Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL6719

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
08/03304
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL6719
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vrijstelling van de leerplicht. Art. 2 jo. art. 5.b (oud) Leerplichtwet 1969. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 1980, 190, HR LJN ZD1985 en HR LJN AF0453 m.b.t. de vrijstellingsgrond a.b.i. art. 5.b Lpw, de bezwaren tegen de richting van het onderwijs en de eisen die aan een beroep op de vrijstelling worden gesteld. Mede gelet op de wetsgeschiedenis geeft ’s Hofs oordeel dat onder het begrip richting a.b.i. art. 5.b Lpw moet worden verstaan ‘een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing’ niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/319
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/03304

Mr. Aben

Zitting 2 maart 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 3 juni 2008 ter zake van "overtreding van artikel 2 van de Leerplichtwet 1969, driemaal gepleegd" veroordeeld tot drie voorwaardelijke geldboetes van elk EUR 200,-, subsidiair telkens 4 dagen hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar.

2. De verdachte heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.R. Tierie, advocaat te Bunschoten, heeft een schriftuur ingezonden, houdende acht middelen van cassatie.

3.1. Alle voorgestelde middelen richten zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte geen beroep toekomt op de in art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 neergelegde grond voor vrijstelling van de leerplicht(1). Het eerste, tweede en zesde middel behelzen naar de kern genomen de klacht dat het hof in het kader van de beantwoording van de vraag of bij de verdachte overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, onder b, Leerplichtwet 1969 aanwezig zijn geweest een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. De genoemde middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

"hij, in de periode van 1 november 2005 tot en met 5 januari 2006 te Bunschoten, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongeren, [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1993, [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1992, en [kind 3], geboren op [geboortedatum] 1990, telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, als leerling van een school, waren ingeschreven."

3.3. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de bewijsmiddelen opgenomen in de Aanvulling bewijsmiddelen bij het bestreden arrest. Het bestreden arrest houdt daarnaast onder het kopje 'Nadere bewijsoverwegingen' het volgende in (blz. 2-4):

"In het kader van deze strafzaak moet onderzocht worden of verdachte van de verplichting om de in de tenlastelegging genoemde kinderen naar school te sturen was vrijgesteld omdat hij tegen de richting van de redelijkerwijs bereikbare scholen overwegende bedenkingen had. Daarbij zal het hof niet treden in de vraag of deze bedenkingen al dan niet overwegend waren en slechts oordelen over de vraag of de bedenkingen de richting van het onderwijs in de zin van artikel 5 van de Leerplichtwet betreffen. Daarbij moet onder "richting" worden verstaan een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing.

Het hof constateert, dat moeilijk te onderkennen is, welke wezenlijke bedenkingen tegen de richting - in de hiervoor bedoelde betekenis - van het voor verdachtes kinderen beschikbare onderwijs verdachte nu precies koestert.

Ter zitting van de kantonrechter d.d. 21 september 2006 heeft verdachte voor zijn bezwaren tegen het [A-]college te [plaats B] (de school die in aanmerking zou komen als onderwijsinstelling voor verdachtes kinderen) verwezen naar zijn brief aan het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten d.d. 17 december 2005.

Verdachte stelt, en daarin zit naar 's hofs oordeel de kern, dat in het [A-]college Gods Woord en de Drie Formulieren van Enigheid met voeten worden getreden.

Het hof ontleent aan de door de raadsman bij brief van 7 juni 2007 overgelegde productie 7 inzake de identiteit van het [A-]college), dat de Vereniging voor voortgezet onderwijs op reformatorische grondslag (waaronder het [A-]college ressorteert) als haar statutaire grondslag aanmerkt "Gods Woord, zoals dit wordt beleden in de Drie Formulieren van Enigheid". Daarin ziet het hof de richting van die school gelegen. Volgens artikel 10 van de statuten dienen van de in het bestuur van de Vereniging zitting hebbende personen er tenminste vijf te behoren tot de Gereformeerde Gemeenten, tenminste twee tot de Hersteld Hervormde Kerk, tenminste twee tot de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, tenminste twee tot de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland en tenminste twee tot de Christelijke Gereformeerde Kerken. Uit het onderzoek ter zitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte in de tenlastegelegde periode lid was van de Oud Gereformeerde Gemeente (in Nederland) te Amersfoort.

Het hof begrijpt verdachtes opstelling aldus, dat naar zijn oordeel weliswaar genoemde vereniging genoemde beginselen in haar vaandel schrijft, maar dat men in de onderwijspraktijk daarnaar niet geheel of niet voldoende handelt. Het hof is van oordeel, dat die vaststelling, wat daarvan feitelijk ook zij, geen bedenking inzake de richting van het onderwijs oplevert. Deze bedenking betreft de wijze waarop de richting in de praktijk tot uiting komt.

