Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL7042

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
09/01679
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL7042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek om toepassing schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van art. 288 lid 1, aanhef en onder b F. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 624
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2012/262 met annotatie van Mr. G.H. Lankhorst
JWB 2010/196
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 09/01679

Mr M.H. Wissink

Parket 2 maart 2010

conclusie inzake

[Verzoeker]

Inleiding

Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoeker], aan wie toelating tot de schuldsaneringsregeling is geweigerd, ten aanzien van het ontstaan van zijn schuld aan de belastingdienst in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het inleidende verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest in de zin van artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet (Fw).

1. Feiten en procesverloop

1.1 Op 18 juli 2006 is [verzoeker], die een eenmanszaak dreef, failliet verklaard. Dit faillissement is op 7 december 2007 beëindigd.

1.2 Op 16 september 2008 heeft [verzoeker] de rechtbank Amsterdam verzocht de toepassing van de wettelijke schuldsanering uit te spreken.

1.3 De totale schuldenlast bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 Fw op 15 september 2008 € 872.248,70. Hiervan heeft een bedrag van € 53.839,-- betrekking op een schuld aan de belastingdienst vanwege het niet doen van aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2005 en 2006.

1.4 Bij vonnis van 17 februari 2009 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoeker] op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat het niet aannemelijk is dat [verzoeker] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen, omdat hij zelf verantwoordelijk is voor het doen van belastingaangifte en hier door de curator ook op is gewezen.

1.5 Van het vonnis van de rechtbank heeft [verzoeker] hoger beroep bij het hof Amsterdam ingesteld. Het hof heeft, bij arrest van 17 april 2009, het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

1.6 Het hof wijst echter het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op een andere rechtsgrond af dan de rechtbank dat heeft gedaan. Het hof doet dit namelijk niet op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw, doch op grond van artikel 288 lid 1 sub b Fw. Voor zover thans in cassatie van belang heeft het hof hiertoe het volgende overwogen:

"2.3. Aan de orde is in de eerste plaats de vraag of [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het inleidende verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Naar het oordeel van het hof is hiervan ten aanzien van de belastingschuld niet gebleken. [Verzoeker] dient als zelfstandig ondernemer zorg te dragen voor het doen van belastingaangiften. Dat een en ander niet is gebeurd vanwege het feit dat hij de boekhouder niet heeft betaald, kan hem worden aangerekend. Wat er van zij dat hij thans - met de hulp van zijn raadsman - een belastingadviseur bereid heeft gevonden om binnenkort de aangiften in te dienen, maakt - gelet op de Recofarichtlijnen onder 7a - niet dat zijn goede trouw ten aanzien van het ontstaan van de belastingschuld moet worden aangenomen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er reeds op deze grond aanleiding is [verzoeker] niet tot de schuldsaneringsregeling toe te laten. De beslissing van de rechtbank dient te worden bekrachtigd."

1.7 [Verzoeker] heeft - tijdig(1) - cassatieberoep doen instellen.

2. Het middel van cassatie

2.1 Als ik het goed zie, heeft van [verzoeker] één middel van cassatie voorgesteld bestaande uit verschillende klachten die zijn gericht tegen de hierboven geciteerde rechtsoverweging 2.3 van het bestreden arrest. Ik zou de klachten als volgt willen samenvatten:

i. De oordelen van het hof in rov. 2.3 van het bestreden arrest, dat [verzoeker] als zelfstandig ondernemer zorg dient te dragen voor het doen van belastingaangiften en dat hem kan worden aangerekend dat een en ander niet is gebeurd vanwege het feit dat hij de boekhouder niet heeft betaald, zijn gebaseerd op gronden die deze overweging en de daarin vervatte oordelen niet kunnen dragen. Immers, deze gaan langs de feitelijke en juridische situatie heen, nu de curator laakbaar heeft gehandeld waardoor [verzoeker] zich op overmacht kan beroepen (zie par. 6.5 van het cassatieverzoek).

ii. Het hof heeft er ten onrechte geen blijk van gegeven dat het heeft gerespondeerd op het beroepschrift in appèl waar gewag wordt gemaakt van de taak van de curator. Gelet op het jaar van de faillietverklaring en de opheffing van [verzoeker]s faillissement per 7 december 2007 is het aannemelijk dat de curator diende toe te zien op de aangiften IB 2005 en 2006 (zie par. 6.6 van het cassatieverzoek).

