Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL8759

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
08/02785
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL8759
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid OM, art. 416.3 Sv. Art. 416.3 Sv verleent de rechter een discretionaire bevoegdheid de OvJ in het h.b. niet-ontvankelijk te verklaren indien van de zijde van het OM geen schriftuur, houdende grieven, is ingediend. Die bepaling is mede van toepassing in het geval dat de schriftuur niet tijdig of niet juist is ingediend (vgl. HR LJN BI4078 en BK0910). ’s Hofs oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 730
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02785

Mr. Knigge

Zitting: 16 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. E. Th. Hummels, advocaat te Zeist, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur vijf middelen voorgesteld.

3. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 07 november 2006 te Doornenburg, gemeente Lingewaard, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Waaldijk aldaar (bij "Fort Pannerden") openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een aantal politiemannen (leden van de Mobiele Eenheid), welk geweld bestond uit het gooien met molotof cocktails en verfbommen en vuurwerk naar die politiemensen"

4. De eerste twee middelen klagen beide dat het Hof een beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten onrechte heeft verworpen, althans die verwerping niet naar behoren heeft gemotiveerd. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2008 blijkt dat de raadsman van verdachte aldaar, voor zover thans van belang, heeft aangevoerd:

"De artikelen 58 en 59 van de Politiewet zijn onjuist en disproportioneel toegepast. Door de krijgsmacht is bijstand verleend zonder dat in de in voornoemde artikelen aangewezen procedure is gevolgd. Voorts is door het inzetten van de krijgsmacht disproportioneel geweld toegepast.

Het maatschappelijk belang bij een strafrechterlijke vervolging van verdachte ontbreekt, nu na het gebeuren op 7 en 8 november 2006 in december van dat jaar tussen alle betrokken partijen overeenstemming is bereikt.

In beide gevallen kom ik tot de conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard."

6. Het Hof heeft deze verweren in het arrest onder het kopje 'Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie' opgenomen als punt 1 respectievelijk punt 2 en te dien aanzien het volgende overwogen:

"ad 1:

Bij de ontruiming van "Fort Pannerden" op 7 en 8 november 2006 is door personeel van het 112e Pantser Genie Compagnie een brug geconstrueerd over de rondom het fort aanwezige gracht.

Artikel 58 van de Politiewet 1993 luidt voor zover van belang:

1. In bijzondere gevallen kan bijstand worden verleend door de Koninklijke Marechaussee.

Artikel 59 van genoemde wet luidt:

1. Kan op grond van artikel 58 niet in de behoefte aan bijstand ter handhaving van de openbare orde of bijstand voor de strafrechterlijke handhaving van de rechtsorde, dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van justitie, worden voorzien, dan kan bijstand worden verleend door andere onderdelen van de krijgsmacht.

2. In dat geval bepaalt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie, bepaalt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, op welke wijze de bijstand wordt verleend. Daarbij worden tevens nadere regels of beleidsregels gegeven over de uitoefening van bevoegdheden krachtens deze wet.

Het hof heeft vastgesteld dat door de krijgsmacht bijstand is verleend ten dienste van justitie in de zin van voornoemd artikel 59.

Voorts heeft het hof vastgesteld dat uit de stukken niet is gebleken dat deze bijstand is verleend conform de in het tweede lid van artikel 59 aangewezen procedure.

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de vaststelling dat de bijstand van de krijgsmacht niet conform de aangewezen procedure is verleend, er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt verworpen.

De door de krijgsmacht verrichte taken hebben, zo blijkt uit het dossier en dan met name uit de van de van de ontruiming gemaakte beelden waarvan het hof kennis heeft genomen alsmede uit het onderzoek ter terechtzitting, alleen ingehouden het leggen van een brug over de rondom het fort gelegen gracht. Dit bleek nodig te zijn aangezien de ophaalbrug van het fort tijdens de ontruiming bleek te zijn opgehaald. Niet is gebleken dat het personeel van de 112e Pantser Genie Compagnie zich ook overigens heeft beziggehouden met de ontruiming. Naar het oordeel van het hof is geen sprake geweest van disproportioneel optreden, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie reeds om deze reden strandt.