Verdachte heeft in genoemde brief een bijlage 2 opgenomen, waarin hij onder de niet geheel logische kop "omschrijving die u geeft van mijn bezwaren op het [A-]college" in een achttal punten zijn bezwaren tegen het [A-]college nader uiteenzet.

Hij stelt in die bijlage onder punt 1 bezwaar te hebben tegen de godsdienstige en levensbeschouwelijke opvattingen van dat college, maar omschrijft die niet nader, zodat daaraan geen zelfstandige betekenis kan worden toegekend.

Onder punt 2 noemt verdachte het "ruimere toelatingsbeleid". Ook hierin vermag het hof geen bezwaar inzake richting te zien.

Onder punt 3 voert verdachte aan, dat het [A-]college een wereldse besluitvorming heeft. De wijze van besluitvorming in een school kan echter niet (in elk geval niet zonder meer) als een aspect of onderdeel van richting gelden, temeer omdat een wereldse besluitvorming zeer wel kan resulteren in besluiten die geheel in overeenstemming zijn met gehuldigde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Ten aanzien van het [A-]college is niet aannemelijk geworden dat de wijze van besluitvorming afbreuk doet (of deed) aan de fundamentele oriëntatie van dat college.

De punten 4 (verzekeringswezen), 5 (andere godsdiensten), 6 (mentaliteit) en 8 (contact andersdenkenden) bevatten duidelijk geen kwesties van richting.

Onder punt 7 noemt verdachte "Gymnastiek en internet". Nog daargelaten, dat in de dagelijkse onderwijspraktijk van het [A-]college kennelijk ruimte bestaat voor onderhandeling over deelname aan gymnastiek en gebruik van internet vermag het hof ook hier geen vragen van richting te onderkennen.

De raadsman heeft ter zitting van de kantonrechter op 21 september 2006 aangegeven, dat de omschrijving van het begrip "richting" in de stukken te vaag was. In zijn pleidooi in eerste aanleg heeft de raadsman naar voren gebracht, dat verdachtes standpunt neerkomt "op de vraag in hoeverre absolute zuiverheid wordt betracht in het naleven van de bijbelse waarheden zoals verwoord in de bijbel en de drie formulieren van Enigheid." Als voorbeeld heeft de raadsman in dit verband geattendeerd op de aanvaarding van televisie in brede kringen van de gereformeerde kerken en de volstrekte verwerping daarvan in Reformatorische kring. In zijn pleidooi ter zitting van het gerechtshof d.d. 14 juni 2007 heeft de raadsman getracht nader te illustreren, welke eisen inzake richting verdachte stelt. Hij heeft daarbij de aandacht gevestigd op dogmatische verschilpunten die in 1953 hebben geleid tot een kerkscheuring waaruit is ontstaan de Gereformeerde Gemeente in Nederland, welk kerkgenootschap (of welke kerkrichting) is vertegenwoordigd in het [A-]college.

Voorts is er de brief van de raadsman d.d. 6 december 2007, toegezonden in verband met de zitting van 13 december 2007, met de geloofsbelijdenis van verdachte, inhoudende, kort gezegd, en met een verwijzing naar de inwoners van "Oud Holland", met welke groepering verdachte zich verwant voelt, dat hij zich baseert op Gods Woord, zoals opgetekend in de Statenvertaling van 1618-1619 en de Drie Formulieren van Enigheid. Daarnaast heeft de raadsman nog doen toekomen een aantal geschriften, waarin naar voren komt, dat verdachte zich al langere tijd niet meer thuis voelt in de Oud Gereformeerde Gemeente te Amersfoort, naar het hof begrijpt vanwege het onschriftuurlijk geachte gedrag van de Kerkenraad. Verdachte is inmiddels uitgeschreven als lidmaat van deze gemeente.

Echter, in al dat materiaal wordt naar 's hofs oordeel geen voldoende geconcretiseerde en herkenbare bedenking inzake richting van onderwijs aangewezen.

Het hof komt dan ook tot het oordeel, dat verdachte niet geacht kan worden wegens bedenkingen tegen de richting van het onderwijs te zijn vrijgesteld van de verplichtingen uit hoofde van de Leerplichtwet.

Ter zitting van 14 juni 2007 heeft de verdediging nog aangevoerd dat voorafgaand aan de gesprekken die op 4 april 2005 en nadien tussen de leerplichtambtenaar, wethouder Nagel en verdachte hebben plaatsgehad aan verdachte ten onrechte de cautie niet is gegeven. Nog daargelaten de vraag of deze gesprekken "materieel moeten worden gezien als een "verhoor" van verdachte, zal het hof verder aan dit verweer voorbij gaan nu de van deze gesprekken opgemaakte verslagen niet gebruikt worden voor het bewijs."

