Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL9547

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
09/04396
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL9547
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging toepassing schuldsanering krachtens art. 350 F.; niet-voldoening schuldenaar aan informatieplicht jegens bewindvoerder (art. 350 lid 3 onder c Fw); schuldenaar heeft bovenmatige nieuwe schulden laten ontstaan. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 638
JWB 2010/200
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/04396

Mr. M.H. Wissink

Parket, 26 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

1. Deze WSNP zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Verzoeker tot cassatie (hierna: de schuldenaar) is op 6 mei 2008 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Op verzoek van de bewindvoerder heeft de rechtbank Zutphen bij vonnis van 16 september 2009 de toepassing van de schuldsanering tussentijds beëindigd met toepassing van art. 350 Fw. De redenen waren dat de schuldenaar niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht jegens de bewindvoerder (art. 350 lid 3 onder c Fw) en dat de schuldenaar bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan tot een totaalbedrag van € 4.355,- (art. 350 lid 3 onder d Fw).

2. Het gerechtshof te Arnhem heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd op 26 oktober 2009. Het hof heeft de bekrachtiging van de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank gegrond op het laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden door de schuldenaar.

3. Tegen die beslissing is namens de schuldenaar - tijdig - beroep in cassatie ingesteld.(1)

4. Volgens het middel is het oordeel van het hof, dat de schuldenaar niet in staat is het bedrag aan nieuwe schulden in te lossen op basis van het overgelegde maandoverzicht, onjuist en onbegrijpelijk. Daartoe voert het middel aan:

1. er was een afbetalingsregeling toen het hof de zaak moest beoordelen (onderdeel 2.6);

2. zou het hof hebben doorgevraagd, dan had de schuldenaar kunnen toelichten dat hij huurt inclusief water, en dat gas en elektra de post van € 50,- verklaren (onderdeel 2.8);

3. het hof kan niemand verplichten kosten te maken voor verzekeringspremies (onderdeel 2.9);

4. de schuldenaar heeft naar eigen zeggen ter zitting verklaard dat zijn kosten voor levensonderhoud minimaal zijn, omdat hij een grote familie heeft die hem bijstaat (onderdeel 2.10);

5. het hof diende de uitspraak van de rechtbank te vernietigen omdat de schuldenaar in staat is de schulden binnen de looptijd van de schuldsaneringsregeling af te lossen (onderdeel 2.11).

5. Het middel heeft strikt genomen de grondslag voor de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, het laten ontstaan van bovenmatige schulden na de toelatingsdatum, mijns inziens niet aangevallen. Dit is één van de zelfstandige gronden voor de tussentijdse beëindiging van de schuldsanering door de rechtbank (art. 350 lid 1 jo. art. 350 lid 3 onder d Fw). Ook al zouden de nieuwe schulden ingelost kunnen worden op basis van het nieuwe maandoverzicht tijdens de duur van de schuldsaneringsregeling, zoals het middel betoogt, dan hoeft dit niet af te doen aan het oordeel van het hof dat de schuldenaar bovenmatige schulden heeft laten ontstaan. Het middel kan om die reden reeds niet slagen. Volledigheidshalve zal ik het middel hierna behandelen.

6. Voorzover het middel bedoelt dat de schulden, hoewel aangegaan, niet bovenmatig zijn, omdat de schuldenaar in staat is het bedrag aan nieuwe schulden in te lossen, dient het volgende voorop te worden gesteld. In de schuldsaneringsregeling moet de schuldenaar rondkomen van het vrij te laten bedrag en zijn uitgavenpatroon daarop aanpassen. Als een schuldenaar desondanks schulden maakt, kan hem dit worden verweten, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt.(2) Niet elke schuld moet leiden tot tussentijdse beëindiging, daarvoor is vereist dat er sprake is van bovenmatigheid.(3) Hierin ligt de beoordelingsvrijheid van de rechter besloten. Eerder is door uw Raad, in navolging van A-G Strikwerda, uitgemaakt dat de bovenmatigheid van de schulden gerelateerd moet worden aan het leefgeld van de schuldenaar.(4) Het oordeel van het hof in die zaak dat schulden ter hoogte van € 900,- bovenmatig waren in verhouding tot het weekgeld van € 70,-, was niet onbegrijpelijk en bleef in stand.

