Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL7817

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09/03391
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2009:BI8204
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL7817
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht; geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie. Wijziging van omstandigheden die een beroep op art. 1:401 BW rechtvaardigt? (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 567
JWB 2010/176
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/03391

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 26 februari 2010

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

Deze zaak, waarin het gaat om een wijziging van omstandigheden bij het vaststellen van partneralimentatie, leent zich voor een verkorte conclusie.

1.1 Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2000 is tussen verzoeker tot cassatie, de man, en verweerster in cassatie, de vrouw, de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 11 september 2000 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In de echtscheidingsbeschikking is het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen vanwege het ontbreken van draagkracht bij de man.

1.2 Bij beschikking van 23 december 2003 heeft de rechtbank Rotterdam het in 2002 gedane verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud omdat volgens de vrouw sprake zou zijn van een wijziging van omstandigheden, afgewezen.

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft deze beschikking bij beschikking van 9 augustus 2006 bekrachtigd.

1.3 Op het dit geding inleidend verzoek van de vrouw van 4 juni 2007 heeft de rechtbank Rotterdam de vrouw bij beschikking van 19 mei 2008, uitvoerbaar bij voorraad, ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.000,- per maand met ingang van 1 juni 2007.

In hoger beroep heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 27 mei 2009 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

De man heeft tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Bij de vaststelling of wijziging van een uitkering tot levensonderhoud geniet de rechter die over de feiten oordeelt, een grote vrijheid, hetgeen meebrengt dat zijn beslissing in cassatie slechts in beperkte mate toetsbaar is. Uitgangspunt voor de beoordeling van motiveringsklachten tegen een beslissing waarbij de hoogte van een onderhoudsverplichting wordt vastgesteld, is dat aan een dergelijke beslissing geen hoge eisen kunnen worden gesteld(2), zeker niet waar het oordeel uitsluitend betreft het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht of behoefte naar voren gebrachte omstandigheden(3). De rechter is niet verplicht alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt(4). De feitenrechter is wel gehouden op essentiële stellingen van partijen te responderen(5). Bovendien geldt ook voor een beslissing waarbij de rechter de hoogte van alimentatie vaststelt het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang(6).

1.5 Middel I, dat in vier onderdelen met rechts- en motiveringsklachten opkomt tegen het oordeel van het hof dat de aankoop door de man van een woning te Ouddorp, ten behoeve waarvan een extra geldlening is afgesloten ten bedrage van € 250.000,-, als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden is aan te merken die een beroep van de vrouw op art. 1:401 BW rechtvaardigt, stuit af op de vaste rechtspraak dat de rechter bij de toepassing van art. 1:401 BW vrij is te beoordelen aan welke omstandigheden hij bij zijn beslissing betekenis wil toekennen en tevens welke betekenis hij daaraan wil toekennen(7) en voorts op de hiervoor vermelde vaste rechtspraak omtrent de omvang van de motiveringsplicht van de rechter.

1.6 Middel II klaagt in twee onderdelen dat het hof ten onrechte dan wel zonder deugdelijke motivering heeft geoordeeld dat de man niet voldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. Volgens de man heeft het hof nagelaten aan te geven welke aanvullende gegevens het verlangde en heeft het hof voorts art. 19 Rv. geschonden door het aanbod van de man tot indiening van nadere stukken tijdens de mondelinge behandeling te weigeren.

1.7 In zijn hoger beroep heeft de man bij zijn vierde grief aangevoerd dat zijn draagkracht onvoldoende is om de door de rechtbank vastgestelde alimentatie te betalen. Het lag derhalve op zijn weg deze stelling met stukken te adstrueren. Zo blijkt bijvoorbeeld uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof op 3 april 2009 dat de jaarstukken van 2007, die er volgens de advocaat van de man wel zijn, licht zouden kunnen werpen op onder meer de inkomensgegevens van de man. Voor het in het geding brengen van stukken is evenwel geen opdracht of verzoek van de rechter vereist(8). Het is mitsdien voor risico van de man dat hij met het in geding brengen van stukken heeft gewacht en dat het hof zijn aanbod om dat alsnog te doen, mede gelet op het bezwaar van de vrouw, als in strijd met de goede procesorde terzijde heeft geschoven.

Het hof heeft voorts in rechtsoverweging 10 gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het zich verenigt met het oordeel van de rechtbank dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie.

Middel II faalt mitsdien.