4.1. Blijkens de hier aangehaalde overwegingen heeft het hof het begrip 'richting' (van het onderwijs) als bedoeld in art. 5, onder b, Leerplichtwet 1969 uitgelegd als een 'fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing'. Daarnaast heeft het hof voor de beantwoording van de vraag of bij de verdachte overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs aanwezig zijn geweest van belang geacht of hetgeen in dit verband door de verdachte naar voren is gebracht een 'voldoende geconcretiseerde en herkenbare bedenking inzake richting van onderwijs' oplevert. Volgens de steller van de middelen heeft het hof met het voorgaande in zoverre een onjuiste maatstaf gehanteerd dat de rechter met betrekking tot de bedenkingen die in het kader van een beroep op de vrijstelling van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 door een verdachte worden genoemd geen 'positieve' of 'inhoudelijke' toets mag verrichten.

4.2. De stelling dat door de rechter in gevallen als het onderhavige geen 'positieve' of 'inhoudelijke' toets mag verrichten, vindt afgemeten aan die bewoordingen geen steun in het recht. In de toelichting op de middelen wordt onder andere gewezen op de volgende overwegingen uit HR 11 februari 2003, LJN AF0453:

"Vooropgesteld moet worden dat indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, (oud) Leerplichtwet 1969, de rechter dient te onderzoeken of het bezwaar de richting van het onderwijs betreft (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190 en HR 30 oktober 2001, LJN AB2946, NJ 2002, 98). Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van zo'n bezwaar beoordeelt (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190). Hierbij verdient opmerking dat onder overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, (oud) Leerplichtwet 1969 niet is begrepen bezwaar tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs (vgl. 3 oktober 2000, LJN ZD1985, NJ 2000, 703)."(2)

De steller van de middelen meent uit deze overwegingen te kunnen afleiden dat de rechter zich bij de beoordeling van de aangevoerde (overwegende) bedenkingen dient te beperken tot de vraag of deze bedenkingen wel of geen betrekking hebben op de soort van het onderwijs, de leerplicht als zodanig of de wettelijke inrichting van het onderwijs. Uit een bestendige lijn van jurisprudentie van de Hoge Raad volgt m.i. dat de toets die de rechter ingeval van een beroep op de vrijstelling van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 dient aan te leggen in zoverre inhoudelijk mag worden genoemd dat zij de vaststelling van de aard van de (overwegende) bedenkingen tot onderwerp heeft. Zo werd in HR 19 februari 1980, LJN AC6812, NJ 1980, 190 een vonnis van de Kantonrechter te Groningen (in het belang der wet) vernietigd met de volgende overweging:

"In de onder 1 sub C weergegeven overweging: '... dat de mogelijkheid van toetsing ... door de rechter door de wetgever niet bedoeld is' heeft de Ktr. Echter miskend dat het in een strafzaak tegen degene die terecht staat ter zake van het plegen van het in art. 26 van genoemde wet [de Leerplichtwet 1969, DA] omschreven strafbare feit en die op vorenbedoelde wijze heeft kennis gegeven dat hij overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs koestert, tot de taak van de rechter behoort om te onderzoeken of het hier inderdaad een bezwaar betreft tegen de richting van het onderwijs in de zin van meergemeld art. 5."

Het feit dat de rechter zich in gevallen als het onderhavige dient te onthouden van een beoordeling van het gewicht en m.i. ook de gegrondheid van de bedenkingen die door een verdachte worden aangevoerd, doet derhalve niet af aan de rechterlijke plicht in dergelijke gevallen zonder terughoudendheid te beoordelen of de betreffende bedenkingen daadwerkelijk op de richting van het onderwijs zien. Deze beoordeling is dus niet beperkt tot uitsluitend een beantwoording van de vragen of de aangevoerde bedenkingen zijn gericht tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs. Het betreft hier een door de Hoge Raad gegeven enuntiatieve opsomming van bedenkingen die naar hun aard in elk geval geen betrekking hebben op de richting van het onderwijs.(3) Voor zover de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting falen zij.

4.3. Voor zover de hier besproken middelen erop wijzen dat het hof in de onderhavige zaak aan de woorden 'overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs' als bedoeld in art. 5, onder b, Leerplichtwet 1969 een interpretatie geeft die als zodanig in de jurisprudentie niet terug te vinden is, raken zij overigens wel aan een belangrijk punt. Dat de Hoge Raad in het verleden de betekenis van deze woorden niet nader heeft willen invullen lijkt immers niet toevallig. Iedere nadere uitleg bergt het risico in zich dat overwegingen die het gewicht van bedenkingen betreffen via een zijweg bij de beoordeling worden betrokken. Dit risico kleeft derhalve evenzeer aan de uitleg van de genoemde woorden die het hof in het onderhavige geval heeft gegeven. De overweging dat bedenkingen betrekking dienen te hebben op een 'fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging' stelt eisen aan wat als 'richting van het onderwijs' kan gelden, waarvan niet denkbeeldig is dat zij in de rechtspraktijk normatiever zullen worden ingekleurd dan wenselijk is. Ik merk daarbij op dat de door het hof gegeven uitleg van het woord 'richting' inmiddels is overgenomen in de Handleiding Strafrechtelijke aanpak schoolverzuim van 29 september 2009 van het openbaar ministerie.(4) De overweging dat bedenkingen 'voldoende geconcretiseerd' en 'herkenbaar' moeten zijn, brengt daarnaast het gevaar mee dat bedenkingen die overduidelijk hun grond hebben in het individuele geloof of geweten de toets van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 niet langer zullen kunnen doorstaan, enkel omdat zij meer intuïtief dan beredeneerd zijn.

