Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL9550

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
08/04479
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL9550
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Landinrichtingswet. Bezwaren pachter tegen lijst der geldelijke regelingen met betrekking tot zijn echtgenote/verpachter. Geen belang bij klacht over schending van art. 185 lid 2 Liw. Schatting waarde houtopstanden. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wet inrichting landelijk gebied 95
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 629
JWB 2010/195
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/04479

mr. Keus

Zitting 26 maart 2010

Conclusie inzake:

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling "Den Ham-Lemele"

(hierna: LC)

verweerster in cassatie

[Eiser] stelt in cassatie aan de orde (i) of het niet horen van een belanghebbende op grond van art. 185 lid 2 Landinrichtingswet (Liw) dient te leiden tot vernietiging van het vonnis waarbij over de bezwaren van [eiser] tegen de lijst der geldelijke regelingen is beslist, en (ii) of de waarde van de houtopstanden op het ingebrachte perceel, zoals opgenomen in de lijst der geldelijke regelingen, volgens een juiste methode is geschat. Nu [eiser] is opgekomen tegen de lijst der geldelijke regelingen voor zover betrekking hebbende op zijn echtgenote en voorts niet [eiser] (als pachter), maar zijn echtgenote (als verpachter) eigenaar was van de houtopstanden op de niet-agrarische waarde waarvan het in cassatie nog aan de orde zijnde bezwaar betrekking heeft, rijst tevens de vraag naar het belang van [eiser] bij zijn cassatieberoep.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Op 12 december 1994 heeft de rechtbank Almelo het register van schattingsuitkomsten in de ruilverkaveling "Den Ham-Lemele" (hierna ook: de ruilverkaveling) gesloten, overeenkomstig de ter visie gelegde uitkomsten van de eerste schatting, met inachtneming van de bij de bezwarenbehandeling door de LC en de rechter-commissaris overeengekomen wijzigingen, alsmede de wijzigingen die de rechtbank bij vonnis van 25 november 1994 had aangebracht(1).

1.2 [Eiser] en zijn echtgenote ([betrokkene 1]) hebben tegen het plan van toedeling van 18 december 1997 bezwaar gemaakt. De rechtbank Almelo heeft dat bezwaar bij vonnis van 13 oktober 1999 ongegrond verklaard(2).

1.3 [Eiser] heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de lijst der geldelijke regelingen. Het bezwaarschrift werd - voor twee van de drie bezwaren - naar de door de rechtbank Almelo benoemde rechter-commissaris doorverwezen.

1.4 Op 6 december 2007 heeft de behandeling van de bezwaren door de rechter-commissaris plaatsgevonden. De rechter-commissaris heeft de zaak - gelet op de nog bestaande geschillen - naar (de meervoudige kamer van) de rechtbank verwezen(3).

1.5 Op 3 april 2008 heeft de mondelinge behandeling voor de rechtbank plaatsgevonden. Hierbij zijn door de rechtbank gehoord:

a. [eiser] en diens gemachtigde [betrokkene 2];

b. als vertegenwoordiger van het Ministerie van Landbouw: [betrokkene 3];

c. als vertegenwoordigers van de LC: [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6];

d. namens het kadaster te Zwolle: [betrokkene 7];

e. namens de Dienst Landelijk Gebied (DLG): [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 11].

1.6 Bij vonnis van 3 september 2008 heeft de rechtbank de bezwaren van [eiser] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe - onder meer - overwogen:

"6. Het tweede bezwaar van reclamant richt zich tegen de taxatie van de ingebrachte waardevolle houtopstanden, welke houtopstanden zijn getaxeerd aan de hand van een lijst die opgemaakt is door taxateur [betrokkene 12] en waarbij de bomen zijn gewaardeerd op een totaalbedrag van € 2.287,-.

Reclamant is van mening dat er andere uitgangspunten moeten worden gehanteerd voor de taxatie en zijn bezwaar richt zich dan ook vooral tegen de gehanteerde taxatiemethode van [betrokkene 12]. Zelf verwijst reclamant naar de taxatie van [betrokkene 13] uit [plaats], van wie een uitgebreid rapport in het geding is gebracht en die tot een totale waarde van 89 bomen komt naar prijspeil 1989(4) van € 38.075,-. Ter zitting is namens reclamant aangevoerd dat de LC weliswaar van mening is dat reclamant alleen recht heeft op de brandhoutwaarde, doch in dit geval moet worden gesteld dat het perceel onteigend is, nu het eerste protocol van het EVRM daar geen twijfel aan laat bestaan en dus komt de door [betrokkene 13] getaxeerde waarde voor uitbetaling in aanmerking. Bovendien heeft aldus reclamant hij ook recht op rente.

