Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL9108

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
08/04505
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL9108
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belediging “in het openbaar”, art. 266 Sr. De bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat de in de bewezenverklaring aangeduide telefonisch gedane uitlatingen in het openbaar zijn gedaan. Daaronder dient te worden verstaan uitlatingen onder zodanige omstandigheden of op zodanige wijze dat zij i.b. door anderen dan degene tegenover zij zijn gedaan zouden kunnen worden gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/314
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/04505

Mr. Hofstee

Zitting: 23 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam, heeft verzoeker bij arrest van 31 maart 2008 wegens 1. 'eenvoudige belediging' en 2. 'bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht', bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 280,-, subsidiair vijf dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat hij:

- ten aanzien van feit 1:

"op 26 oktober 2006 te Amsterdam opzettelijk een persoon, genaamd [het slachtoffer], in het openbaar mondeling heeft beledigd door een of meer collega's van die [slachtoffer] telefonisch toe te voegen de woorden: 'Ik wil spreken met [het slachtoffer], die kankerhoer, de slet, de del' en 'Ik moet die vieze vuile kuthoer van een [slachtoffer] spreken' en 'Ik zoek die kankerhoer', althans woorden van gelijke beledigende aard of strekking."

- ten aanzien van feit 2:

"op 26 oktober 2006 te Amsterdam [het slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (telefonisch aan een of meer collega's van die [slachtoffer]) dreigend de woorden toegevoegd: 'Die vieze vuile [slachtoffer] moet uitkijken, want ze gaat eraan' en 'Ik weet waar ze woont, ik zal haar keel doorsnijden', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking."

4. Het eerste middel en het tweede middel klagen beide over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit, zodat deze middelen zich voor gezamenlijke bespreking lenen.

5. In de aanvulling op het arrest heeft het hof de inhoud van de volgende vijf bewijsmiddelen voor het bewijs van onder meer feit 1 gebezigd:

- de verklaring van het slachtoffer, afgelegd op 26 oktober 2006 tegenover een verbalisant (bewijsmiddel 1), inhoudende:

"Ik ben werkzaam bij de woningstichting [A] te [plaats B] als medewerker op de afdeling huurzaken. Ik ben door twee collega's erop geattendeerd dat ik door [verdachte] telefonisch ben bedreigd.

Op 26 oktober 2006 kreeg mijn collega [getuige 1] een man aan de telefoon. Hij zei tegen mijn collega: 'Ik wil spreken met [het slachtoffer], die kankerhoer, de slet, de del. Ik weet waar zij woont en ik zal haar keel doorsnijden'. Deze bewoordingen heb ik doorgekregen van mijn collega.

Op de display verscheen het telefoonnummer van de desbetreffende man. Ik heb in de computer gekeken bij wie dit telefoonnummer hoorde. Hier kwam uit: [verdachte], wonende [c-straat 1], (het hof begrijpt: te [plaats B]).

Ik voel me in mijn eer aangetast door deze man. Ik ben bang dat deze man mij thuis komt opzoeken. Ik ben wel ontdaan door het feit dat deze man mij telefonisch heeft bedreigd. Ik ben in mijn functie wel boze mensen aan de telefoon gewend, maar dit telefoontje was buiten proporties.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."

- de verklaring van getuige [getuige 1], afgelegd op 26 oktober 2006 tegenover een verbalisant (bewijsmiddel 2), inhoudende:

"Ik ben medewerkster debiteurenbeheer, werkzaam bij de woningstichting [A] (het hof begrijpt: te [plaats B]). Op 26 oktober 2006 werd ik gebeld door een man die het volgende tegen mij zei: 'Ik moet die vieze vuile kuthoer van een [slachtoffer] spreken'. Ik zei tegen hem: 'Doe even rustig en waar gaat het over'. Het kwam er uit dat het een huurcommissie zaak betrof. Dit begreep ik tussen het schelden door.