4.4. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Leerplichtwet 1969 zijn niettemin wel enige aanknopingspunten te vinden voor de betekenis van "richting van het onderwijs" die de wetgever voor ogen stond. In de Memorie van Antwoord(5) wordt in dit verband opgemerkt dat het begrip "richting" voldoende duidelijk is. Een interpretatie in de zin van "soort van onderwijs" behoefde niet te worden gevreesd, aldus de ministers en staatssecretaris. Er werd ter toelichting op gewezen dat de Grondwet en de Lager-onderwijswet 1920 deze uitdrukking in dezelfde betekenis gebruikten.

Het in de Memorie van Antwoord bedoelde voorschrift van het vijfde lid van artikel 208 van de Grondwet (oud) is ongewijzigd overgegaan naar artikel 23, lid 5 van de huidige Grondwet. Het bepaalt dat de aan het onderwijs te stellen eisen van deugdelijkheid bij wet worden geregeld, "met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting."

Artikel 13 van de Lager-onderwijswet 1920 voorziet in de vergoeding van vervoerkosten - kort samengevat - in het geval de ouders schriftelijk verklaren dat zij

"indien het betreft een openbare school, tegen het openbaar onderwijs en, indien het betreft een bijzondere school, tegen de richting van het onderwijs dier school overwegende bezwaren hebben."

In de verzuilde samenleving die Nederland indertijd vormde kan het begrip "richting" geen andere betekenis hebben (gehad) dan die van de levensbeschouwelijke opvattingen c.q. geloofsovertuigingen die in het onderwijs tot uitdrukking worden gebracht. "Richting" is in relatie tot bijzonder onderwijs vooral een verwijzing naar de geloofsrichting c.q. confessionele grondslag.(6) De Gereformeerde Gemeenten in Nederland vormen bijvoorbeeld één van die richtingen, zo ook de Gereformeerde Kerk, de Nederlandse Hervormde kerk, en uiteraard de Rooms-Katholieke Kerk. Een lid van de Christelijk-Gereformeerde Kerk hoefde zijn kind bijvoorbeeld niet te sturen naar een openbare school of een Rooms-Katholieke school.

Het hof heeft in zijn gewraakte uitspraak willen abstraheren van de geloofsstrijd tussen de vele uiteenlopende kerkgenootschappen die het Protestantisme rijk is (geweest) en het begrip "richting" willen voorzien van een meer eigentijdse betekenis, die samenhangt met verschillen in godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuigingen.

Indachtig de hiervoor geschetste risico's die verbonden zijn aan iedere interpretatie van wettelijke termen waarvan de betekenis in het vervlogen verleden vanzelfsprekend werd geacht, meen ik dat 's hofs invulling ervan niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Dat onder "richting" moet worden verstaan: "een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing" vind ik als parafrase van een ouder (doch niet verouderd) gedachtegoed zo gek nog niet.

4.5. Uiteindelijk lees ik art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 en de daarop gebaseerde jurisprudentie van de Hoge Raad zo, dat de rechter zich ingeval van een vrijstellingsberoep op overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs allereerst ervan dient te verzekeren dat de aangedragen bedenkingen daadwerkelijk hun grond vinden in de verhouding tussen de richting van het onderwijs op de voor de leerplichtige jongere redelijkerwijs in aanmerking komende scholen en het individuele geloof of geweten van de degene die op grond van art. 2, eerste lid, Leerplichtwet 1969 verantwoordelijk is voor de inschrijving en geregelde schoolgang van de betreffende jongere. De enkele omstandigheid dat een ouder (verdachte) zijn eigen bedenkingen aanmerkt als stoelend op een levensovertuiging brengt echter nog niet mee dat die bezwaren hebben te gelden als bedenkingen tegen de richting van het onderwijs.(7) Bedenkingen die zich laten verstaan als bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, de leerplicht an sich of de wettelijke inrichting van het onderwijs kwalificeren niet als zodanig. In dat geval kan het gedane beroep niet worden gehonoreerd. De godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid zijn in zoverre niet onbeperkt.(8) Het zou echter in strijd met het doel en de strekking van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 zijn om het daarin gebezigde woord 'richting' ook weer zodanig nauw op te vatten dat de mogelijkheden van een vrijstellingsberoep daardoor nog (veel) verder worden ingeperkt. Ik kom daar bij de bespreking van het derde, vierde en vijfde middel op terug. Het beoordelingskader dat het hof zichzelf blijkens zijn bewijsoverwegingen heeft opgelegd getuigt in het licht van het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting.

