het slachtoffer toen luchtig was gekleed en dat de dader met kracht het slachtoffer een duw gaf, waardoor zij op de grond viel, en met kracht een steekbeweging maakte in de linkerzijde van (het hof begrijpt:) de rug van het slachtoffer, toen zij op de grond lag.

Aldus staat vast dat de messteken die [betrokkene 1] [slachtoffer] heeft toegebracht, zeer wel tot de dood van [slachtoffer] hadden kunnen leiden. Dat die messteken nimmer tot de dood van [slachtoffer] hadden kunnen leiden, is geenszins aannemelijk geworden.

Opzet en voorbedachte raad van [betrokkene 1]

Bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde opzet van [betrokkene 1] op het [slachtoffer] van het leven beroven bewezen te achten is, is het hof tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen, waarbij het hof zich door de volgende overwegingen laat leiden.

In het algemeen moet voorop worden gesteld dat betekenis moet worden toegekend aan hetgeen [betrokkene 1] zelf over zijn opzet heeft verklaard, maar dat hetgeen [betrokkene 1] zelf daarover heeft verklaard, niet doorslaggevend is. Immers ook als van de juistheid van de hierboven op dit punt zakelijk samengevatte verklaring van [betrokkene 1] wordt uitgegaan, in het bijzonder ten aanzien van het onderdeel "zodat ik er niet diep mee kon steken", laat dat ruimte voor een oordeel, op grond van hetgeen wordt vastgesteld over de door [betrokkene 1] verrichte handelingen en de omstandigheden waaronder die handelingen zijn verricht, dat [betrokkene 1] door zijn handelingen willens en wetens het risico "op de koop toe" heeft genomen dat dodelijk letsel het gevolg zou kunnen zijn.

Uit de voor het bewijs te bezigen verklaringen van [betrokkene 1] volgt dat de verdachte en de mededader [betrokkene 5] [betrokkene 1] ertoe hebben aangezet [slachtoffer] te doden of zodanig te verwonden dat zij daardoor invalide zou raken en dat [betrokkene 1] [slachtoffer] daartoe met een mes diep in de rug moest steken. Uit die verklaringen en uit de verdere te bezigen bewijsmiddelen volgt voorts het volgende. [Betrokkene 1] heeft vervolgens inderdaad [slachtoffer] benaderd en haar zesmaal in de rug gestoken. Dit steken in de rug is geschied (mede) toen [slachtoffer] op de grond lag en veel bewegingen maakte en het steken ging gepaard met krachtige bewegingen van [betrokkene 1]. [Slachtoffer] was toen luchtig gekleed.

De door [betrokkene 1] verrichte handelingen zijn naar hun aard geschikt te achten om dodelijk letsel te veroorzaken. [Betrokkene 1] heeft het risico van dodelijk letsel tevoren onderkend en daarom bij wijze van voorzorgsmaatregel de voorziening getroffen, hierin bestaande dat het lemmet van het mes op ongeveer twee centimeter na met elektriciteitsdraad werd omwikkeld. Die voorziening kon echter niet afdoen aan het opzet van [betrokkene 1], omdat bepaald niet viel uit te sluiten dat met het aldus geprepareerde mes vitale organen zouden kunnen worden geraakt en dat dodelijk letsel kon worden veroorzaakt.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat [betrokkene 1] de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou kunnen verwonden door met kracht in haar rug te steken, zonder dat hij de plaats van de insteek precies kon bepalen en onder de voormelde verdere omstandigheden. Het tenlastegelegde opzet van [betrokkene 1] op het [slachtoffer] van het leven beroven is derhalve bewezen te achten."

9.3. Het middel betoogt dat deze overwegingen ontoereikend zijn omdat niet duidelijk wordt waarop het hof zijn oordeel baseert dat er sprake zou zijn geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden van slachtoffer en dat [betrokkene 1] deze aanmerkelijke kans bewust op de koop toe heeft genomen.

