Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL7812

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
09/02478
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2008:BD5325
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL7812
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR leest een kennelijke misslag in de strafmotivering verbeterd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 193
RvdW 2010, 656
NJB 2010, 1167
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02478

Mr. Aben

Zitting 9 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte 1]

1. Het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 19 juni 2008 ter zake van "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld, en hij heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.(1)

3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat de strafoplegging van het hof ontoereikend gemotiveerd is.

3.2. Met betrekking tot de strafoplegging heeft het hof in het bestreden arrest het volgende overwogen:

"Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde, na een eis van 4 jaren gevangenisstraf, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. De verdachte is in hoger beroep gekomen van deze veroordeling. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het slachtoffer is, na door een mededader te zijn aangewezen als de persoon die men moest hebben, door mededaders onder bedreiging van een vuurwapen meegenomen van Utrecht naar de woning van een mededader in Den Haag. Hij is daar meermalen met twee vuurwapens bedreigd. De polsen en voeten werden met tape vastgebonden en het slachtoffer is op de vloer van de badkamer gelegd waarvan de wanden rondom met plastic waren afgeplakt. Het slachtoffer werd meerdere keren een pistool tegen het hoofd gezet. Het slachtoffer is de hele nacht in de woning vastgehouden. Dit is voor het slachtoffer uitermate beangstigend en bedreigend geweest. Slachtoffer heeft ook aangegeven uit angst meerdere malen in zijn broek te hebben geplast.

De bewezenverklaarde feiten houden een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan langdurig geestelijke schade plegen te ondervinden.

De manier waarop deze bedreiging heeft plaatsgevonden merkt het hof aan als professioneel. Het heeft er alle schijn van dat dit feit gepleegd is in opdracht van anderen, die het slachtoffer ervan verdachten cocaïne te hebben gestolen. Het slachtoffer is immers aan de verdachten aangewezen. Dit soort crimineel gedrag dient zwaar te worden bestraft.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte, blijkens het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie, eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van onder meer het plegen van een geweldsmisdrijf.

Het hof acht voorts de rol van verdachte in deze vrijheidsbeneming gelijkwaardig aan die van zijn medeverdachten [verdachte 3] en [verdachte 2] en is daarom van oordeel dat zij allen tot eenzelfde straf dienen te worden veroordeeld.

Gelet op de aard en de ernst van de zaak, mede met het oog op een juiste normhandhaving en vanuit generaal preventief oogpunt, komt voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

Met de rechtbank is het hof van oordeel, dat de door de officier van justitie en de advocaat-generaal geëiste straf te licht is. Het hof zal echter een enigszins lichtere straf opleggen dan de rechtbank deed.

3.3. Het middel richt zich met name tegen de laatste zin van de hier aangehaalde strafmotivering. Volgens de steller van het middel is deze onbegrijpelijk, nu de door het hof in hoger beroep aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 5 jaren niet lichter is - maar juist zwaarder - dan de gevangenisstraf van 4 jaren die hem in eerste aanleg door de rechtbank is opgelegd. Onbegrijpelijk is daarmee ook de voorlaatste zin van de strafmotivering, voor zover die inhoudt dat de rechtbank in eerste aanleg de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren te licht heeft geoordeeld.

3.4. Hoewel het middel terecht is voorgesteld, behoeft dit naar mijn mening niet tot cassatie te leiden. Opgemerkt moet worden dat de laatste twee zinnen van 's hofs strafmotivering in de onderhavige zaak gelijkluidend zijn aan de laatste twee zinnen van de strafmotivering van het hof in de zaak tegen medeverdachte [verdachte 2], in welke zaak de rechtbank in eerste aanleg - in afwijking van een door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 4 jaren - tot een gevangenisstraf van 6 jaren is gekomen. Indien de 'onbegrijpelijkheid' van de betreffende zinnen in de onderhavige zaak hierin zijn verklaring vindt, dan wijst het middel zonder meer op een voor de verdachte bijzonder vervelende onzorgvuldigheid in het bestreden arrest. De vraag is vervolgens echter of deze onzorgvuldigheid de begrijpelijkheid van de strafmotivering als geheel aantast. Mijns inziens is dit niet het geval. Uit de strafmotiveringen van de rechtbank in de zaken tegen de verdachte en de genoemde medeverdachte kan worden opgemaakt wat in eerste aanleg de reden heeft gevormd voor oplegging van gevangenisstraffen van verschillende duur, namelijk: het in de ogen van rechtbank zwaarder wegende criminele verleden van de medeverdachte.(2) Blijkens de strafmotiveringen in hoger beroep in dezelfde zaken heeft ook het hof zich van het verschil tussen het criminele verleden van de verdachte en dat van zijn medeverdachte rekenschap gegeven. Waar het hof in de onderhavige zaak bij de strafoplegging in aanmerking heeft genomen dat de verdachte "eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van onder meer het plegen van een geweldsmisdrijf", daar houdt 's hofs strafmotivering in de zaak tegen de medeverdachte in dat deze "eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van onder meer het plegen van (ernstige) geweldsmisdrijven waarvoor hij langdurige gevangenisstraffen heeft ondergaan"(3). Niettemin heeft het hof in beide zaken aansluitend overwogen de rol van alle verdachten in de tenlastegelegde vrijheidsberoving gelijkwaardig te achten en daarom van oordeel te zijn dat zij allen tot eenzelfde straf dienen te worden veroordeeld. Aldus staat vast dat het hof bij de strafoplegging in de onderhavige zaak geen feiten of omstandigheden buiten zijn overwegingen heeft gehouden, die in eerste aanleg voor de verdachte tot een lagere straf hebben geleid. Nu de strafmotivering van het hof in zijn geheel bezien toereikend is, kan Uw Raad deze met weglating van de laatste twee zinnen daarvan verbeterd lezen.

3.5. Het eerste middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.

4.1. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Weliswaar refereert het middel dus aan een toets die de cassatierechter inderdaad kan aanleggen, maar bij nadere bestudering van de toelichting op de klacht valt op dat het middel zich in het bijzonder keert tegen 's hofs (kennelijke) oordelen omtrent de betrouwbaarheid en redengevendheid van het gebezigde bewijsmateriaal. De selectie en waardering daarvan is evenwel voorbehouden aan de feitenrechter, en dit oordeel kan in cassatie niet op zijn juistheid maar uitsluitend op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. De steller van het middel lijkt dit te miskennen, want de toelichting heeft m.i. meer weg van "napleiten" dan van een zorgvuldig omschreven klacht tegen een bewijsoordeel van de feitenrechter.

