Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL8502

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
08/04724
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2008:BC8793
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL8502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat? Rechtsdwaling. Vordering (ex art. 3:310 BW) verjaard? Datum waarop verjaringstermijn aanvangt. (Art. 81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 758
JWB 2010/240
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/04724

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 19 maart 2010

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

[Verweerster]

Deze zaak betreft een geval van beroepsaansprakelijkheid van een advocaat. Heeft deze bij de behandeling van een bestuursrechtelijke kwestie over een melkquotum een fout gemaakt? Is de vordering tegen de advocaat verjaard?

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof heeft vastgesteld(1). Verkort weergegeven houden deze het volgende in:

1.1.1. Eiser in cassatie is eigenaar van een kaasboerderij, waar onder meer kaas, vla, yoghurt en karnemelk worden geproduceerd.

1.1.2. In 1984 werd voor een aantal zuivelproducten, zoals melk, room, boter en kaas, een stelsel van superheffingen ingevoerd. Voor elk melkveebedrijf werd een melkquotum vastgesteld, zijnde de hoeveelheid die vrij van heffing kan worden geleverd. In september 1991 trad de `Beschikking superheffing zure boerderijzuivelprodukten' in werking(2), waarmee ook zure boerderijzuivelproducten onder het systeem van superheffingen werden gebracht. Voor de verkoop en levering hiervan dienden producenten van zure boerderijzuivelproducten een quotum aan te vragen bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij.

1.1.3. Eiser heeft zich bij de aanvraag laten bijstaan door mr. Kuiper (hierna: de advocaat), die destijds als advocaat werkzaam was in dienst van verweerster in cassatie (hierna: de maatschap).

1.1.4. Bij de berekening van het quotum placht het ministerie de in het jaar 1990 rechtstreeks voor consumptie verkochte en/of geleverde hoeveelheden zure boerderijzuivelproducten tot uitgangspunt te nemen. Vervolgens werd het zgn. melkequivalent berekend door, per product, de hoeveelheid die aantoonbaar in 1990 was verkocht en/of geleverd te vermenigvuldigen met een bepaalde omrekeningsfactor. In de toelichting bij het aanvraagformulier voor het quotum heeft het ministerie aangegeven welke factor werd gehanteerd. Hieruit blijkt dat zure zuivelproducten (niet zijnde kwark) met een vetpercentage van 0% - 1% waren ingedeeld in categorie A en dat voor deze categorie de omrekeningsfactor 0 werd gehanteerd.

1.1.5. Alvorens de aanvraag voor eiser in te dienen heeft de advocaat bij het ministerie van LNV navraag gedaan naar de status van karnemelk. Het ministerie heeft meegedeeld dat voor karnemelk, vanwege het geringe vetpercentage, geen quotum zou worden vastgesteld en dat de verkoop en levering van karnemelk zou zijn vrijgesteld van superheffing.

1.1.6. Op het aanvraagformulier heeft de advocaat vermeld dat het melkequivalent van de in 1990 rechtstreeks door eiser verkochte en/of geleverde hoeveelheid zure boerderijzuivelproducten (vla, yoghurt en kwark) 59.650 kg bedroeg. De aanvraag is op 7 november 1991 bij het ministerie ingediend. In een als bijlage bij deze aanvraag gevoegde brief(3) heeft eiser de totale hoeveelheid melk opgegeven die hij in 1990 heeft geproduceerd en aangegeven in welke producten de melk is omgezet. Uit deze opgave blijkt onder meer dat 251.125 kg melk in karnemelk is omgezet. De brief is geciteerd in het vonnis van de rechtbank.

1.1.7. Bij besluit van 9 april 1992(4) is aan eiser een heffingvrije hoeveelheid melk toegekend van 26.291 kg. Hierbij is, door toepassing van de omrekeningsfactor 0, de door eiser geproduceerde karnemelk buiten beschouwing gelaten. Ook dit besluit is geciteerd in het vonnis van de rechtbank.