7. De LC is van mening dat de houtopstanden zijn gewaardeerd aan de hand van de zogenaamde methode [betrokkene 12], zijnde een taxatiemethode die door taxateur [betrokkene 12] is opgesteld ten behoeve van de waardebepaling van houtopstanden in de ruilverkaveling Volthe en sedertdien in landinrichtingsprojecten in Overijssel ook wordt gehanteerd. Uitgangspunt van de taxatiemethode is de economische waarde van de houtopstanden ofwel "de prijs op stam". De LC is van mening dat de wijze van taxeren zoals die in ruilverkavelingen wordt toegepast en gebaseerd is op hetgeen een houtopstand in het vrije economische verkeer oplevert, de juiste manier is gelet op het bepaalde in artikel 24 van de regeling herverkaveling, dat uitgaat van de waarde in het maatschappelijk verkeer.

8. Namens reclamant is verwezen naar het eerste protocol van het EVRM en artikel 1 van dit protocol bevat vaste rechtspraak van het Europese Hof waarbij 3 verschillende regels kunnen worden gelezen, waarbij reclamant blijkbaar doelt op de mogelijkheid van ontneming van eigendom tegen bepaalde voorwaarden. In een aantal zaken heeft het Europese Hof weliswaar gesteld dat de voorlopige overdracht van gronden in het kader van een door de overheid opgezet ruilverkavelingsplan niet beschouwd wordt als een onteigening, doch de rechtbank kan zich zeer wel voorstellen dat reclamant dit standpunt inneemt, hoewel een ruilverkaveling duidelijk van een ander karakter is dan een onteigening, immers bij een onteigening gaat de eigendom naar een onteigenende overheidsinstantie, terwijl bij de ruilverkaveling een uitruil van grond plaatsvindt met andere rechthebbenden in het blok.

Volgt men reclamant dan kan van eigendomsontneming worden gesproken als bedoeld in artikel 1 van het eerste protocol en kan op basis daarvan naar het oordeel van de rechtbank ook bekeken worden of en zo ja hoeveel reclamant in een onteigeningssituatie voor de bomen vergoed zou krijgen. Indien bij een onteigening sprake is van winbare bestanddelen, dan betekent dit dat rekening gehouden wordt met prijsverhogende invloed welke in het commerciële verkeer uitgaat van bepaalde hoedanigheden die de te onteigenen zaak zelf bezit. Meestal wordt daarbij dan gedacht aan bijvoorbeeld winbaar grind of bouwzand. Zou hier van een onteigeningssituatie sprake zijn, dan zou de onteigende partij kunnen stellen, dat hij die 89 bomen kwijtraakt en dat de onteigenende partij de winst kan opstrijken van die 89 bomen wanneer deze worden omgezaagd en verkocht. Het zal dan evenwel om taxatie gaan op basis van economische waarde en niet op basis van een taxatie als door meergenoemde taxateur [betrokkene 13]. De rechtbank is derhalve ook van oordeel dat de LC terecht gesteld heeft uit te gaan van de economische waarde van de 89 bomen en dat deze volgens de vaste taxateur in diverse ruilverkavelingen gesteld is op een totaalbedrag van € 2.287,-.

Ook het tweede bezwaar wordt derhalve afgewezen en dat geldt ook voor de gevraagde rente met dezelfde overweging als hiervoor bij het eerste bezwaar."

1.7 [Eiser] heeft tijdig(5) cassatieberoep doen instellen. De LC heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna [eiser] nog heeft gerepliceerd.

2. Inleiding

2.1 Met ingang van 1 januari 2007 is de Liw ingetrokken en vervangen door de Wet inrichting landelijk gebied (Wilg)(6). Op grond van de overgangsbepaling van art. 95 lid 2 Wilg is de Liw in de onderhavige zaak, die een landinrichtingsproject betreft dat reeds voor 1 januari 2007 in voorbereiding of in uitvoering was, van toepassing gebleven.

2.2 De Liw kent vier landinrichtingsvormen: de herinrichting, de ruilverkaveling, de aanpassingsinrichting en de ruilverkaveling bij overeenkomst(7). Wanneer een besluit tot ruilverkaveling is genomen, wordt door de landinrichtingscommissie een lijst van eigenaren opgesteld aan de hand van bij het kadaster bekend staande eigenaren. De registratie van (stemgerechtigde) pachters geschiedt op verzoek van de pachter door inzending van de pachtovereenkomst(8).

2.3 Hoofdelementen in de ruilverkaveling zijn de inbreng, toedeling en geldelijke regelingen. Voor de vaststelling van de inbreng moet men niet alleen de ingebrachte rechten, maar ook de waarden daarvan kennen. Deze vaststelling geschiedt aan de hand van de lijst van rechthebbenden, het register van schattingsuitkomsten en de afzonderlijke pachtregistratie. Op basis van de aldus verkregen juridische en economische gegevens en voorts op grondslag van wettelijke normen, algemene richtlijnen en individuele wensen voor de toedeling wordt vervolgens een plan van toedeling opgesteld. Dit plan doorloopt een soortgelijke procedure als de lijst van rechthebbenden en het register van schattingsuitkomsten, te weten tervisielegging, eventuele bezwaren en behandeling daarvan, achtereenvolgens door landinrichtingscommissie, rechter-commissaris en rechtbank. Daarna volgen de akte van toedeling en overschrijving in de openbare registers. Ten slotte vindt een tweede schatting plaats en wordt de lijst der geldelijke regelingen vastgesteld, een en ander met het oog op de kostenverdeling, de schadevergoedingen en een aantal geldelijke verrekeningen tussen de eigenaren. Ook die lijst ondergaat een procedure van tervisielegging, bezwaren en behandeling daarvan door landinrichtingscommissie, rechter-commissaris en rechtbank(9).