Met deze restrictie veroorloof ik mij niettemin inhoudelijk in te gaan op de geformuleerde klacht, die - naar de kern genomen - in drie deelklachten uiteen valt. Alvorens de betreffende (deel)klachten te bespreken, worden hieronder eerst de bewezenverklaring van het hof en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen vermeld.

4.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

"hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2006 tot en met 25 mei 2006 in het arrondissement Utrecht en/of 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader opzettelijk wederrechtelijk

- (terwijl [slachtoffer] bij zijn woning gelegen aan de [a-straat 1] stond) [slachtoffer] bij zijn schouder beetgepakt en (vervolgens) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (met de loop) tegen de nek van [slachtoffer] gedrukt en gedrukt gehouden en

- tegen [slachtoffer] gezegd: 'Als je gaat rennen, dan schiet ik', en

- [slachtoffer] onder bedreiging van dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (tegen de zin van [slachtoffer] in) in een auto gezet en

- (in die auto) de loop van dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de buik van [slachtoffer] gehouden en

- (vervolgens) tegen [slachtoffer] gezegd dat hij met zijn hoofd op zijn benen moest gaan liggen en zijn ogen moest dichthouden en

- [slachtoffer] (tegen zijn zin in) naar een woning gebracht en/of

- (vervolgens) de polsen en voeten van [slachtoffer] (met tape) aan elkaar vastgebonden en

- [slachtoffer] (terwijl hij was vastgetaped) in de badkamer van die woning neergelegd en

- de wanden van die badkamer met tape en plastic afgeplakt en

- meermalen een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van [slachtoffer] gedrukt/gehouden en (daarbij) tegen [slachtoffer] gezegd dat als hij 'niet zou vertellen waar de stuf was', dat hij dan 'door zijn hoofd geschoten' zou worden, en

- [slachtoffer] (terwijl hij was vastgetaped) neergezet in de woonkamer van die woning en [slachtoffer] (gedurende ongeveer een nacht) (tegen zijn zin) in de woning laten zitten

en terwijl zijn mededader in de onmiddellijke nabijheid van [slachtoffer] twee pistolen, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, bij zich had."

4.3. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

"1.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0914/06-171616, door [verbalisant 1], brigadier van politie en [verbalisant 2], hoofdagent van politie, getekend en gesloten op 26 mei 2006 (gevoegd als [...] in ordner 3, pag. 690-699), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Op 24 mei 2006 omstreeks 22:30 uur liep ik samen met [betrokkene 1] en ene [betrokkene 2] op de Marco Pololaan te Utrecht. Er kwamen toen twee auto's uit de richting van mijn woning aan de [a-straat] te Utrecht rijden. Het betroffen een groene 4-deurs personenauto en een blauwe 2-deurs personenauto. De blauwe 2-deurs personenauto is eigendom van [betrokkene 3]. In die auto zaten toen [betrokkene 3] (het hof leest: [betrokkene 3]) en [betrokkene 4]. In de groene 4-deurs personenauto zaten twee voor mij onbekende mannen. Ik zal hen in mijn verklaring dader 1 en dader 2 noemen.

Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen de inzittenden van de groene auto zei: "Dit zijn die jongens". Ik zag dat [betrokkene 3] daarbij in onze richting wees. Ik zei tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dat ze moesten gaan rennen. Wij begonnen te rennen in de richting van de [a-straat].

Toen ik achterom keek zag ik dat dader 1 een pistool in een van zijn handen had. Ik rende naar mijn woning. Bij mijn woning liep ik naar de voordeur. Ik trachtte met de sleutel de voordeur te openen, maar dat lukte niet. Dader 1 kwam toen achter mij aan, ook de voortuin in lopen en pakte mij bij mijn schouder beet met zijn linkerhand. Met zijn rechterhand had hij het pistool vast.

Hij drukte het pistool met de loop tegen de rechterzijde van mijn nek.

Het signalement van dader 1: een negroïde man van ongeveer 1.85 meter met een fors postuur.

Het signalement van dader 2: een negroïde man van ongeveer 1.70 meter met een normaal postuur.

Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen dader 1 zei: "Dat is hem". Ik hoorde dat dader 1 tegen mij zei: "We moeten gaan". Wij liepen vervolgens naar de groene auto. Terwijl wij over straat liepen, hield dader 1 het pistool tegen mijn nek gedrukt. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: "Als je gaat rennen, dan schiet ik".

Ik moest rechts achter in de groene auto gaan zitten. Dader 2 kwam links naast mij zitten. Dader 1 ging achter het stuur zitten en gaf het pistool aan dader 2. Dader 2 strekt zijn rechterarm en liet die rusten op de rugleuning achter mij. Met zijn linkerhand hield hij het pistool vast, welke hij met de loop tegen de linkerzijde van mijn buik hield. Vanaf de Europalaan gingen we rechtsaf de snelweg op in de richting van Den Haag. Dader 2 zei tegen mij, dat ik met mijn hoofd op zijn benen moest gaan liggen en mijn ogen dicht moest doen. Ik schat dat de rit in totaal ongeveer 45 minuten geduurd heeft.

De auto stopte bij een flat. Bij de flat stond een man te wachten die ik verder dader 3 zal noemen. Dit was de woning van dader 3. Dader 2 zei mij uit te stappen.

Ik kan het volgende signalement van dader 3 geven: een negroïde man, dik postuur met kort zwart haar. Op zijn buik had hij een tatoeage. Er stond een tekst geschreven vanaf zijn rechterlies met een boog over zijn buik. Het waren letters van het alfabet, maar ik kon niet lezen wat er stond. Deze tatoeage was zwart/groen van kleur. Boven op zijn rug had hij ook een tatoeage. Het was een zin met zwarte letters van het alfabet. Ik kon niet lezen wat er stond.

Dader 2 duwde mij naar de buitendeur (gemeenschappelijke toegangsdeur) van die flat. We liepen naar binnen. We liepen de trap op naar de eerste etage. Het betrof een rechte trap. Op de eerste etage kwamen wij in een halletje, waar volgens mij twee toegangsdeuren zaten. Links zat de deur van de woning van dader 3.

In de woning kwamen wij in een halletje. Links was een slaapkamer. Tegenover de voordeur was links de deur van de woonkamer en rechts een gangetje met aan het eind de deur van de badkamer. De keuken zat direct rechts naast de voordeur. Direct links naast de woonkamerdeur hing aan de wand een vierkante lijst met daarin een goudkleurige afbeelding. Tegenover de woonkamerdeur aan de lange wand hing een vierkant schilderij met daarop afgebeeld bomen, water en een berg.