Vervolgens zei hij weer: 'Die vieze vuile [slachtoffer] moet uitkijken, want ze gaat er aan. Ik wacht haar op en ik weet ook haar huisadres'. Dit heeft hij meermalen herhaald. Ik heb toen de telefoon op de speaker gezet zodat mijn collega's het verhaal ook konden horen. Een andere collega heeft zijn telefoonnummer van het display afgelezen.

De man heeft meer malen herhaald dat hij [het slachtoffer] zou afmaken. Letterlijk heeft hij tegen mij gezegd dat hij [het slachtoffer] haar keel zou door snijden."

- de verklaring van getuige [getuige 2], afgelegd op 13 november 2006 tegenover twee verbalisanten (bewijsmiddel 3), inhoudende:

"Ik werk bij de afdeling debiteurenbeheer van de woningstichting [A] te [plaats B]. Op 26 oktober 2006 werd ik gebeld door een man. Ik hoorde hem zeggen: 'Spreek ik met die trut. Ik zoek die kankerhoer'. Ik hoorde dat die man de naam [slachtoffer] noemde.

Een paar minuten later belde die man weer. Hij kreeg toen mijn collega [getuige 1] aan de lijn. Ik stond naast mijn collega terwijl hij belde. Ik las het telefoonnummer vanaf het display. Ik kon horen wat er werd gezegd. Ik hoorde dat hij zei: 'Ik weet waar ze woont'. Weer uitte hij bedreigingen. Ik hoorde dat hij aan het schelden was. Ik heb gehoord dat die man heeft gezegd dat hij de keel ging doorsnijden van [het slachtoffer]."

- de verklaring van verzoeker, afgelegd op 8 november 2006 tegenover een verbalisant (bewijsmiddel 4), inhoudende:

"Ongeveer 14 dagen geleden kreeg ik een poststuk van de woningbouwvereniging [A] te [plaats B]. Ik zag dat ik een rekening had gekregen die was getekend door [het slachtoffer]. Toen ik die rekening van [het slachtoffer] kreeg draaide ik door. Ik heb toen [A] gebeld. Ik was helemaal hotel de botel."

- de verklaring van verzoeker, afgelegd op 12 april 2007 ter terechtzitting van de politierechter te Amsterdam (bewijsmiddel 5), inhoudende:

"Er is op 26 oktober 2006 wel wat gebeurd. [Het slachtoffer] heeft dit gedaan. Ik was ontzettend woest toen ik die brief kreeg. Het gaat om de gedraging van [het slachtoffer]."

6. Het eerste middel en het tweede middel klagen dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van belediging, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de belediging in het openbaar is gedaan en evenmin dat deze rechtstreeks tegen het slachtoffer is gericht.

7. Mijn ambtgenoot Machielse kwam in zijn conclusie vóór HR 5 april 2005, LJN AS8465, NJ 2005, 287 op grond van de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie over de artikelen 131, 261 en 266 Sr nog tot de slotsom dat a) er alleen sprake is van openbaarheid indien de bele- diging gericht is tot enig publiek en b) de enkele omstandigheid dat de belediging ter kennis is gekomen van meerdere personen of van een ander dan de beledigde niet behoeft te betekenen dat deze gericht is tot het publiek. Als ik goed zie heeft de Hoge Raad met minder genoegen genomen. Hij vernietigde het bestreden arrest omdat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niets inhielden waaruit kon volgen dat het versturen van de in de bewezenverklaring aangeduide geschriften aan de bedoelde personen had meegebracht dat de beledigende passages ter kennis waren gekomen van anderen dan de geadresseerden en dat om die reden de bewezenverklaring van in het bijzonder het onderdeel 'in het openbaar' niet naar de eis van de wet met redenen was omkleed.(1) Uit deze overweging meen ik te kunnen afleiden dat in de visie van de Hoge Raad de openbaarheid in de hier bedoelde zin zou zijn aangenomen, indien op grond van bewijsmiddelen was vastgesteld dat die passages ter kennis waren gekomen van anderen dan de beledigde. Aan deze voorwaarde voldoet het onderhavige arrest. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden immers in dat het telefonisch(2) toevoegen van de in de bewezenverklaring aangeduide woorden heeft meegebracht dat de beledigende uitlatingen ter kennis zijn gekomen van niet alleen het slachtoffer (indirect), maar ook van een aantal van haar collega's (direct). Daarbij wijs ik erop dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij de telefoon op de speaker had gezet zodat zijn collega's het verhaal ook konden horen. Derhalve heeft het hof kunnen bewezen verklaren dat verzoeker het slachtoffer in het openbaar heeft beledigd.

