Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BM0142

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
09/01855
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2829
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM0142
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Echtscheiding. Partneralimentatie. Verzoek alimentatie te laten voortduren tot datum waarop alimentatiegerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt. Financiële situatie van alimentatieplichtige behoort tot de omstandigheden die de rechter bij zijn beoordeling van het op art. II lid 2 WLA gegronde verzoek in aanmerking behoort te nemen (vgl. HR 16 maart 2007, NJ 2007, 307). Omstandigheid dat alimentatiegerechtigde niet in aanmerking komt voor aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat zij, conform een tijdens het huwelijk gemaakte afspraak, al tijdens het huwelijk in deeltijd werkte, dient te worden meegewogen bij beantwoording vraag of definitieve beëindiging alimentatie dermate ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevraagd. Arbeidsongeschiktheid alimentatiegerechtigde.

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 748
NJ 2010, 330
RFR 2010/108
FJR 2010, 101 met annotatie van I.J. Pieters
NJB 2010, 1343
JWB 2010/229
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. 09/01855

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 2 april 2010

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

Deze zaak betreft een verzoek tot beëindiging van partneralimentatie (overgangsregime van de Wet limitering alimentatie na scheiding).

1. Feiten(1) en procesverloop(2)

1.1 Partijen zijn op 23 oktober 1981 gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, een dochter op [geboortedatum] 1984 en een zoon op [geboortedatum] 1988.

1.2 Het huwelijk van partijen is ontbonden door inschrijving van het tussen hen door de rechtbank Maastricht op 4 juni 1992 gewezen echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand op 14 juli 1992.

1.3 In genoemd echtscheidingsvonnis is de door de man te betalen partneralimentatie vastgesteld op een bedrag van ƒ 1.800,- per maand. Dat bedrag was ook door partijen overeengekomen bij echtscheidingsconvenant van 19 maart 1992.

1.4 Ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift beliep de bijdrage volgens de vrouw € 1.126,- per maand. Dat is een lager bedrag dan wanneer vanaf 1 januari 1993 alle verhogingen krachtens wettelijke indexering op de vastgestelde bijdrage zouden zijn toegepast. Volgens de vrouw waren partijen enige jaren eerder een lagere bijdrage overeengekomen.

1.5 Bij inleidend verzoekschrift, ingediend ter griffie van de rechtbank Maastricht op 27 maart 2007, heeft de man de rechtbank verzocht zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw met ingang van 4 juni 2007, althans met ingang van een door het hof in redelijkheid te bepalen datum, te beëindigen. Aan dit verzoek heeft de man ten grondslag gelegd dat zijn verantwoordelijkheid voor de vrouw een einde heeft genomen nu hij per die datum vijftien jaar partneralimentatie heeft betaald en op grond van het bepaalde in art. 1:157 BW in verbinding met art. 2 WLA de verplichting tot betaling van een onderhoudsbijdrage als geëindigd kan worden beschouwd.

1.6 De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van de man en harerzijds primair verzocht de alimentatieverplichting van de man te laten voortduren tot en met 6 december 2021, de dag waarop zij de 65-jarige leeftijd hoopt te bereiken, met bepaling dat deze termijn daarna nog verlengd kan worden en subsidiair geleidelijke afbouw van de onderhoudsverplichting vanaf haar 65ste verjaardag.

1.7 Bij beschikking van 23 oktober 2007 heeft de rechtbank - onder afwijzing van het meer of anders gevorderde - het verzoek van de man afgewezen en bepaald dat wanneer de vrouw 65 jaar oud wordt de mogelijkheid open blijft om verlenging te verzoeken van de termijn dat de man alimentatie aan de vrouw zal moeten betalen.