Ik moest van dader 1 naast de woonkamerdeur tegen de korte wand op de grond gaan zitten. Dader 1 draaide tape om mijn polsen, waardoor mijn polsen vast aan elkaar kwamen te zitten. Mijn voeten werden vervolgens ook met schoenen en al aan elkaar getapet. De drie daders vroegen mij waar de cocaïne was. Vervolgens tilden dader 1 en dader 2 mij op en brachten mij naar de badkamer en legden mij buiten de badkamer op de vloer. Ik zag dat dader 1 stroken zwartkleurig plastic tegen de wanden van de badkamer ging plakken. Hij gebruikte daarbij witkleurige tape. Toen de muren van de badkamer waren afgeplakt, werd ik weer opgetild en op de grond in de badkamer neergelegd. Dader 1 en 3 trokken vervolgens beiden buiten de badkamer een oranje kleurige overall aan. Vervolgens ging dader 1 bij mij zitten. Dader 3 ging vlak achter dader 1 staan. Dader 1 richtte het pistool weer op mij. Hij bedreigde mij toen. Dader 1 zei tegen mij, dat als ik niet zou vertellen waar de "stuff' was, dat hij mij door mijn kop zou schieten. Dader 1 drukte de loop diverse keren op verschillende plaatsen tegen mijn hoofd. Ik was verschrikkelijk bang. Vanaf het moment dat ik vanaf de [a-straat] ben meegenomen door hen, heb ik wel 5 keer in mijn broek geplast. Ik werd daar ongeveer één uur lang bedreigd door dader 1 en 3. Dader 3 had ook een pistool. Ik heb dus in die woning 2 pistolen gezien. Dader 3 heeft mij, net zoals dader 1, diverse keren bedreigd door een pistool tegen mijn hoofd te drukken. Na ongeveer één uur werd ik weer teruggedragen naar de woonkamer en moest daar weer op dezelfde plek op de grond zitten. Ik heb daar de hele nachtgezeten. Ze zeiden dat als ik moest plassen, dat ik maar in mijn broek moest plassen. Op een gegeven moment zijn dader 1 en 2 de woning uitgegaan. Toen dader 1 en 2 weg waren heeft dader 3 mij nog een keer of vier bedreigd. Dader 3 had toen twee pistolen.

Tijdens mijn aanwezigheid in die woning heeft dader 3 nog een tijdje met zijn computer gespeeld. Op 25 mei 2006 brachten zij mij naar het centrum van Utrecht.

2.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0913/06-171616, door [verbalisant 3], medewerker servicebureau van politie Utrecht en buitengewoon opsporingsambtenaar, getekend en gesloten op 1 juni 2006 (gevoegd als [...] in ordner 3, pag. 707-708), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

Op 24 mei 2006 liep ik samen met [slachtoffer] (het hof leest: [slachtoffer]) en [betrokkene 2] over de Marco Pololaan richting [a-straat]. Ik hoorde [slachtoffer] of [betrokkene 2] heel hard schreeuwen: "rennen". Ik keek vervolgens even achterom om te kijken of er iemand achter ons aan kwam rennen. Toen ik achterom keek zag ik dat een onbekende man achter ons aan kwam rennen. De volgende dag vertelde [slachtoffer] mij dat hij problemen had met verschillende mensen en dat die hem hadden meegenomen tegen zijn wil.

3.

De verklaring van [betrokkene 1] afgelegd voor de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht d.d. 17 maart 2008 voorzover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

U vraagt mij naar 24 mei 2006. U houdt mij voor dat er iemand achter mij aan kwam rennen. Dat klopt. Ik heb [betrokkene 3] (het hof leest: [betrokkene 3]) en die andere jongen gezien in de auto. Achter de auto van [betrokkene 3] reed een andere auto. Niet zo lang daarna kwamen er mannen achter ons aan.

4.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0914/06-171616, door [verbalisant 1] en [verbalisant 4], beiden brigadier van politie, getekend en gesloten op 20 juni 2006 (als [...] gevoegd in ordner 3, pag. 718-722), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [betrokkene 5]:

Op 24 mei 2006 bevond ik mij in mijn kamer van perceel [a-straat 1] te Utrecht. Even later hoorde ik een hoop herrie beneden in de hal. Ik ben gaan kijken wat er aan de hand was. Dader 1 liep naar [slachtoffer] (het hof leest: [slachtoffer]) toe en pakte hem met zijn linkerhand bij zijn kraag. Op dat moment zag ik dat dader 1 in zijn rechterhand een pistool vast hield. Ik zag dat dader 1 [slachtoffer] naar beneden drukte/trok. Toen [slachtoffer] op zijn hurken zat, zag ik dat dader 1 het pistool met de loop tegen de linkerzijde van het hoofd van [slachtoffer] drukte.

5.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0913/06-171616, door [verbalisant 5], agent van politie, getekend en gesloten op 25 mei 2006 (als [...] gevoegd in ordner 3, pag. 1075-1076), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

In de woning op de [a-straat] te Utrecht sprak ik met een man die opgaf te zijn [betrokkene 6]. [Betrokkene 6] verklaarde dat hij voor zijn woning een man aantrof. De man zei tegen hem dat hij twee mannen binnen had gezien, die misschien wapens hadden. Deze man verklaarde tegen [betrokkene 6] dat hij een van de mannen had horen zeggen: "Als je gaat rennen, ga ik je schieten."

6.

De verklaring van [betrokkene 5] afgelegd voor de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht d.d. 1 februari 2007 voorzover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

De dag na 24 mei 2006 kwam [slachtoffer] weer thuis en hij had overal plakbandplekken. Ik zag witte lijmresten op zijn polsen. Hij vertelde dat hij was meegenomen met de auto en dat ze hem de hele nacht in een hokje hebben laten zitten.

7.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0913/06-171616, door [verbalisant 6], hoofdagent van politie en technisch rechercheur, getekend en gesloten op 14 juni 2006 (als [...] gevoegd in ordner 3, pag. 848-863), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

Op 25 mei 2006 werd door mij een persoon, genaamd [slachtoffer] aan zijn lichaam en kleding onderzocht op de aanwezigheid van sporen.

Ik zag dat er om beide polsen en gedeeltelijk op de onderarmen van het slachtoffer lijmrestanten zichtbaar waren van tape. Verder zag ik dat ook op de schoenen van het slachtoffer lijmrestanten zaten.

8.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 7], brigadier van politie, getekend en gesloten op 25 september 2006 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3543- 3550), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

[betrokkene 3] maakte naar zeggen van de aangever, [slachtoffer], gebruik van het telefoonnummer 06-[001].

De telefoonnummers 06-[002] en 06-[003] betreffen een tweetal telefoonnummers waarmee verdachte [betrokkene 3] gedurende de tweede vrijheidsberoving contact onderhield.