2.4 Iedere eigenaar heeft aanspraak op het verkrijgen van een recht van dezelfde aard als hij heeft ingebracht en wel tot een waarde die in gelijke verhouding staat tot de totale waarde van alle toe te delen gronden als de waarde van zijn inbreng stond tot de totale waarde van alle ingebrachte gronden, voor zover niet ter onteigening aangewezen(10).

2.5 Iedere pachter van tot het blok behorende onroerende goederen heeft recht op het in pacht verkrijgen van een waarde in kavels naar dezelfde maatstaven als voor de toedeling in eigendom zijn bepaald(11). De in art. 150 Liw bedoelde aanspraak voor de pachter bestaat slechts, indien de pachtovereenkomst aan de landinrichtingscommissie ter registratie is ingezonden. Deze registratie moet overigens worden onderscheiden van de pachtersregistratie die eerder met het oog op de toekenning van het stemrecht heeft plaatsgehad(12).

2.6 Zoals gezegd wordt het laatste procedureonderdeel van de herverkaveling gevormd door de lijst der geldelijke regelingen en de daarmee samenhangende tweede schatting. Met de lijst der geldelijke regelingen wordt de omslag van de voor rekening van de eigenaren komende kosten en worden de geldelijke verrekeningen voor de betrokken eigenaren vastgesteld. Daarvoor is een tweede schatting nodig. Als basis voor de kostenomslag over de eigenaren dient volgens art. 223 lid 1 Liw de mate van het nut dat de landinrichting blijkens de tweede schatting voor de eigenaar heeft gehad(13).

2.7 Bij de eerste schatting wordt de waarde van de inbreng bepaald. Bij de tweede schatting gaat het om het nut, de waardevermeerdering als gevolg van de ruilverkaveling en dus de maatstaf voor de verdeling van de kosten over de eigenaren(14). De pachter draagt niet rechtstreeks bij in de kosten(15). De kosten die ten laste van de eigenaren(16) gezamenlijk komen, worden aan de hand van de resultaten van de tweede schatting over hen omgeslagen (art. 212 lid 1 onder a en art 223 lid 1 Liw). De eigenaar of beperkt gerechtigde die verpacht, mag zijn lasten ten gevolge van landinrichting ten dele ten laste van de pachter brengen(17). Bij de tweede schatting worden voorts de verrekenposten tussen de oude en de nieuwe eigenaar, waaronder andere dan agrarische waarden, geschat(18).

2.8 De geldelijke verrekeningen zoals die ingevolge art. 212 lid 1 onder b-d Liw in de lijst der geldelijke regelingen worden opgenomen, omvatten twee categorieën. De eerste betreft de verrekeningen tussen de betrokken eigenaren en de gezamenlijke rechthebbenden via de herverkavelingskas als geheel van baten en lasten aan de herverkaveling verbonden, vermeld onder b en c:

b. verrekening van waardevermeerdering door grondverbetering (art. 144 lid 2);

c. verrekening van:

1) algemene korting, over- en onderbedeling en algehele vergoeding in geld (art. 145 en 146, leden 1 en 2);

2) afkoop toedelingsrechten en vergoedingen pachter (art. 146 lid 3 en 150);

3) opheffing, regeling of vestiging van zakelijke rechten (art. 160);

4) andere schadevergoedingen dan die ter zake van de uitvoering van werken (art. 129);

5) overige zaken.

De tweede categorie (vermeld onder d) betreft de verrekeningen tussen de oude en de nieuwe eigenaar in verband met de overgang van percelen(19).

2.9 Als maatstaf voor niet-agrarische waarde geldt of een redelijk handelend koper ten tijde van de terinzagelegging van het plan van toedeling bereid zou zijn geweest om, uitgaande van redelijke verwachtingen omtrent de toekomstige planologische ontwikkelingen, een hogere prijs te betalen dan de agrarische. Alle omstandigheden die in objectieve zin op het ontstaan van dergelijke verwachtingen van invloed kunnen zijn, dienen daarbij in aanmerking te worden genomen. De niet-agrarische meerwaarde komt - zo die er al is - toe aan de eigenaar in de zin van art. 1 Liw(20).

2.10 Iedere eigenaar binnen het blok kan als belanghebbende in de zin van art. 214 Liw worden beschouwd, zodat hij het recht heeft op te komen tegen iedere beslissing op de lijst der geldelijke regelingen waarvan hij nadeel vreest(21). Ook pachters kunnen vergoeding claimen van schade die zij hebben geleden omdat hun aanspraken in het plan van toedeling niet volledig zijn gehonoreerd(22).

