Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM0235

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
08/02714
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM0235
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijs opzet op de dood. De motivering van het bewezenverklaarde opzet schiet tekort. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat (de door verdachte uitgelokte) X de ernst van het letsel dat het s.o. zou oplopen door zijn messteken op voorhand heeft willen beperken door de effectieve lengte van het lemmet van het mes te bekorten tot ca. 2 cm, is ’s Hofs oordeel dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op haar dood heeft aanvaard niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/941
NJ 2010/584 met annotatie van N. Keijzer
NJB 2010, 1610
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02714

Mr. Machielse

Zitting 30 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 9 juni 2008 voor 1 primair, tweede alternatief: medeplegen van opzettelijk uitlokken van poging tot moord, en voor 2 primair, tweede alternatief: diefstal door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar. Voorts heeft het hof voorwerpen verbeurd verklaard, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om de rapportages over de geestesgesteldheid van [betrokkene 1] aan het dossier toe te voegen. Het verzoek moet worden gezien tegen de achtergrond van de betwisting van de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze persoon.

3.2. Het hof heeft het verzoek als volgt samengevat en afgewezen:

"Overweging omtrent een verzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw verzocht - onder de voorwaarde dat het hof een eventuele bewezenverklaring baseert op wat [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) heeft verklaard - alle rapportages met betrekking tot de geestesgesteldheid van [betrokkene 1] aan het dossier te doen toevoegen en, zakelijk, het onderzoek met het oog daarop te heropenen. Naar de opvatting van de raadsman zijn deze rapportages van belang voor de toetsing van de aard en betrouwbaarheid van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen, zodat zij van belang zijn voor enige door het hof te nemen beslissing.

Het hof heeft gelet op hetgeen met betrekking tot de bedoelde rapportages naar voren is gekomen bij het onderzoek ter terechtzitting in deze zaak in beide instanties en tevens op hetgeen daaromtrent is neergelegd in de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg van 12 oktober 2005 en 28 juli 2006 en in hoger beroep van 12 september 2007. Daaruit valt af te leiden dat in de strafzaak tegen [betrokkene 1] is gerapporteerd door de reclassering en door een psycholoog en dat de rechtbank in haar vonnis in die zaak [betrokkene 1] volledig toerekeningsvatbaar heeft geacht. Het ligt voor de hand dat deze rapportages zijn gemaakt ter voorlichting van de rechtbank over de persoon van [betrokkene 1], met het oog op de beslissingen die de rechtbank in die zaak had te nemen, in het bijzonder beslissingen over de strafbaarheid van [betrokkene 1] en de hem op te leggen sanctie, zodat aannemelijk is dat de rapportages (mede) betrekking hebben op de geestesgesteldheid van [betrokkene 1]. Er is echter geen aanwijzing naar voren gekomen dat de rapportages mede betrekking hebben op de aard en betrouwbaarheid van door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen. De raadsman heeft ook niet gesteld dat het anders ligt. Niettemin kan niet worden gezegd dat de rapportages zonder enig belang zijn voor enige door het hof te nemen beslissing en in het bijzonder voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1]. Dat kennisneming van die rapportages noodzakelijk is, kan echter evenmin worden volgehouden. [Betrokkene 1] is immers door de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verhoord en bij die gelegenheden heeft de raadsman, bij de laatste twee gelegenheden ook de verdachte, hem kunnen ondervragen. Het hof heeft zich naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in beide instanties in toereikende mate een oordeel over de betrouwbaarheid van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen gevormd. De noodzakelijkheid van overlegging van de bedoelde rapportages, of van gedeelten daarvan, is daarom niet gebleken.

In het midden kan blijven of niet de inbreuk op de privacy van [betrokkene 1], die overlegging van de rapportages oplevert, zoveel zwaarder weegt dan het belang bij overlegging, dat dit aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Het verzoek wordt afgewezen."

3.3. De steller van het middel voert aan dat al bij appelschriftuur is verzocht om toevoeging van de rapporten en dat daarom het noodzakelijkheidscriterium aldus dient te worden toegepast dat het verzoek beoordeeld moet worden aan de hand van de vraag of de verdediging belang heeft bij kennisneming van die stukken.