Op 24 mei 2006 te 15:03 uur heeft het nummer van [betrokkene 3] voor het eerst contact met 06- [003]. Beide toestellen onderhouden telefonische contacten met verdachte [betrokkene 3]. De daders bevinden zich, blijkens op een kaart aangebrachte gele vlaggen die de straten van paallocaties markeren, vermoedelijk in het gebied omsloten door de wegen Prinsengracht/ Herengracht, Rijksweg A12, Churchilllaan/Jan Thijssenweg/Westvlietweg en de Vaillantlaan/ Burgemeester Elsenlaan te Den Haag.

9.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 8], brigadier van politie Utrecht, getekend en gesloten op 14 februari 2006 (als zaaksdossier [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3223-3258 ), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

Uit het onderzoek van de historische printgegevens van de telefoonnummers 06-[002] en 06-[003] van 1 maart 2006 tot 1 september 2006, bleek onder meer:

- uit de door de toestellen gebruikte paallocaties, dat de gebruikers van de telefoonnummers zich voomamelijk in Den Haag ophouden;

- op 24 mei 2006 omstreeks 18.30 uur verplaatsen beide toestellen (06[002] en 06[003]) zich van Den Haag naar Utrecht. De toestellen blijven tot ca. 23.15 gebruik maken van paallocaties in Utrecht, omgeving Kanaleneiland, waarna beide toestellen zich weer verplaatsen naar Den Haag;

- de beide toestellen zijn gebruikt tot en met 25 mei 2006 omstreeks 9.00 uur. Dit betreft de datum van het einde van vrijheidsberoving II van [slachtoffer];

- met het toestel 06[002] werd onder meer contact onderhouden met het telefoonnummer 06[004] op naam van [betrokkene 7], [adres];

- beide telefoonnummers hebben veelvuldig contact met het telefoonnummer 070[005] op naam van [betrokkene 8], [adres];

10.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 8], brigadier van politie Utrecht, getekend en gesloten op 14 februari 2006 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3223-3258), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

Uit analyse van de gebruikte paallocaties van het telefoonnummer 06[003] en 06[002] bleek, dat er voornamelijk gebruik werd gemaakt van de paallocatie Rijswijkseweg te Den Haag. Voorts werd geconstateerd, dat de voornoemde telefoons in de periode van de vrijheidsberoving gebruik maakten van paallocaties in een gebied omsloten door de wegen:

Prinsengracht/Herengracht, Rijksweg A12, Churchilllaan/Jan Thijssenweg/Westvlietweg en de Vaillantlaan/Burgemeester Elsenlaan te Den Haag.

Naar aanleiding van het onderzoek naar de printgegevens van de twee prepaid telefoonnummers (het hof leest: de telefoonnummers 06-[002] en 06-[003]) werd er door het observatieteam van politie Utrecht gekeken op de adressen [b-straat 1] en [c-straat 1]. Dit betroffen woonadressen van de personen die zich in het genoemde omsloten gebied bevonden.

11.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 7], brigadier van politie, getekend en gesloten op 16 oktober 2006 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3556- 3558), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant.

Op 24 mei 2006, omstreeks 18:30 uur verplaatsen beide toestellen (06-[002] en 06- [003]) van Den Haag naar Utrecht. Toestel 06-[003] gaat mogelijk nog een keer op en neer naar Den Haag. De toestellen blijven tot het eind van de avond, omstreeks 23:15 uur, gebruik maken van paallocaties in Utrecht, omgeving Kanaleneiland, waarna beide toestellen zich weer verplaatsen naar Den Haag.

Met het toestel 06-[002] werd onder andere contact onderhouden met het telefoonnummer 06-[004] op naam van [betrokkene 7], [c-straat 1] te Den Haag.

12.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van niet-stelselmatige observatie, genummerd [...], door Q-67, opsporingsambtenaar en [verbalisant 9], inspecteur van politie, getekend en gesloten op 14 september 2006 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3467-3467), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisanten:

Op 12 september 2006 heb ik niet stelselmatig geobserveerd en de navolgende waarnemingen gedaan.

Omstreeks 18:00 uur zag ik, Q-67, dat, het pand [c-straat 1] te Den Haag overeenkomsten vertoonde met het plaats delict zoals dat door de aangever werd beschreven.

De [c-straat 1] beschikte over een gemeenschappelijke ingang en betrof een flatwoning op de eerste verdieping. De voordeur van het pand werd bereikt door vanaf de centrale hal één rechte trap omhoog te klimmen. De voordeur bevond zich links van de trap. In de hal bovenaan de trap waren twee voordeuren van een woning één vermoedelijke kastdeur gevestigd.

13.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd [...], door Q-13 en Q-67, beiden opsporingsambtenaar, getekend en gesloten op 29 september 2006 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3475-3477), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisanten:

Op 28 september 2006 hebben wij niet stelselmatig geobserveerd en de navolgende waarnemingen gedaan.

Omstreeks 23:30 zagen wij, Q-13 en Q-67 dat:

- In de woning [c-straat 1] te Den Haag tegenover de woonkamerdeur aan de lange wand een schilderij hing.

- Op dit schilderij bomen, bergen en water geschilderd waren.

- Aan de zijde van de woonkamerdeur nabij het raam een vierkant kleed met goudkleurige opdruk hing.

14.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 10], brigadier van politie te Utrecht, getekend en gesloten op 31 oktober 2006 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3567-3570), voorzover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van deze verbalisant:

Op 31 oktober 2006 werd een doorzoeking ter inbeslagname verricht in perceel [c-straat 1] te Den Haag.

De woning is een flatwoning, gelegen op de eerste verdieping. Bij het betreden van de woning kom je in een halletje. Links bevindt zich een slaapkamer en recht tegenover de voordeur is de woonkamer. Rechts van de woonkamer is nog een halletje. In dit halletje bevindt zich rechts de keuken, daarnaast een slaapkamer en aan het einde van dat halletje de badkamer.

Tijdens deze zoeking werden de volgende goederen inbeslaggenomen:

- Een oranje overall in verpakking

- Een zwarte plastictas met daarin tape, messen en een aanzetstaal

15.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 10], brigadier van politie Utrecht, getekend en gesloten op 8 november 2006 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3428-3429), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

U toont mij een oranje overall en vraagt mijn reactie.

Dit is zo'n overall die de daders hebben aangetrokken en waarover ik net heb verklaard. Dit betreft een soort papieren overall.

U toont mij een rol zwart plakband en vraagt mij of ik dit herken.

Met zo'n soort plakband werden mijn polsen en mijn enkels vastgebonden.

(Het hof begrijpt, dat de hierboven bedoelde inbeslaggenomen overall en zwart plakband zijn getoond.)

