Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL5630

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
08/03817
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2008:BC9834
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL5630
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Kampvuur te Castricum. “Schuld” a.b.i. art. 308 Sr. Onder schuld als delictsbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld i.d.z.v. art. 308 Sr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tll. nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. ’s Hofs overwegingen moeten aldus worden begrepen dat het Hof heeft geoordeeld dat verdachte weliswaar onvoorzichtig heeft gehandeld, doch niet dat hij – mede in aanmerking genomen dat niet gezegd kan worden dat hij de gevolgen van zijn handelen had kunnen en moeten voorzien – zich “roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gedragen, zoals is tlg. Uit ’s Hofs overwegingen blijkt niet van een onjuiste rechtsopvatting, i.h.b. niet wat betreft het begrip “schuld” i.d.z.v. art. 308 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/859
NJ 2010/674 met annotatie van P.A.M. Mevis
NJB 2010, 1481
NBSTRAF 2010/312
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/03817

Mr. Knigge

Zitting: 16 februari 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte bij arrest van 17 april 2008 vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

2. Tegen deze uitspraak heeft de plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Hof beroep in cassatie ingesteld.

3. Het middel klaagt dat 's Hofs motivering van de vrijspraak getuigt van een onjuiste uitleg van het in de tenlastelegging voorkomende en aan art. 308 Sr ontleende begrip 'schuld', althans getuigt van de toepassing van een onjuiste maatstaf, althans van een verkeerde rechtsopvatting ten aanzien van de strafrechtelijke causaliteit, althans dat die motivering ontoereikend en/of onbegrijpelijk is.

4. Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 16 juni 2006 in de gemeente Castricum, op het strandslag, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een (illegaal) kampvuur heeft gemaakt en (vervolgens) toen dit kampvuur dreigde uit te gaan, terwijl het nog smeulde en/of brandde, -uit een fles- wasbenzine hierop heeft gesprenkeld, waardoor het vuur in de fles wasbenzine is (terug)geslagen en/of de fles wasbenzine is ontploft en/of waardoor een of meer steekvlammen ontstonden, terwijl zich in de directe omgeving van dit kampvuur (ongeveer) zeventig scholieren bevonden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat drie van die scholieren, te weten: [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letstel, te weten tweede en/of derde graads brandwonden, heeft/hebben bekomen, aIthans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte was ontstaan, zulks terwijl dat feit is begaan in de uitoefening van zijn beroep"

5. Deze tenlastelegging ziet op art. 308 Sr(1). Dat artikel luidt:

"1. Hij aan wiens schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.

2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie."

6. Het Hof heeft verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken en overweegt daartoe het volgende:

"De feitelijke gang van zaken is - voor zover hier van belang - als volgt:

Verdachte heeft in het kader van een schoolkampweekend in de avond van 16 juni 2006 samen met anderen een kampvuur aangelegd op het strand te Castricum.

Hij heeft houtblokken met wasbenzine besprenkeld en de wasbenzine aangestoken. Toen het vuur dreigde te doven heeft verdachte getracht met papier het vuur te doen oplaaien. Dit lukte niet. Verdachte is vervolgens op zijn hurken bij het vuur gaan zitten en heeft wasbenzine gegoten/gesprenkeld over het vuur, terwijl - naar hij heeft verklaard - nog vlammen zichtbaar waren. Hierbij is vuur in de fles met wasbenzine geschoten en is een zodanige druk in de fles ontstaan dat de fles naar achteren schoot. Tevens ontstond een steekvlam in horizontale richting naar voren onder meer in de richting van de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers. Hun kleren zijn in brand komen te staan en zij hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Op verzoek van het openbaar ministerie is nader technisch onderzoek verricht naar de oorzaak en toedracht van deze brand. Dit onderzoek is uitgevoerd door ing. P.B. Reijman van DGMR Bouw B.V., in samenwerking met ir. J.H.L.M. Lelieveld van het Nederlands Forensisch Instituut. Beide deskundigen hebben een langdurige expertise op onder meer het gebied van brandveiligheid en brandoorzaken.

Het onderzoek heeft bestaan uit een reconstructie waarbij de omstandigheden zoals die uit de verklaringen van de aanwezigen op het strand kunnen worden afgeleid zijn nagebootst en waarbij is beoordeeld wat de gevolgen van die omstandigheden zijn op het ontstaan van vuurverschijnselen. Op 3 december 2007 zijn daartoe in totaal tien tests uitgevoerd. Het onderzoek en de resultaten ervan zijn weergegeven in een rapport met het kenmerk F.2007.5735.00.R001 van 14 december 2007, inhoudende - voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven -:

Samenvatting van de testresultaten

In de meerderheid van de onderzochte scenario's vinden min of meer heftige fysische effecten plaats, zoals uitstoot van brandend gas en/of uitstoot van brandende vloeistof uit de opening van de fles.