iii. Het hof heeft miskend dat de Recofa-richtlijnen 2005 en niet die van 2008 van toepassing zijn. De belastingschuld waar het hier om gaat, is immers opgekomen of ontstaan in de jaren 2005 en 2006. De nieuwe richtlijnen zijn duidelijk strenger, zodat de goede trouw van [verzoeker] dient te worden getoetst aan de Recofa-richtlijnen van 2005 (zie par. 6.7 tot en met 6.9 van het cassatieverzoek).

iv. Het hof heeft blijkt gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans rechtstoepassing door te toetsen aan artikel 288 lid 1 sub c Fw nieuw juncto artikel 7a Recofa-richtlijnen 2008, gelet op het eerdere faillissement uit 2006, en had dienen te toetsen aan het toen geldende artikel 288 lid 2 sub b Fw en artikel 4a van de toenmalige Recofa-richtlijnen (zie par. 6.9 van het cassatieverzoek).

2.2 Om te beginnen moet worden vastgesteld welke versie van artikel 288 Fw het hof moest toepassen. Ik begin daarom met de vierde klacht, vervat in paragraaf 6.9. Daarin wordt geklaagd - de Recofa-richtlijnen laat ik nu even buiten beschouwing - dat het hof artikel 288 lid 2 sub b (oud) Fw had dienen toe te passen in plaats van artikel 288 lid 1 sub c (nieuw) Fw.

2.3 Tot 1 januari 2008 bepaalde artikel 288, leden 1 en 2 Fw:

"1. Het verzoek wordt afgewezen:

a. indien de schuldenaar geacht wordt te kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

b. indien er gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen;

c. indien de schuldsaneringsregeling reeds op de schuldenaar van toepassing is.

2. Het verzoek kan worden afgewezen:

a. indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, de schuldenaar ingevolge een bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak in staat van faillissement heeft verkeerd of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest;

b. indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest."

2.4 Vanaf 1 januari 2008 bepaalt artikel 288, leden 1 en 2, Fw:(2)

"1. Het verzoek, bedoeld in artikel 284, eerste lid, wordt slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is:

a. dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

b. dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest; en

c. dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

2. Het verzoek wordt evenwel afgewezen:

a. indien de schuldsaneringsregeling reeds op de schuldenaar van toepassing is;

b. indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet;

c. indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar vóór de dag van het verzoekschrift, tenzij de rechter aanleiding ziet een langere termijn in acht te nemen; of

d. indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder a of b of op grond van artikel 350, derde lid, onder d, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen."

2.5 Het middel veronderstelt ten onrechte dat het hof artikel 288 lid 1 sub c (nieuw) Fw heeft toegepast.(3) Het hof heeft getoetst aan de goede trouw-eis van artikel 288 lid 1 sub b (nieuw) Fw en (reeds) om die reden het verzoek afgewezen. Als het middel bedoelt dat het hof niet artikel 288 lid 1 sub b (nieuw) Fw had dienen toe te passen, maar artikel 288 lid 2 sub b (oud) Fw, dan faalt het omdat artikel 288 (nieuw) Fw - dat onmiddelijke werking heeft, zoals werd overwogen in HR 26 september 2008, LJN: BD3796, NJ 2008, 522, rov. 3.1 - in deze zaak gewoon van toepassing is.

2.6 Vervolgens kan worden ingegaan op de derde klacht, dat het hof de goede trouw van [verzoeker] had dienen te toetsen aan de Recofa-richtlijnen 2005 en niet aan de Recofa-richtlijnen 2008. Deze klacht faalt. Het hof dient de goede trouw te toetsen aan de wettelijke norm van artikel 288 Fw en dat heeft het hof ook gedaan.(4) Overigens mag het hof bij het bereiken van dat oordeel inspiratie putten uit rechtersregelingen zoals de Recofa-richtlijnen, wat m.i. ook toe te juichen is omdat dit de rechtszekerheid bevordert. Begrijpelijkerwijs heeft het hof niet de Recofa-richtlijnen 2005 gehanteerd nu deze waren toegesneden op het oude artikel 288 Fw.