16.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd FODTPU-1283-3629, door [verbalisant 11], digitaal specialist bij de afdeling Forensische Opsporing van de Divisie Recherche, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, getekend en gesloten op 13 november 2006 (als [...] gevoegd in ordner 10, pag. 3761-3762), voorzover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

Op 31 oktober 2006 ontving ik van de Politie Utrecht de volgende vraag: Stond de aangeleverde computer met locatiecode [...] aan in de periode van 24 mei 2006 22:00 uur tot en met 25 mei 2006 te 10:00 uur.

Door mij werd op de harde schijf van voornoemde computer gezocht of er verschillende datum representaties van 24 en 25 mei 2006 voorkwamen. Door mij werden 109 resultaten gevonden. Van deze 109 resultaten zijn er zeven die naast de datum ook een tijd notatie bevatten die vallen binnen voornoemde tijdsperiode. De volgende zeven datum en tijd notaties zijn gevonden:

Datum en tijd Proces

24-05-2006 23:55 Taak gestart in taakplanner

25-05-2006 01:37 Taak beëindigd in taakplanner

25-05-2006 01:38 Taak gestart in taakplanner

25-05-2006 01:57 Taak beëindigd in taakplanner

25-05-2006 01:58 Taak gestart in taakplanner

25-05-2006 02:26 Taak beëindigd in taakplanner

25-05-2006 02:26 Taak gestart in taakplanner

25-05-2006 06:22 Stuk lopen proces vastgelegd door proces [A]

Uit voornoemde concludeer ik, dat op 25.5.2006 6:22 uur het programma Internet Explorer actief was.

17.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 8], brigadier van politie Utrecht, getekend en gesloten op 14 februari 2006 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3223-3258), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

(pag. 3237)

Met betrekking tot de signalementkenmerken van [verdachte 3] in HKS zijn onder andere de navolgende tatoeages geregistreerd:

Op de buik de tekst 'No limit'.

Op de rug de tekst 'Psycho'.

Tevens staan er tatoeages geregistreerd op de handen, armen en benen.

18.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 7], [verbalisant 10], beiden brigadier van politie Utrecht, getekend en gesloten op 31 oktober 2006 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3363-3368), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [betrokkene 7]:

Ik sta ingeschreven op de [c-straat 1] te Den Haag. Mijn vriend [verdachte 3] staat ook ingeschreven op de [c-straat 1] te Den Haag.

U vraagt mij hoe ik [verdachte 3] zou omschrijven. [Verdachte 3] heeft veel tatoeages, op zijn handen, zijn armen, zijn buik, zijn rug. Op zijn buik staat "No Limit" in zwart/groene sierletters in een boog op zijn buik. Het is een grote tatoeage. Op zijn rug staat "Psycho" in grote letters.

19.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 12] en [verbalisant 13], beiden brigadier van politie Utrecht, getekend en gesloten op 31 oktober 2006 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3338-3344), voorzover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [verdachte 3]:

U vraagt mij welke tatoeages ik op mijn lichaam heb.

Ik heb overal op mijn lichaam tatoeages. Op mijn rug staat "Psycho" en op mijn buik staat "No Limit".

20.

Een bijlage in het dossier [...], pag. 3473, bevattend een kleine en een grote kleurenfoto van een persoon, aangeduid als "Verdachte [verdachte 3]". Op de ene foto ziet men op [verdachte 3]s rug een tatoeage met de letters "PSYCHO", op de andere [verdachte 3] is frontaal gefotografeerd; op zijn buik staat een boogvormige tatoeage met in een moeilijk leesbaar lettertype de woorden "NO LIMITS".

21.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een overzicht van de historische gegevens van de telefoonnummers 06-[002] en 06-[003] van 24 en 25 mei 2006 (gevoegd als [...] in ordner 9, pag. 3547-3550) (aangehecht als bijlage I).

22.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 10], brigadier van politie, getekend en gesloten op 3 oktober 2006 (gevoegd als [...] in ordner 11, pag. 4146- 4150), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

De SIM-kaart met telefoonnummer 06-[003] maakt gebruik van (het hof begrijpt: wordt gebruikt in) twee telefoons met de IMEl-codes: [008] en [009]. In het telefoontoestel met IMEI code [009] hebben twee SIM-kaarten gezeten, waaronder 06-[007].

Er blijkt dat 19 contactnummers van het eerder in het toestel gebruikte telefoonnummer 06- [003] overeenkomen met de thans in het toestel gebruikte telefoonnummer 06[007]. Uit de door het telefoontoestel met voornoemde IMEI-code gebruikte paallocaties blijkt dat de gebruiker zich kennelijk dagelijks nog steeds in dezelfde omgeving bevindt.

23.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 14], brigadier van politie Utrecht, getekend en gesloten op 11 januari 2007 (gevoegd als [...] in ordner 10, pag. 3931-3932), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

In de fouillering van verdachte [verdachte 2] werd die dag een telefoon, merk Samsung, type X810, kleur zilver/zwart, voorzien van IMEI-code [006] aangetroffen en inbeslaggenomen.

Uit de bevraagde historische printgegevens van de IMEI-code [006] bleek op 31 juli 2006 te 02:22 uur het telefoonnummer 06-[007] actief te zijn geweest.

(Het hof ziet in de hierboven onder 23 en 24 beschreven opeenvolgende gegevens inzake de IMEl-codes, behorend bij een bepaald telefoontoestel, en telefoonnummers, die afhankelijk zijn van gebezigde SIM-kaart, een sterke aanwijzing, dat [verdachte 2] in verband moet worden gebracht met het bij de ontvoering door een der daders gebezigde telefoonnummer 06- [003].)

24.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 7], brigadier van politie, getekend en gesloten op 7 december 2006 (gevoegd als [...], pag. 3807-3815 van ordner 9), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

Het toestel 06-[003] maakt op 24 mei 2006 te 22:17 uur en 22:33 uur gebruik van de paallocatie Kanaleneiland. Er wordt gebeld naar het toestel in gebruik bij [betrokkene 3].

25.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 10], brigadier van politie Utrecht, getekend en gesloten op 12 september 2006 (als [...] gevoegd in ordner 10, pag. 3697), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

Op 13 maart 2006 is door mij een aanvraag gedaan bij de divisie recherche Utrecht, voor de plaatsing van een camera op de uitvalsweg van meubelboulevard Kanaleneiland, die geschikt was om kentekens van passerende voertuigen te registreren. Deze aanvraag werd gedaan in verband met diverse gepleegde snelkraken in de nachtelijke uren bij meubelwinkels. De plaatsing van de camera was op de parallelweg Europalaan ter hoogte van de oprit Rijksweg A12 richting Den Haag.