1.1.8. Namens eiser heeft de advocaat op 23 april 1992 tegen dit besluit bezwaar gemaakt(5). Voor zover in cassatie van belang luidt het bezwaar als volgt:

"Cliënt komt zelf aan de hand van bijgevoegde fakturen en de hem verder ter beschikking staande gegevens, zoals het produktieboek tot de volgende opstelling:

afgeleverde hoeveelheid omrekeningsfactor (…) melkequivalent

vla 6.935 kg 1 6.935

yoghurt 865 kg 1 865

kwark 20.740 kg 2,5 51.850

---------

Totaal melkequivalent 59.650

(...) In een bijlage bij zijn aanvraag heeft cliënt de stelling ingenomen, dat hij voor een hogere toewijzing in aanmerking dient te komen dan waarop hij volgens bovenstaande berekeningen recht heeft. Deze hogere toewijzing vindt haar grond in de door cliënt in 1989 gepleegde investeringen, die ten doel hadden de produktiecapaciteit van het bedrijf, met name op het terrein van zure produkten, fiks te verhogen. Deze investeringen hebben in de in 1990 gerealiseerde hoeveelheid onvoldoende tot uitdrukking kunnen komen vanwege het korte tijdsbestek tussen de ingebruikname van de nieuwe apparatuur en dit referentiejaar. In de beslissing van de direkteur valt ten aanzien van deze stelling niets terug te vinden. In zoverre lijdt de beslissing aan een motiveringsgebrek c.q. komt de beslissing in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel."

1.1.9. Bij besluit op bezwaar van 4 mei 1994(6) is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, in zoverre dat aan eiser een extra heffingvrije hoeveelheid melk van 7.213 kg is toegekend in verband met de productie van vla. In reactie op het bezwaarschrift is verder gesteld dat de aan eiser toegekende heffingvrije hoeveelheid van 26.291 kg (ter zake van kwark en yoghurt) niet voor verhoging in aanmerking komt, daar uit de door eiser overgelegde bewijsstukken niet concreet en ondubbelzinnig is gebleken van een grotere hoeveelheid in 1990 verkochte en/of geleverde hoeveelheid kwark en yoghurt dan de reeds aangetoonde hoeveelheden.

1.1.10. Bij brief van 6 mei 1994(7) heeft de advocaat eiser geadviseerd beroep in te stellen tegen het besluit op bezwaar van 4 mei 1994. Voor zover relevant luidt de brief als volgt:

"Bijgaand doe ik U de beslissing van de Minister op het bezwaarschrift toekomen. De toewijzing is verhoogd met 7.213 kg in verband met de nu wel aangetoonde leveranties van vla. Voor de huisverkopen is niets toegewezen. Inmiddels loopt er bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven een procedure waarin wordt verdedigd dat de Minister te streng is in de beoordeling van het terzake van contantverkopen aangeleverde bewijsmateriaal. Het College zal hierover een principe-uitspraak moeten doen. (...) In de tussentijd stel ik voor tegen de onderhavige beschikking van de Minister beroep aan te tekenen. We kunnen dan verder de ontwikkelingen afwachten."

1.1.11. De advocaat heeft niet namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 4 mei 1994.

1.1.12. Uit een latere beslissing van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) van 1 mei 1997 is gebleken dat karnemelk wél onder de superheffing valt(8). Naar aanleiding van deze uitspraak wordt vanaf 1997 ook een superheffing gelegd op karnemelk.

1.1.13. Op 21 januari 1998 heeft de advocaat namens eiser aan het Productschap Zuivel (COS) verzocht alsnog aan eiser een referentiehoeveelheid toe te kennen voor karnemelk. Dit verzoek is op 4 maart 1998 afgewezen. Het door de advocaat op 8 april 1998(9) tegen deze afwijzing ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 15 januari 1999 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit op bezwaar heeft de advocaat op 24 februari 1999 beroep ingesteld bij het CBB(10). Het CBB heeft dat beroep op 4 juli 2001 ongegrond verklaard(11).