4.6. Vervolgens diende het hof in de voorliggende zaak te onderzoeken en vast te stellen hoe het vrijstellingsberoep van de verdachte in concreto moet worden verstaan. Het oordeel van de feitenrechter daarover is verweven met waarderingen van feitelijke aard en om die reden in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen. Ook indien de feitenrechter oordeelt dat uit hetgeen door of namens de verdachte is aangevoerd niet kan worden afgeleid dat de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen, en om die reden geen vrijstelling van leerplicht kunnen meebrengen, is dat een oordeel dat louter op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.(9) Over de begrijpelijkheid van 's hofs oordeel gaan m.i. de andere middelen.

4.6. Het eerste, tweede en zesde middel falen.

5.1. Het derde, vierde, vijfde, zevende en achtste middel klagen over de motivering van 's hofs oordeel dat bij de verdachte geen overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 aanwezig zijn geweest. Mede in het licht van het bepaalde in art. 9, eerste lid, EVRM en art. 18, eerste en vierde lid, IVBPR zou dat oordeel ontoereikend zijn. Ook deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

5.2. De genoemde middelen richten zich in het bijzonder tegen de volgende passage uit de nadere bewijsoverwegingen van het hof op blz. 3 van het bestreden arrest:

"Het hof constateert, dat moeilijk te onderkennen is, welke wezenlijke bedenkingen tegen de richting - in de hiervoor bedoelde betekenis - van het voor verdachtes kinderen beschikbare onderwijs verdachte nu precies koestert. Ter zitting van de kantonrechter d.d. 21 september 2006 heeft verdachte voor zijn bezwaren tegen het [A-]college te [plaats B] (de school die in aanmerking zou komen als onderwijsinstelling voor verdachtes kinderen) verwezen naar zijn brief aan het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten d.d. 17 december 2005.

Verdachte stelt, en daarin zit naar 's hofs oordeel de kern, dat in het [A-]college Gods Woord en de Drie Formulieren van Enigheid met voeten worden getreden.

Het hof ontleent aan de door de raadsman bij brief van 7 juni 2007 overgelegde productie 7 inzake de identiteit van het [A-]college), dat de Vereniging voor voortgezet onderwijs op reformatorische grondslag (waaronder het [A-]college ressorteert) als haar statutaire grondslag aanmerkt "Gods Woord, zoals dit wordt beleden in de Drie Formulieren van Enigheid". Daarin ziet het hof de richting van die school gelegen. Volgens artikel 10 van de statuten dienen van de in het bestuur van de Vereniging zitting hebbende personen er tenminste vijf te behoren tot de Gereformeerde Gemeenten, tenminste twee tot de Hersteld Hervormde Kerk, tenminste twee tot de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, tenminste twee tot de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland en tenminste twee tot de Christelijke Gereformeerde Kerken. Uit het onderzoek ter zitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte in de tenlastegelegde periode lid was van de Oud Gereformeerde Gemeente (in Nederland) te Amersfoort.

Het hof begrijpt verdachtes opstelling aldus, dat naar zijn oordeel weliswaar genoemde vereniging genoemde beginselen in haar vaandel schrijft, maar dat men in de onderwijspraktijk daarnaar niet geheel of niet voldoende handelt. Het hof is van oordeel, dat die vaststelling, wat daarvan feitelijk ook zij, geen bedenking inzake de richting van het onderwijs oplevert. Deze bedenking betreft de wijze waarop de richting in de praktijk tot uiting komt."

Volgens de steller van de middelen is onbegrijpelijk dat het hof, enerzijds, bij het vaststellen van de richting van het onderwijs op de school die voor de kinderen van de verdachte in aanmerking kwam volledige aansluiting heeft gezocht bij de statutaire grondslag van de betreffende school, terwijl het hof, anderzijds, al hetgeen met betrekking tot de richting van het onderwijs op de betreffende school door de verdediging is aangevoerd heeft opgevat als bedenking die slechts betrekking heeft op de wijze waarop de richting van het onderwijs op die school in de praktijk wordt gebracht.

5.3. In de statuten van het [A-]college wordt als grondslag van het onderwijs genoemd "Gods Woord, zoals dit wordt beleden in de Drie Formulieren van Enigheid". Blijkens een pleitnota die aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 1 oktober 2007 is gehecht heeft de raadsman van de verdachte bij die gelegenheid onder andere het volgende aangevoerd:

"2. In deze zaak staat vast dat, na zorgvuldig onderzoek, [verdachte] bewust heeft gekozen voor de [C-]school te [plaats D], als zijnde een school die het meest met zijn richting overeenstemt. [Verdachte] is daar consistent in. Alle kinderen zijn niet in [plaats B] op school gegaan, wat natuurlijk vanuit [woonplaats] het meest voor de hand had gelegen, maar hebben deze school bezocht. Daar zijn zijdens [verdachte] grote offers voor gebracht. De kinderen kunnen natuurlijk niet op de fiets naar school en moeten elke dag worden gehaald en gebracht. Elke dag wordt 100 km verreden en daar is natuurlijk ook veel tijd mee gemoeid.