1.8 De man is, onder aanvoering van drie grieven, van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Hij heeft daarbij verzocht dat deze beschikking wordt vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, zal bepalen dat zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van de vrouw wordt beëindigd met ingang van 14 juli 2007, althans met ingang van een door het hof in redelijkheid te bepalen datum. Subsidiair heeft de man verzocht de alimentatiebijdrage te verlagen naar een in redelijkheid te bepalen bedrag tot een in redelijkheid te bepalen einddatum, althans om met betrekking tot de alimentatie een afbouwregeling vast te stellen.

1.9 De vrouw heeft de grieven bestreden.

1.10 Na de mondelinge behandeling op 19 juni 2008, waarbij onder meer de mogelijkheid van mediation is besproken, heeft het hof bij beschikking van 11 februari 2009 de beschikking waarvan beroep vernietigd en heeft het hof, opnieuw rechtdoende, het op 4 juni 1992 door de rechtbank Maastricht tussen partijen gewezen vonnis alsmede het op 19 maart 1992 door partijen gesloten echtscheidingsconvenant en voor zover nodig ook de latere overeenkomst tussen partijen zodanig gewijzigd dat de alimentatieverplichting van de man ten opzichte van de vrouw met ingang van 14 juli 2007 is beëindigd.

1.11 De vrouw heeft tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld.

Bij brief van 7 juli 2009 heeft de vrouw, na ontvangst van de processen-verbaal van de zittingen van de rechtbank en van het hof, haar verzoekschrift in cassatie aangevuld(4).

De man heeft bij brief van 8 juli 2009 afgezien van het voeren van verweer.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1Het cassatiemiddel bevat vijf onderdelen en verschillende subonderdelen.

De onderdelen 1 en 2 zijn gericht tegen rechtsoverweging 4.12, waarin het hof - voor zover voor de bespreking van het onderdeel van belang - als volgt heeft geoordeeld:

"(...)

Aan de zijde van de man acht het hof van belang dat, nu de man het hof over zijn draagkracht niet heeft geïnformeerd, weliswaar verondersteld moet worden dat hij in staat zou zijn gedurende nog enige tijd alimentatie aan de vrouw te betalen, hij en zijn gezinsleden een groot emotioneel belang hebben bij definitieve beëindiging van de alimentatieverplichting. Niet gebleken is overigens dat de man in zodanig gunstige financiële omstandigheden verkeert dat zou moeten worden geoordeeld dat de alimentatiebetalingen hem en de zijnen in het geheel niet zouden belasten, althans dat zijn emotionele belangen bij doorbetaling als van volstrekt ondergeschikte aard zouden moeten worden geacht."

2.2 Kern van deze zaak is de vraag of de beschikking van het hof voldoet aan de motiveringseisen die worden gesteld aan een beëindiging van een bijdrage tot levensonderhoud.

2.3 De wet van 28 april 1994 tot wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding (WLA) is op 1 juli 1994 in werking getreden. Art. II lid 2 WLA bevat het overgangsregime voor uitkeringen tot levensonderhoud die - zoals hier - voordien zijn toegekend of overeengekomen: degene die verplicht is tot een uitkering tot levensonderhoud kan de rechter verzoeken de verplichting te beëindigen indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd. De rechter wijst dit limiteringsverzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de tot uitkering gerechtigde kan worden gevergd.

2.4 In ieder geval houdt de rechter ingevolge art. II lid 2 onder a-d WLA rekening met de volgende omstandigheden:

- de leeftijd van degene die tot uitkering gerechtigd is;

- de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

- de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed; en

- de omstandigheid dat de tot uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot uitkering is gehouden.

2.5 Met betrekking tot de omvang van de motiveringsplicht van de rechter heeft de Hoge Raad in zijn beschikkingen van 1999(5) geoordeeld dat aan beslissingen die het recht op alimentatie met toepassing van art. II lid 2 WLA definitief doen eindigen hoge motiveringseisen moeten worden gesteld en dat alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zowel die aan de zijde van de tot alimentatiegerechtigde als die aan de zijde van de alimentatieplichtige.