8. De klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de belediging in het openbaar is gedaan, faalt mijns inziens.

9. Daar de belediging in het openbaar is gedaan, behoefde deze niet rechtstreeks te zijn gericht tegen het slachtoffer(3), zodat de klacht dienaangaande tevergeefs is voorgesteld.

10. Nu de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit naar de eis der wet met redenen is omkleed, faalt zowel het eerste middel als het tweede middel.

11. Het derde middel klaagt dat er geen wettig bewijs is dat verzoeker de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, aangezien de identificatie van verzoeker is gebaseerd op de verklaring van slechts één bron/getuige en dat deze getuige niet uit eigen ondervinding heeft verklaard, maar enkel heeft gegist naar de identiteit van de dader.

12. Uit de inhoud van de voor het bewijs van de feiten 1 en 2 gebezigde bewijsmiddelen(4) heeft het hof afgeleid en kunnen afleiden dat verzoeker de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Daaruit blijkt immers dat: a) op 26 oktober 2006 een collega van het slachtoffer werd gebeld door een man die - in beledigende/bedreigende bewoordingen - te kennen gaf het slachtoffer te willen spreken; b) een paar minuten later die dag een andere collega werd gebeld door een man die in gelijkluidende bedreigende en beledigende bewoordingen te kennen gaf het slachtoffer te willen spreken; c) eerstgenoemde collega toen het telefoonnummer van die man van de display van de telefoon heeft afgelezen; d) het slachtoffer door bovengenoemde collega's erop is geattendeerd dat zij door een man telefonisch is bedreigd; e) het slachtoffer vorenbedoeld telefoonnummer in de computer heeft opgezocht; f) het slachtoffer op die wijze heeft achterhaald dat dit telefoonnummer van verzoeker, te weten [verdachte], was; g) verzoeker zelf heeft verklaard dat hij op 26 oktober 2006, toen hij een brief/rekening van het slachtoffer had gekregen, doordraaide en ontzettend woest was; en h) hij die dag de woningbouwvereniging waar het slachtoffer werkzaam is, heeft gebeld.

13. Nu de identificatie van verzoeker kan worden gebaseerd op meer dan één bron (twee collega's, het slachtoffer en verzoeker zelf) en er geen sprake is van ontoelaatbare gissingen naar de identiteit van de dader, is de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat ook het derde middel faalt.

14. Het derde middel kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

15. Ambtshalve wijs ik er op dat de zaak in cassatie niet binnen de daarvoor gestelde termijn kan worden afgedaan. Verzoeker heeft op 4 april 2008 beroep in cassatie ingesteld. Het geding in cassatie behoort binnen twee jaren met een einduitspraak te zijn afgerond nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Dat betekent dat de gestelde termijn zal worden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een door Uw Raad te bepalen vermindering van de opgelegde straf.(5)

16. Overige gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf volgens het gebruikelijke tarief, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie ook HR 30 oktober 2001, LJN AB3143, NJ 2002, 129.

2 Ik kan geen reden bedenken waarom de gesproken belediging niet door middel van een telefoon zou kunnen worden gedaan. Zie ook NLR, aant. 3 bij art. 266 (bewerkt door prof. mr. A.J.M. Machielse), waarin tevens wordt gewezen op de mogelijkheid van belediging via de webcam.

3 T&C Sr, 7de druk, aant. 8 sub c bij art. 266.

4 Zie hierboven onder punt 5.

5 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358.