Kennelijk denkt de steller van het middel hier aan een analoge toepassing van HR 19 juni 2007, NJ 2007, 626 m.nt. Mevis. Maar het verzoek in een appelschriftuur om bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen kan niet worden gelijkgesteld met het verzoek om getuigen of deskundigen op te roepen.(2) Dat betekent dat het hof het verzoek diende te beoordelen naar de maatstaf van de noodzakelijkheid.

3.4. Het middel stelt voorts dat de motivering voor de afwijzing van het verzoek innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk is. Enerzijds overweegt het hof dat van de rapporten niet kan worden gezegd dat zij zonder enig belang zijn voor enige te nemen beslissing en in het bijzonder voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1], maar anderzijds trekt het hof niet de consequentie die daaraan verbonden is, te weten dat het noodzakelijk is om over die stukken te kunnen beschikken. Gelet op de relevantie van de stukken en het belang van de verdediging om de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] te kunnen toetsen had het hof het verzoek niet kunnen afwijzen.

In de overwegingen van het hof komt tot uitdrukking dat de rapportage over [betrokkene 1] enig belang kan hebben in verband met de beoordeling van diens betrouwbaarheid, maar dat het niet noodzakelijk is deze stukken aan het dossier toe te voegen omdat de betrouwbaarheid van deze persoon in toereikende mate getoetst is kunnen worden nu [betrokkene 1] door de rechter-commissaris, door de rechtbank en door het hof is gehoord, waarbij de verdediging de gelegenheid heeft gekregen om tegen diens verklaringen in te brengen wat haar dienstig voorkomt. Het in die overwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van verdachte op een eerlijk proces niet is geschonden door de onmogelijkheid voor verdachte en zijn advocaat om kennis te nemen van de inhoud van die rapporten geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.(3)

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat de reactie van het hof op het verweer dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar zijn en niet bruikbaar voor het bewijs tekortschiet gelet op hetgeen de verdediging aan dat verweer ten grondslag heeft gelegd. Aldus zou artikel 359 lid 2 Sv zijn geschonden.

4.2. Het arrest bevat dienaangaande de volgende overwegingen:

"Verweren ten aanzien van het bewijs

1. De raadsman heeft in hoger beroep opnieuw betoogd dat de verklaringen van [betrokkene 1] onbetrouwbaar en kennelijk leugenachtig zijn. Daarbij doelt de raadsman op de verklaringen die [betrokkene 1] heeft afgelegd ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris, ten overstaan van de rechtbank, zowel als verdachte in zijn eigen zaak ter terechtzitting van 25 september 2006 alsook als getuige ter terechtzitting in de onderhavige zaak in eerste aanleg, en thans ook ten overstaan van het hof ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

[Betrokkene 1] heeft op gewichtige punten aanvankelijk anders verklaard dan hij later heeft verklaard. Zo heeft hij aanvankelijk ontkend dat hij op 23 juni 2005 het slachtoffer met een mes heeft gestoken, en daarin heeft hij enkele weken lang volhard, totdat hij dat feit heeft bekend. Ook heeft hij aanvankelijk verklaard dat hij sinds lange tijd onder bedreiging is gedwongen geld en goederen af te geven aan de verdachte en diens mededader, [betrokkene 2], maar na voormelde bekentenis heeft hij daaraan toegevoegd dat hij tot het steken van het slachtoffer is gekomen onder zware psychische druk van de verdachte en [betrokkene 2], die hem ernstig hadden bedreigd.

Vanaf april 2006 is [betrokkene 1] weer anders gaan verklaren. Voortaan hielden zijn verklaringen in dat de bedreigingen van de kant van de verdachte en [betrokkene 2] tot de nacht van 20 op 21 juni 2005 "slechts" bestonden in dreigen met het bekendmaken van zijn betrokkenheid bij een aantal inbraken, onder meer in de school waar [betrokkene 1] toen als tekenleraar werkte. Daarnaast hielden zijn verklaringen nu in dat hij in de nacht van 20 op 21 juni 2005 en op de dagen daarna door de verdachte en [betrokkene 2] ernstig is bedreigd en onder zware psychische druk is gezet.

Aanvankelijk had [betrokkene 1] dus met betrekking tot de periode vóór 20 juni 2005 de ondergane bedreigingen sterk aangedikt: daarvan is hij later teruggekomen. Voorts heeft [betrokkene 1] - in andere gevallen - anderen valselijk beschuldigd teneinde zijn eigen verantwoordelijkheid te ontlopen. Zo heeft hij - de in de eerste aanleg tegelijk met hem terechtstaande - [A] valselijk beschuldigd van een inbraak bij [...] in 2004 teneinde zelf buiten schot te blijven; hij heeft toegegeven dat hij daarover tegenover de politierechter heeft gelogen.