Ad 2:

Indien en voorzover er na 7 november 2006 een overeenkomst tot stand is gekomen tussen de Stichting Fort Pannerden en een groep van krakers (waaronder naar het hof begrijpt verdachte) impliceert dit naar het oordeel van het hof niet dat er vervolgens geen maatschappelijk belang meer is gediend met de vervolging van de onderhavige, zeker ook strafbare feiten, nu verdachte wordt vervolgd voor feiten die zouden zijn begaan ten opzichte van anderen dan voornoemde Stichting.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging."

7. Deze gemotiveerde verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie getuigt noch omtrent de inzet van de krijgsmacht noch omtrent het maatschappelijk belang bij de vervolging van een onjuiste rechtsopvatting en maakt voldoende inzichtelijk waarom beide verweren zijn verworpen. Ten overvloede merk ik op dat

- ad 1: door uiteen te zetten wat de taak van de krijgsmacht is geweest bij de ontruiming het Hof, anders dan de steller van het middel meent, die militaire inzet niet heeft gebagatelliseerd, doch slechts heeft gepreciseerd;

- ad 2: niet is aangevoerd of gebleken dat de overeenstemming die in december 2006 zou zijn bereikt, zag op hetgeen zich bij de ontruiming van het Fort heeft afgespeeld of dat het Openbaar Ministerie of (de belaagde leden van) de politie partij waren bij die overeenkomst.

8. De eerste twee middelen falen.

9. Ook het derde middel keert zich tegen de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het middel klaagt dat met het op onjuiste wijze indienen van de appèlschriftuur van de Officier van Justitie aan een eis van openbare orde niet is voldaan, waaraan niet afdoet dat de verdediging tijdig de beschikking heeft gekregen over die appèlschriftuur en geen verweer heeft gevoerd tegen de onjuiste indiening. De steller van het middel beroept zich hierbij op de artt. 410 en 416 Sv.

10. Art. 410 Sv schrijft, voor zover hier relevant, het volgende voor:

"1. De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen."

11. Art. 416 Sv luidt, voor zover van belang:

"3. Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

12. In het onderhavige geval werd de appèlschriftuur niet ingediend op het gerecht dat vonnis heeft gewezen, maar naar het Hof gestuurd. In het arrest onder het kopje 'Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie' heeft het Hof hieromtrent het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de appèlschriftuur van de officier van justitie niet conform het bepaalde in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering is ingediend bij de griffie van het gerecht waar het vonnis waarvan beroep is gewezen, maar is meegezonden met het dossier naar de griffie van het gerechtshof, welke omstandigheid ingevolge artikel 416 van genoemd wetboek zou kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De advocaat-generaal geeft aan dat een dergelijke omstandigheid niet eerder heeft geleid tot niet-ontvankelijkheid en dat zulks alleen het geval zou kunnen zijn als het belang van de zaak daartoe noopt.

De advocaat-generaal heeft het hof verzocht zich over deze omstandigheid in het arrest uit te laten.

Hoewel niet blijkt dat de appèlschriftuur bij de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, is ingediend, ziet het hof daarin toch geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof, de advocaat-generaal en de verdediging hebben tijdig de beschikking gekregen over de appèlschriftuur en hebben dan ook tijdig van de inhoud daarvan kennis kunnen nemen. Tevens heeft de verdediging geen verweer gevoerd tegen de niet op juiste wijze van indienen van de appèlschriftuur."

