Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM0151

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
08/01518
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM0151
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/01518

Mr. Vegter

Zitting: 30 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het Hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen zoals in het arrest vermeld en een daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Namens de verdachte heeft mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte de bewezenverklaarde bedreiging heeft medegepleegd.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 11 juni 2007 te Beverwijk en IJmuiden, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en brandstichting, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend

- een brandende aansteker bij haar haren en bij het gezicht van [slachtoffer] gehouden en

- tegen [slachtoffer] gezegd: "Als je vertelt wat er deze avond gebeurd is, loopt het verkeerd met je af" en "Ik heb een grote familie en mijn neefjes weten je wel te vinden" en "Als je aan je vader of aan de politie vertelt wat er gebeurd is dan maken we je dood en steken we de woning van je ouders in brand en schieten we je vader dood"."

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2008.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Mijn rol in dit gebeuren was beperkt. Ik heb [betrokkene 1] naar die parkeerplaats gereden. Ik heb [slachtoffer] uitgescholden. Voor het overige was het een zaak tussen [slachtoffer], [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Op een gegeven moment ging [slachtoffer] weer in de auto van [betrokkene 2] zitten. Ze zei tegen [betrokkene 2] dat hij haar naar huis moest brengen. Ik ben achter [betrokkene 2] aangereden om er zeker van te zijn dat [slachtoffer] bij haar auto werd afgezet. Ik heb niet gezien dat [slachtoffer] op de parkeerplaats in IJmuiden een aansteker bij haar gezicht werd gehouden. [Betrokkene 2] heeft haar daar wel uitgescholden. Daarom heb ik hem tot de orde geroepen. Achteraf kan ik me wel voorstellen dat deze situatie erg bedreigend voor haar moet zijn geweest.

2. Een proces-verbaal met nummer PLl257/07-074467 van 13 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van de regiopolitie Kennemerland (doorgenummerde pagina's 77-83).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisanten voomoemd op 11 juni 2007 afgegeven verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

Ik ben vanavond door drie mannen van mijn vrijheid beroofd, meerdere malen met opzet en hard geschopt en geslagen en bedreigd. Ook mijn familie is bedreigd. De mannen die dit hebben gedaan weten wie ik ben en waar ik woon. Ik woon bij mijn ouders. Ik ben heel erg bang voor de drie mannen. Ik ben ook bang voor mijn veiligheid en voor de veiligheid van mijn familie. Ik ben constant woordelijk bedreigd.

[Betrokkene 2] (het hof begrijpt telkens [betrokkene 2]) bedreigde mij door te zeggen dat ik alles moest doen wat hij tegen mij zei. Ik moest van [betrokkene 2] in zijn auto stappen. Ik wilde weglopen maar ik werd vastgehouden door [betrokkene 2] en hij duwde mij in de auto. Op een gegeven moment zag ik kans om uit de auto te rennen. Ik liep op mijn slippers en struikelde. Ik probeerde door te schreeuwen aandacht van mensen te trekken. Vlak voordat ik uit de auto vluchtte, zag ik kans om uit mijn tas die in de auto van [betrokkene 2] stond mijn gsm te pakken en mee te nemen.

Ik rende op mijn slippers weg en probeerde tegelijk mijn moeder te bellen. Ik viel en werd ingehaald door [betrokkene 2]. Hij pakte mijn telefoon en brak deze door midden. [Betrokkene 2] bedreigde mij dat ik niemand iets mocht vertellen. Ik mocht de politie niet bellen en niets aan mijn ouders zeggen. Als ik de politie erbij zou halen zou hij mij dood maken en het huis van mijn ouders in brand steken en mijn vader doodschieten. Nadat [betrokkene 2] mij vastpakte werd ik teruggebracht naar de auto van [betrokkene 2]. [Betrokkene 2] zei dat hij mij naar huis zou brengen. [Verdachte] (het hof begrijpt telkens [verdachte]) en [betrokkene 1] moesten erachter aan rijden. Ik werd uit de auto gezet bij Telstar. Ik moest al die tijd huilen. Toen werd door [betrokkene 2] nog een aansteker bij mijn gezicht gehouden. Ik mocht toen weg van die mannen. Ik ben in mijn auto gestapt en ben naar huis gescheurd.