Genoemde camera was actief van 6 april 2006 tot en met 9 juni 2006.

Naar aanleiding van de aangifte vrijheidsbeneming van aangever [slachtoffer], werden door mij de kentekens opgevraagd van de voertuigen die op 24 mei 2006 vanaf 22:00 uur tot en met 25 mei 2006 om 03:00 uur, genoemde camera hadden gepasseerd.

Ik zag dat op 24 mei 2006 om 22:25 uur, een personenauto voorzien van kenteken [AA-00-BB] de camera had gepasseerd. Bij navraag bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer bleek dat genoemd kenteken was afgegeven voor een Opel Astra-G-CC, kleur groen.

Op 24 mei 2006 stond als tenaamgestelde van het kenteken [AA-00-BB] geregistreerd:

[verdachte 1], geboren [geboortedatum] 1978, wonende [d-straat 1] te Den Haag.

Op 12 september 2006 stond als tenaamgestelde van het kenteken [AA-00-BB] geregistreerd:

[betrokkene 9], geboren op [geboortedatum] 1978.

26.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 14] en [verbalisant 15], beiden brigadier rechercheur van politie, getekend en gesloten op 3 januari 2007 (gevoegd als [...] in ordner 10, pag. 3907-3908), voorzover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisanten:

Op 21 december 2006 toonden wij verbalisanten de aangever [slachtoffer], een personenauto merk Opel, type Astra, voorzien van kenteken [AA-00-BB]. De aangever verklaarde dat de kleur groen van deze auto wel overeen kwam met de kleur groen van de auto uit de aangifte en dat hij uit angst in de bekleding had geplast.

27.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 16], brigadier van politie, getekend en gesloten op 29 december 2006 (gevoegd als [...] in ordner 10, pag. 3963- 3964), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

Gezien het belang van het onderzoek naar de vermoedelijke aanwezigheid van urine in de aangetroffen groene Opel Astra, kenteken [AA-00-BB] die vermoedelijk bij de ontvoering was gebruikt, werd door mij een deel van de zitting uit de achterbank (rechts) losgesneden. De sporen werden overgebracht naar de afdeling Technische Recherche van de politie Utrecht.

28.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een op 7 maart 2007 opgemaakt deskundigenrapport genummerd 2006.06.19.056, door dr. K.J. Lusthof, apotheker-toxicoloog, met betrekking tot een toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk geval van vrijheidsberoving en bedwelming, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze deskundige:

Er werd sterke aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van urine in het uitgesneden deel van de achterbank.

29.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 17] en [verbalisant 19], beiden hoofdagent van politie Utrecht, getekend en gesloten op 2 januari 2007 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3447-3451), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [betrokkene 8]:

Ik heb een vriend, hij heet [verdachte 2]. Ik heb een broertje, [verdachte 1].

30.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 10] en [verbalisant 7], beiden brigadier van politie Utrecht, getekend en gesloten op 15 januari 2007 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3464-3465), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [betrokkene 10]:

U houdt mij voor dat uit onderzoek is gebleken dat op 20 april 2006, 1 mei 2006 en 19 mei 2006 met het telefoonnummer 020-[010] gebeld is naar het telefoonnummer 06-[002]. Ook blijkt dat er met het telefoonnummer 06-[011], dat op mijn naam is gesteld, telefonisch contact is geweest met het telefoonnummer 06-[002].

Het telefoonnummer van mijn werkplek is 020-[010].

Ik heb wel eens telefonisch contact met [verdachte 2].

31.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van tonen selectie bij simultane fotobewijsconfrontatie, door [verbalisant 20], agent van politie Utrecht, getekend en gesloten op 8 november 2006 (als [...] gevoegd in ordner 10, pag. 3710-3711), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

Op woensdag 8 november 2006 confronteerde ik de getuige [slachtoffer], met een fotoselectie van 7 personen.

De foto's werden simultaan getoond middels een fototoonbord. Terwijl de getuige naar de selectie keek, nam ik het volgende waar:

Ik zag dat de getuige alle foto's stuk voor stuk bekeek. Ik heb het bord na 30 seconden teruggedraaid en hoorde hem zeggen dat foto nummer 3 het wel zou kunnen zijn. Op de vraag of de door getuige bedoelde persoon zich in de selectie bevindt, antwoordde de getuige: "Ik denk nummer 3, maar dat weet ik niet zeker".

Na afloop van de confrontatie deelde de confrontatiebegeleider mij mede, dat de foto van de verdachte in de selectie plaats 3 had ingenomen.

Voor de procedure van de fotoconfrontatie wordt verwezen naar het door de confrontatieleider opgemaakte proces-verbaal, nummer [...].

32.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van simultane fotobewijsconfrontatie, door [verbalisant 10], brigadier district Utrecht-Zuid, getekend en gesloten op 10 november 2006 (als [...] gevoegd in ordner 10, pag. 3722-3725), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

De foto van verdachte [verdachte 1] en de foto's van de figuranten bevestigde ik in willekeurige volgorde op de plaatsen met de nummers 1 tot en met 8 op een fotomap. De foto van verdachte kwam op plaats nummer 3.

33.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van tonen selectie bij simultane fotobewijsconfrontatie, door [verbalisant 20], agent van politie Utrecht, getekend en gesloten op 8 november 2006 (als [...] gevoegd in ordner 10, pag. 3712-3713), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

Op woensdag 8 november 2006 confronteerde ik de getuige [slachtoffer], met een fotoselectie van 7 personen.

De foto's werden simultaan getoond middels een fototoonbord. Ik liet de fotoselectie ongeveer 30 seconden aan de getuige. Terwijl de getuige naar de selectie keek, nam ik het volgende waar:

Ik zag dat de getuige de foto's stuk voor stuk bekeek. Na 20 seconden hoorde ik hem zeggen dat nummer 5 het wel zou kunnen zijn.

Na afloop van de confrontatie deelde de confrontatieleider mij mede, dat de foto van de verdachte in de selectie plaats 5 had ingenomen.

Voor de procedure van de fotoconfrontatie wordt verwezen naar het door de confrontatieleider opgemaakte proces-verbaal, nummer [...].

34.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van simultane fotobewijsconfrontatie, door [verbalisant 10], brigadier district Utrecht-Zuid, getekend en gesloten op 10 november 2006 (als [...] gevoegd in ordner 10, pag. 3730-3733), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

De foto van verdachte [verdachte 2] en de foto's van de figuranten bevestigde ik in willekeurige volgorde op de plaatsen met de nummers 1 tot en met 8 op een fotomap. De foto van verdachte kwam op plaats nummer 5.

35.

Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, door [verbalisant 10] en [verbalisant 7], beiden brigadier van politie, district Utrecht-Zuid, getekend en gesloten op 16 januari 2007 (als [...] gevoegd in ordner 9, pag. 3394-3402), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik woon samen met [verdachte 1] aan de [d-straat 1] te Den Haag."

De bewijsmiddelen zijn opgenomen in de aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv bij het bestreden arrest. Aan de aanvulling is de bijlage gehecht waarnaar wordt verwezen onder nr. 21.

4.4. De eerste deelklacht van het tweede middel betoogt dat de door het hof als bewijsmiddelen 1 tot en met 4 en 6 gebezigde verklaringen van, respectievelijk, aangever [slachtoffer] en getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] onbetrouwbaar zijn. Ik vat dit betoog zo op dat het klaagt over de begrijpelijkheid en de motivering van (een gedeelte van) de bewezenverklaring van het hof. Met de tweede klacht wordt gesteld dat de resultaten van de met aangever [slachtoffer] uitgevoerde fotoconfrontaties (bewijsmiddelen 31 tot en met 34) onvoldoende overtuigend zijn om in de onderhavige zaak als bewijs tegen de verdachte te dienen. De eerste en de tweede deelklacht lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.5. Ter onderbouwing van de stelling dat de als bewijsmiddelen 1 tot en met 4 en 6 gebezigde verklaringen onbetrouwbaar zijn, wordt door de steller van het middel gewezen op de volgende omstandigheden (zoals deze uit de stukken van het geding naar voren komen):

- hoewel aangever [slachtoffer] als slachtoffer van de tenlastegelegde vrijheidsberoving meer uren met de verdachte en zijn medeverdachten moet hebben doorgebracht, is hij niet in staat gebleken hen bij een fotoconfrontatie met zekerheid te herkennen;

- getuige [betrokkene 1] heeft de verdachte en zijn medeverdachten bij een fotoconfrontatie in het geheel niet herkend, terwijl zijn als bewijsmiddelen 2 en 3 gebezigde verklaringen inhouden dat hij één of meer van hen wel heeft gezien; en

- getuige [betrokkene 5] heeft van twee van de drie verdachten signalementen gegeven, welke verschillen van de signalementen gegeven door aangever [slachtoffer].

4.6. De hierboven genoemde omstandigheden zijn door de verdediging ook in hoger beroep naar voren gebracht (zie blz. 2-4 van de pleitnota die is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 5 juni 2008). Naar aanleiding daarvan heeft het hof op blz. 3-4 van het bestreden arrest het volgende overwogen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer] te onbetrouwbaar zijn om voor het bewijs van het tenlastegelegde mee te werken. Voorts komen de signalementen die de getuigen en de verdachte [bedoeld lijkt te worden: de aangever, DA] geven van dader 1 en 2 niet met elkaar overeen.

Het hof is echter van oordeel dat ondanks de verschillen in de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen, deze in onderling verband beschouwd voldoende consistent zijn en allerlei details bevatten die maken dat deze verklaringen als betrouwbaar kunnen gelden. Essentiële delen van voornoemde verklaringen van [slachtoffer] vinden voorts steun in de getuigenverklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en in de overige bewijsmiddelen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de getuigen in dit onderzoek veel later door de politie zijn gehoord, waardoor het niet onmogelijk is dat de verschillende verklaringen niet tot in detail overeenkomen met die van het slachtoffer, die immers een dag na de vrijheidsberoving aangifte deed.

In het bijzonder weegt het hof in zijn oordeel inzake de betrouwbaarheid van de aangifte mee, dat het slachtoffer door aangifte te doen het risico heeft gelopen dat hij zelf onderwerp van onderzoek door de politie zou worden.

Ten aanzien van de signalementen is het hof met de verdediging van mening dat de verklaringen van getuigen en aangever verschillen. Het hof wijdt dit echter aan de subjectieve waarneming van getuigen en verdachte. Op essentiële punten, zoals het feit dat het getinte mannen betrof, het feit dat deze mannen Engels spraken en het feit dat zij [slachtoffer] meenamen uit zijn woning, komen de verklaringen wel overeen."

En op blz. 6 van het bestreden arrest:

"Er heeft ook een foslo-confrontatie plaatsgevonden met aangever waarbij de foto van verdachte getoond is. Aangever heeft gezegd dat nummer 3 het wel zou kunnen zijn, maar dat hij dat niet zeker weet. De foto nummer 3 betrof de foto van verdachte (ordner 10, pag. 3712-3713) Ook ten aanzien van medeverdachte [verdachte 2] zegt aangever bij de foto van [verdachte 2] dat hij het zou kunnen zijn, maar dat hij het niet zeker weet. (ordner 10, pag. 3710-3711)

Ondanks het feit dat het geen volledige herkenning betreft neemt het hof wel in zijn bewijsvoering in aanmerking dat aangever beide verdachten uit de reeks foto's aanwijst. Het hof overweegt hierbij dat het denkbaar is dat de verdachte er in mei 2006 anders uitzag dan op de foto waarmee het slachtoffer in november 2006 is geconfronteerd, nu niet duidelijk is wanneer die foto is genomen."

4.7. Aldus heeft het hof in het bestreden arrest duidelijk gemotiveerd op grond waarvan het de als bewijsmiddelen 1 tot en met 4 en 6 gebezigde getuigenverklaringen voldoende betrouwbaar heeft geoordeeld. Daarbij is het hof expliciet ingegaan op de omstandigheid dat aangever [slachtoffer] de verdachte en zijn medeverdachten niet met zekerheid heeft kunnen herkennen en de omstandigheid dat de door aangever [slachtoffer] en getuige [betrokkene 5] gegeven signalementen van twee van de drie verdachten onderling verschil vertonen. Aan de omstandigheid dat getuige [betrokkene 1] geen van de verdachten heeft kunnen herkennen heeft het hof geen nadere bewijsoverweging gewijd, maar ik zie hierin geen reden om de bewezenverklaring van het hof onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd te achten. Het hof heeft erop gewezen dat de betreffende getuige pas enige tijd na het tijdstip van het tenlastegelegde feit is gehoord, maar dat zijn verklaring niettemin op essentiële onderdelen met de andere getuigenverklaringen overeenstemt. Daar komt bij dat deze getuige naar aanleiding van de met hem uitgevoerde fotoconfrontatie onder meer het volgende heeft verklaard (zie blz. 4 van het proces-verbaal van verhoor van getuige met kenmerk [...]):

"Ik heb de gezichten niet goed gezien. Ik heb alleen 'de actie' gezien. Ik bedoel hiermee dat toen ik met [slachtoffer] over straat liep en een man achter ons aankwam ik alleen heb gezien dat de man iets uit zijn jas wilde halen. Dit voorwerp zat ter hoogte van zijn broeksband aan de voorzijde van zijn broek. De man liep met versnelde pas op ons af. Ik denk dat de man uit een auto kwam. Ik zag uit mijn ooghoeken een auto. Ik heb de auto niet goed gezien. Ik dacht meteen dat er iets aan de hand was. Ik voelde een dreiging van deze man uitgaan en ben toen gaan rennen. Kort voordat de man op ons af kwam lopen had ik [betrokkene 3] in zijn auto gezien. Ik weet niet wie bij hem was, het was donker, ik heb het niet goed kunnen zien. [Betrokkene 3] was langzaam voorbij gereden."