13. Ik stel voorop dat niet-naleving van het bepaalde in art. 410 lid 1 Sv niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Art. 416 lid 3 Sv spreekt van de niet-ontvankelijkheid in het ingestelde hoger beroep. Het middel miskent voorts dat art. 416 lid 3 Sv het Hof een discretionaire bevoegdheid verleent. De wetgever heeft niet gewild dat het in beginsel herstelbare vormverzuim van het niet (tijdig of juist) indienen van de appèlschriftuur automatisch tot niet-ontvankelijkheid leidt.(1) Tegen deze achtergrond geeft het hierboven onder 12 weergegeven oordeel van Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de aan het op onjuiste wijze indienen van de appèlschriftuur te verbinden gevolgen. Onbegrijpelijk is dat oordeel evenmin.(2)

14. Het derde middel is tevergeefs voorgesteld.

15. Het vierde middel klaagt over 's Hofs verwerping van het verweer dat er geen sprake is geweest van openlijke geweldpleging. Het Hof zou een verkeerde uitleg hebben gegeven aan het begrip 'openlijk' als bedoeld in art. 141 Sr.

16. Op de zitting in hoger beroep van 27 mei 2008 heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting en uit het arrest, verdachtes raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de actie openlijk was, in de zin van zichtbaar voor het publiek, dat zich op kilometers afstand bevond.

17. In het arrest onder het kopje 'Bewezenverklaring' heeft het Hof dit verweer met de volgende motivering verworpen:

"Van openlijke geweldpleging in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is sprake bij geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat evenwel is vereist dat ten tijde en ten plaatse van het plegen van geweld publiek aanwezig was."

18. Aan zowel het verweer als het middel ligt de opvatting ten grondslag dat van openlijke geweldpleging in de zin van art. 141 lid 1 Sr geen sprake kan zijn, indien dat geweld niet zichtbaar is voor het publiek. Voor deze opvatting is geen steun te vinden in het recht.(3)

19. Derhalve faalt ook het vierde middel.

20. Het vijfde middel behelst, zo begrijp ik uit de toelichting, de klacht dat het Hof ten onrechte de omstandigheid dat verdachte niet de opzet had om met de verfbommen die hij gooide de politie te raken, niet relevant heeft geacht en dat het Hof eveneens ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen, althans dat het Hof die bewezenverklaring onvoldoende heeft gemotiveerd.

21. De bewezenverklaring (zie hiervoor, onder punt 3) berust op de volgende door het Hof gebezigde bewijsmiddelen:

"1. de door verdachte ter terechtzitting van het hof van 27 mei 2008 afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 7 november 2006 te Doornenburg drie verfbommen in de richting van de politie gegooid. Ik was niet de enige die gooide.

2. het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, mutatienr. PL0745/06-166851, gesloten en getekend op 7 november 2006 door [verbalisant 1], hoofdagent van politie District West-Veluwe Vallei, inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van het ontruimen van het gekraakte Fort Pannerden te Doornenburg, werd er door mij ter plaatse een nader onderzoek ingesteld naar het geweld, welke in de vroege uren van 7 november 2006, tegen het aanwezige personeel van politie en defensie was aangewend. Hiertoe werd door mij gesproken met de brigadier van Regiopolitie Gelderland-Midden, [verbalisant 2]. [Verbalisant 2] verklaarde tegenover mij in de vroege ochtend van genoemde dag als groepscommandant van de mobiele eenheid, de Romeo 30, werkzaam te zijn geweest. [Verbalisant 2] verklaarde dat zijn ME groep die ochtend (inclusief zichzelf) uit 10 politiemensen bestond. [Verbalisant 2] verklaarde verder dat op een gegeven moment, het tijdstip was hem onbekend, er over werd gegaan tot ontruiming van het fort en dat hij daartoe met zijn groep opgesteld stond aan de Waalzijde van het fort. Verder verklaarde hij dat op dat moment, vanaf de Waalzijde, door personeel van het 112e pantser genie compagnie, een mobiele brug werd geconstrueerd over de aanwezige gracht. [Verbalisant 2] verklaarde op dat moment gezien te hebben hoe een zes tot achttal krakers, vanaf het fort vele verfbommen en vuurwerk hun richting en het defensie personeel gooiden.