2.6 Dit alles heeft het hof met juistheid in de rechtsoverwegingen 4.4-4.6 tot uitgangspunt genomen. In rechtsoverweging 4.4 heeft het hof tevens een invulling gegeven aan het begrip 'hoge motiveringseisen', te weten "dat de rechter nadrukkelijk en meer uitgewerkt moet aangeven welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze omstandigheden in de afweging heeft betrokken". Ik acht die invulling een juiste.

2.7 In zijn beschikking van 16 maart 2007, LJN AZ0617 (NJ 2007, 307), waarnaar ook onderdeel 1 verwijst, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omstandigheid dat de alimentatieplichtige in een zodanige financiële situatie verkeert dat hij (ook in de toekomst) zonder enig probleem alimentatie kan blijven betalen, in combinatie met de overige omstandigheden van het geval, kan meebrengen dat een definitieve beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. De financiële situatie van de alimentatieplichtige behoort, aldus de Hoge Raad, dan ook tot de omstandigheden die de rechter bij zijn beoordeling van een, op art. II lid 2 WLA gegrond, verzoek in aanmerking behoort te nemen.

2.8 Gelet op het voorgaande slaagt onderdeel 1 dat klaagt dat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan de financiële situatie van de man.

Uit de beschikking van het hof valt onvoldoende op te maken waarom het hof zonder behoorlijk inzicht in de draagkracht van de man kon oordelen dat een directe en definitieve beëindiging van de alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw kan worden gevergd. Het hof motiveert daarnaast onvoldoende - in de bewoordingen van het hof - nadrukkelijk en uitgewerkt waarom niet is gebleken dat de man in zodanig gunstige financiële omstandigheden verkeert dat voortgezette alimentatiebetalingen hem en de zijnen in het geheel niet zouden belasten of waarom zijn emotionele belangen bij doorbetaling niet van volstrekt ondergeschikt belang zouden zijn. Dit klemt temeer nu de psychische belasting van de man onderdeel van het partijdebat is geweest(6).

2.9 De overige lezingen van het oordeel van het hof die de subonderdelen 1.1 en 1.2 alsmede onderdeel 2 aan de orde stellen, behoeven onder deze omstandigheden geen nadere bespreking.

2.10 Voor zover onderdeel 2 nog betoogt dat een stelling als die van de man over emotionele belasting, zonder dat bijkomende omstandigheden worden gesteld die zouden kunnen maken dat de alimentatie als een bijzondere last wordt ervaren, als zodanig geen of nauwelijks gewicht in de schaal werpen, gelet op de aard van de verplichting en de ingrijpendheid van de beslissing voor een alimentatiegerechtigde als hier aan de orde(7), faalt het, nu het miskent dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot beëindiging van een plicht tot betaling van alimentatie als hier aan de orde alle omstandigheden van het geval - zowel aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als aan de zijde van de alimentatieplichtige - dient mee te wegen. Tot die omstandigheden kunnen ook emotionele factoren behoren.

2.11 Onderdeel 3 richt zich tegen het in het slot van rechtsoverweging 4.11 vervatte oordeel dat niet valt in te zien waarom de vanaf 1999 en derhalve ruim na de ontbinding van het huwelijk van partijen bestaande volledige arbeidsongeschiktheid van de vrouw een argument zou moeten zijn om de man nog zo lange tijd als de vrouw wenst alimentatie te laten betalen. De volledige rechtsoverweging luidt als volgt:

"De man is van mening dat de vrouw vanaf 1994, het jaar waarin voor het eerst beide kinderen schoolgaand waren, haar best had moeten doen haar arbeidstijd met meer dan de gerealiseerde vijf uren per week uit te breiden, nu niet is gebleken dat iets daaraan in de weg stond.