3. Een proces-verbaal met nummer PLl 257/07-074467 van 13 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], brigadier van de regiopolitie Kennemerland (doorgenummerde pagina's 84-92).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voomoemd op 13 juni 2007 afgegeven aanvullende verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

Ik ben op uw verzoek naar het bureau gekomen om een nadere verklaring af te leggen. Ik zal u proberen te vertellen wat er allemaal afgelopen maandag 11 juni 2007 is gebeurd.

[Betrokkene 2] vroeg of ik meeging naar Beverwijk. We reden door de tunnel naar Beverwijk en toen naar de parkeerplaatsen bij het ziekenhuis. Toen we daar reden zag ik dat er een klein blauw autootje aan kwam rijden. Ik zag toen dat [verdachte] en [betrokkene 1] in die auto zaten. Ik dacht toen: 'Oké, nu gaat het gebeuren". Ik bedoel daarmee, ik weet hoe [betrokkene 2] in elkaar zit en als die drie met elkaar op een afgelegen parkeerplaats samen zijn, moet er iets vervelends gaan gebeuren. Ik was bang dat [betrokkene 2] zou gaan schreeuwen en mij zou gaan slaan. Deze hele situatie kwam heel erg bedreigend op mij over. [Betrokkene 1] heeft niet geschopt en geslagen en stond er maar een beetje bij te lachen, te grijnzen.

Op een gegeven moment stopten ze met slaan en stond ik op. [Betrokkene 2] zei toen dat ik weer in de auto moest gaan zitten. Voordat ik zelf in de auto kon gaan zitten, werd ik door [betrokkene 2] letterlijk de auto ingeslagen. Toen ik in de auto zat, zag ik dat het portier aan de andere kant openstond. Ik pakte mijn telefoon en kroop over naar de andere kant en vluchtte uit de auto. Ik hoorde [betrokkene 2] schreeuwen: "Daar gaat ze". Ik merkte dat [betrokkene 2] achter mij aan kwam rennen. Onder het rennen schreeuwde ik of iemand mij hoorde en kon helpen. Ik wilde zo snel mogelijk naar het ziekenhuis rennen. Ondertussen probeerde ik mijn moeder te bellen met mijn gsm. Ik werd toen vastgepakt door [betrokkene 2]. Hij spuwde in mijn gezicht en brak de telefoon stuk. Toen begon hij mij te bedreigen en zei dat ik tegen mijn moeder moest zeggen dat ik van mijn fiets was gevallen. Ik mocht niets zeggen tegen de politie anders zou hij me afmaken. [Verdachte] zei toen dat hij een grote familie had, als hij vast zou komen te zitten zouden zijn neefjes mij wel weten te vinden. Ik werd door [betrokkene 2] in zijn auto gestopt. [Betrokkene 2] zei toen tegen [verdachte] en [betrokkene 1] dat zij achter ons aan moesten rijden. Die reden ook achter ons aan. Toen kwamen we weer bij de Strawberries in IJmuiden. [Verdachte] en [betrokkene 1] kwamen daar ook aanrijden. [Betrokkene 2] parkeerde vlakbij mijn auto. De ramen van de auto van [betrokkene 2] deed [betrokkene 2] automatisch naar beneden. [Verdachte] en [betrokkene 1] kwamen naar de auto van [betrokkene 2]. [Betrokkene 1] kwam aan mijn kant staan en leunde op het portier met zijn hoofd een beetje naar binnen. [Verdachte] deed hetzelfde aan de kant van [betrokkene 2].

[Betrokkene 2] vroeg aan [betrokkene 1] of hij nog wat te zeggen had. [Betrokkene 1] zei dat ik een mooi gezichtje had en vond het jammer dat het zo moest aflopen. Ik mocht niets zeggen tegen het meisje dat ik met hem had gezien bij de McDonald's anders zou het nog verkeerd met mij aflopen. [Betrokkene 2] pakte zijn aansteker, deed deze aan en hield de vlam vlak bij mijn gezicht, bij mijn haar. Ik wilde gillen maar ik durfde niet te gillen. [Verdachte] zei toen dat het goed was zo. Ik moest toen de auto uit. [Betrokkene 1] was aan de kant gegaan zodat ik kon uitstappen. Ik ben snel naar mijn eigen auto gegaan, ben ingestapt en naar huis gescheurd.