Vervolgens werd door mij, verbalisant, kort gesproken met [verbalisant 3], werkzaam bij de Regiopolitie Haaglanden. Hanen verklaarde ten tijde van de ontruiming van fort Panneren als videowaarnemer werkzaam te zijn geweest. Ook vertelde hij op het moment dat tot ontruiming werd overgegaan, dat er een groep krakers boven en nabij de hoofdingang tot het fort stonden opgesteld. Hij verklaarde over hen, duidelijk gezien te hebben hoe door deze krakers vele verfbommen, vuurwerk en meerdere molotof cocktails opzettelijk hun richting (de richting van politiepersoneel) waren gegooid.

2.[sic] het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, mutatienr. PL0753/06-166851, gesloten en getekend op 7 november 2006 door [verbalisant 4], brigadier van politie Divisie JZ, Unit reg. recherche, inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 7 november omstreeks 16.00 uur bevond ik mij op de Waaldijk 1 te Doornenburg, beter bekend als Fort Pannerden.

Ter plaatsen verklaarde collega [verbalisant 5] mij het volgende:

Als groepslid maak ik vandaag, dinsdag 7 november 2006, deel uit van het interventie-team welke bestaat uit 5 man aanhoudingseenheid van Gelderland Midden en 4 man bratra van regio Utrecht. Onze taak vandaag is het ontruimen van Fort Pannerden. Toen wij omstreeks 06.40 uur het fort op ongeveer 400 meter naderden, hoorden wij een sirene afgaan. Toen wij de ingang van het fort op ongeveer 30 meter waren genaderd zagen wij boven op het fort ongeveer 10 personen staan. Ik hoorde dat deze personen naar ons riepen dat we op moesten rotten en weg moesten wezen. Hierna werden we door deze personen bekogeld en geraakt met 5 a 10 verfbollen. Ik heb gezien dat zeker twee personen deze verfbollen gooiden. Diverse mensen van het interventie-team zijn door deze verfbollen of de verf daaruit geraakt. Vlak voor de ingang zagen wij een soort brug gemaakt van pallets. Hierna zag ik dat er door de personen die op het fort stonden, molotov-cocktails naar beneden werden gegooid. Ik heb mij met mijn teamleden teruggetrokken in verband met onze veiligheid.

3. het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, mutatienr. PL0745/06-166851, gesloten en getekend op 7 november 2006 door [verbalisant 6], brigadier van politie District West-Veluwe Vallei, Unit BPZ Renkum-Wageningen, inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 7 november 2006, omstreeks 16.00 uur, bevond ik mij in het fort van Pannerden aan de Waaldijk te Doornenburg. Daar sprak ik collega [verbalisant 7], de groepscommandant van de groep Bravo 40 van de Mobiele Eenheid van de politieregio Gelderland-Midden. Hij verklaarde dat hij vandaag met zijn 1 groep (9 man) betrokken was geweest bij de ontruiming van het fort Doornenburg.

Vanmorgen omstreeks 07.30 uur was hij samen met zijn groep Bravo 40 en Bravo 30 naar het fort Pannerden gegaan en daar had hij de opdracht om naar de Waalzijde van het fort Pannerden te gaan om daar met behulp van twee Leopards tanks, het fort te ontruimen. Ter plaatse trof hij het fort aan dat aan de bovenzijde gebarricadeerd was met houten pallets. Hij had toen gezien dat een vijftal personen op dit fort liepen die allen gekleed waren in sweaters met een capuchon op hun hoofd. Verder hadden ze allen een bivakmuts over hun hoofd getrokken zodat hun gezichten niet herkenbaar waren.

Toen tussen 10.30 uur en 11.00 uur de Leopards tanks ter plaatse kwamen had hij ongeveer 8 tot 10 personen op het fort zien lopen, aan de kant van de Waal waar hij op dat moment met zijn groep stond. Alle personen waren onherkenbaar omdat ze bivakmutsen op hadden. Deze personen begonnen te gooien met "verfbommen" in de richting van de ME-ers die voor de gracht stonden. In deze "verfbommen" zat witte vloeistof wat op verf leek. Vervolgens hebben deze personen op het fort van Pannerden gegooid met deze "verfbommen" in de richting van de tankcommandant die onbeschermd in zijn tank zat. Deze commandant werd door twee ME-ers afgeschermd door middel van schilden. Deze ME-ers zaten onder de witte vloeistof. Volgens [verbalisant 7] zaten verschillende ME-ers van zijn groep onder de witte vloeistof."