1.1.14. Eiser heeft de maatschap bij brief van 10 december 2001 aansprakelijk gesteld.

1.2. Bij inleidende dagvaarding van 9 september 2004 heeft eiser de maatschap gedagvaard voor de rechtbank Leeuwarden. Hij heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de maatschap onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door geen beroep in te stellen tegen de beschikking van 4 mei 1994. Daarnaast vorderde hij een verklaring voor recht met betrekking tot de schadecomponenten en verwijzing naar de schadestaatprocedure. Bij repliek heeft eiser de grondslag van zijn vordering vermeerderd en subsidiair ook gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de maatschap onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld:

(a) door in het herzieningsverzoek (d.d. 21 januari 1998) en in het bezwaar- resp. beroepschrift tegen de afwijzing hiervan, niet of onvoldoende te wijzen op het feit dat in 1991 geen aanvraag ten behoeve van (een referentiehoeveelheid voor) karnemelk was ingediend;

(b) door in het bezwaarschrift d.d. 23 april 1992 geen bezwaar te maken tegen het niet toekennen van een referentiehoeveelheid ten behoeve van karnemelk.

1.3. De maatschap heeft betwist dat de advocaat de gestelde beroepsfout(en) heeft gemaakt. Voorts betwistte zij het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de gestelde fout(en) en de schade, alsmede de omvang van de schade. Voor zover er sprake is van een vordering van eiser op de maatschap, is die vordering volgens de maatschap verjaard.

1.4. Bij vonnis van 14 december 2005 heeft de rechtbank de vordering van eiser afgewezen. De rechtbank liet in het midden of de vordering is verjaard (rov. 7 Rb). Met betrekking tot de primaire vordering overwoog de rechtbank dat de gestelde beroepsfout geen oorzakelijk verband heeft met de gestelde schade als gevolg van het niet kunnen beschikken over een referentiehoeveelheid voor karnemelk. Het door de advocaat gemaakte bezwaar tegen het besluit van 9 april 1992 was immers niet gericht tegen het feit dat voor karnemelk de omrekeningsfactor 0 is toegepast. Het advies van de advocaat d.d. 6 mei 1994 zag evenmin op het instellen van beroep tegen het toepassen van de omrekeningsfactor 0 voor karnemelk. Het bestuursrechtelijke beroep, indien het wel zou zijn ingesteld, zou niet gericht zijn geweest tegen de beslissing om de door eiser geproduceerde karnemelk buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de aan hem toekomende heffingvrije hoeveelheid (rov. 8 - 10 Rb).

1.5. Met betrekking tot de subsidiaire vordering overwoog de rechtbank dat de gestelde opdracht betrof het instellen van beroep ter zake van de bewijsvraag met betrekking tot de contante verkopen. De gestelde opdracht aan de advocaat behelsde niet (mede) het instellen van beroep tegen het buiten beschouwing laten van karnemelk bij de vaststelling van het quotum (rov. 12 Rb). De advocaat was niet gehouden eigener beweging bezwaar te maken respectievelijk beroep in te stellen tegen het niet toekennen van een quotum voor karnemelk. Daarbij achtte de rechtbank van belang de inlichtingen die de advocaat vóór het indienen van de aanvraag bij het ministerie had ingewonnen (rov. 13 Rb). Ten slotte verwierp de rechtbank de stelling dat de advocaat een beroepsfout heeft gemaakt in het kader van het op 21 januari 1998 ingediende verzoek en de daaropvolgende bezwaar- en beroepsprocedure (rov. 14 Rb).

1.6. Eiser heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden en andermaal de grondslag van zijn vordering aangevuld(12). De maatschap heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 2 april 2008(13) heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen. Ten aanzien van de primaire vordering heeft het hof in het midden gelaten of de advocaat wel of geen beroepsfout heeft gemaakt door geen beroep in te stellen tegen het besluit van 4 mei 1994 en of die fout heeft geleid tot schade. Volgens het hof is de vordering in elk geval verjaard (rov. 3 - 9). Hetzelfde geldt voor de subsidiaire vordering, voor zover deze berust op een tekortkoming in het bezwaarschrift van 23 april 1992 (rov. 12 - 13). Voor zover de subsidiaire vordering berust op de stelling dat de advocaat in de herzieningsprocedure niet althans onvoldoende heeft gewezen op het feit dat in 1991 geen aanvraag ten behoeve van karnemelk was ingediend, is er geen sprake van een fout: te dien aanzien heeft de advocaat gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan (rov. 15 - 18).