3. Ontvankelijkheid

3.1 Het gaat in deze zaak om bezwaren van [eiser] (als pachter van de ingebrachte percelen) tegen de lijst der geldelijke regelingen met betrekking tot zijn echtgenote (als verpachter/eigenaar van de ingebrachte percelen)(23). Daarbij betreft het bezwaar waarop de klachten in cassatie betrekking hebben de taxatie van de niet-agrarische waarde van de ingebrachte houtopstanden, welke waarde mijns inziens aan de eigenaar en niet aan de pachter toekomt(24).

3.2 In de stukken vind ik geen aanwijzingen dat [eiser] heeft bedoeld (althans mede) namens zijn echtgenote op te treden. Dat is opmerkelijk, temeer nu [eiser] en zijn echtgenote het eerdere bezwaarschrift tegen het plan van toedeling wél gezamenljk hadden ingediend(25). De stukken in de onderhavige zaak wijzen veeleer op de intentie van [eiser] om louter pro se op treden. Zo wordt in de cassatiedagvaarding in verband met de litigieuze houtopstanden gesproken van "de eigendom van reclamant" (p. 4/5) en "het eigendomsverlies van de bomen door eiser" (p. 5, vierde alinea).

3.3 Naar mijn mening kan [eiser], in het geval dat hij naar het oordeel van de Hoge Raad louter pro se is opgetreden, niet in zijn beroep in cassatie worden ontvangen. Bij een aantasting van de ongegrondverklaring van het betrokken bezwaar heeft [eiser] immers geen belang, als de aanspraak die hij met dat bezwaar beoogt te realiseren (te weten de aanspraak op een - hogere - vergoeding voor de waarde van de houtopstanden op het ingebrachte perceel), hem überhaupt niet toekomt.

3.4 Bij dit een en ander teken ik overigens aan dat blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 3 april 2008 [betrokkene 3] (als vertegenwoordiger van het Ministerie van Landbouw) zich aldus heeft uitgelaten dat hij de zaak zo ziet "dat meneer bezwaar maakt namens zijn echtgenote" en dat [betrokkene 2] als adviseur van [eiser] heeft opgemerkt "dat (...) ([Eiser]) in gemeenschap van goederen is gehuwd met [betrokkene 1]"(26). Dat laatste is naar mijn mening niet relevant met het oog op de vraag wie rechthebbende is op de niet-agrarische meerwaarde van de litigieuze houtopstanden, terwijl het eerste niet zonder meer doorslaggevend is. Daarbij wijs ik erop dat de belangen van meer partijen bij de lijst der geldelijke regelingen zijn betrokken en dat die belangen zich ertegen verzetten dat derden, zonder een toereikend eigen belang en zonder (ondubbelzinnig) op te treden namens een partij met een wel toereikend belang, wijzigingen in de lijst der geldelijke regelingen zouden kunnen bewerkstelligen. Waar dit laatste naar mijn mening prevaleert, zal ik tot niet-ontvankelijkverklaring concluderen. Voor het geval dat de Hoge Raad [eiser] niettemin in zijn cassatieberoep zal ontvangen, zal ik de voorgestelde cassatiemiddelen ook inhoudelijk bespreken.

4. Bespreking van de cassatiemiddelen

4.1 [Eiser] heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Tegen de rov. 1-5 zijn geen klachten gericht, zodat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het eerste bezwaar van [eiser] thans onherroepelijk vaststaat.

4.2 Het eerste middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte tot het bestreden vonnis is gekomen zonder blijk te geven de nieuwe eigenaar van de houtopstanden als bedoeld in de rov. 6-9 te hebben opgeroepen aan de procedure deel te nemen, zulks terwijl art. 212 lid 1, aanhef en onder d, Liw bepaalt dat er verrekening plaatsheeft tussen de oude en de nieuwe eigenaar. De nieuwe eigenaar is dus op grond van art. 185 lid 2 Liw kenbare partij in het geding en de rechtbank had hem in de gelegenheid moeten stellen aan het proces deel te nemen, aldus de klacht.

4.3 De klacht kan reeds bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien in welk belang [eiser] zou zijn geschaad doordat de nieuwe eigenaar van de houtopstanden niet is gehoord en welk belang [eiser] erbij zou hebben dat zodanig verhoor alsnog zal plaatsvinden. Nog daargelaten dat uit de stukken niet blijkt dat [eiser] op het verhoor van de nieuwe eigenaar heeft aangedrongen (hetgeen voor de hand zou hebben gelegen als zodanig verhoor daadwerkelijk in zijn belang zou zijn geweest), is bepaald onaannemelijk dat de nieuwe eigenaar (van wie niet blijkt dat hij zelf tegen de in de lijst der geldelijke regelingen vervatte taxatie van de houtopstanden is opgekomen) zich voor een niet op de economische waarde van de houtopstanden gebaseerde en voor hem uiterst nadelige taxatie van de houtopstanden, zoals door [eiser] voorgestaan, zou hebben uitgesproken, nog daargelaten dat de rechtbank daaraan niet zonder meer gebonden zou zijn geweest.

4.4 Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het horen van bekende belanghebbenden op straffe van nietigheid is voorgeschreven, kan het overigens ook daarom niet tot cassatie leiden, omdat de Liw niet in een dergelijke nietigheid voorziet.