Met de rechtbank acht het hof de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar ten aanzien van het steken van het slachtoffer op 23 juni 2005 en ten aanzien van de omstandigheid dat hij daarbij handelde onder druk van de verdachte en [betrokkene 2].

Anders dan de rechtbank ziet het hof ook geen aanleiding om die verklaringen onbetrouwbaar te achten wat betreft het onderdeel dat het daarbij ging om zware psychische druk als gevolg van ernstige bedreigingen, begaan door de verdachte en [betrokkene 2] in en na de nacht van 20 op 21 juni 2005, te weten bedreigingen met de dood van [betrokkene 1] en/of zijn familie en bedreigingen met een scalpel en een mes. In het bijzonder levert de omstandigheid dat [betrokkene 1] over van de kant van de verdachte en [betrokkene 2] ondervonden bedreigingen niet consistent heeft verklaard, immers die bedreigingen met betrekking tot de periode vóór 20 juni 2005 aanvankelijk sterk heeft aangedikt en daarvan later is teruggekomen, geen zodanige aanleiding op.

Dat wordt niet anders doordat de lange voorgeschiedenis van de betrekkingen tussen [betrokkene 1] en de verdachte en [betrokkene 2] het begrijpelijk (zij het daarom nog niet verontschuldigbaar) zou kunnen maken, dat [betrokkene 1] de verdachte en [betrokkene 2] in een onnodig kwaad daglicht heeft willen stellen en daarom is overgegaan tot dat aandikken. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [betrokkene 1] in andere gevallen anderen valselijk heeft beschuldigd teneinde zelf vrijuit te gaan.

De raadsman heeft zich uitgeput in het in den brede aanvoeren van een veelheid van nog andere aspecten, goeddeels zoals reeds in eerste aanleg aangevoerd, waarin hij steun zoekt voor het verweer dat hier aan de orde is.

Al die aspecten geven echter niet het vereiste houvast om anders te oordelen dan zo-even is omschreven. Vermelding verdient slechts de bewering dat [betrokkene 1] heeft gelogen toen hij ter terechtzitting in hoger beroep ontkende dat hij een op zijn naam gestelde account heeft aangemaakt op de website www.hyves.nl; die bewering is niet aannemelijk geworden.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de verklaringen van [betrokkene 1], voor zover het die als bewijsmiddel zal bezigen, niet als onbetrouwbaar of leugenachtig aanmerkt. Het onderhavige verweer wordt in zoverre verworpen en behoeft voor het overige geen bespreking."

4.3. Artikel 359 lid 2 Sv heeft geen wijziging gebracht in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal, maar verplicht de rechter wel zijn beslissing in een aantal gevallen nader te motiveren.(4) In hoger beroep heeft de verdediging veel moeite gedaan om de onbetrouwbaarheid van [betrokkene 1] aan te tonen. Het hof heeft de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar en bruikbaar geacht voor zover het gaat om het steken van het slachtoffer en de rol die verdachte en de medeverdachte [betrokkene 2] hierin hebben gespeeld.

Blijkens de inhoud van de overwegingen heeft het hof zich ter dege gerealiseerd dat [betrokkene 1] wisselende verklaringen heeft afgelegd, geprobeerd heeft zijn eigen handelen te bagatelliseren en anderen ten onrechte te incrimineren. Maar het hof heeft de onbetrouwbaarheid van [betrokkene 1] zich niet laten uitstrekken tot het steken en de rol van verdachte. Dit oordeel hangt samen met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid kunnen worden onderzocht. Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de kritiek die de verdediging had op de getuige [betrokkene 1], maar heeft kennelijk ook in ogenschouw genomen dat de verklaringen van [betrokkene 1] over het steken en de rol van verdachte, over het bezit van verdachten van de sleutels van de getuige en over de aanschaf van kleding en een mes ondersteund worden door andere bewijsmiddelen. Dat het hof niet is ingegaan op ieder onderdeel van het pleidooi voor zover dat de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] betwistte staat er niet aan in de weg dat het oordeel van het hof om onderdelen van die verklaringen toch voor het bewijs te gebruiken niet onbegrijpelijk is. Dat er geen onderzoek is gedaan naar het aanmaken van een hyves site die zou kunnen worden herleid naar [betrokkene 1] brengt hierin geen verandering.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over schending van het tweede lid van artikel 342 Sv omdat de belastende verklaringen van [betrokkene 1] voor zover het de juridische relevante onderdelen van de beschuldiging betreft geen steun vinden in enig ander bewijsmiddel.