1.7. Eiser heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De maatschap heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I is gericht tegen de afwijzing van de primaire vordering op de grond dat deze verjaard is (rov. 4 - 10). Dit cassatiemiddel betreft het verwijt dat de advocaat niet namens eiser beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 4 mei 1994.

2.2. Het hof heeft toepassing gegeven aan art. 3:310 BW. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dit moet naar vaste rechtspraak worden verstaan als: daadwerkelijk bekend. Dienovereenkomstig heeft het hof in rov. 4.1 vooropgesteld dat de korte verjaringstermijn (d.w.z. de termijn van vijf jaar) begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen(14). De maatstaf van de bekendheid is in latere rechtspraak nader uitgewerkt en door de Hoge Raad zelf samengevat als volgt(15):

"Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde - behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon - daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden (...)(16). Dit betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is (...)(17)."

2.3. Onderdeel 1 van middel I dient slechts ter inleiding. De onderdelen 2 - 5 van dit middel zijn gericht tegen rov. 4.2. Het hof heeft beslist dat eiser vanaf het moment waarop hij wist dat de advocaat geen beroep had ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 4 mei 1994 daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. De omstandigheid dat eiser aanvankelijk in rechtsdwaling heeft verkeerd met betrekking tot het vereiste van een quotum voor (de heffingvrije aflevering van) karnemelk, vermag volgens het hof geen invloed te hebben op de aanvang van de verjaringstermijn. Het hof wees in dit verband op HR 26 november 2004, reeds aangehaald (NJ 2006, 115). Hieruit volgt volgens het hof dat de verjaringstermijn niet eerst begint te lopen vanaf de dag volgend op die waarop het CBB afwijzend besliste op het beroep tegen de weigering van het latere verzoek (4 juli 2001), en ook niet eerst vanaf de dag volgend op die waarop het CBB in een andere zaak bepaalde dat ook voor heffingvrije aflevering van karnemelk een quotum nodig is (1 mei 1997)(18).

2.4. Het middel klaagt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat ten tijde van het maken van de beroepsfout de omvang van de schade en/of de schadeoorzaak vaststond (cassatiedagvaarding onder 3). Daartoe is in het middel het volgende aangevoerd:

- Na 4 mei 1994 was de omvang van de schade niet bekend.

- Ook de schadeoorzaak was niet bekend, althans was nog niet duidelijk dat het CBB later zou oordelen dat voor heffingvrije aflevering van karnemelk een quotum nodig is.

- Er was op 4 mei 1994 nog geen sprake van schade. Eiser kon de advocaat daarom niet aansprakelijk stellen (cassatiedagv. onder 4 en 5).

2.5. De problematiek, waarom het in deze zaak gaat, wordt helder beschreven in de vakliteratuur(19). Samengevat heeft Smeehuijzen onderscheid gemaakt tussen de diverse omstandigheden die eraan in de weg kunnen staan dat een benadeelde tijdig een vordering instelt:

- gevallen waarin een feitelijk beletsel aan het instellen van een vordering tot schadevergoeding in de weg staat (deze categorie is in dit cassatieberoep niet aan de orde);

- gevallen waarin een gebrek aan feitenkennis de reden is dat de benadeelde niet tijdig een vordering instelt. Voor deze categorie geldt de maatstaf: dat de betrokkene voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Volgens de aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad is niet vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is.

- gevallen waarin een gebrek aan juridische kennis de reden is dat de benadeelde niet tijdig een vordering instelt. Hiervoor geldt de maatstaf in het (ook door het hof aangehaalde) arrest HR 26 november 2004. Waar het uitsluitend om een juridische beoordeling gaat, komt een eventuele dwaling in het recht voor rekening van de benadeelde. De gronden voor deze rechtspraaklijn zijn vermeld in rov. 3.4 van het arrest van 26 november 2004 en behoeven hier geen herhaling(20).