Bezien in het licht van deze verklaring - die door de als bewijsmiddelen 2 en 3 gebezigde verklaringen van dezelfde getuige niet wordt weersproken - hoeft de door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheid dat getuige [betrokkene 1] één of meer van de verdachten wel heeft gezien, maar niet heeft kunnen herkennen, geen bevreemding te wekken. Zij noopte het hof niet tot nadere motivering.

4.8. Op grond van het voorgaande faalt de eerste deelklacht. Nu in de onder 3.6. aangehaalde bewijsoverweging tevens een toereikende motivering besloten ligt van 's hofs gebruik voor het bewijs van de resultaten van de met aangever [slachtoffer] uitgevoerde fotoconfrontatie (bewijsmiddelen 31 tot en met 34) en het hof uit deze resultaten niets heeft afgeleid wat het daaruit niet kon afleiden, faalt ook de tweede deelklacht.

5.1. De derde deelklacht houdt in dat het hof uit de resultaten van onderzoekshandelingen met betrekking tot een aantal met de verdachte en zijn medeverdachten in verband gebrachte mobiele telefoons (bewijsmiddelen 8 tot en met 11 en 21 tot en met 24) en een personenauto (bewijsmiddelen 25 tot en met 28) niets heeft kunnen afleiden dat wijst op verdachtes strafbare betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit.

5.2. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof uit de bewijsmiddelen 8 tot en met 11 en 21 tot en met 24 afgeleid dat de verdachte één van de gebruikers is geweest van het telefoonnummer 06-[002]. Het hof heeft zijn bewijsbeslissing op dit punt voorzien van een uitgebreide motivering (blz. 4-5 van het bestreden arrest), waaruit de volgende redenering naar voren komt. Vlak voor, tijdens en na de tenlastegelegde vrijheidsberoving heeft veelvuldig contact plaatsgevonden tussen het telefoonnummer 06-[001] van medeverdachte [betrokkene 3] en de telefoonnummers 06-[003] en 06-[002] (bewijsmiddel 8). Beide laatstgenoemde telefoonnummers hebben in de betreffende periode tevens veelvuldig contact gehad met het telefoonnummer van [betrokkene 11], de vriendin van medeverdachte [verdachte 2] en de zus van de verdachte (bewijsmiddelen 9 en 29). Het telefoonnummer 06-[002] heeft daarnaast veelvuldig contact gehad met het telefoonnummer van [betrokkene 9](4), die - zo vat ik 's hofs overweging op dat een personenauto waarvan de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit de tenaamgestelde was enige maanden later op naam van [betrokkene 9] stond - een contact van de verdachte is (bewijsmiddel 25).

5.3. De klacht draagt niets aan op grond waarvan 's hofs gebruik voor het bewijs van de resultaten van het onderzoek naar de hierboven genoemde mobiele telefoons en telefoonnummers onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd zou zijn. Hoewel dit in het bestreden arrest niet expliciet wordt overwogen, ligt in de bewijsmotivering van het hof besloten dat het hof de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit uiteindelijk onder meer heeft afgeleid uit het verband tussen verdachtes gebruik van het genoemde telefoonnummer 06-[002] en de vlak voor, tijdens en na de tenlastegelegde vrijheidsberoving door dit telefoonnummer aangezochte paallocaties (bewijsmiddelen 9 tot en met 11). 's Hofs oordeel in dit verband acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit echter eveneens afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit de tenaamgestelde was van de personenauto met kenteken [AA-00-BB] genoemd in de bewijsmiddelen 1, 3 en 25 tot en met 28. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte "op de vraag hoe het kan dat zijn auto, op de datum en rond het tijdstip van de ontvoering, in de buurt van de locatie waar de ontvoering van het slachtoffer heeft plaatsgevonden is geweest, bij de politie en bij de zitting van het hof geen redelijke verklaring heeft gegeven". Eveneens op dit punt is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, zodat de klacht - ook waar die zich richt tegen 's hofs gebruik voor het bewijs van de onderzoeksbevindingen met betrekking tot de betreffende auto - niet tot cassatie kan leiden.

5.4. Ook de derde deelklacht van het middel faalt derhalve.

6. Voor zover in het middel nog een klacht besloten ligt die zich richt tegen 's hofs gebruik voor het bewijs van de bewijsmiddelen 5 tot en met 7, 12 tot en met 20, 29, 30 en 35, merk ik op dat ook deze klacht faalt, nu de steller van het middel geen punten naar voren brengt die voor het hof aanleiding hadden moeten vormen voor nadere motivering van zijn bewijsbeslissing. Bovendien heeft het hof uit de betreffende bewijsmiddelen niets afgeleid wat het daaruit niet kon afleiden.

7. Het eerste middel is vruchteloos voorgesteld. Het tweede middel faalt in zijn geheel en kan naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

7. Ambtshalve wijs ik erop dat namens de verdachte, die preventief is gedetineerd, beroep in cassatie is ingesteld op 20 juni 2008. Thans staat al vast dat de Hoge Raad de zaak niet meer binnen een termijn van zestien maanden na het instellen van het beroep zal kunnen afdoen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is geschonden, wat tot strafvermindering dient te leiden. Andere gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt en tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaken 08/02725 ([verdachte 2]), 08/02765 ([verdachte 3]) en 09/02111 ([betrokkene 3]), waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Zie blz. 4-5 van de vonnissen van de rechtbank Utrecht van 19 april 2007 in de onderhavige zaak (parketnummer: 16/510969-06) en in de zaak tegen medeverdachte [verdachte 2] (parketnummer: 16/510968-06).

3 Zie blz. 8 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 19 juni 2008 in de zaak tegen medeverdachte [verdachte 2] (parketnummer: 21-001966-07).

4 Dit onderdeel van de bewijsredenering van het hof kan niet worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. 's Hofs verwijzing in het bestreden arrest naar het proces-verbaal met kenmerk [...] waaraan het onderdeel is ontleend, voldoet echter aan de eisen die de Hoge Raad aan een dergelijke verwijzing stelt (zie HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165).