Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL8747

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
08/01574
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL8747
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De strafmotivering voldoet niet aan de eisen van art. 359.6 Sv en t.a.v. de verbeurdverklaring is niet vastgesteld of aan de eisen daarvoor is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/872
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/01574

Mr. Knigge

Zitting: 16 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem, Enkelvoudige Kamer, heeft bij arrest van 27 september 2007 het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 2 november 2006 vernietigd en verdachte bij verstek veroordeeld wegens "Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken en wegens "Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" tot hechtenis voor de duur van drie weken. Voorts heeft het Hof een inbeslaggenomen personenauto verbeurd verklaard, zoals nader in het arrest bepaald.

2. Namens verdachte is cassatieberoep ingesteld. Mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft namens verdachte bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv heeft verzuimd om in de Aantekening van het mondeling arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en onvoorwaardelijke hechtenis.

4. De Aantekening van het mondeling vonnis zoals opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 september 2007 luidt, onder het kopje 'Opgelegde straf en vermelding van de bijzondere redenen die de straf hebben bepaald':

"ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

Veroordeelt verdachte tot hechtenis voor de duur van 3 (drie) weken.

Deze strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken."

5. Uit het bovenstaande blijkt dat het Hof een standaardmotivering heeft gehanteerd, waaruit niet blijkt op welke gronden het Hof van oordeel is dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Dit betekent dat het Hof aan de motiveringeis ex art. 359 lid 6 Sv, dat van toepassing moet worden geacht in geval van een Aantekening van het mondeling arrest,(1) niet heeft voldaan.(2) Dat het Hof acht heeft geslagen op de persoon van verdachte en ter terechtzitting de korte inhoud heeft meegedeeld van een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister maakt dit niet anders. Door het ontbreken van een toereikende strafmotivering lijdt de bestreden uitspraak aan nietigheid.

6. Derhalve slaagt het middel.

7. Het tweede middel klaagt dat het Hof de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto onvoldoende heeft gemotiveerd.

8. Voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, houdt de Aantekening van het mondeling vonnis het volgende in:

"Bijkomende beslissingen

...

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een personenauto, gekentekend [AA-00-BB], merk Opel type Kadett."

9. Nu het Hof niet heeft aangegeven wat de relatie tussen de bedoelde auto en het bewezenverklaarde is en aan wie de auto toebehoort, heeft hij er geen blijk van gegeven te hebben vastgesteld dat aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring ex art. 33a Sr. is voldaan.(3) De verbeurdverklaring is mitsdien niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.(4) Derhalve slaagt het middel.

10. Beide middelen slagen.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

12. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen voor zover het de strafoplegging en de beslissing tot verbeurdverklaring betreft en voorts tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Art. 425 lid 3 onder c Sv jo art. 3 onder j Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep d.d. 2 oktober 1996, bezien in het licht van HR 19 juni 2007, LJN BB0422, r.o.v. 3.4.

2 Vgl. HR 9 december 2008, NJ 2009, 226 m.nt. Y. Buruma; HR 25 september 2007, LJN BA7665; HR 3 juli 2007, LJN BA3133.

3 Zie ook noot 2.

4 De onderhavige zaak verschilt hierin van de casus die ten grondslag ligt aan HR 16 oktober 2007, LJN BB2952, door de steller van het middel aangehaald, dat in casu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de beide bewezenverklaarde feiten met behulp van de inbeslaggenomen auto is begaan (een grond voor verbeurdverklaring ex art. 33a lid 1 sub c). Uit hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken volgt echter niet zonder meer dat die auto toebehoort aan verdachte of een derde als bedoeld in art. 33a lid 2 sub a Sr. Evenmin blijkt uit het onderzoek dat niet kan worden vastgesteld aan wie de auto toebehoort.