Ook voor zover het middel veronderstelt dat het bestreden vonnis wegens strijd met art. 6 EVRM zou moeten worden vernietigd, faalt het. Art. 6 EVRM is door het niet horen van de nieuwe eigenaar in elk geval niet jegens [eiser] geschonden. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven of van zodanige schending jegens de nieuwe eigenaar wél sprake is, ofschoon de rechtbank niet ten nadele van de nieuwe eigenaar van de lijst der geldelijke regelingen is afgeweken (vergelijk in dat verband art. 185 lid 4 Liw) en de nieuwe eigenaar ook zelf tegen de lijst der geldelijke regelingen had kunnen opkomen, maar dat kennelijk niet heeft gedaan.

4.5 Het tweede middel keert zich tegen rov. 8 en bevat - verspreid over evenveel doch niet genummerde alinea's - tien klachten. Samengevat komen die klachten erop neer dat de rechtbank art. 1 EP niet, althans onvoldoende, in acht heeft genomen, door in te stemmen met de aan de lijst der geldelijke regelingen ten grondslag liggende methode van waardering van de houtopstanden.

4.6 De klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Weliswaar wordt het eigendomsrecht in de zin van art. 1 EP ruim opgevat(27), maar een pachter kan zich niet beroepen op de eigendomsrechten van de grondeigenaar. Bovendien gaat het - in het bezwaar van [eiser] - slechts om de wijze waarop tussen de oude en de nieuwe eigenaar dient te worden verrekend, hetgeen mijns inziens los staat van een (ontoelaatbare) ontneming van eigendom of een regulering van een gebruik daarvan door de overheid.

4.7 Indien en voor zover wél sprake zou zijn van een eigendomsrecht waarop [eiser] zich terecht beroept, heeft het volgende te gelden. Een eigendomsrecht is niet absoluut; het kan worden ontnomen of beperkt. Daarvoor dient wel een rechtvaardigingsgrond te bestaan. Indien eenmaal is vastgesteld dat van een inmenging in het eigendomsrecht sprake is, beziet het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) volgens een vast algemeen toetsingskader of deze kan worden gerechtvaardigd. In de eerste plaats moet de inmenging bij wet zijn voorzien. Voorts moet de inmenging een algemeen belang dienen, hetgeen in de rechtspraak meestal wordt aangenomen. Ten slotte is het de vraag of de inmenging "proportioneel" is, dat wil zeggen of er een "fair balance" c.q. een rechtvaardig evenwicht bestaat tussen de eisen van het algemene belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Dit betekent dat een inmenging in het algemeen belang moet plaatsvinden en geen onevenredige last ("excessive burden") op de betrokkene mag leggen(28).

4.8 Bij ontneming van eigendom is het uitgangspunt een "full market value", dat wil zeggen een volledige schadevergoeding. Vergoedingen die in geringe mate van dit uitgangspunt afwijken, worden echter in bepaalde gevallen door het EHRM geaccepteerd. Bovendien laat het EHRM de lidstaten staten een ruime beoordelingsvrijheid bij het taxeren van de waarde van een eigendom volgens het genoemde uitgangspunt(29).

4.9 De omvang of hoogte van de vergoeding dient redelijkerwijze in overeenstemming te zijn met de waarde van het desbetreffende goed, maar het EHRM laat de lidstaten ter zake een ruime appreciatiemarge(30). Een verzoeker kan bijvoorbeeld geen recht claimen op toepassing van een welbepaald systeem om de waarde van een hem ontnomen goed te bepalen(31). Het hof zal nagaan of de modaliteiten die door de lidstaat voor het bepalen van de compensatie zijn vastgelegd, de "margin of appreciation" waarover die staat beschikt, niet te buiten gaan(32).

4.10 Uit het voorgaande volgt dat het uitgangspunt van de rechtbank - taxatie op basis van de economische waarde - onjuist noch onbegrijpelijk is. Voor zover [eiser] zich als pachter al op eigendomsontneming kan beroepen, kan het tweede middel derhalve niet tot cassatie leiden. De afzonderlijke klachten worden in het navolgende dan ook slechts ten overvloede besproken.

4.11 De eerste klacht (p. 4, tweede alinea, van de cassatiedagvaarding) luidt dat de rechtbank ten onrechte geen uitsluitsel heeft gegeven of de waarborgen van art. 1 EP bij onvrijwillig bezitsverlies van onroerende zaken in een ruilverkaveling dan wel bij een onvrijwillig eigendomsverlies van onroerende zaken als gevolg van het passeren van de akte van toedeling als publiekrechtelijke leveringshandeling rechtstreeks van toepassing zijn.

4.12 De klacht faalt omdat de rechtbank hierover geen uitsluitsel behoefde te geven. De rechtbank heeft geoordeeld dat in het midden kan blijven of art. 1 EP van toepassing is, omdat zowel in het bevestigende als in het ontkennende geval de economische waarde als uitgangspunt voor de taxatie kan en mag gelden.