9.4. Het hof is uitgegaan van de juistheid van de uitlatingen van [betrokkene 1], dat hij wilde voorkomen dat hij diep met het mes zou steken en dat hij daarom het lemmet van het mes heeft omwikkeld, waardoor de effectieve lengte ervan werd bekort tot ongeveer 2 cm. Het hof heeft zich vervolgens aangesloten bij de mening van de deskundige Botter, inhoudende dat wanneer met een mes met een effectief lemmet van 2 cm met kracht in de rug wordt gestoken het zeer wel mogelijk is dat vitale organen worden verwond. Zo kan de lever worden aangeprikt en een long worden geraakt waardoor een klaplong kan worden veroorzaakt. De overwegingen van het hof over de objectieve kans op het overlijden van het slachtoffer acht ik niet overtuigend. Hoe het verwonden van vitale organen, bijvoorbeeld het aanprikken van de lever of het veroorzaken van klaplong de aanmerkelijke kans op levensverlies teweegbrengt wordt niet duidelijk. Dat de messteken zeer wel tot de dood van slachtoffer hadden kunnen leiden lijkt te duiden op de overtuiging van het hof dat de kans dat het slachtoffer haar leven zou verliezen zeker niet verwaarloosbaar klein was, maar of die kans dan ook naar ervaringsregels aanmerkelijk was is mij niet voldoende helder, zeker gelet op de daaropvolgende zin waarin het hof overweegt dat geenszins aannemelijk is geworden dat die messteken nooit tot de dood van het slachtoffer hadden kunnen leiden.

Ook op hetgeen het hof heeft overwogen over het opzet van de [betrokkene 1] is, dunkt mij, wel wat af te dingen. Uit de uitlating van [betrokkene 1] dat hij niet diep wilde steken kan mijns inziens eerder worden afgeleid dat hij heeft getracht te vermijden dat de steken dodelijk zouden zijn dan dat hij welbewust de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat het slachtoffer zou overlijden.(7)

Wat de steller van het middel nog opmerkt over de plaats waar het slachtoffer is gestoken, of dit in de rug of ter hoogte van de linker heup was, ziet eraan voorbij dat in bewijsmiddel 10 is vastgesteld dat 6 steekwonden zich in de rug bevonden en 1 in de rechterarm. Dat de zus van het slachtoffer spreekt over de linker heup maakt niet dat het onzeker is waar [betrokkene 1] het slachtoffer heeft gestoken.

Het middel is terecht voorgesteld.

10.1. Het vierde middel klaagt dat het hof door weglating van een datum in bewijsmiddel 11 de daarin vervatte verklaring heeft gedenatureerd om die in overeenstemming te brengen met een onderdeel van een verklaring van [betrokkene 1], bewijsmiddel 2.

10.2. [Betrokkene 1] heeft blijkens bewijsmiddel 1 gezegd dat hij op 21 juni 2005 samen met beide verdachten het mes heeft gekocht in een ijzerwinkel aan de Burgemeester de Vlugtlaan te Amsterdam. Ook zijn die dag kleding (blauw trainingspak met capuchon en Champion erop) en bij de ruiterwinkel Hippodam paardenhandschoenen aangeschaft. In bewijsmiddel 2 heeft [betrokkene 1] de aanschaf van het mes op 21 juni 2005 bevestigd.

10.3. Bewijsmiddel 11 heeft de volgende inhoud:

"11. Een proces-verbaal met nummer 2005150754-1 van 15 juli 2005 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina's 698 e.v.].