1.8 Middel III bouwt op middel II en deelt derhalve zijn lot.

1.9 Middel IV klaagt over het oordeel van het hof in rechtsoverweging 10 over de aanwezigheid van een algemene reserve op basis van de gedeponeerde jaarstukken. Volgens het eerste onderdeel heeft het hof ten onrechte geen rekening gehouden met de brief van de accountant van 26 maart 2009 met recentere gegevens. Het tweede onderdeel betoogt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat het bestaan van een algemene reserve betekent dat er liquiditeiten aan de vennootschappen zouden kunnen worden onttrokken, zodat de man in staat was alimentatiebetalingen te verrichten.

1.10 Het middel faalt.

Ook hier heeft te gelden dat het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het op de weg van de man had gelegen om zijn financiële gegevens over zijn privé situatie en zijn ondernemingen in het geding te brengen en op deugdelijke wijze inzichtelijk te maken en dat het voor rekening en risico van de man komt dat hij dat niet heeft gedaan. Onder deze omstandigheden kon het hof uit de door de vrouw in het geding gebrachte gedeponeerde jaarstukken afleiden dat sprake is van een algemene reserve en kon het inkomensgegevens ontlenen aan de aangifte IB 2006 en vervolgens in rechtsoverweging 12 - in cassatie niet bestreden - constateren dat de man niet heeft aangetoond dat hij de door de vrouw verzochte bijdrage niet kan voldoen.

1.11 Middel V is gericht tegen het oordeel van het hof (onder 15) omtrent de behoefte van de vrouw en betoogt dat onbegrijpelijk is dat het hof van mening is dat de vrouw zich voldoende inspant om in haar levensonderhoud te voorzien terwijl de gemeente, die een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand verstrekt, van mening is dat de vrouw zich onvoldoende inspant.

1.12 Het middel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat van de vrouw onder de omstandigheden dat zij arbeidsgeschikt is, maar de nodige beperkingen kent als gevolg van een ongeval, momenteel een WWB-uitkering geniet en gedurende maximaal acht uur per week als vrijwilligster werkt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet verwacht mag worden dat zij zich meer inspant dan thans het geval is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dit oordeel is voldoende begrijpelijk gemotiveerd.

1.13 Middel VI ten slotte richt zich tegen de door het hof gehanteerde ingangsdatum van de verplichting tot uitkering van levensonderhoud van 1 juni 2007 en betoogt in onderdeel 1 dat de rechtbank (curs. W-vG) de man niet met terugwerkende kracht een hoge alimentatieverplichting had kunnen opleggen en in onderdeel 2 dat in de motivering van het hof dienaangaande onvoldoende rekening is gehouden met betalingsproblemen van de man.

1.14 Voorop gesteld moet worden dat art. 1:402 BW de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting(9). Het oordeel van het hof dat de man vanaf de datum van het inleidende verzoekschrift rekening had kunnen houden met een eventuele bijdrage in het levensonderhoud ten behoeve van de vrouw is voldoende begrijpelijk gemotiveerd(10). De rechtspraak die de man in zijn cassatieberoep aanhaalt over terugbetalingsverplichting na (ten onrechte) te veel uitbetaalde alimentatie is niet van toepassing op onderhavig geval(11).

Ook middel VI kan mitsdien niet tot cassatie leiden.

1.15 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang zijn van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

2. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift tot cassatie is op 27 augustus 2009 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

2 HR 4 september 1998, LJN ZC2696 (NJ 1998, 827).

3 HR 1 februari 2002, LJN AD6629 (NJ 2002, 184) rov. 3.5.

4 HR 17 maart 2000, LJN AA5167 (NJ 2000, 313). Zie voorts Asser-De Boer (2006), nr. 620; S.F.M. Wortmann/J. van Duijvendijk-Brand, Compendium Personen- en familierecht (2002), nr. 161 met verdere gegevens.

5 Bijv. HR 17 maart 2000, LJN AA5173 (NJ 2000, 333).

6 HR 29 juni 2001, LJN AB2367 (NJ 2001, 495).

7 HR 27 maart 1998, LJN ZC2618 (NJ 1998, 551) en HR 25 januari 2002, LJN AD5818 (NJ 2002, 314), m.nt. SW. Zie voorts Asser-De Boer (2006), nr. 1043; Koens 2008 (T&C BW), art. 1:401 BW, aant. 3.

8 HR 19 maart 1999, LJN ZC2874 (NJ 1999, 496) (rov. 3.7); zie voorts HR 27 juni 1997, LJN ZC2407 (NJ 1998, 328) m.nt. HJS (rov. 3.7) en de noot van Vranken onder HR 5 maart 1999, LJN ZC2865 (NJ 1999, 676) onder 4-6.

9 Vaste rechtspraak, bijv. HR 1 februari 2002, LJN AD6631 (NJ 2002, 185).

10 Zie over de motiveringseisen Asser-De Boer 2006, nr. 1049.

11 Zie HR 22 december 2009, LJN BK1619 (NJ 2010, 14).