5.2. Het hof heeft bewezen verklaard dat

"ten aanzien van het onder 1, primair, tweede alternatief, tenlastegelegde,

[Betrokkene 1] op 23 juni 2005 te Amsterdam, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] meermalen met een mes in de rug en de rechter arm heeft gestoken,

welk feit hij, verdachte, in de periode van 20 juni 2005 tot en met 23 juni 2005 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft uitgelokt door bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en middelen,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader -zakelijk weergegeven-

- tegen [betrokkene 1] dreigend gezegd dat hij ([betrokkene 1]) en zijn familie zouden worden gedood als hij ([betrokkene 1]) niet zou doen wat er van [betrokkene 1] geëist werd en

- dreigend een scalpel bij het oog van die [betrokkene 1] gehouden en

- [betrokkene 1] een mes voorgehouden en

- [betrokkene 1] zijn ([betrokkene 1]s) huissleutels en mobiele telefoon afgenomen en

- tegen [betrokkene 1] gezegd dat [slachtoffer] dood moest en/of invalide gemaakt moest worden en

- met [betrokkene 1] een mes, een trainingspak en handschoenen gekocht en

- [betrokkene 1] naar de woning van [slachtoffer] gebracht en

- gedurende telefonische contacten met [betrokkene 1] gezegd dat [betrokkene 1] genoemde [slachtoffer] moest steken;

ten aanzien, van het onder 2 primair, tweede alternatief, tenlastegelegde,

hij op tijdstippen in de periode van 20 juni 2005 tot en met 23 juni 2005 te Amsterdam, telkens tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en huissleutels, toebehorend aan [betrokkene 1]."

5.3. Voorts heeft het hof over het bewijs nog overwogen:

"2. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, eveneens opnieuw, aangevoerd dat de eerder bedoelde verklaringen van [betrokkene 1] wat betreft de juridisch relevante onderdelen daarvan, geen steun vinden in enig ander bewijsmiddel. Tevens heeft de raadsman herhaald dat de "unus testis"-regel aan veroordeling van de verdachte in de weg staat, omdat de betrokkenheid van de verdachte slechts uit de verklaringen van één getuige, namelijk [betrokkene 1], kan volgen. Deze verweren vinden hun weerlegging in de door het hof te bezigen bewijsmiddelen."

5.4. Het hof heeft onder meer het volgende bewijsmiddel voor het bewijs gebezigd:

"7. Een proces-verbaal met nummer 2005150754-1 van 24 juni 2005 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina's 59 e. v.].

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juni 2005 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik doe aangifte terzake poging tot doodslag/moord.

Een paar dagen geleden stonden [betrokkene 2], [verdachte] en [betrokkene 1] voor mijn deur tegen half één 's nachts. Op een gegeven moment begint één van hen aan te bellen om vervolgens weer weg te lopen. Dat herhaalden zij tot een uur of half vier waarna mijn vader ging kijken wie er nou belde. Hij zag toen een jongen staan. Deze jongen zei dat hij [betrokkene 1] heette en dat hij met mij wilde praten. Hij zei dat het moest van [betrokkene 2].

Ik bevond mij in mijn slaapkamer en ik kon horen wat er beneden gezegd werd. Zo hoorde ik ook dat de telefoon van [betrokkene 1] diverse malen overging. Ik hoorde hem toen zeggen: "ik blijf aanbellen maar er wordt niet opengedaan". Ik zag dat [betrokkene 2] met [verdachte] in zijn auto rondjes bleef rijden door mijn straat.

Gistermiddag liep ik met mijn zusje naar buiten. Ik zag een jongen komen aanlopen. Hij zag er vreemd uit. De armen van deze jongen waren heel donker en hij was gekleed in een donkerblauw trainingspak van het merk Champions. Ik weet dat [betrokkene 1] ook donker gekleurd is. Hij was slank van postuur en langer dan ik. Ik schat hem op 1.90 meter. Ik weet dat [betrokkene 1] hetzelfde postuur heeft.