Het hof overweegt dat in het algemeen eenieder zelfstandig dient te voorzien in de kosten van zijn of haar levensonderhoud. Een bijdrage in die kosten, te betalen door een gewezen echtgenoot, is gelet op de wettelijke bepalingen, dan ook tijdelijk. De WLA laat daaromtrent aan duidelijkheid niets te wensen over. In dit licht zou het verstandig zijn geweest als de vrouw vanaf 1994 gerichte activiteiten zou hebben ondernomen om zelf hogere inkomsten te verwerven dan zij feitelijk had. Naar het oordeel van het hof viel dat toen ook van haar te vergen, omdat niet gebleken is dat zij toen al verkeerde in de slechte lichamelijke gesteldheid, waarvan later sprake is geworden. Dat de zorg voor de kinderen aan een ruimere dienstbetrekking in de weg heeft gestaan, heeft de vrouw tegenover de betwisting daarvan door de man niet aannemelijk gemaakt. In het geval zij in het verleden een andere keuze zou hebben gemaakt, zou zij later ook recht hebben kunnen doen gelden op hogere uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswetgeving.

Niet in te zien valt waarom de vanaf 1999 (derhalve ruim na de ontbinding van het huwelijk van partijen) bestaande volledige arbeidsongeschiktheid van de vrouw een argument zou moeten zijn waarom de man nog zo lange tijd een onderhoudsbijdrage voor de vrouw zou moeten betalen als de vrouw wenst."

2.12 Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof aan het slot van de geciteerde rechtsoverweging onjuist is voor zover het hof niet heeft getoetst aan art. II lid 2 WLA althans heeft miskend dat de beperkte verdiencapaciteit van de vrouw en het feit dat zij slechts een beperkte WAO-uitkering ontvangt een rechtstreeks gevolg zijn van het huwelijk. Indien het hof wel aan art. II WLA heeft getoetst, is zijn oordeel, aldus het onderdeel, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de essentiële stelling van de vrouw dat haar beperkte verdiencapaciteit en het feit dat zij slechts een beperkte WAO-uitkering ontvangt een rechtstreeks gevolg zijn van het huwelijk. Verder wijst het onderdeel(8) erop dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof naar voren heeft gebracht dat de pijnklachten die tot haar arbeidsongeschiktheid hebben geleid al tijdens het huwelijk bestonden, in welk licht rechtsoverweging 4.11 te minder begrijpelijk zou zijn.

2.13 Het onderdeel slaagt.

De vrouw heeft in haar verweerschrift in appel(9) onbetwist gesteld dat zij niet in aanmerking komt voor een aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering vanwege het feit dat zij al tijdens het huwelijk in deeltijd werkte, hetgeen weer een rechtstreeks gevolg was van de in onderling overleg tot stand gekomen taakverdeling tijdens het huwelijk. Het verweerschrift verwijst daarbij naar de beschikking van de Hoge Raad van 6 april 2007, LJN AZ6099(10), waarin werd overwogen dat bedoelde omstandigheid moet worden meegewogen bij de beantwoording van de vraag of de (gefaseerde) definitieve beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

In de bestreden beschikking valt niet na te gaan of het hof deze omstandigheid in zijn beoordeling heeft betrokken, en zo ja: hoe. De overweging dat niet valt in te zien waarom de arbeidsongeschiktheid van de vrouw een argument zou moeten zijn om de man nog alimentatie te doen betalen, is daarom onvoldoende gemotiveerd.

2.14 Voorts bevat pagina 2 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 juni 2008 de volgende passage:

"Ik werd in 1980 operatieassistente en praktijkbegeleidster. Eerst heb ik mijn werktijd teruggebracht van 32 uren per week en later, in overleg met de man, naar 15 uren per week. Toen de kinderen beiden schoolgaand waren ben ik 20 uren per week gaan werken. Ik heb veel te lang doorgewerkt met pijnklachten. Ik had pijn in mijn nek en rug. Die klachten had ik voor het eerst in 1991/1992."

De man heeft deze stellingen niet betwist. Zonder nadere motivering - die ontbreekt - is derhalve niet begrijpelijk hoe het hof heeft kunnen oordelen dat niet is gebleken dat de vrouw al in 1994 verkeerde in de slechte lichamelijke gesteldheid waarvan later sprake is geworden.