3. Vergelijking met de statuten van de [C-]school in [plaats D], met [A] laten een verschil in richting zien, die in mijn eerste pleitnota bij uw Hof nader is uitgewerkt onder het kopje verschil in richting de nrs. 21-39, ik moge u daarnaar verwijzen.

4. De kern van dit verschil in richting is de uitleving van het geloof, het niet dulden van verwatering en het verlangen naar optimale zuiverheid van leer en leven binnen de kerk. Dit kan aan de hand van de kerkgeschiedenis nader worden uitgewerkt. De meest bekende kerkscheuring betrof de Reformatie, die in eerste instantie binnen de RK kerk aandrong op meer zuiverheid. Als gevolg daarvan werden zij uit de kerk verwijderd. Men stapt dus nooit zelf op maar men wordt uit de kerk gezet.

5. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in de Drie Formulieren van Enigheid, zoals door de Synode van Dordrecht op of omstreeks 1619 is vastgesteld. Daarin heeft het verschil in richting - de andere uitleving dus - tussen de RK kerk enerzijds en de Reformatorische kerken anderzijds een statutaire basis gekregen.

6. Dit verlangen naar meer zuiverheid in uitleving heeft in de protestantse/reformatorische kringen veelvuldig geleid tot kerkscheuringen, waarin nieuwe richtingen ontstonden die dan vervolgens net als bij de Synode van Dordrecht in nadere Akten nauwkeurig zijn vastgesteld, in een voor een buitenstaander nauwelijks te begrijpen taalgebruik en idioom.

7. Daardoor werd een statutaire basis tot stand gebracht die het verschil in richting op juridische wijze markeerde. Op die wijze is een stamboom van verschillende richtingen ontstaan.

8. De nauwkeurigheid van de uitleving van dat geloof (richting) wordt al direct zichtbaar in de statuten van de [C-]school als men komt te spreken over de grondslag (richting):

"De Stichting heeft als grondslag de onveranderlijke waarheid, in Gods Woord (Statenvertaling) geopenbaard"

Deze grondslag wordt in twee stukken nader verklaard"

- de Drie Formulieren van Enigheid, voornoemd;

- de Goudse Akte.

(Overigens is de term drie formulieren van enigheid geen eenduidig begrip. [C] hanteert de originele versie van 1619, [A] hanteren de aangepaste versie uit ca. 1900, waarin fundamentele wijzigingen zijn aangebracht).

Die Goudse Akte wordt uitvoerig uitgewerkt op pag. 2 en deze uitwerking omvat bijna een gehele bladzijde. Dit laat zien hoe belangrijk men deze verbijzondering acht op de grondslag van de Reformatie zelf. Ter bescherming van dit gedachtegoed en om verdere verwatering tegen te gaan is de rechtsvorm van de [C-]school een stichting en geen vereniging zoals bij het [A-] College in [plaats B]. Om die verwatering tegen te gaan heeft de [C-]school natuurlijk ook geen medezeggenschapsraad, maar een kerkenraad als bestuur. Ook dit zijn zeer belangrijke juridische waarborgen om de zuiverheid van richting te behouden.

De statuten van het [A-]College verwijzen slechts naar Gods Woord en de drie Formulieren van Enigheid, dit doet elke vereniging op breed kerkelijk gebied.

Daarnaast is er sprake van een vereniging met een bestuur dat wordt gevoerd door allerlei stromingen - waaronder de voormalige stroming van [verdachte], waarbij de rekkelijken een 2/3 meerderheid hebben en dus de besluitvorming kunnen bepalen en dan hebben we nog niet gesproken over de besluitvorming van het hoogste orgaan de ledenvergadering zelf.

9. De gevolgen van dat verschil in richting is, in de belevingswereld van [verdachte] en anderen, een verwatering van leer en leven zoals dat in het antropologisch onderzoek "De onschuld voorbij" op een voor [verdachte] schokkende wijze is beschreven, welk onderzoek als productie 9 achter de eerste pleitnota Hof in het geding is gebracht."