4. De verklaring van de aangeefster [slachtoffer], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2008.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik had niets in de gaten totdat we in Beverwijk bij het ziekenhuis de parkeerplaats opreden. [Betrokkene 2] parkeerde zijn auto naast een andere auto. Hij stapte uit en ging bij [verdachte] en [betrokkene 1] staan. Zij leunden met z'n drieën tegen die auto. [Betrokkene 2] vroeg me uit te stappen. Ik wilde dat niet, maar deed het uiteindelijk toch. De stemming sloeg direct om. Ik weet niet meer welke klap ik op welk moment kreeg. Ik zakte door mijn knieën. Toen ik half op de grond lag, kreeg ik een trap. Ik weet niet meer of ik meteen na de eerste klap viel. [Betrokkene 1] en [verdachte] stonden erbij en keken erna. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat ik achter de ramen zou zijn beland als ik in Amsterdam had gewoond. Ik hoorde zeggen: 'Als je vertelt wat er vanavond gebeurd is, loopt het verkeerd met je af'. Het hele voorval heeft maar 10 à 15 minuten geduurd, maar het leek wel een eeuwigheid te duren.

Daama moest ik van [betrokkene 2] weer in de auto gaan zitten. [Betrokkene 2] heeft mij werkelijk de auto ingeslagen. Terwijl ik in de auto zat, hoorde ik ze over mijn telefoon praten. Ik hoorde zeggen dat ze gegevens uit mijn telefoon moesten wissen. Ik zag dat ze even niet op mij letten. Ik probeerde te ontsnappen. Ik rende weg. Ik probeerde tegelijk mijn moeder te bellen. Ik schreeuwde dat ik naar huis wilde. Ik rende in de richting van het ziekenhuis omdat daar altijd mensen lopen. [Betrokkene 2] kwam achter mij aan. Ik had slippers aan. Daarom viel ik na een paar meter. Toen ik viel, pakte hij me vast. Hij pakte mijn telefoon en gooide hem kapot. Ik ben niet vrijwillig in de auto van [betrokkene 2] gaan zitten. Hij had mij immers even daarvoor in elkaar geslagen. Ook op de terugweg heeft [betrokkene 2] mij in mijn gezicht geslagen. Hij heeft een aansteker bij mijn gezicht gehouden. [Betrokkene 1] zei tegen [betrokkene 2] dat hij moest ophouden. [Betrokkene 2] heeft mij uiteindelijk weer afgezet op de parkeerplaats bij de hockeyvelden. Toen ik mijn tas pakte, zei hij dat hij mijn vader zou afmaken en mijn huis in de fik zou steken als ik het tegen iemand zou zeggen. [Betrokkene 1] zei toen tegen mij dat ik niets tegen dat meisje van de McDonald's mocht zeggen.

5. Een proces-verbaal met nummei- PLl257/07-074467 van 24 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van de regiopolitie Kennemerland (doorgenummerde pagina's 126-128).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juni 2007 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

Ik ben de moeder van [slachtoffer]. Ik ben op 11 juni 2007 samen met mijn man en [slachtoffer] naar het politiebureau gegaan. [Slachtoffer] was juist daarvoor thuis gekomen en ik zag gelijk dat er wat vreselijks was gebeurd.

Ik zag dat [slachtoffer] huilde en mishandeld was. [Slachtoffer] zei dat haar leven voorbij was. Ik zag dat zij een heel groot blauw oog had. [Slachtoffer] zei dat ze niet kon zeggen wat er was gebeurd. [Slachtoffer] zei dat als ze vertelde wat er was gebeurd dat ze mijn man zouden doodsteken en dat ze mijn huis in brand zouden steken. Ik heb van [slachtoffer] gehoord dat ze door drie mannen in elkaar is geslagen op een parkeerterrein. [Slachtoffer] vertelde dat de drie mannen haar hadden bedreigd.