2.7 De eerste en de tweede klacht beogen op verschillende manieren te ontkomen aan het oordeel van het hof, dat [verzoeker] als zelfstandig ondernemer zorg diende te dragen voor het doen van belastingaangiften en dat hij, nu hij dat heeft verzuimd ten aanzien van de aangiften IB 2005 en 2006, ter zake van de belastingsschuld niet te goeder trouw is in de zin van artikel 288 lid 1 sub b (nieuw) Fw en niet tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten

2.8 Zoals boven al werd vermeld, is artikel 288 Fw per 1 januari 2008 gewijzigd. Artikel 288 Fw (nieuw) wijkt in drie opzichten af van zijn voorganger.(5)

Artikel 288 Fw bevat thans imperatieve toelatings- en afwijzingsgronden en geen - zoals het oude artikel in het tweede lid - facultatieve afwijzingsgronden.(6) In de nieuwe regeling is een aantal weigeringsgronden omgevormd tot cumulatieve toelatingsvoorwaarden. Hierdoor wordt duidelijk gemaakt dat toelating tot de schuldsaneringsregeling thans niet meer iets is wat alleen in bepaalde gevallen kan worden geweigerd, maar dat zij een mogelijkheid is die binnen bereik komt mits er aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Dit draagt bij tot het beperken van de toegang tot de regeling tot diegenen die "er klaar voor zijn".(7)

In de tweede plaats is het aan de schuldenaar om aannemelijk te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest. Anders dan voorheen, wordt dit niet meer verondersteld.(8)

Ten slotte geldt een beoordelingstermijn van vijf jaar.(9)

2.9 Bij de rechterlijke toetsing van de goede trouw, die zowel bij het ontstaan van schulden als bij het onbetaald laten daarvan speelt, gaat het om een gedragskundige en niet om een juridische maatstaf.(10) Het oordeel hierover heeft in hoge mate een feitelijk karakter, waarbij alle relevante omstandigheden een rol kunnen spelen.(11) Met de wijziging van artikel 288 Fw is niet beoogd het begrip "te goeder trouw" te wijzigen.(12) Zo merkt de Minister in een brief d.d. 19 oktober 2006 aan de Tweede Kamer onder meer op, dat het gaat om een gedragsmaatstaf, waaraan concrete gedragingen van de schuldenaar worden getoetst met inachtneming van de omstandigheden van het geval; dat het steeds gaat om een rechterlijke beoordeling met een in hoge mate feitelijk karakter; en verwijst hij daarbij naar omstandigheden waarop de rechter volgens de rechtspraak van de Hoge Raad moet letten.(13)

2.10 In dit verband verwijs ik naar de conclusie sub 7 van A-G Langemijer voor HR 22 december 2009, LJN: BK2008, RvdW 2010, 55 (waarin een klacht over de toepassing van artikel 288 lid 1 sub b (nieuw) Fw werd verworpen met toepassing van art. 81 RO). Hij schrijft daarin:

"Overigens blijkt uit de wetsgeschiedenis van art. 288, lid 2 onder b, (oud) Fw dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de rechter in een concreet geval met alle omstandigheden rekening kan houden. "Daarbij spelen een rol de aard en de omvang van vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke".(14) De mate van verwijtbaarheid is dus niet het enige gezichtspunt. Verder verdient in dit verband opmerking dat volgens punt 7, onder a, van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen in beginsel geen sprake is van schulden te goeder trouw indien er vorderingen van de Belastingdienst zijn die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting.(15)"

2.11 Het oordeel of de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest, is dus nog steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Echter, nu het in het per 1 januari 2008 geldende artikel 288 lid 1 sub b Fw niet meer gaat om een facultatieve afwijzingsgrond, staat een oordeel dat [verzoeker] ten aanzien van de belastingschuld niet te goeder trouw is geweest, thans wél reeds op zichzelf genomen aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.(16)

2.12 Nu de inhoudelijke toets van de goede trouw ex artikel 288 lid 1 sub b Fw een gedragskundige maatstaf betreft die overwegend feitelijk van aard is en bovendien geldt als imperatieve grond, getuigt 's hofs oordeel, dat "[verzoeker] als zelfstandig ondernemer zorg [dient] te dragen voor het doen van belastingaangiften", niet van een onjuiste rechtsopvatting.