Voor zover dit niet reeds als feit van algemene bekendheid kwalificeert, heeft de raadsman van de verdachte bij het hof mijns inziens voldoende naar voren gebracht dat het feit dat een school zich in haar statuten beroept op "Gods Woord, zoals dit wordt beleden in de Drie Formulieren van Enigheid" nog niets zegt over de specifieke protestantse of gereformeerde stroming waarmee deze school in verband staat. Daarnaast kan er op basis van de stukken van het geding weinig twijfel over bestaan dat de bedenkingen waarop het vrijstellingsberoep van de verdachte is gegrond nu juist rechtstreeks betrekking hebben op de wijze waarop de Drie Formulieren van Enigheid worden geïnterpreteerd op de voor zijn kinderen in aanmerking komende school. Met de steller van de middelen ben ik het eens dat in dit licht moeilijk te begrijpen is dat het hof zich bij de vaststelling van de richting van het onderwijs op de betreffende school uiteindelijk enkel heeft gebaseerd op de statuten.

5.4. Het hof heeft zijn verwerping van het vrijstellingsberoep van de verdachte gemotiveerd door te overwegen dat verdachtes bedenkingen tegen de voor zijn kinderen in aanmerking komende school geen betrekking hebben op de richting van het onderwijs maar enkel op de wijze waarop die richting in de praktijk wordt gebracht. Nu kan het maken van een onderscheid tussen enerzijds bedenkingen die de richting en anderzijds bedenkingen die de praktijk van het onderwijs betreffen onder omstandigheden wellicht zinvol zijn, maar in het kader van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 lijkt mij dit in het algemeen toch een moeilijk begaanbare weg. Een dergelijk onderscheid zal voor de degenen die zich op de vrijstellingsgrond van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 beroepen doorgaans niet veel betekenis hebben. Willen het recht op vrijheid van godsdienst en geweten en het recht van ouders om zich te verzekeren van onderwijs in overeenstemming met de eigen godsdienstige overtuigingen, welke rechten door diverse verdragsbepalingen(10) worden beschermd, daadwerkelijk 'practical and effective rights' betreffen, dan zal de rechter duidelijk moeten maken waarom bedenkingen van een verdachte die hun grond vinden in het individuele geloof of geweten in het voorkomende geval toch geen bescherming verdienen. In deze zaak zien de bedenkingen van de verdachte op de wijze waarop de dagelijkse praktijk op een bepaalde school zich verhoudt tot wat in theoretische zin de richting van het onderwijs op die school kan worden genoemd. 's Hofs motivering, die in dit verband uitsluitend verwijst naar de statuten doch de praktische vormgeving van de beginselen van de school niet in aanmerking neemt, komt mij dan ook niet toereikend voor.

5.5. Ik merk nog op dat het hof zich in de onderhavige zaak behoorlijk heeft ingespannen om tot een heldere duiding te komen van de richting van het onderwijs op het [A-]college. Tevens heeft het hof zich veel moeite getroost om te kunnen bepalen of de bedenkingen waarop de verdachte zich in casu beroept zelf kunnen worden herleid tot enige bestaande (geloofs)richting, die van de richting van de genoemde school kan worden onderscheiden. Het hof heeft in dit verband onder andere de theoloog Dr. A. van der Meiden als deskundige gehoord (zie het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 28 juni 2007). Ik vraag mij echter af of de hier gekozen aanpak van het hof de juiste is. De vraag waar het ingeval van een beroep op de vrijstelling van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 in de kern om gaat, is enkel of de bedenkingen van de verdachte de richting van het onderwijs op de redelijkerwijs in aanmerking komende scholen betreft (en niet de soort van het onderwijs, de leerplicht als zodanig of de wettelijke inrichting van het onderwijs). Het oordeel over het gewicht en (m.i. ook) de gegrondheid van de bedenkingen is aan de rechter onttrokken. Het gaat niet aan om de geloofsstrijd nog eens dunnetjes over te doen. Of de bedenkingen van de verdachte zelf tot enige bestaande richting zijn te herleiden doet er op zichzelf niet zoveel toe.(11) Evenmin is van groot belang dat de rechter een uitputtende omschrijving weet te vinden van de richting van het onderwijs op de in aanmerking komende school, als maar kan worden vastgesteld dat de bedenkingen van de verdachte daarop betrekking hebben. In de onder 5.2. aangehaalde passage uit het bestreden arrest heeft het hof onder meer overwogen "dat moeilijk te onderkennen is, welke wezenlijke bedenkingen tegen de richting (...) van het voor verdachtes kinderen beschikbare onderwijs verdachte nu precies koestert". Wanneer deze overweging wordt bezien in samenhang met de uitgebreide pogingen van het hof om meer duidelijkheid te verkrijgen over de precieze verhouding tussen de bedenkingen van de verdachte en de richting van de school die voor de kinderen van de verdachte in aanmerking kwam, leid ik daaruit af dat het hof de bedenkingen van de verdachte in laatste instantie gewoonweg niet helemaal begrijpt. Dit onbegrip kan ik goed volgen. De bedenkingen van de verdachte worden ook mij niet volledig duidelijk. Maar is dat hier erg relevant? Blijkens het bestreden arrest heeft het hof in het kader van de strafoplegging onder meer in aanmerking genomen dat "verdachte oprecht heeft gehandeld vanuit zijn geloofsovertuiging en dat deze zaak voor verdachte een principieel karakter heeft" (blz. 5). Indien bij de beoordeling van een vrijstellingsberoep ex art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 moet worden vastgesteld dat de bedenkingen van een verdachte daadwerkelijk hun grond vinden in het individuele geloof of geweten en tevens moet worden vastgesteld dat die bedenkingen niet zien op iets anders dan de richting van het onderwijs, dan valt het mij niet mee voor de verwerping van dit beroep in de wet, de wetsgeschiedenis of de jurisprudentie concrete aanknopingspunten te vinden.