22. Het arrest houdt voorts het volgende in:

"De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachte met het gooien van verfbommen niet de opzet heeft gehad de politie te raken maar slechts heeft gehandeld als uiting van protest tegen het optreden van politie.

Het hof is van oordeel dat vaststaat dat verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep die openlijk geweld heeft gebruikt tegen de politie. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij verfbommen in de richting van de politie [heeft] gegooid.

De stelling van verdachte dat hij niet de opzet heeft gehad de politie te raken, doet, indien dit al zo zou zijn, niet af aan de omstandigheid dat hij als deelnemer van de groep een significante bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld. Daarbij is niet van belang dat de verfbommen de politie niet hebben bereikt."

23. De steller van het middel neemt het standpunt in dat het in dit geval wel van belang is of verdachte de intentie heeft gehad om (zelf) de politie te raken. Dit standpunt vindt mijns inziens geen steun in de jurisprudentie en de wetsgeschiedenis. Voor openlijk in vereniging geweld plegen is immers voldoende dat verdachte deel uitmaakt van de groep die het openlijke geweld heeft gepleegd, en aan dat geweld een significante bijdrage heeft geleverd, welke bijdrage niet hoeft te bestaan uit het plegen van een gewelddadige handeling.(4) Ik merk daarbij op dat het geweld er in dit geval op was gericht om de ME te beletten het fort te betreden. Ook verfbommen die bij wijze van waarschuwingsschot geworpen worden, kunnen bijdragen aan het beoogde afschrikkend effect en dus tot gevolg hebben dat de ME ervan afziet het fort dichter te naderen. Het oordeel van het Hof dat de verdachte met het gooien van de verfbommen een significante bijdrage aan het gepleegde geweld heeft geleverd, ook als zijn opzet niet op het raken van de agenten was gericht, geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

24. Nu wordt er in de toelichting op het middel nog wel over geklaagd dat het Hof er zonder genoegzaam bewijs vanuit is gegaan dat verdachte de verfbommen heeft gegooid in het kader van het uit de bewijsmiddelen blijkende groepsgeweld. In aanmerking genomen dat door of namens de verdachte, die verklaarde dat hij niet de enige was die gooide, niet is aangevoerd dat verdachte 'zijn' verfbommen wierp op een heel ander moment dan de in de bewijsmiddelen omschreven momenten waarop de ME door groepen krakers werd bekogeld, heeft het Hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het handelen van verdachte geen geïsoleerde eenmansactie was, maar onderdeel vormde van het groepsgeweld. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

25. Ik merk bij dit alles nog op dat de stelling dat verdachte hooguit een derde van de afstand tussen hem en de politie heeft gehaald, niet voor het eerst in cassatie kan worden betrokken. Bij het Hof verklaarde verdachte dat de politie op een afstand van zestig meter van "ons" (!) stond en dat verdachte de verfbommen tien meter van zich afgooide. Die stelling vindt, in aanmerking genomen dat het Hof als gezegd kon oordelen dat geen sprake was van een geïsoleerde eenmansactie, haar weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.

26. Het vijfde middel faalt.

27. Alle middelen falen en kunnen, met uitzondering wellicht van het vijfde middel, worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

28. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2005-2006, 30320, nr. 3, p. 12.

2 Zie ook HR 7 juli 2009, LJN BI4078 en HR 2 februari 2010, LJN BK0910.

3 Al in HR26 juni 1979, LJN AC6636 is bepaald dat geweld dat zich door onverholen niet-heimelijk bedreven feiten heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, 'openlijk' is gepleegd. Zie bv. ook HR 13 juni 2006, LJN AW3560.

4 Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 519, nr. 3, p. 5-8.