4.13 De tweede klacht (p. 4, derde alinea, van de cassatiedagvaarding) houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een ruilverkaveling van een ander karakter is dan een onteigening. De klacht kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat zij niet is gericht tegen een dragende overweging ("8(...), doch de rechtbank kan zich zeer wel voorstellen dat reclamant dit standpunt inneemt, hoewel een ruilverkaveling duidelijk van een ander karakter is dan een onteigening (...)"). Overigens lees ik, kennelijk anders dan de klacht, in rov. 8 niet het oordeel dat het door de rechtbank bedoelde verschil in karakter tussen een ruilverkaveling en een onteigening (welk verschil volgens de rechtbank hierin is gelegen dat bij een onteigening de eigendom naar een onteigenende overheidsinstantie overgaat) toepasselijkheid van art. 1 EP a priori zou uitsluiten. Ondanks dat verschil is de rechtbank immers van oordeel dat, als men [eiser] volgt in zijn standpunt (welk standpunt de rechtbank "zich zeer wel (kan) voorstellen"), van eigendomsontneming kan worden gesproken.

4.14 De derde klacht (p. 4, vierde alinea, van de cassatiedagvaarding) strekt ertoe dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het EHRM de voorlopige overdracht van gronden in het kader van een door de overheid opgezet ruilverkavelingsplan niet beschouwt als onteigening, omdat het in casu niet gaat om de voorlopige overdracht van gronden, maar om het definitief verlies van eigendom. Ook deze klacht is niet tegen een dragende overweging gericht ("In een aantal zaken heeft het Europese Hof weliswaar gesteld dat de voorlopige overdracht van gronden in het kader van een (...) ruiverkavelingsplan niet beschouwd wordt als een onteigening, maar de rechtbank kan zich zeer wel voorstellen (...)") en kan reeds daarom niet tot cassatie leiden.

4.15 De vierde klacht (p. 4, vijfde alinea, van de cassatiedagvaarding) houdt in dat de rechtbank de houtopstanden ten onrechte met winbare bestanddelen als zand en grind vergelijkt. Het is volgens de klacht onbegrijpelijk dat de rechtbank de schadeloosstelling voor het verlies van eigendom van de bomen uitdrukkelijk aan het (virtueel) omzagen van die bomen relateert.

4.16 De klacht faalt. De rechtbank heeft als uitgangspunt de economische waarde van de bomen gekozen. Tegen die achtergrond is de vergelijking met winbare bestanddelen en het hypothetische scenario dat (het hout van) de bomen te gelde worden (wordt) gemaakt nadat de bomen zijn gekapt, onjuist noch onbegrijpelijk.

4.17 De vijfde klacht (p. 5, tweede alinea, van de cassatiedagvaarding) luidt dat de rechtbank ten onrechte en op onbegrijpelijke gronden de taxatie van de "economische waarde" van de bomen in stand laat.

4.18 De klacht faalt omdat de overheid bij het bepalen van de omvang of de hoogte van de (volledige) compensatie een ruime "margin of appreciation" toekomt, de verzoeker geen recht op toepassing van een welbepaalde taxatiewijze heeft en de overheid ook overigens niet is gehouden steeds de volledige waarde te vergoeden(33). In het oordeel van de rechtbank dat de LC terecht heeft gesteld dat van de economische waarde moet worden uitgegaan, ligt besloten dat de rechtbank zich bij de onderbouwing van dat standpunt door de LC heeft aangesloten. Deze onderbouwing - die naar de kern genomen erop neerkomt dat in ruilverkavelingen de door [eiser] voorgestane taxatiemethode (de kosten van uitplant en opkweek van een gelijkwaardige houtopstand) niet wordt gehanteerd, omdat zij onvoldoende aansluit bij art. 24 Regeling herverkaveling, dat van de waarde in het maatschappelijk verkeer uitgaat - is onjuist noch onbegrijpelijk(34).

4.19 De zesde klacht (p. 5, derde alinea, van de cassatiedagvaarding) strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte niet de maatschappelijke waarde maar de economische waarde als schadeloosstelling hanteert. De klacht faalt op dezelfde gronden als hiervoor onder 4.18 uiteengezet. Hierbij kan nog worden aangetekend dat een ruilverkaveling niet noodzakelijkerwijs tot het tenietgaan van de daarbij betrokken houtopstanden leidt, en dat, zo die houtopstanden in stand blijven, ook hun maatschappelijke waarde als levende landschapselementen behouden blijft, niet slechts voor de nieuwe maar ook voor de oude eigenaar. Overigens rijst de vraag waarom de maatschappelijke waarde van een houtopstand, bij het tenietgaan daarvan, aan de juridische eigenaar zou moeten worden vergoed. Tenietgaan van een maatschappelijke waarde leidt tot een maatschappelijke schade, die de maatschappij als zodanig lijdt en niet slechts de juridische eigenaar van het betrokken object.

4.20 De zevende klacht (p. 5, vierde alinea, van de cassatiedagvaarding) luidt dat de rechtbank ten onrechte de houtopstanden niet heeft gewaardeerd tegen de achtergrond van het eigendomsverlies van de bomen door [eiser] als de afgaande eigenaar, terwijl bij onvrijwillig eigendomsverlies door overheidsmaatregelen de schadeloosstelling op de kosten van vervanging dient te zijn gebaseerd.