2.13 Deze gevallen komen vaker voor. Weigering van toegang tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 288 lid 1 sub b (nieuw) Fw in verband met niet gedane aangiften was eveneens aan de orde in HR 22 december 2009, LJN: BK2008, RvdW 2010, 55 (een artikel 81 RO arrest). Een dergelijke weigering op grond van artikel 288 lid 1 sub c (nieuw) Fw was aan de orde in HR 26 september 2008, LJN: BD3796, NJ 2008, 522; rov. 3.3 laat het oordeel van het hof in stand.(17)

2.14 Als vermeld, is het niet nakomen van aangifteverplichtingen ook volgens de Recofa-richtlijnen van 2008 reden om de toelating in beginsel te weigeren. Het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken bevat een nagenoeg gelijkluidende bepaling in artikel 3.1.3.5 juncto artikel 5.4.4 van Bijlage IV. Dit reglement is met ingang van 1 april 2009 in werking getreden; in verband hiermee bevatten de Recofa-richtlijnen 2009 nog slechts regels voor de verdere behandeling van schuldsaneringsregelingen.(18)

2.15 Van deze 'in beginsel'-regel gaat een zekere gestrengheid uit. Immers, het is niet uitgesloten dat een ondernemer in zwaar weer ook problemen krijgt met het op orde houden van de boekhouding en/of indienen van aangiftes, bijvoorbeeld omdat de boekhouder/belastingadviseur niet meer wordt betaald.(19) Anderzijds is, zeker met het huidige artikel 288 Fw, ook een zekere gestrengheid beoogd. In ieder geval laat de wettelijke maatstaf (nog steeds) aan de feitenrechter de ruimte om te oordelen - zoals in het onderhavige geval - dat het niet op orde hebben van de aangiftes IB 2005 en 2006 betekent dat de schuldenaar, voormalig ondernemer, in verband met het ontbreken van goede trouw ten aanzien van de daaruit voortvloeiende schuld niet tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten.

2.16 Op het voorgaande stuit de eerste klacht van het middel af. Daaraan doet niet af de vraag of het verzuim aangifte te doen zijn oorzaak vond in problemen met de boekhouder van [verzoeker] (zoals het hof aannam in voetspoor van hetgeen daarover in eerste aanleg door de rechtbank naar aanleiding van de stellingen van [verzoeker] was overwogen) dan wel met de curator in diens faillissement (zoals het middel veronderstellenderwijs aanneemt). Wat dat laatste betreft, [verzoeker] verkeerde eerst op 18 juli 2006 in staat van faillissement, zodat zijn op laakbaar handelen van de curator gebaseerde beroep op overmacht reeds om die reden niet opgaat ten aanzien van de aangifte IB 2005.

2.17 De tweede klacht stoort zich in het bijzonder aan het feit dat het hof niet heeft gerespondeerd op [verzoeker]s stelling dat de curator laakbaar heeft gehandeld door niet toe te zien op het doen van aangiftes IB over 2005 en 2006. De klacht faalt. Weliswaar is het hof in rov. 2.3 niet expliciet ingegaan op hetgeen [verzoeker] in zijn hoger beroepschrift van 24 februari 2009 heeft aangevoerd ("Hetzelfde geldt voor de curator immers het is mede zijn taak om te waken over de belangen van [verzoeker] én de schuldeisers"), maar het cassatiemiddel miskent dat de rechtbank in haar vonnis van 17 februari 2009 reeds vaststelde dat de curator [verzoeker] had gewezen op de plicht tot het doen van aangifte inkomstenbelasting.(20) Bovendien, zou het hof wel expliciet op dit punt zijn ingegaan, dan was de beslissing niet anders uitgevallen omdat het hof voorop stelt dat [verzoeker] als ondernemer zelf verantwoordelijk is voor het doen van belastingaangiften.

2.18 Afsluitend merk ik, ten overvloede, op dat de reden die het hof in het onderhavige geval had om [verzoeker] niet toe te laten tot de schuldsaneringsregeling er niet aan in de weg staat dat [verzoeker] in een later stadium alsnog wordt toegelaten tot deze regeling. Immers, de grond van artikel 288 lid 1 sub b Fw is beperkt tot een periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag van indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Schulden niet te goeder trouw, evenals de strafrechtelijke veroordelingen genoemd in artikel 288 lid 2 sub c (nieuw) Fw, worden de schuldenaar dus in die zin `vergeven', dat zij na verloop van tijd in beginsel niet meer de toegang tot de schuldsaneringsregeling belemmeren.(21)

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ingevolge artikel 292 lid 5 Fw geldt een beroepstermijn van acht dagen na de uitspraak van het gerechtshof. Acht dagen na 17 april 2009 is zaterdag 25 april 2009 geweest, zodat de laatst mogelijke dag voor indiening van het cassatieverzoek maandag 27 april 2009 was (artikel 1 Algemene Termijnenwet). Het cassatieverzoekschrift is op laatstgenoemde dag bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen.