Ik zag toen een mes in zijn handen. Ik zag dat hij op mij afkwam rennen. Toen begon deze jongen mij te steken. Hij bleef mij steken. Hij heeft mij ook gestoken in mijn rechterarm. Toen viel ik op de grond en heeft hij mij in mijn rug gestoken. In totaal heeft hij mij zeven keer gestoken. De arts zei dat 2 van de steekwonden diep waren en gehecht moesten worden.

Ik weet dat [betrokkene 1] gechanteerd wordt door [betrokkene 2]."

5.5. Onder meer in deze verklaring van [slachtoffer] heeft het hof voldoende steun(5) kunnen vinden voor de verklaringen van [betrokkene 1], omdat uit bewijsmiddel 7 is op te maken dat het verdachte en zijn maat [betrokkene 2] zijn geweest die [betrokkene 1] op het meisje hebben afgestuurd en met hem contact onderhielden en hem controleerden toen hij zich enige dagen voor de steekpartij bij de woning van [slachtoffer] vervoegde. Het middel, dat op het standpunt berust dat de bewezenverklaring slechts steunt op de verklaringen van [betrokkene 1], mist feitelijke grondslag.(6) Het bewijs voor feit 2 steunt niet alleen op de verklaringen van [betrokkene 1], maar ook op bewijsmiddel 6, waarin is gerelateerd dat een sleutel van [betrokkene 1] in het bezit van [betrokkene 2] is aangetroffen. Het hof was niet gehouden de bewezenverklaring nader te motiveren dan het heeft gedaan.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het bewijs voor het opzet op levensberoving en de voorbedachte raad bij [betrokkene 1] niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen en dat de overwegingen over het bewijs op deze punten onbegrijpelijk zijn.

6.2. Het hof heeft ampele overwegingen aan het bewijs van het opzet en de voorbedachte raad gewijd, welke overwegingen ik hier citeer:

"Verdere overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het onder 1 primair, tweede alternatief, bewezen geachte houdt in, zakelijk, dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [betrokkene 1] heeft uitgelokt tot poging tot moord op [slachtoffer]. Met betrekking tot de uitvoeringshandelingen en het opzet en de voorbedachte raad van [betrokkene 1] wordt het volgende overwogen.

Uitvoeringshandelingen van [betrokkene 1]

[Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de ernst van het letsel dat het slachtoffer, [slachtoffer], door zijn steken zou oplopen, op voorhand heeft willen beperken door het steekwapen te prepareren. Volgens zijn verklaring heeft hij het lemmet van het mes met elektriciteitsdraad zodanig omwikkeld dat de effectieve lengte van het lemmet werd bekort tot ongeveer twee centimeter "zodat ik er niet diep mee kon steken". Het hof gaat uit van de juistheid van deze verklaring wat betreft het prepareren van het mes.

In de voor het bewijs te bezigen letselverklaring is het letsel door de arts omschreven als zeven steekwonden, zes in de rug, één in de rechterarm, een en ander tot in de onderhuid. Volgens deze arts was er geen vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel en/of inwendig bloedverlies.

Volgens de voor het bewijs te bezigen verklaring van [slachtoffer] is zij meermalen gestoken (waaronder de steek in de rechterarm) terwijl zij nog stond en ook nog gestoken (in haar rug) toen zij op de grond was gevallen, zijn er door het steken geen vitale delen geraakt en heeft zij van de arts vernomen dat twee van de steekwonden diep waren en gehecht moesten worden.

Ter terechtzitting in hoger beroep is dr. Botter, forensisch arts, als deskundige gehoord. Hij heeft - voor zover hier van belang en zakelijk samengevat - ter toelichting van zijn rapport van 14 februari 2008 als volgt verklaard.

De in het onderhavige geval beschikbare informatie is summier. Weliswaar is aannemelijk dat door het steken geen vitale organen zijn geraakt, maar daarmee is nog niets gezegd over de diepte van de steekkanalen. De effectieve lengte van het lemmet is een factor van betekenis voor de diepte van het steekkanaal. Een andere factor die daarvoor van betekenis is, vormt de kracht waarmee is gestoken. Ook een mes waarvan het lemmet op ongeveer twee centimeter na met draad is omwikkeld, kan dieper dan twee centimeter het lichaam binnendringen, bijv. indien er voldoende kracht is gebezigd. Informatie daaromtrent kan achteraf onder meer uit de wondrand worden afgeleid. Een inspectie met het oog daarop wordt door een reguliere arts in het algemeen niet verricht en is ook in casu niet verricht. In het onderhavige geval kan niet worden uitgesloten dat er door het steken ook een of meer diepe steekkanalen zijn veroorzaakt. De beslissing van een arts een wond te hechten, is niet per se afhankelijk van de diepte van de wond.