4.21 De klacht faalt, reeds omdat [eiser] niet de afgaande eigenaar is. Overigens strandt ook deze klacht op de gronden als hiervoor onder 4.18 weergegeven.

4.22 De achtste klacht (p. 5, vijfde alinea, van de cassatiedagvaarding) houdt in dat de rechtbank ten onrechte en op onbegrijpelijke gronden niet de taxatiemethode van taxateur [betrokkene 13] heeft gevolgd.

4.23 De klacht faalt op dezelfde gronden als hiervoor onder 4.18 weergegeven.

4.24 De negende klacht (p. 5, zesde alinea, van de cassatiedagvaarding) strekt ertoe dat de rechtbank haar onbegrijpelijke oordeel niet heeft gemotiveerd door zich te beroepen op wettelijke bepalingen en/of jurisprudentie.

4.25 De klacht faalt. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd, dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken(35). Daartoe is niet vereist dat de rechter zich - uitdrukkelijk - op wettelijke bepalingen en/of jurisprudentie beroept.

4.26 De tiende klacht ten slotte (p. 5, laatste alinea, van de cassatiedagvaarding) verwijt de rechtbank een onbegrijpelijk oordeel, doordat zij de rentevordering heeft afgewezen onder verwijzing naar de weerlegging van het eerste bezwaar, waarin [eiser] met betrekking tot de gevorderde rente slechts wordt verweten niet schadebeperkend te zijn opgetreden. Volgens de klacht kan van enig verband tussen deze motivering en het bezwaar omtrent schadeloosstelling voor verloren houtopstanden geen sprake zijn.

4.27 Door te verwijzen naar haar beslissing op het eerste bezwaar heeft de rechtbank kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het aan [eiser] is te wijten dat de schadeloosstelling voor het verlies van de bomen nog niet kon worden betaald. Dat oordeel is, mede in het licht van de ongegrondbevinding van de bezwaren van [eiser], niet onbegrijpelijk. Weliswaar is, zoals in de schriftelijke repliek van mr. Garretsen onder 1.4 op zichzelf terecht wordt betoogd, onzeker of en in hoeverre de bezwaren van [eiser] daadwerkelijk tot vertraging in de effectuering van de voorziene verrekening hebben geleid, maar dat is naar mijn mening niet hetgeen aan de betrokken klacht ten grondslag is gelegd. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven of de Landrichtingswet (die in art. 210 van een tweede schatting van de in lid 1 onder c sub 10, 20 en 30 bedoelde waarden naar het tijdstip van terinzagelegging van het plan van toedeling uitgaat) überhaupt ruimte voor een in de lijst der geldelijke regelingen op te nemen rentevergoeding zoals door [eiser] geclaimd laat.

5. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie bijlage 9 bij het proces-verbaal ex art. 172 lid 2 Liw.

2 Zie bijlage 8 bij het proces-verbaal ex art. 172 lid 2 Liw.

3 Zie het proces-verbaal ex art. 216 jo 176 Liw van 6 december 2007.

4 Kennelijk is hier sprake van een verschrijving; het bedoelde rapport (dat zich bevindt bij de stukken) betreft een waardering naar het prijspeil van 1999.

5 Zie art. 217 jo art. 182 Liw. [eiser] heeft op 1 oktober 2008, en derhalve binnen 30 dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het vonnis is uitgesproken, de in art. 182 lid 2 Liw bedoelde verklaring ter griffie van de rechtbank afgelegd en de daarvan opgemaakte akte binnen de in art. 182 lid 3 Liw bedoelde termijn van 14 dagen aan de LC doen betekenen.

6 Wet van 7 december 2006, Stb. 666. Zie voor de inwerkingtreding Stb. 2006, 677.

7 P. de Haan, Onroerend-goedrecht, Deel c: Landinrichting (1988), p. 68-69, onder verwijzing naar de art. 13-17 Liw.

8 P. de Haan, a.w., p. 100-101; vgl. art. 53-55 Liw.

9 P. de Haan, a.w., p. 142.

10 P. de Haan a.w., p. 144; vgl. ook R. van Ekeren (red.), Praktijkboek onroerend goed, deel IIIC. Landinrichting (ruilverkaveling), p. IIIC-4 (D.L. Rodrigues Lopes, december 1978).

11 R. van Ekeren (red.), Praktijkboek onroerend goed, deel IIIC. Landinrichtingswet (ruilverkaveling), p. IIIC-124-126 (D.L. Rodrigues Lopes, augustus 2005); P. de Haan, a.w., p. 154-155; vgl. art. 150 Liw.

12 P. de Haan, a.w., p. 156; vgl. ook R. van Ekeren (red.), Praktijkboek onroerend goed, deel IIIC. Landinrichting (ruilverkaveling), p. I-24-25 (D.L. Rodrigues Lopes, december 1978).

13 P. de Haan, a.w., p. 233-234.

14 D. Bezemer e.a. (red.), Agrarisch Grondverkeer (losbl.), deel I, Landinrichtingswet - Commentaar, p. A5-1-84 (D.L. Rodrigues Lopes (red.), augustus 2009).