[Slachtoffer] vertelde dat ze met [betrokkene 2] had afgesproken in IJmuiden. Ze was bij hem in de auto gaan zitten en toen reed hij met [slachtoffer] naar Beverwijk. Hij reed naar het parkeertenein en parkeerde daar. [Slachtoffer] vertelde dat ze op dat moment heel erg bang was. Kort daama kwam er een andere auto het parkeertenein oprijden en parkeerde vlakbij de auto van [betrokkene 2]. [Slachtoffer] vertelde dat er toen aan haar gevraagd was of ze seks had gehad met [betrokkene 1]. Dat ontkende zij. Toen kreeg ze een klap. Op een gegeven moment had ze zo'n klap gekregen dat ze op de grond viel en toen werd ze ook nog geschopt. [Slachtoffer] vertelde dat ze wilde vluchten en mij wilde bellen, dat ze toen door [betrokkene 2] werd vastgepakt, werd geslagen en dat haar telefoon werd gebroken. [Slachtoffer] vertelde dat ze in de auto moest gaan zitten, dat ze zelf weg wilde maar dat dat niet mocht. [Slachtoffer] vertelde dat ze naar IJmuiden werd gereden en dat die andere twee mannen daar ook heen kwamen. [Slachtoffer] zei dat de drie mannen haar hadden verboden om er over te praten met mij, mijn man of met de politie.

6. Een proces-verbaal met nummer PLl257/07-074467 van 24 juli 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], brigadier van de regiopolitie Kennemerland (doorgenummerde pagina's 203-209).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juli 2007 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

[Betrokkene 2] vertelde aan [verdachte] waar hij met [slachtoffer] naar toe zou komen. Toen wij daar aankwamen was [betrokkene 2] er nog niet en wij reden nog een klein rondje en toen wij weer terugkwamen op de plek stond [betrokkene 2] daar met [slachtoffer]. Zij zat op dat moment nog in de auto van [betrokkene 2]. [Betrokkene 2] vroeg [slachtoffer] om uit te stappen maar dat deed zij niet. Hij vroeg het nog een keer en toen stapte ze uit. [Betrokkene 2] ging tussen mij en [slachtoffer] in staan en vroeg mij waarom ik met [slachtoffer] had gezoend. Ik zei dat ik het een mooi meisje vond. Vervolgens vroeg hij hetzelfde aan [slachtoffer] waarop zij hem zei dat ze dat toch al aan hem had verteld.

Toen ging het heel snel. Ik zag dat [betrokkene 2] haar twee klappen gaf. Hij raakte haar zodanig dat ze viel. Volgens mij gaf hij haar daarna een trap tegen haar been en nog een klap met de buitenkant van zijn hand. Vervolgens gaf hij haar nog een klap tegen haar hoofd met de buitenkant van zijn hand waarop haar oog meteen dik werd.

Ik zag dat het oog van [slachtoffer] meteen behoorlijk dik werd en zei in het Marokkaans tegen [betrokkene 2] dat hij moest stoppen. Nadat [betrokkene 2] gestopt was met slaan stond [slachtoffer] op en ging in de auto van [betrokkene 2] zitten. Ze vroeg hem haar naar huis te brengen maar [betrokkene 2] zei haar dat ze kon oprotten en maar moest gaan lopen. Hierop liep [slachtoffer] weg. [Betrokkene 2] liep achter [slachtoffer] aan en pakte haar telefoon af. Die gooide hij stuk of brak hij doormidden, dat weet ik niet meer. [Slachtoffer] stapte bij [betrokkene 2] in de auto en [betrokkene 2] zei ons dat we achter hem aan moesten rijden. [Verdachte] en ik zijn achter [betrokkene 2] naar de hockeyvelden bij het terrein van Telstar gereden. Op het parkeerterrein ben ik uitgestapt en even gaan plassen. Toen ik terug kwam vroeg [betrokkene 2] of ik nog iets tegen [slachtoffer] wilde zeggen. Ik zei dat ik het jammer vond dat het zo afgelopen was."

