Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL9544

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
09/01143
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2008:BH2756
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL9544
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Motivering; appelrechter die zijn beslissing op een bepaald bewijsstuk heeft gebaseerd, is niet kenbaar ingegaan op de stellingen van een procespartij die ertoe strekken dat aan het desbetreffende bewijsstuk geen betekenis toekomt en heeft zijn oordeel aldus ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 754
FJR 2010, 109 met annotatie van I.J. Pieters
NJB 2010, 1340
JWB 2010/228
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/01143

Mr L. Strikwerda

Parket, 23 maart 2010

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze alimentatiezaak, waarin door thans verweerster in cassatie, hierna: de vrouw, op de voet van art. 1:157 lid 5 BW verlenging van de in art. 1:157 lid 4 BW bedoelde wettelijke termijn van de ten laste van thans verzoeker tot cassatie, hierna: de man, vastgestelde bijdrage tot haar levensonderhoud wordt verzocht, met name om de vraag of het hof had behoren in te gaan op door de man geuite bezwaren tegen een door de vrouw overgelegd rapportage inzake haar arbeidsmogelijkheden.

2. De feiten liggen als volgt.

(i) Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 7 april 1994 is tussen partijen, die in 1967 met elkaar zijn gehuwd, de echtscheiding uitgesproken. Bij deze beschikking is bepaald dat de man een uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van f 5.500,- per maand.

(ii) Op het hoger beroep van de man heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 20 januari 1995 de door de man aan de vrouw te betalen uitkering bepaald op f 4.500,- per maand. Als gevolg van indexering is het alimentatiebedrag gestegen tot f 5.959,48 (Euro 2.704,29) per maand.

(iii) De echtscheidingsbeschikking is op 10 augustus 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De verplichting tot levensonderhoud van de man jegens de vrouw verstreek derhalve ingevolge art. 1:157 lid 4 BW van rechtswege op 10 augustus 2006.

3. Op 28 juli 2006 heeft de vrouw bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift ingediend en daarbij (onder meer en voor zover thans van belang) op de voet van art. 1:157 lid 5 BW verlenging van de in art. 1:157 lid 4 BW bedoelde wettelijke alimentatietermijn verzocht. Zij heeft aan haar verzoek onder meer ten grondslag gelegd dat zij geboren is in juni 1947 en dat zij volledig arbeidsongeschikt is vanwege rugklachten. De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw .

4. Na een tussenbeschikking van 6 december 2006 heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 7 mei 2007 het verzoek van de vrouw afgewezen.

5. De vrouw is van de eindbeschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en had (gedeeltelijk) succes: na een tussenbeschikking van 16 juli 2008 heeft het hof bij eindbeschikking van 17 december 2008 de bestreden beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, kort gezegd de alimentatiebijdrage van de man aan de vrouw met ingang van 10 augustus 2006 bepaald op Euro 1.000,- per maand met bepaling dat de alimentatieverplichting eindigt op 26 juni 2012, de dag waarop de vrouw de 65-jarige leeftijd bereikt en een eigen AOW-inkomen zal genieten, en dat verlenging van deze termijn niet mogelijk is.

6. In de eindbeschikking overwoog het hof onder meer (r.o. 8):

"Uit de door de vrouw overgelegde arbeidskundige rapportage concludeert het hof, dat de vrouw op grond van haar gezondheid niet in staat is geweest door arbeid in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat haar op grond daarvan niet euvel te duiden is, dat zij niet steeds sollicitatiepogingen heeft ondernomen."

De door het hof bedoelde arbeidskundige rapportage betreft kennelijk de door de vrouw bij brief van 14 april 2008 overgelegde rapportage d.d. 10 april 2008 inzake de arbeidsmogelijkheden van de vrouw, opgesteld door [betrokkene 1].

7. Tegen de eindbeschikking van het hof is de man (tijdig) in cassatie gekomen met vier middelen. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

8. Middel I verwijt het hof de goede procesorde te hebben geschonden door de man geen gelegenheid te bieden te reageren op de brief met bijlagen d.d. 26 september 2008 van de vrouw.

9. Het middel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Het voldoet niet aan de ingevolge art. 426a Rv aan een cassatieklacht te stellen eisen, nu het niet aangeeft op welke aan de bedoelde brief met bijlagen ontleende stellingen van de vrouw de man had willen reageren, en waarom en in welk opzicht die reactie van de man dan tot een ander oordeel van het hof had kunnen of moeten leiden.

10. Middel II komt erop neer dat hof niet is ingegaan op de zijdens de man bij de pleitnota d.d. 25 april 2008, blz. 2 en 3, aangevoerde verweren tegen de eerdergenoemde, door de vrouw overgelegde arbeidskundige rapportage, terwijl gegrondbevinding van die verweren volgens het middel tot de conclusie had moeten leiden dat aan die rapportage geen betekenis kan worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of de vrouw op grond van haar gezondheid niet in staat is geweest door arbeid in haar eigen levensonderhoud te voorzien en of haar op grond daarvan niet euvel te duiden is, dat zij niet steeds sollicitatiepogingen heeft ondernomen.

11. Het middel treft doel. Namens de man is gemotiveerd gesteld dat de rapporteur, [betrokkene 1], niet is gecertificeerd als arbeidsdeskundige, en dat de rapportage niet is opgesteld overeenkomstig de Gedragsregels voor arbeidsdeskundigen. In het bijzonder zou de rapportage niet voldoen aan de eis, met name op het punt van de eventuele medische beperkingen van de vrouw, dat moet blijken van de gronden waarop de conclusies van de rapportage berusten. Het hof is niet kenbaar op deze stellingen van de man ingegaan, terwijl deze stellingen, gelet ook op het belang dat het hof blijkens r.o. 8 aan de rapportage heeft gehecht bij zijn uiteindelijke beoordeling van de vraag of de vrouw op grond van haar gezondheid al dan niet in staat is geweest door arbeid in haar eigen levensonderhoud te voorzien en van de vraag of haar een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij geen sollicitaties heeft verricht, als essentieel moeten worden aangemerkt.

12. De middelen III en IV bouwen rechtstreeks voort op middel II en nemen stelling tegen de conclusies die het hof heeft verbonden aan zijn op de gewraakte arbeidskundige rapportage gebaseerde oordeel dat de vrouw op grond van haar gezondheid niet in staat is geweest door arbeid in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat haar op grond daarvan niet euvel te duiden is, dat zij niet steeds sollicitatiepogingen heeft ondernomen. Gegrondbevinding van middel II brengt mee dat de middelen III en IV eveneens doel treffen.

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak naar een andere gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,