Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL7668

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
08/02078
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL7668
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 416 Sv. Klacht over niet-ontvankelijkheid hb. Geen schriftuur houdende grieven, wel een gemachtigde rm, die t.t.z. het woord tot verdediging heeft gevoerd. Gelet daarop is ’s Hofs vaststelling dat verdachte niet mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 680
NJ 2011/79 met annotatie van C.P.M. Cleiren
NJB 2010, 1230
NBSTRAF 2010/197
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02078

Mr. Machielse

Zitting 9 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 8 mei 2008 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 1 juni 2007, waarbij verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Mr. M. Ketting, advocaat te Amsterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld.(1) Mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie.

3.1 Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

3.2 Het hof heeft verdachte gelet op het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft deze beslissing in zijn arrest als volgt gemotiveerd:

" Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep

Verdachte heeft geen schriftuur houdende grieven ingediend als bepaald in artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering(2) noch heeft verdachte mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis opgegeven.

De advocaat-generaal heeft niet gevorderd de zaak inhoudelijk te behandelen en er zijn het hof geen omstandigheden gebleken op grond waarvan het zou moeten beslissen de zaak inhoudelijk te behandelen."

3.3 In aanmerking genomen dat in eerste aanleg na 1 maart 2007(3), te weten op 1 juni 2007, uitspraak is gedaan, is art. 416, tweede lid, Sv op de onderhavige zaak van toepassing. Deze bepaling luidt als volgt:

"Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

3.4 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep, nu hij geen bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en de advocaat-generaal niet heeft gevorderd de zaak inhoudelijk te behandelen. Uit het proces-verbaal terechtzitting zou echter blijken dat de ter terechtzitting aanwezige raadsman, mr. C.R. Hettema, uitdrukkelijk gemachtigd was om verdachte te verdedigen en dat hij het woord tot verdediging heeft gevoerd. Voorts zou uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijken dat "de advocaat-generaal heeft bevolen dat met de behandeling van de zaak wordt voortgegaan" en dat hij zijn vordering, inhoudende drie maanden gevangenisstraf, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, heeft voorgelezen.

3.5 Het proces-verbaal terechtzitting van 24 april 2008 houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

(...)

is niet verschenen

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. C.R. Hettema, advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte(4) en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van het dossier in deze strafzaak, waaronder met name al die stukken waarvan in het verkorte arrest en de aanvulling daarop melding is gemaakt.

De advocaat-generaal voert het woord, leest zijn vordering voor en legt die aan het gerechtshof over.

De raadsman voert het woord tot verdediging.

Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken."

3.6 De steller van het middel heeft terecht aangevoerd dat uit het proces-verbaal terechtzitting van 24 april 2008 blijkt dat de raadsman, mr. C.R. Hettema, uitdrukkelijk gemachtigd was om verdachte te verdedigen en dat hij het woord tot verdediging heeft gevoerd. Hoewel in het middel niet expliciet wordt aangevoerd dat de raadsman bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven noch wat de inhoud van die bezwaren is geweest, begrijp ik de klacht aldus dat de raadsman van verdachte ter terechtzitting wel degelijk mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, zoals bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv, nu de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman ter terechtzitting aanwezig is geweest en het woord tot verdediging heeft gevoerd. Vooropgesteld dient te worden dat het proces-verbaal terechtzitting in cassatie in beginsel de enige kenbron is van hetgeen op de terechtzitting van de feitenrechter is voorgevallen.(5) Het proces-verbaal terechtzitting houdt niet in dat er uitdrukkelijk bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven en wat die bezwaren inhouden. De raadsman heeft ook geen pleitnota overgelegd waaruit het opgeven van dergelijke bezwaren kan blijken. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat hetgeen de raadsman heeft betoogd niet kan worden aangemerkt als een bezwaar of bezwaren tegen het vonnis, zoals bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv. Dat is ook in overeenstemming met de wetsgeschiedenis, waaruit blijkt dat de bezwaren expliciet moeten zijn geuit. Ik citeer uit de Memorie van toelichting:

"De regering onderschrijft in algemene zin, dat het onderzoek in hoger beroep inhoudelijk betrekking dient te hebben enerzijds op die onderdelen van het beroepen vonnis waar de appèlrechter ambtshalve voorlopig wezenlijk anders tegenaan kijkt, maar anderzijds bovenal op overwegingen en beslissingen waartegen door de verdediging of het openbaar ministerie bezwaar wordt gemaakt. Praktisch gesproken zal dat betekenen dat het geding dan in appèl wordt geconcentreerd rond die kwesties waar expliciet tegen wordt geponeerd. De aandacht van de appèlrechter moet zich in het bijzonder richten op de grieven (artikelen 410, 416 Sv) van partijen." (6)

En:

"Ik acht het alleszins redelijk, om van degene die in appèl komt, of dat nu het openbaar ministerie is of de verdachte, te vragen duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het vonnis." (7)

In de Nota n.a.v. het verslag schreef de Minister:

"Ook van de verdachte die geen verklaring wenst af te leggen over het hem tenlastegelegde feit, kan worden verwacht dat hij aangeeft waarom hij in appèl is gegaan. In zo'n geval zou hij ten minste kunnen aanvoeren dat hij ten onrechte door de rechtbank is veroordeeld. Laat hij zelfs dit na en geeft een ambtshalve beoordeling van de stukken geen aanleiding om het vonnis te vernietigen, dan kan het gerechtshof het hoger beroep zonder verder onderzoek niet-ontvankelijk verklaren." (8)

In cassatie kan het oordeel van het hof dat geen bezwaren zijn opgegeven niet op juistheid worden getoetst.