De steekrichting en de plaats op het lichaam waarin gestoken wordt, zijn bepalend voor het al dan niet raken van vitale organen. Als er met een mes waarvan het lemmet op ongeveer twee centimeter na met draad is omwikkeld, met kracht in de rug gestoken wordt, is het zeer wel mogelijk vitale organen te verwonden, bijv. kan de lever worden aangeprikt en de long worden geraakt, hetgeen een klaplong kan veroorzaken.

Blijkens de voor het bewijs te bezigen verklaringen van [betrokkene 1] heeft hij het slachtoffer meermalen gestoken met een mes, waarvan ten minste één maal terwijl zij op de grond lag, en maakte het slachtoffer, terwijl zij gestoken werd, veel bewegingen.

Uit de voor het bewijs te bezigen verklaring van de zus van het slachtoffer, [betrokkene 4], blijkt dat het slachtoffer toen luchtig was gekleed en dat de dader met kracht het slachtoffer een duw gaf, waardoor zij op de grond viel, en met kracht een steekbeweging maakte in de linkerzijde van (het hof begrijpt:) de rug van het slachtoffer, toen zij op de grond lag.

Aldus staat vast dat de messteken die [betrokkene 1] [slachtoffer] heeft toegebracht, zeer wel tot de dood van [slachtoffer] hadden kunnen leiden. Dat die messteken nimmer tot de dood van [slachtoffer] hadden kunnen leiden, is geenszins aannemelijk geworden.

Opzet en voorbedachte raad van [betrokkene 1]

Bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde opzet van [betrokkene 1] op het [slachtoffer] van het leven beroven bewezen te achten is, is het hof tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen, waarbij het hof zich door de volgende overwegingen laat leiden.

In het algemeen moet voorop worden gesteld dat betekenis moet worden toegekend aan hetgeen [betrokkene 1] zelf over zijn opzet heeft verklaard, maar dat hetgeen [betrokkene 1] zelf daarover heeft verklaard, niet doorslaggevend is. Immers ook als van de juistheid van de hierboven op dit punt zakelijk samengevatte verklaring van [betrokkene 1] wordt uitgegaan, in het bijzonder ten aanzien van het onderdeel "zodat ik er niet diep mee kon steken", laat dat ruimte voor een oordeel, op grond van hetgeen wordt vastgesteld over de door [betrokkene 1] verrichte handelingen en de omstandigheden waaronder die handelingen zijn verricht, dat [betrokkene 1] door zijn handelingen willens en wetens het risico "op de koop toe" heeft genomen dat dodelijk letsel het gevolg zou kunnen zijn.

Uit de voor het bewijs te bezigen verklaringen van [betrokkene 1] volgt dat de verdachte en de mededader [betrokkene 2] [betrokkene 1] ertoe hebben aangezet [slachtoffer] te doden of zodanig te verwonden dat zij daardoor invalide zou raken en dat [betrokkene 1] [slachtoffer] daartoe met een mes diep in de rug moest steken. Uit die verklaringen en uit de verdere te bezigen bewijsmiddelen volgt voorts het volgende. [Betrokkene 1] heeft vervolgens inderdaad [slachtoffer] benaderd en haar zesmaal in de rug gestoken. Dit steken in de rug is geschied (mede) toen [slachtoffer] op de grond lag en veel bewegingen maakte en het steken ging gepaard met krachtige bewegingen van [betrokkene 1]. [Slachtoffer] was toen luchtig gekleed.

De door [betrokkene 1] verrichte handelingen zijn naar hun aard geschikt te achten om dodelijk letsel te veroorzaken. [Betrokkene 1] heeft het risico van dodelijk letsel tevoren onderkend en daarom bij wijze van voorzorgsmaatregel de voorziening getroffen, hierin bestaande dat het lemmet van het mes op ongeveer twee centimeter na met elektriciteitsdraad werd omwikkeld. Die voorziening kon echter niet afdoen aan het opzet van [betrokkene 1], omdat bepaald niet viel uit te sluiten dat met het aldus geprepareerde mes vitale organen zouden kunnen worden geraakt en dat dodelijk letsel kon worden veroorzaakt.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat [betrokkene 1] de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou kunnen verwonden door met kracht in haar rug te steken, zonder dat hij de plaats van de insteek precies kon bepalen en onder de voormelde verdere omstandigheden. Het tenlastegelegde opzet van [betrokkene 1] op het [slachtoffer] van het leven beroven is derhalve bewezen te achten.