6. Het Hof heeft voorts in zijn arrest de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:

"Het hof overweegt met betrekking tot de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en brandstichting dat het de tot bewijs te bezigen verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar acht, dat die verklaringen (zeer) gedetailleerd zijn en op wezenlijke onderdelen steun vinden in de verklaring van de moeder van [slachtoffer], [betrokkene 3].

Uit die verklaring van [slachtoffer] blijkt dat -zakelijk weergegeven- nadat [betrokkene 2] haar had mishandeld en vlak voordat zij door die [betrokkene 2] werd teruggebracht naar IJmuiden, de verdachte en [betrokkene 2] de in de tenlastelegging opgenomen zinsneden tegen [slachtoffer] hebben gebezigd. Eenmaal terug op de parkeerplaats in IJmuiden heeft [betrokkene 1] nog tegen haar gezegd dat zij niks tegen het meisje van de MacDonalds mocht zeggen omdat het anders verkeerd met haar zou aflopen en dat hij het jammer vond dat het zo was gelopen. Terwijl dit tegen [slachtoffer] werd gezegd, zat zij nog in de auto bij [betrokkene 2], leunde de verdachte aan de zijde van die [betrokkene 2] tegen de auto en leunde de [betrokkene 1] aan de zijde van het slachtoffer tegen die auto. In die auto heeft [betrokkene 2] bovendien een aansteker bij haar haar en haar gezicht gehouden.

Gelet op de hiervoor weergegeven situatie en daarbij genomen de verklaringen van de verdachte en die [betrokkene 2] en [betrokkene 1] dat zij (thans) inzien dat sprake moet zijn geweest van een voor het slachtoffer zeer bedreigende situatie, is het hof van oordeel dat zij zich gedrieën schuldig hebben gemaakt aan de tenlastegelegde bedreigingen."

7. Uit de bewijsmiddelen volgt het volgende:

- verdachte is samen met [betrokkene 1] naar de plaats die [betrokkene 2] hem had gezegd, een parkeerterrein in Beverwijk, gereden;

- [betrokkene 2] en het slachtoffer zijn naar diezelfde plaats gekomen;

- de situatie op de parkeerplaats met de drie mannen kwam bedreigend over op het slachtoffer;

- [betrokkene 2] heeft het slachtoffer doen uitstappen en haar geslagen en geschopt, terwijl verdachte en [betrokkene 1] toekeken;

- na het slaan, toen het slachtoffer weer in de auto zat, heeft [betrokkene 2] tegen haar gezegd dat als zij naar de politie zou gaan hij haar zou doodmaken/afmaken;

- [betrokkene 2] heeft de gsm van het slachtoffer kapot gemaakt, zodat ze niet kon bellen;

- [betrokkene 2] heeft tevens gezegd dat als zij de politie erbij zou halen hij haar dood zou maken, het huis van haar ouders in brand zou steken en haar vader zou doodsteken;

- verdachte zei tegen haar dat hij een grote familie had en dat zijn neefjes haar wel zouden weten te vinden;

- het slachtoffer hoorde tevens zeggen: "Als je vertelt wat er vanavond gebeurd is, loopt het verkeerd met je af";

- [betrokkene 2] is met het slachtoffer terug naar IJmuiden gereden, nadat hij tegen verdachte en [betrokkene 1] had gezegd dat zij achter hem aan moesten rijden;

- op de parkeerplaats in IJmuiden deed [betrokkene 2] de ramen van de auto open en [betrokkene 1] en verdachte kwamen ieder aan een kant van de auto staan; [betrokkene 1] leunde aan de passagierskant tegen de auto met zijn hoofd een beetje door het raam en verdachte bij het raam aan de bestuurderskant;

- [betrokkene 2] hield toen een aansteker vlak bij het gezicht en het haar van het slachtoffer;

- [betrokkene 2] heeft toen (nog een keer) gezegd dat hij haar vader zou afmaken en haar huis in de fik zou steken als zij tegen iemand zou zeggen wat er gebeurd was;

- daarna mocht het slachtoffer weg van de mannen.