5.6. De middelen slagen naar mijn mening.

6. Het eerste, tweede en zesde middel falen. De overige middelen slagen daarentegen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing, dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Hoewel de naam van de wet en in het bijzonder de naam van paragraaf 2 anders doet vermoeden behelst de Leerplichtwet 1969 geen plicht tot leren doch een plicht zorg te dragen voor inschrijving en geregeld bezoek van de school, alsmede (voor de jongere van twaalf jaar en ouder) de plicht de school van inschrijving geregeld te bezoeken. In het hierna volgende zal ik niettemin de wettelijke term 'leerplicht' hanteren.

2 Zie recenter HR 6 september 2005, LJN AT7571 en HR 3 februari 2004, LJN AO0611 (waarvan met name de daaraan voorafgaande conclusies van mijn (voormalige) ambtgenoten Jörg en Wortel). Opgemerkt zij dat artikel 5 met ingang van 11 mei 2001 een redactionele wijziging heeft ondergaan. Het begrip "overwegende bezwaren" is ingewisseld voor de term "overwegende bedenkingen". Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd, doch louter een aanpassing van (onder meer) de Leerplichtwet 1969 aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht. Zie daartoe de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1999 - 2000, 27 265, nr. 3, p. 10 onder "bezwaar".

3 Deze opsomming heeft de Hoge Raad voor zover ik kan overzien niet eerder gegeven dan in HR 3 oktober 2000, LJN ZD1985. Bezwaren tegen "de soort van het onderwijs" kunnen niet worden geschaard onder de bezwaren tegen de richting van het onderwijs, aldus volgt ook uit de wetsgeschiedenis die leidde tot de vervanging van de Leerplichtwet door de Leerplichtwet 1969. Deze vervanging ging gepaard met het vervallen van de in artikel 7 van die wet neergelegde vrijstelling van de naleving van de plicht om zorg te dragen voor de verstrekking van voldoende onderwijs, voor zolang de aansprakelijke personen "tegen het onderwijs op alle binnen redelijken afstand (...) gelegen scholen (...) overwegend bezwaar hebben". Zie Memorie van Toelichting, Kamerstukken, zitting 1967, 9039, nr. 3, p. 14: "Bezwaren tegen een school zullen uitsluitend gebaseerd mogen zijn op de richting, niet op de soort van onderwijs. Anders zouden kortzichtige ouders door bezwaren te maken tegen iedere vorm van voortgezet onderwijs hun kinderen thuis kunnen houden."

4 Zie de Handleiding Strafrechtelijke aanpak schoolverzuim (Versie 15) van 29 september 2009, blz. 10.

5 Kamerstukken, zitting 1967 - 1968, 9039, nr. 5, p. 13.

6 Vgl. Kortmann in T&Cr. Grondwet, 1e druk, Deventer 1998, art. 23, aant. 6. In gelijke zin Bunschoten in T&Cr. Grondwet, 3e druk, Deventer 2009, art. 23, aant. 3 en 6. Zie voorts: Mentink en Vermeulen, artikel 23, aant. 6, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet, Deventer 2000, p. 253 e.v. Zie KB van 15 mei 1933, no. 22, A.B. 1933, p. 543, en AbRvS 11 februari 1997, AB 1998, 28 m.nt. Vermeulen.

7 Vgl. CAG Wortel voor HR 3 februari 2004, LJN AO0611 (81 RO), onder 9.

8 Zie bijv. HR 1 april 2004, LJN AF4773.

9 Vgl. CAG Jörg voor HR 6 september 2005, LJN AT7571 (81 RO), onder 24.

10 Zie voor het recht op vrijheid van godsdienst en geweten: artikel 9, eerste lid EVRM, en artikel 18, eerste lid IVBPR. Zie voor het recht op de vrijheid van ouders om de godsdienstige opvoeding van hun kinderen overeenkomstig hun eigen levensovertuiging te verzekeren: artikel 2, Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 18, lid 4 IVBPR, en artikel 13, lid 3 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

11 Vgl. Mentink en Vermeulen, a.w.: "Van een organisatorische band met een kerkgenootschap hoeft (...) geen sprake te zijn."