Uit de te bezigen bewijsmiddelen valt verder af te leiden dat het opzet van [betrokkene 1] op het [slachtoffer] van het leven beroven zich heeft gevormd bij het beramen, door onder meer de verdachte en [betrokkene 1], van een plan en bij het voorbereiden van de uitvoering van dat plan. Daaruit leidt het hof af dat ook is bewezen te achten dat [betrokkene 1] handelde na kalm beraad en rustig overleg en dus met voorbedachten rade."

6.3. Het middel betoogt dat deze overwegingen ontoereikend zijn omdat niet duidelijk wordt waarop het hof zijn oordeel baseert dat er sprake zou zijn geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden van slachtoffer en dat [betrokkene 1] deze aanmerkelijke kans bewust op de koop toe heeft genomen.

6.4. Het hof is uitgegaan van de juistheid van de uitlatingen van [betrokkene 1], dat hij wilde voorkomen dat hij diep met het mes zou steken en dat hij daarom het lemmet van het mes heeft omwikkeld, waardoor de effectieve lengte ervan werd bekort tot ongeveer 2 cm. Het hof heeft zich vervolgens aangesloten bij de mening van de deskundige Botter, inhoudende dat wanneer met een mes met een effectief lemmet van 2 cm met kracht in de rug wordt gestoken het zeer wel mogelijk is dat vitale organen worden verwond. Zo kan de lever worden aangeprikt en een long worden geraakt waardoor een klaplong kan worden veroorzaakt. De overwegingen van het hof over de objectieve kans op het overlijden van het slachtoffer acht ik niet overtuigend. Hoe het verwonden van vitale organen, bijvoorbeeld het aanprikken van de lever of het veroorzaken van klaplong de aanmerkelijke kans op levensverlies teweegbrengt wordt niet duidelijk. Dat de messteken zeer wel tot de dood van slachtoffer hadden kunnen leiden lijkt te duiden op de overtuiging van het hof dat de kans dat het slachtoffer haar leven zou verliezen zeker niet verwaarloosbaar klein was, maar of die kans dan ook naar ervaringsregels aanmerkelijk was is mij niet voldoende helder, zeker gelet op de daaropvolgende zin waarin het hof overweegt dat geenszins aannemelijk is geworden dat die messteken nooit tot de dood van het slachtoffer hadden kunnen leiden.

Ook op hetgeen het hof heeft overwogen over het opzet van de [betrokkene 1] is, dunkt mij, wel wat af te dingen. Uit de uitlating van [betrokkene 1] dat hij niet diep wilde steken kan mijns inziens eerder worden afgeleid dat hij heeft getracht te vermijden dat de steken dodelijk zouden zijn dan dat hij welbewust de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat het slachtoffer zou overlijden.(7)

Wat de steller van het middel nog opmerkt over de plaats waar het slachtoffer is gestoken, of dit in de rug of ter hoogte van de linker heup was, ziet eraan voorbij dat in bewijsmiddel 10 is vastgesteld dat 6 steekwonden zich in de rug bevonden en 1 in de rechterarm. Dat de zus van het slachtoffer spreekt over de linker heup maakt niet dat het onzeker is waar [betrokkene 1] het slachtoffer heeft gestoken.

Het middel is terecht voorgesteld.

7. Het eerste, tweede en derde middel falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het vierde middel is mijns inziens terecht voorgesteld, hetgeen tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover inhoudende de beslissingen over het als 1 ten laste gelegde feit en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met 08/03082 ([betrokkene 2]) waarin ik ook heden concludeer.

2 Zie bijvoorbeeld HR 19 juni 2007, LJN BA5856.

3 HR 25 november 1997, NJ 1998, 274.

4 HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.1.

5 Vgl. HR 26 januari 2010, LJN BK2094.

6 HR 9 mei 2006, LJN AV0316.

7 HR 15 februari 2005, LJN AR6569.