8. Hieruit heeft het Hof kunnen afleiden dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie mannen bij het bedreigen van het slachtoffer. Zowel verdachte als zijn twee medeverdachten hebben bedreigingen geuit tegen het slachtoffer en verdachte en [betrokkene 1] hebben, door de deuren van de auto met hun lichaam te blokkeren, samen met [betrokkene 2] de bedreigende situatie gecreëerd waarin [betrokkene 2] zijn aansteker bij het gezicht en het haar van het slachtoffer heeft gehouden, en haar heeft gezegd dat hij haar vader zou afmaken en haar huis in de fik zou steken als zij tegen iemand zou zeggen wat er gebeurd was.

9. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat verdachte in IJmuiden geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en dat uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen niet volgt dat hij de in IJmuiden verrichte en bewezenverklaarde gedragingen heeft waargenomen. Derhalve kan ten aanzien van de gedragingen die in IJmuiden hebben plaatsgehad niet gezegd worden dat verdachte deze heeft medegepleegd.

10. Het Hof heeft inderdaad de verklaring van verdachte, dat hij niet gezien heeft dat een aansteker bij het gezicht van het slachtoffer werd gehouden op de parkeerplaats te IJmuiden, tot het bewijs gebezigd.(1) Volgens mij doet dit echter niet af aan het medeplegen van de bedreiging door verdachte. Zoals ik hierboven al aangaf heeft verdachte op de parkeerplaats te Beverwijk in het kielzog van [betrokkene 2] een dreigement geuit tegen het slachtoffer, bedoeld om haar te laten zwijgen. Vervolgens is verdachte samen met [betrokkene 1], op aangeven van [betrokkene 2], achter de auto van [betrokkene 2], met daarin [betrokkene 2] en het slachtoffer, naar de parkeerplaats te IJmuiden gereden. Daar hebben verdachte en [betrokkene 1] zich aan weerskanten van de auto van [betrokkene 2] opgesteld, leunend tegen de respectieve voorportieren, met hun hoofden enigszins naar voren door de geopende ramen. [Betrokkene 2] heeft toen in de auto een aansteker bij het gezicht en het haar van het slachtoffer gehouden. Ook al heeft verdachte dit niet gezien (wellicht werd het aan zijn zicht onttrokken, omdat [betrokkene 2] er voor zat), dan nog heeft hij, door tegen de voorportier van de auto te leunen, met zijn hoofd enigszins door het open raam, bijgedragen aan het creëren van de dreigende sfeer in de auto waarin [betrokkene 2] in woord en gebaar bedreigingen uitte.

11. Het gaat hier ook niet om gescheiden gebeurtenissen, waarbij de ene plaatsvond te Beverwijk en de andere te IJmuiden(2); het geheel der bedreigingen, daargelaten of de bedreigingen nu geuit werden in Beverwijk of IJmuiden, was immers bedoeld om het slachtoffer haar mond te laten houden over de mishandeling op de parkeerplaats te Beverwijk. Het Hof heeft uit de bewijsmiddelen ook kunnen afleiden dat verdachte en zijn medeverdachten alledrie van begin tot eind betrokken waren bij die bedreigingen, van het moment dat zij met zijn drieën besloten op de parkeerplaats te Beverwijk samen te komen met het slachtoffer, tot het moment dat zij op de parkerplaats te IJmuiden het slachtoffer in de auto van [betrokkene 2] hielden, door tegen de voorportieren van de auto te leunen, en [betrokkene 2] nog een laatste bedreiging kon uiten. Daarbij is het niet relevant wie welke uitvoeringshandeling precies heeft verricht, terwijl vaststaat dat één van de in de tenlastelegging voorkomende woordelijke bedreigingen is geuit door verdachte.

12. Het middel faalt derhalve en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende formulering.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het Hof heeft ook de verklaring van verdachte inhoudende "Mijn rol in dit gebeuren was beperkt" tot het bewijs gebezigd. In de toelichting op het middel wordt daar echter niet op ingegaan. Ik heb deze verklaring derhalve ook niet betrokken bij de vraag of er sprake is van medeplegen; ook in geval van een beperkte rol kan er immers nog sprake zijn van medeplegen.

2 Het Hof kwalificeerde ook niet als bedreiging meermalen gepleegd.