2.6. Smeehuijzen onderscheidt in deze laatste groep van gevallen drie subcategorieën, namelijk: (i) gevallen waarin het gebrek aan juridische kennis alleen aanwezig is bij de benadeelde zelf; (ii) gevallen waarin objectief beschouwd onzekerheid of misverstand bestaat omtrent de stand van het recht op een bepaald vraagpunt; (iii) gevallen waarin de benadeelde door toedoen van de aansprakelijke persoon op het verkeerde been is gezet omtrent de inhoud van het recht. In de categorieën (i) en (ii) volgt hij de maatstaf van de Hoge Raad; in de categorie onder (iii) ziet hij mogelijkheden om een beroep op de korte verjaringstermijn niet te honoreren(21). In dit verband noteer ik dat daarvoor twee mogelijkheden zijn: de verjaringstermijn vangt eerst aan op de dag nadat de benadeelde alsnog op het juiste been is gezet of de rechter neemt aan dat de aansprakelijk gestelde persoon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep mag doen op bevrijdende verjaring (deze laatste mogelijkheid is in dit cassatieberoep niet aan de orde gesteld)(22).

2.7. Het middel is niet gericht tegen het oordeel dat eiser over voldoende kennis van de feiten beschikte, in die zin dat eiser vanaf het moment waarop hij kennis nam van het beroepschrift daadwerkelijk wist dat de advocaat geen beroep namens hem had ingesteld m.b.t. het melkquotum, in relatie tot de heffingvrije aflevering van karnemelk. Het in het middel aangevoerde argument dat de omvang van de schade toen niet bekend was aan eiser, treft geen doel. De omvang van de schade behoeft niet bekend te zijn om de verjaringstermijn van vijf jaar een aanvang te doen nemen.

2.8. Bekendheid met de (exacte) oorzaak van de schade wordt volgens de aangehaalde rechtspraak evenmin vereist. De in het middel gestelde omstandigheid dat voor eiser nog niet duidelijk was dat het CBB later zou oordelen dat voor heffingvrije aflevering van karnemelk een quotum nodig is, leidt niet tot een andere beslissing. Het betreft hier een objectieve onbekendheid, in wat hierboven is aangeduid als categorie (ii): niet alleen eiser wist dit niet, maar ook de advocaat niet en, blijkbaar, zelfs het ministerie van LNV niet. Een dergelijke rechtsdwaling komt ingevolge de aangehaalde rechtspraak in beginsel voor rekening van eiser, wat betreft de aanvang van de korte verjaringstermijn.

2.9. Voor zover eiser met deze klacht heeft bedoeld dat hem destijds (vóór de uitspraken van het CBB) niet duidelijk was dat hij nadeel ondervond, gaat de klacht evenmin op. In de redenering van het hof was eiser ermee bekend dat de advocaat geen beroep had ingesteld tegen het niet toekennen van een melkquotum voor de heffingvrije aflevering van karnemelk. Het gemis van een quotum was daarmee bekend. Weliswaar heeft eiser dat niet ervaren als een gemis, omdat hij niet bekend was met de rechtsregel dat voor een heffingvrije aflevering van karnemelk een quotum nodig is, maar dat doet de verjaringstermijn niet op een later tijdstip aanvangen. De slotsom is dat deze middelonderdelen niet tot cassatie leiden.

2.10. Onderdeel 6 van middel I, gericht tegen rov. 5, bouwt voort op de voorafgaande klachten en mist zelfstandige betekenis. De onderdelen 7 en 8 van het middel zijn gericht tegen rov. 6 en 7. In die overwegingen heeft het hof het standpunt van eiser verworpen dat de verjaring is gestuit doordat de advocaat zijn aansprakelijkheid voor deze beroepsfout zou hebben erkend in een bespreking. Het hof stelt feitelijk vast dat deze bespreking moet hebben plaatsgevonden vóór 10 december 1996(23), zodat de vordering tot schadevergoeding hoe dan ook is verjaard (rov. 6). Het beroep van eiser op een tussen partijen gemaakte afspraak over uitstel van de aansprakelijkstelling werd door het hof verworpen als te vaag (rov. 7).