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op 15 juli 2005 is een onderzoek ingesteld op het Mercatorplein te Amsterdam. Aldaar bleek dat er 1 sportwinkel is gelegen op het Mercatorplein, tussen Dirk van den broek en een café, zoals omschreven. Het betreft "Sportshop Chouffie". Op daartoe strekkende vragen antwoordde de eigenaar/verkoper: "Ik verkoop in mijn zaak donkerblauwe trainingspakken met capuchon van het merk "Champion", welke tekst op de voorzijde van het trainingspak zichtbaar is. Ik heb in mijn boekhouding een verkoopbon aangetroffen, gedateerd 21 juni 2005, waarop de verkoop van 1 Champion broek en 1 Champion jack met capuchon staat vermeld. Ik kan zien dat ik zelf het trainingspak heb verkocht. Het moet de eerste klant geweest zijn die dag, want dat kan ik zien aan het volgnummer van de transactiebon."

Betreffende de aankoop van de paardenhandschoenen is het volgende vastgesteld. De aankoop wordt bevestigd door middel van een bij [betrokkene 1] aangetroffen kassabon betreffende de aankoop van zwarte katoenen handschoenen met nopjes, welke afkomstig is van de ruitersportwinkel "Hippodam" te Amsterdam. Deze bon is gedateerd 21 juni 2005 te 10.24 uur. Bij onderzoek in de winkel op 7 juli 2005 bleek dat de verkochte handschoenen gelijksoortig zijn aan de handschoenen die bij de verdachte [betrokkene 5] bij doorzoeking van zijn woning werden aangetroffen en gelijksoortig aan de handschoenen die in de woning van [betrokkene 1] werden aangetroffen.

Op 15 juli 2005 is een onderzoek ingesteld in ijzerwinkel "Jan van den Broek" aan de Burgemeester de Vlugtlaan te Amsterdam. Hier werden wij, verbalisanten, aangesproken door een van de verkopers. Hij verklaarde op daartoe strekkende vragen: "Er is eigenlijk maar 1 mes dat voldoet aan uw omschrijving. De heb dit jaar slechts 2 van dergelijke messen in mijn collectie gehad.

1 mes is nog aanwezig in de vitrinekast. Blijkens mijn computersysteem kan ik zien dat het andere mes is verkocht".

10.4. De steller van het middel betoogt dat uit de verklaring van de verkoper van de ijzerwinkel waar het mes zou zijn aangeschaft de datum van aanschaf, te weten 14 juni 2005, in de laatste zin is geschrapt, waardoor die verklaring wezenlijk zou zijn veranderd.

10.5. Het hof heeft klaarblijkelijk aangenomen dat de aanduiding van de datum van verkoop in de verklaring van een medewerker van de ijzerwinkel op een vergissing berustte nu [betrokkene 1] heeft verklaard dat alle spullen op dezelfde dag zijn aangekocht en nu uit het onderzoek door de politie is komen vast te staan dat de kleding en de handschoenen inderdaad op 21 juni 2005 in plaats van een week eerder zijn gekocht. Deze redenering acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft uit de verklaring van de verkoper van de ijzerwinkel het deel dat in de ogen van het hof op een vergissing berustte kunnen weglaten zonder deze verklaring te denatureren.

Het middel faalt.

11. Het derde door mr. Nooitgedagt voorgestelde middel komt mij gegrond voor. De overige door hem voorgestelde middelen falen en kunnen met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

Het eerste, tweede en vierde middel door Mr. Spong voorgesteld falen eveneens. Het derde middel is tevergeefs voorgesteld als de Hoge Raad bereid is de bewezenverklaring verbeterd te lezen. Het eerste van deze middelen kan naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover inhoudende de beslissingen over het als 1 ten laste gelegde feit en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 08/02714 ([betrokkene 5]) waarin ik ook heden concludeer.

2 Vgl. HR 12 oktober 2004, LJN AQ8932 rov. 3.6.

3 HR 14 mei 1996, DD 96.304. Zie voorts HR 9 mei 2006, LJN AV4091.

4 HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.1.

5 Vgl. HR 26 januari 2010, LJN BK2094.

6 HR 9 mei 2006, LJN AV0316.

7 HR 15 februari 2005, LJN AR6569.