3.7 Voorts heeft de steller van het middel aangevoerd dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de advocaat-generaal heeft bevolen dat met de behandeling van de zaak wordt voortgegaan. Vorenstaande berust op een onjuiste lezing van dat proces-verbaal. Niet de advocaat-generaal, maar het hof heeft bevolen dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan. Bovendien houdt dit bevel van het hof geen verband met de vraag of de zaak al dan niet inhoudelijk dient te worden behandeld met het oog op het ontbreken van een appelschriftuur en een opgave van mondelinge bezwaren tegen het vonnis, maar met de voortgang van de behandeling van de zaak na verstekverlening. Dit bevel is geenszins van belang bij de beoordeling of het hof verdachte al dan niet terecht of al dan niet voldoende gemotiveerd niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.

Het is juist dat de advocaat-generaal, zoals de steller van het middel heeft aangevoerd, zijn vordering heeft voorgelezen. Ook hierbij valt niet in te zien hoe dit er voor het hof aan in de weg staat de verdachte op grond van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk te verklaren.

3.8 Voorzover de steller van het middel er voorts over heeft bedoeld te klagen dat het hof uitsluitend zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep van de verdachte kan uitspreken, merk ik op dat dit noch uit de tekst, noch uit de wetsgeschiedenis van art. 416, tweede lid, Sv volgt.(9) Voorstelbaar is dat het hof aan de uitdrukkelijk gemachtigde advocaat de gelegenheid laat om eerst in pleidooi de bezwaren tegen het vonnis van eerste aanleg te ontwikkelen. Kennelijk heeft het hof onderzoek van de zaak noodzakelijk geacht, maar na sluiting van het onderzoek aanleiding gezien alsnog te beslissen dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.(10)

3.9 Een verdachte kan op grond van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk worden verklaard indien deze geen schriftuur houdende grieven (als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv) heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Blijkens de motivering die ten grondslag ligt aan de beslissing van het hof, is aan deze voorwaarden voldaan. Derhalve is de beslissing van het hof de verdachte op grond van genoemde bepaling niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep niet onbegrijpelijk en behoeft zij geen nadere motivering.(11) Het middel faalt.

4. Het voorgestelde middel faalt en kan naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

5. Gronden waarop uw Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Het dossier bevat ook een akte waaruit blijkt dat op 19 mei 2008 namens verdachte door mr. A.D. Kloosterman cassatie is ingesteld, kennelijk omdat is bemerkt dat in de akte van 15 mei 2008 een verkeerde datum van de veroordeling in hoger beroep is vermeld.

2 Voor de duidelijkheid wil ik hierbij opmerken dat de mogelijkheid tot het indienen van een schriftuur houdende grieven is geregeld in art. 410, eerste lid, Sv. Art. 416 regelt de mogelijkheid van mondelinge opgave van bezwaren tegen het vonnis en de mogelijke gevolgen indien een schriftuur houdende grieven is ingediend noch mondeling bezwaren zijn opgegeven.

3 Art. IV (overgangsbepaling) van de Wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastelegging (stroomlijnen hoger beroep) (Stb. 470) in verbinding met het Besluit van 10 februari 2007 tot vaststelling van de tijdstippen van inwerkingtreding van voornoemde wet (Stb. 70).

4 Hierbij merk ik op dat het hof ten onrechte verstek tegen de niet verschenen verdachte heeft verleend. De verdachte is weliswaar niet ter terechtzitting verschenen, maar er is wel een uitdrukkelijk gemachtigde advocaat ter terechtzitting aanwezig geweest, welke advocaat het woord tot verdediging heeft gevoerd. Hieruit volgt dat het arrest op tegenspraak gewezen had moeten worden.

5 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, p. 163-164.

6 Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 8.

7 Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 11.

8 Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 6, p. 9.

9 Zie ook HR 2 februari 2010, LJN BK0910 met betrekking tot art. 416, derde lid, Sv.

10 Ik wil hierbij opmerken dat de advocaat-generaal niet heeft gevorderd de zaak inhoudelijk te behandelen en bovendien geen andere straf heeft geëist dan door de Politierechter is opgelegd.

11 Ik wil er overigens op wijzen dat er, indien aan de in art. 416, tweede lid, Sv genoemde voorwaarden is voldaan, geen verplichting ontstaat om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de appelrechter de bevoegdheid heeft bij het ontbreken van weerwoord van de kant van de verdachte het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, maar dat hij daartoe evenwel niet verplicht is, aangezien de appelrechter de ruimte heeft - indien hij dat noodzakelijk acht - toch onderzoek te verrichten en ambtshalve geconstateerde fouten te herstellen. Zie de Memorie van toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 11-13 en 51) en de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 6, p. 9).