2.11. Volgens de klacht geeft het hof met dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting: in beide stellingen is sprake van een erkenning in de zin van art. 3:318 BW. Zou art. 3:318 BW onder deze omstandigheden niet van toepassing zijn, dan zou dat artikel volgens de klacht een dode letter zijn. Ervan uitgaande dat de maatschap deze stellingen gemotiveerd heeft betwist, had het hof eiser, overeenkomstig zijn aanbod, tot bewijslevering behoren toe te laten.

2.12. Deze klachten treffen geen doel. Het hof heeft het standpunt van eiser niet afgewezen op de grond dat de gestelde feiten geen erkenning opleveren, maar op de grond dat - na de gestelde stuiting door erkenning - de verjaringstermijn van vijf jaar opnieuw gaat lopen. Dit oordeel stemt overeen met art. 3:319, lid 1, BW. Wat betreft de gestelde afspraak, heeft het hof het standpunt van eiser niet afgewezen op de grond dat het niet mogelijk zou zijn af te spreken dat met de aansprakelijkstelling wordt gewacht of op de grond dat zo'n afspraak geen gevolgen kan hebben voor de stuiting van de verjaringstermijn, maar op een andere grond: omdat het hof de stellingen van eiser met betrekking tot een tussen partijen gemaakte afspraak te vaag vond, kwam het hof niet toe aan de vraag of eiser tot bewijslevering behoorde te worden toegelaten. De slotsom is dat middel I faalt.

2.13. Middel II is gericht tegen rov. 12 en 13 en betreft de subsidiaire vordering, welke berustte op het verwijt dat de advocaat in het bezwaarschrift van 23 april 1992 geen bezwaar heeft gemaakt tegen het niet toekennen van een quotum voor karnemelk. Het hof oordeelde dat ook te dien aanzien de vordering is verjaard. Onderdeel 1 van het middel dient slechts ter inleiding. Onderdeel 2 klaagt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, door te overwegen dat ten tijde van het maken van de beroepsfout de schade vaststond.

2.14. Deze klacht faalt om dezelfde redenen als de onderdelen 2 - 5 van middel I.

2.15. Onderdeel 3 van het middel houdt de klacht in dat de rechtsopvatting in rov. 12.2 onjuist is. De klacht is toegelicht met het betoog dat eiser ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift erop vertrouwde dat de advocaat de belangen van eiser zou bewaken, met betrekking tot de vraag of voor de aflevering van karnemelk melkquotum nodig is. Voor dat doel schakelde eiser de advocaat in.

2.16. Vanuit een oogpunt van rechtsontwikkeling vind ik het jammer, dat de stellingen in hoger beroep en de klacht in cassatie niet iets meer zijn toegespitst op het onderscheid tussen de categorieën die hierboven zijn aangeduid onder (ii) en (iii). Buiten kijf staat immers dat het hof een juiste rechtsregel heeft toegepast, namelijk de regel dat de korte verjaringstermijn pas begint te lopen op de dag, volgend op die waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. Zo beschouwd, geeft het oordeel van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Om deze regel te verfijnen, is het nodig in de stellingnamen in het geding een onderscheid te maken tussen de gevallen waarin de aansprakelijk gestelde beroepsbeoefenaar evenmin als betrokkene zelf een verwijt van de rechtsdwaling kan worden gemaakt (zoals in het geval dat een latere wetswijziging of omslag in de jurisprudentie nieuwe inzichten biedt in de stand van het recht) en de gevallen waarin de beroepsbeoefenaar wel een verwijt van de rechtsdwaling kan worden gemaakt. In zijn algemeenheid kan niet op de advocaat worden afgewenteld dat door de jurisprudentie van het CBB een nieuw inzicht is ontstaan in de noodzaak van het hebben van een melkquotum voor de aflevering van karnemelk. Het argument dat eiser, op grond van de opdracht tot rechtshulpverlening, erop vertrouwde dat de advocaat zijn belangen zou bewaken, is niet voldoende grond om een latere datum van aanvang van de verjaringstermijn aan te nemen.