2 Inwerking getreden bij wijzigingswet van 24 mei 2007, Stb. 192.

3 De 'gegronde vrees'-bepaling van artikel 288 lid 1 sub c Fw (= het tot 1 januari 2008 geldende art. 288 lid 1 sub b) waarop de rechtbank Amsterdam in de onderhavige zaak haar afwijzing grondde, betreft de goede trouw ten aanzien van de naleving van de schuldsaneringsregeling. Vgl. A.J. Noordam, 'Schuldsanering en goede trouw', diss. VU Amsterdam 2007, nr. 200, blz. 231.

4 De Recofa-richtlijnen vormen, naar wordt aangenomen, geen recht in de zin van artikel 79 RO. Zie Noordam, WSNP en goede trouw (2008), p. 216 alsmede diss., 2007, nr. 268 met verdere verwijzingen.

5 T&C Faillissementswet 2008 (Wessels & Engberts), art. 288, aant. 4.

6 Memorie van Toelichting II, vergaderjaar 2004-2005, 29 942, nr. 3, par. 8, blz. 5.

7 Ibid., blz. 19.

8 Noordam, a.w., p. 240. Vgl. HR 17 december 2004, LJN: AR3647, NJ 2005, 240.

9 Deze wordt genuanceerd door de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw ("Het verzoek kan in afwijking van het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder c, worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen."). Deze bepaling is in deze zaak niet aan de orde.

10 HR 12 mei 2000, LJN: AA5776, NJ 2000, 567, m.nt. Van Schilfgaarde; Groene Serie Faillissementswet (Lammers), art . 288, aant. 7.3.1; Noordam (diss. 2007), nr. 263 (blz. 311) en nr. 281 (blz. 328-330); H.H. Dethmers, 'Van schuldsanering tot schone lei', Nijmegen 2005, par. 3.5, blz. 32.

11 HR 26 januari 2001, LJN: AA9668, NJ 2001, 178, rov. 3.2; HR 10 januari 2003, LJN: AF0749, NJ 2003, 195, waarover uitvoerig Noordam, diss. 2007, par. 3.4.1 (blz. 334-342).

12 T&C Faillissementswet 2008 (Wessels & Engberts), art. 288, aant. 4.

13 Kamerstukken II 2006/07, 29942, nr. 23, p. 2.

14 De (derde) voetnoot in het origineel verwijst hier naar Kamerstukken II 1993/94, 22 969, nr. 6, blz. 20, aangehaald in o.a. HR 12 mei 2000, LJN: AA5776, NJ 2000, 567, m.nt. PvS.

15 De (vierde) voetnoot in het origineel verwijst naar art. 3.1.3.5 in samenhang met art. 5.4.4 van Bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (per 1 april 2009).

16 Dit volgde voor artikel 288 (oud) Fw al uit HR 13 juni 2003, LJN: AF7006, NJ 2003, 520. Echter HR 20 april 2007, LJN: BA0903, NJ 2007, 242, rov. 3.4, slot, rov. 3.4 (in fine) bepaalde dat een afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zonder nadere motivering onbegrijpelijk is wanneer de 'niet te goeder trouw'-schuld een zeer klein deel van de totale schuldenlast uitmaakt. Een dergelijke vraag is overigens in de onderhavige zaak niet aan de orde.

17 Reeds bij toepassing van de goede trouw-test van artikel 288 lid 2 sub b (oud) BW, werd in de rechtspraak een dergelijk oordeel (in combinatie met een inadequate boekhouding) vaker bereikt. Zie Noordam (diss. 2007), nr. 354-355.

18 Het Procesreglement en de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen (wsnp) per 1 april 2009 zijh raadpleegbaar op http://www.rechtspraak.nl/Naar+de+rechter/Landelijke+regelingen/Sector+civiel+recht.

19 Noordam (diss. 2007), nr. 353 op p. 429.

20 Hetgeen de Hoge Raad in rov. 3.4.2 van zijn beslissing van 26 januari 2001, LJN: AA9668, NJ 2001, 178, omtrent de motiveringsplicht heeft bepaald, geldt hier derhalve niet.

21 Zie A.R. van der Winkel en J.M. Marsman, Praktijkboek Insolventierecht deel 9, schuldsanering natuurlijke personen, 2008, p. 29; Groene Serie Faillissementsrecht (H.H. Lammers), art. 288, aant. 7.3.5.