2.15 De overige lezingen van het oordeel van het hof die de subonderdelen 3.2 tot en met 3.5 aan de orde stellen, behoeven onder deze omstandigheden geen nadere bespreking.

2.16 Onderdeel 4 richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.12 dat de vrouw haar stelling dat zij op grond van haar slechte lichamelijke gesteldheid niet in staat zal zijn het als gevolg van de beëindiging optredende inkomensverlies te compenseren, niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Het onderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof de stellingen van de man op ontoelaatbare wijze heeft aangevuld.

2.17 De klacht faalt, nu deze eraan voorbijgaat dat de man heeft gesteld dat van de vrouw gevergd kan worden dat zij haar woning verkoopt om haar inkomen met de opbrengst aan te vullen(11). De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het hof onvoldoende aannemelijk kon achten dat compensatie wegens haar lichamelijke gesteldheid onmogelijk was.

2.18 Het onderdeel klaagt daarnaast dat het hof weliswaar de leeftijd van de vrouw in rechtsoverweging 4.10 noemt, maar niet duidelijk maakt dat en zo ja op welke wijze het die leeftijd in zijn oordeel heeft betrokken.

Volgens onderdeel 5 heeft het hof tevens niet duidelijk gemaakt of en zo ja hoe het zijn vaststelling in rechtsoverweging 4.10 onder d dat tussen partijen vaststaat dat de vrouw geen recht heeft op pensioenverevening bij de weging van alle omstandigheden heeft betrokken.

2.19 Nu, zoals hiervoor onder 2.5 en 2.6 vermeld, hoge eisen moeten worden gesteld aan de motivering van de beslissing die het recht op alimentatie met toepassing van art. II lid 2 WLA definitief doet eindigen, alle relevante omstandigheden van het geval aan de zijde van de tot alimentatiegerechtigde in aanmerking dienen te worden genomen en uit de bestreden beschikking onvoldoende blijkt hoe het hof de in 2.17 genoemde omstandigheden heeft meegewogen, slagen beide genoemde onderdelen in zoverre.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor zover thans van belang. Zie de bestreden beschikking onder 4.1 en 4.10.

2 Voor zover thans van belang.

3 Het cassatieverzoekschrift is op 11 mei 2009 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

4 De vrouw had zich in het cassatieverzoekschrift het recht voorbehouden om haar cassatieklachten aan te vullen en/of te wijzigen, nu zij ten tijde van de indiening van het verzoekschrift nog niet beschikte over de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen bij rechtbank en hof en heeft aldaar vermeld dat beide processen-verbaal waren opgevraagd. Bij brief van 4 juni 2009 zijn beide processen-verbaal opgevraagd door de griffie van de Hoge Raad. De griffie van de rechtbank heeft het proces-verbaal vervolgens bij brief van 1 juli 2009 toegezonden aan de griffie van de Hoge Raad. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof is op 2 juli 2009 per post ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad.

5 HR 26 maart 1999, LJN AA4819, AA4832 en AA5004 (NJ 1999, 653-655).

6 De vrouw heeft de door de man gestelde psychische belasting betwist, zie p. 2 van het p-v van de mondelinge behandeling bij het hof van 19 juni 2008, en heeft voorts in haar verweerschrift in appel onder 30 onbetwist gesteld dat het betalen van de alimentatie voor de man een minder zware last vormt dan het wegvallen van de alimentatie voor haar zou zijn.

7 Het onderdeel verwijst hiervoor naar HR 3 december 1999, LJN AA3823 (NJ 2000, 118).

8 Zie de aanvullende klacht in de brief van 7 juli 2009.

9 Verweerschrift in appel, p. 6 onder 22.

10 RvdW 2007, 380.

11 Beroepschrift, laatste pagina, 1e alinea.