2.17. Voor zover de klacht voortkomt uit de gedachte dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een advocaat, die door zijn cliënt is ingeschakeld om in juridisch opzicht zijn belangen te behartigen en om hem voor te lichten over zijn rechtspositie, een beroep op verjaring doet terwijl de cliënt vóór het verstrijken van de verjaringstermijn nog in onwetendheid verkeerde omtrent de juridische consequenties van het wel of niet bezwaar maken tegen het niet toekennen van een quotum voor de aflevering van karnemelk, kan zij niet tot cassatie leiden. Een stelling van die strekking is door eiser in hoger beroep en in cassatie niet verdedigd. Onderdeel 3 faalt.

2.18. Onderdeel 4 van middel II klaagt dat de slotsom in rov. 13 onjuist is. Ten tijde van het bezwaarschrift was het ministerie van LNV van mening dat voor heffingvrije aflevering van karnemelk geen quotum nodig is. Daarmee staat volgens de klacht vast dat er voor eiser geen schade was. Deze klacht mist feitelijke grondslag, althans miskent de redenering van het hof. Het hof is in rov. 12.1 en 12.2 veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat eiser op 23 april 1992, althans op 10 augustus 1992, schade heeft geleden doordat niet tijdig bezwaar is gemaakt tegen het niet toekennen van een quotum voor de productie van karnemelk. Die schade bestond uit het gemis van een quotum. Dat eiser dit destijds niet als een gemis heeft ervaren, omdat hij in dwaling verkeerde omtrent de inhoud van het recht dienaangaande, staat volgens de aangehaalde jurisprudentie niet in de weg aan het aanvangen van de verjaringstermijn. Dit is niet anders indien ook het ministerie van LNV destijds ervan uitging dat voor de heffingvrije aflevering van karnemelk een quotum niet nodig was. Middel II faalt.

2.19. Middel III is gericht tegen rov. 15 - 18, waarin het hof het verwijt behandelde dat de advocaat in de herzieningsprocedure niet of onvoldoende heeft gewezen op het feit dat in 1991 geen aanvraag was ingediend voor karnemelk. Het hof is van oordeel dat de advocaat bij het inkleden van het verzoek heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan (rov. 17.1). Ook overigens valt volgens het hof niet in te zien dat de advocaat in de herzieningsfase onzorgvuldig zou hebben gehandeld (rov. 17.2).

2.20. Onderdeel 1 van het middel dient slechts ter inleiding. Onderdeel 2 mist feitelijke grondslag, omdat het bestreden oordeel niet berust op de overweging dat ten tijde van de beroepsfout de schade vaststond. Onderdeel 3, voor zover gericht tegen rov. 17.1, komt neer op de klacht dat de advocaat in de bestuursrechtelijke procedure een beter argument had moeten aanvoeren, nl. het argument dat eiser geen nieuwe aanvraag (meer) kon indienen, in plaats van inhoudelijk `verweer' te voeren terzake van een herzieningsverzoek.

2.21. De klacht is niet geheel duidelijk, maar doelt waarschijnlijk op de discussie in de bestuursrechtelijke procedure over de vraag of het verzoek om alsnog een quotum aan eiser toe te kennen ten behoeve van de aflevering van karnemelk, moest worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag dan wel als een verzoek om terug te komen van het eerder door de minister genomen besluit. Daarbij was een probleem dat nieuwe aanvragen uiterlijk op 16 november 1991 konden worden ingediend. De klacht miskent m.i., dat het hof in rov. 17.1 deze bestuursrechtelijke vraag onder ogen heeft gezien. Het hof heeft op een begrijpelijke wijze uiteengezet waarop zijn oordeel is gebaseerd dat de advocaat heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Dat oordeel gaat uit van de juiste maatstaf voor beroepsaansprakelijkheid. Voor het overige berust het op een waardering van de feiten, waarvan de juistheid in cassatie niet kan worden onderzocht. Hieruit volgt dat de klacht faalt.