15 P. de Haan a.w., p. 277.

16 Het begrip eigenaar omvat ingevolge art. 1 Liw mede degene aan wie een recht van opstal, erfpacht, beklemming, vruchtgebruik, gebruik of bewoning toebehoort.

17 Zie art. 7:329 BW; vgl. ook D.L. Rodrigues Lopes, Pacht (2007), p. 388.

18 D. Bezemer e.a. (red.), Agrarisch Grondverkeer (losbl.), deel I, Landinrichtingswet - Commentaar, A5-1-85 (D.L. Rodrigues Lopes (red.), oktober 2005). Zie ook art. 23 lid 2 onder d Regeling herverkaveling ("De verrekenposten (...) kunnen betreffen (...) andere dan agrarische waarden.").

19 P. de Haan, a.w., p. 237.

20 D. Bezemer e.a. (red.), Agrarisch Grondverkeer (losbl.), deel I, p. A5-1-86-87 (D.L. Rodrigues Lopes (red.), oktober 2005); vgl. ook L. Bomhof e.a. (red.), Wetgeving landelijk gebied, p. L.Toel.-186 (J.A. Zevenbergen; januari 1989).

21 D. Bezemer e.a. (red.), Agrarisch Grondverkeer (losbl.), deel I, p. A5-1-102a (D.L. Rodrigues Lopes (red.), oktober 2005), onder verwijzing naar rb Leeuwarden 11 november 1993, LiJ nr. 2, juli 1997, nr. 52; vgl. ook HR 4 april 1979, LJN AD4141, NJ 1980, 147, m.nt. FHJM. Het begrip belanghebbende moet ruim worden uitgelegd. Aan het begrip komt in beginsel dezelfde betekenis toe als daaraan toekomt in art. 1:2 Awb. Vgl. HR 21 juni 2002, LJN AF3670, NJ 2002, 596, m.nt. P.C.E. Wijmen.

22 D. Bezemer e.a. (red.), Agrarisch Grondverkeer (losbl.), deel I, p. A5-1-102a (D.L. Rodrigues Lopes (red.), oktober 2005), onder verwijzing naar rb. Leeuwarden 1 november 1990, Agr.R. 1991, 4453.

23 Zie vonnis rechtbank onderaan p. 1, alsmede de vastgoedregistratie bij de lijst der geldelijke regelingen, overgelegd bij het proces-verbaal ex art. 172 lid 2 Liw, bijlage 10.

24 Een pachter heeft recht op het in pacht verkrijgen van een waarde in kavels naar dezelfde maatstaven als voor de toedeling in eigendom zijn bepaald. De (eventuele) niet-agrarische meerwaarde komt toe aan de eigenaar in de zin van art. 1 Liw.

25 Zie bijlage 8 bij het proces-verbaal ex art. 172 lid 2 Liw.

26 Zie het proces-verbaal ex art. 202, 216 jo 185 Liw, p. 2, vijfde alinea ([betrokkene 3]) en p. 4, tweede alinea ([betrokkene 2]).

27 Het begrip "eigendom" van art. 1 EP wordt ruim uitgelegd. Zo heeft het EHRM, naast de rechten die onder het nationale recht als eigendom worden gekwalificeerd, ook andere rechten en belangen met een zekere economische waarde als eigendom in de zin van die bepaling aangemerkt. Vgl. o.m. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, De eigendomsbescherming van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het Nederlandse burgerlijk recht: het Straatsburgse perspectief (2005), p. 56-60.

28 T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, De betekenis van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM voor het Nederlandse recht inzake overheidsaansprakelijkheid, O&A 2002-4, p. 102-116, in het bijzonder p. 105-106; zie ook: T. Barkhuysen en M.K.G. Tjepkema, Aansprakelijkheid uit 'rechtmatige' overheidsdaad: het samenspel tussen de nationale égalité en het Europese eigendomsrecht, RM Themis 2006-5, p. 179-201, in het bijzonder p. 193.

29 T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, a.w. (2002), p. 106-107.

30 J. vande Lanotte en Y. Haeck (eds.), Handboek EVRM, deel 2, Artikelsgewijze Commentaar, Volume II (2004), p. 371, met verwijzing naar EHRM 25 maart 1999 (Papachelas v. Greece), Recueil/ Reports 1999, §§ 48-49; EHRM 1 maart 2000 (Malama v. Greece), Recueil/Reports 2000, § 50. Zie ook noot A.W. Heringa onder EHRM 21 mei 2002 (Jokela v. Finland), LJN AP0681, EHCR 2002, 56.

31 J. vande Lanotte en Y. Haeck (eds.), a.w., p. 371, met verwijzing naar Commissie 11 juli 1988 (Marinucci v. Italy), Decisions & Reports, 60,69.

32 J. vande Lanotte en Y. Haeck (eds.), a.w., p. 371.

33 Vgl. hiervoor onder 4.8 en 4.9.

34 Zie pleitnotities van [betrokkene 3] van 3 april 2008 onder 3.

35 Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen (2005), nr. 120.