7. Het hof heeft overwogen dat de herziene door de schuldenaar voorgestelde afbetalingsregeling ad € 277,- per maand voor de schuld van € 4.355,- niet realistisch is (rov. 3.4). Bij afbetaling van de nieuwe schulden blijft slechts een vrij besteedbaar inkomen over van € 30,- per week, een bedrag dat het hof onvoldoende acht voor het kopen van voeding, kleding en schoeisel. Ook andere, zelfs minieme, financiële tegenslagen kunnen door de schuldenaar niet worden opgevangen. Het hof tekent aan, dat bepaalde posten niet in het overzicht zijn opgenomen. In het overzicht is slechts een bedrag van € 50,- bestemd voor gas per maand, en zijn de kosten van elektriciteit en water niet inbegrepen. Ook is geen rekening gehouden met verzekeringspremies, behoudens de premie zorgverzekering. De schuldenaar is dan ook redelijkerwijs niet in staat om het bedrag aan nieuwe schulden, dat als bovenmatig moet worden aangemerkt, voor afloop van de duur van de schuldsaneringsregeling in te lopen.

8. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de schulden bovenmatig zijn gerelateerd aan het leefgeld van de schuldenaar. Bij een afbetaling van die nieuwe schulden zou er voor de schuldenaar te weinig geld overblijven om van te leven. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, en is evenmin onbegrijpelijk.

9. Voor zover in het middel klacht 1 kan worden gelezen, faalt het bij gebrek aan belang. Het oordeel van het hof in rov. 3.4 dat de schuldenaar bovenmatige schulden heeft laten ontstaan, gaat immers ook op voor het geval dat de schuldeisers akkoord zouden zijn met de afbetalingsregeling.

10. Aangezien het hof het leefgeld van € 30,- per week te weinig vindt, stranden klachten 2 en 3 die zien op een verschuiving van de posten dan wel op eventuele extra posten die de schuldenaar in het maandoverzicht had moeten opnemen. Zelfs als deze klachten gegrond zouden zijn geweest, zou het leefgeld daardoor niet hoger dan € 30,- kunnen uitvallen. Klacht 2 komt bovendien neer op een nieuwe stelling van feitelijke aard, terwijl de beoordeling daarvan is voorbehouden aan de feitenrechter.(5)

11. Klacht 4 treft geen doel. Voor zover de klacht bedoelt dat een in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank opgenomen verklaring onjuist is, of onjuist is weergegeven, kan deze onjuistheid niet met succes in cassatie worden aangevoerd als voor deze onjuistheid geen steun kan worden gevonden in de gedingstukken.(6) Uit het middel volgt niet dat steun kan worden gevonden in gedingstukken. Het oordeel van het hof, dat een bedrag van € 30,- per week te weinig is om van te leven en financiële tegenslagen op te vangen, is overigens niet onbegrijpelijk. Ook het argument van de schuldenaar, dat hij naar eigen zeggen ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, dat hij vanuit zijn familie opvang krijgt voor wat betreft eten en dergelijke kan daaraan niet afdoen.(7)

12. Klacht 5 mist feitelijke grondslag nu in de beslissing van het hof ligt besloten dat de schuldenaar niet in staat is zijn nieuw opgekomen schulden af te betalen op basis van het door hem overgelegde overzicht.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Binnen 8 dagen als genoemd in art. 351 lid 5 Fw. Van het voorbehoud in het verzoekschrift tot nadere aanvulling van het verzoekschrift, nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling door het hof is ontvangen, is geen gebruik gemaakt.

2 A-G Keus in zijn conclusie voor HR 24 december 2004, LJN AR4046.

3 H.H. Lammers (Faillissementswet), art. 350, aant. 8.4.1; B. Wessels, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, Deventer: Kluwer 2009, p. 239-240.

4 HR 14 mei 2004, NJ 2004, 620, LJN AO7003.

5 Asser-procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 137.

6 HR 6 maart 1992, NJ 1992, 359, LJN ZC0539.

7 Uit het proces-verbaal blijkt dit niet.