2.22. Het laatste gedeelte van onderdeel 3 is gericht tegen rov. 17.2. Het komt neer op de klacht dat het hof ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat van een gespecialiseerde advocaat mocht worden verwacht dat deze het onderscheid tussen een nieuwe aanvraag en een aanvraag tot herziening tot het centrale onderwerp van het (bestuursrechtelijke) geschil zou hebben gemaakt.

2.23. De klacht is weliswaar geformuleerd als een rechtsklacht ("geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting"), maar duidt niet aan welke rechtsregel door het hof zou zijn geschonden. Gelet op de eisen die art. 407 lid 2 Rv aan een cassatiemiddel stelt, kan deze klacht niet tot cassatie leiden. Bovendien heeft het hof in de aangevallen rechtsoverweging aangegeven dat de advocaat in de bestuursrechtelijke procedure erop heeft gewezen dat eiser te goeder trouw is afgegaan op de uitleg die het ministerie van LNV in 1991 aan het Besluit superheffing zure boerderijzuivelprodukten had gegeven. Het hof heeft in rov. 17.1 uiteengezet waarom het benadrukken van het geschilpunt (nieuwe aanvraag of verzoek tot herziening) niet meer kans op succes zou hebben geboden. De slotsom is dat ook middel III geen doel treft.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

, a. - g.

1 Zie rov. 1, in verbinding met het vonnis in eerste aanleg onder 3.1 - 3.17.

2 Beschikking van 11 september 1991, Stcrt. 1991, 176 (nadien gewijzigd).

3 Prod. 2 bij de inleidende dagvaarding.

4 Prod. 1 bij CvA in eerste aanleg.

5 Het bezwaarschrift is aangevuld op 10 augustus 1992; prod. 2 bij CvA.

6 Prod. 3 bij CvA in eerste aanleg.

7 Prod. 3 bij de inleidende dagvaarding.

8 De uitspraak is overgelegd als bijlage bij de pleitnotitie in eerste aanleg zijdens eiser.

9 Prod. 6 bij CvA.

10 Het is aangevuld op 23 maart 1999; zie prod. 8 bij CvA.

11 Prod. 4 bij de inleidende dagvaarding.

12 Zie rov. 2. Bij de beoordeling van de primaire vordering is het hof er van uitgegaan dat deze mede betrekking heeft op schade wegens het niet toekennen van een hoger melkquotum voor de overige zure boerderijzuivelproducten.

13 LJN: BC8793.

14 Zie HR 31 oktober 2003 (LJN: AL8168), NJ 2006, 112 m.nt. C.E. du Perron; dit is de uitspraak waarnaar ook het hof zelf verwijst. Zie nadien nog: HR 4 april 2008 (LJN: BC3569), NJ 2008, 203.

15 HR 9 oktober 2009 (LJN: BJ4850).

16 De Hoge Raad verwees hier naar: HR 26 november 2004 (LJN: AR1739), NJ 2006, 115 m.nt. C.E. du Perron. Zie nadien nog: HR 5 januari 2007 (LJN: AY8771), NJ 2007, 320 m.nt. M.R. Mok.

17 De Hoge Raad verwees naar: HR 20 februari 2004 (LJN: AN8903), NJ 2006, 113.

18 In rov. 4 staat kennelijk bij vergissing: 1 september 1997.

19 J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring, diss. VU, 2008, blz. 208 - 224.

20 Zie ook nog: HR 24 mei 2002 (LJN: AD9615), NJ 2003, 269 m.nt. TK, met een casus die verwant is aan de onderhavige zaak. Daar was de termijn overschreden, zelfs indien werd uitgegaan van de datum van de rechterlijke uitspraak die objectief de juiste stand van het recht aangaf.

21 J.L. Smeehuijzen, diss. 2008, reeds aangehaald, blz. 221 - 224.

22 Na het wisselen van de schriftelijke toelichtingen in deze zaak verscheen over dit onderwerp: D.M. de Knijff en T. Riyazi, Over verjaring en klachtplicht bij beroepsfouten, Adv.blad 2010, blz. 64-68.

23 Vijf jaar vóór de aansprakelijkstelling, genoemd in alinea 1.1.14 hiervoor.