Het ontstaan hiervan is sterk afhankelijk van het moment waarop de vlam in contact komt met de damp die nog aanwezig is in de fles. Bij ontbranding van de damp vindt expansie van het verbrandingsgas plaats waardoor drukverhoging in de fles ontstaat. Deze drukverhoging veroorzaakt de uitstoot van gassen en vloeistoffen uit de fles.

Als op het moment van ontbranding van de damp in de fles de vloeistof zich vóór de uitstroomopening bevindt dan zullen de uitstooteffecten het heftigst zijn. De vloeistof kan daarbij enkele meters overbruggen.

De effecten lijken tevens het grootst te zijn bij een lage vulgraad van de fles. In dat geval bevindt zich relatief veel damp in de fles en zal de ontbranding hiervan heftiger verlopen. De uitstoot van brandend gas en vloeistof kan daarbij over grotere afstanden plaatsvinden.

Conclusie

De tijdens de uitgevoerde tests waargenomen verschijnselen lijken overeen te komen met de door de aanwezigen van het kampvuur waargenomen verschijnselen.

De deskundigen Reijman en Lelieveld zijn ter terechtzitting van 3 april 2008 door het hof gehoord. De deskundigen hebben ieder voor zich verklaard dat de tijdens de tests waargenomen fysische effecten - in het bijzonder ook de horizontale steekvlam die is ontstaan - vóóraf door hen niet waren voorzien en dat de effecten hen hebben verrast. Zij verklaren bovendien dat die effecten - voor zover hen bekend - in de literatuur niet zijn beschreven.

Het feit dat de gevolgen van het handelen van verdachte voor de deskundigen met hun expertise als hiervoor genoemd niet is voorzien en hen heeft verrast, staat in de weg aan het oordeel dat verdachte - die zoals de gemiddelde burger deze expertise mist - zulks wel had kunnen en moeten voorzien.

Hoewel verdachte onvoorzichtig is geweest door in strijd met de waarschuwingen op de fles wasbenzine toch wasbenzine op open vuur te sprenkelen, kan gelet op het voorgaande niet worden gezegd dat hem op grond daarvan een zodanig strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dat dit schuld in strafrechtelijke zin met betrekking tot de tenlastegelegde gevolgen oplevert."

7. Het middel keert zich, zo blijkt uit de toelichting, tegen de laatste drie alinea's van de hierboven geciteerde motivering en in het bijzonder tegen 's Hofs oordeel dat verdachte geen "zodanig strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dat dit schuld in strafrechtelijke zin met betrekking tot de tenlastegelegde gevolgen oplevert".

8. De steller van het middel begrijpt dit oordeel aldus dat het Hof daarmee een oordeel heeft gegeven over de causaliteit tussen het handelen van verdachte enerzijds en het zwaar lichamelijk letsel van de slachtoffers anderzijds. Van schuld in de zin van art. 308 Sr zou volgens het Hof - zo meen ik op mijn beurt de steller van het middel te mogen begrijpen - slechts sprake kunnen zijn als er causaal verband is tussen het handelen en het letsel. Omdat dat causale verband ontbreekt, zou het Hof de schuld niet bewezen hebben geacht. De kritiek van de steller van het middel is vervolgens dat het Hof zijn oordeel over de causaliteit uitsluitend heeft gebaseerd op de overweging dat de opgetreden fysische effecten van het sprenkelen van wasbenzine uit een fles op open vuur niet te voorzien waren. Daardoor heeft het Hof het criterium van 'de redelijke toerekening' niet (juist) toegepast, aldus de toelichting op het middel.

9. Als deze lezing van de overwegingen van het Hof juist is, lijkt de steller van het middel het gelijk aan zijn zijde te hebben. Als de verdachte verwijtbaar onvoorzichtig heeft gehandeld, kan het alleszins redelijk zijn de gevolgen daarvan aan hem toe te rekenen, ook als het precieze effect zoals dat in concreto is opgetreden, niet voorzienbaar was. Omgekeerd geldt dat als de precieze effecten niet te voorzien waren, daarmee nog niet is gezegd dat de verdachte niet onvoorzichtig heeft gehandeld. Het Haagse ruitarrest (HR 13 januari 1970, NJ 1970, 144), overigens gewezen toen de leer van de redelijke toerekening nog geen ingang had gevonden in het strafrecht, is hier illustratief. Een automobilist reed met gladde banden en een te hoge snelheid door de Haagse binnenstad, raakte in een slip en botste tegen een verkeerszuil. Daardoor kantelde de auto die op zijn kop doorschoof het trottoir op, daar een voetganger raakte die tegen een winkelruit aanviel. Die ruit brak daardoor met als gevolg dat vallend glas de halsslagader van een winkelende vrouw doorsneed. Dat concrete effect van het onvoorzichtige rijgedrag was niet te voorzien, maar de toerekening van de dood van het slachtoffer aan dat rijgedrag is desalniettemin redelijk, al was het maar omdat in het algemeen voorzienbaar is dat dergelijk rijgedrag tot dodelijke ongevallen leidt en juist daarom achterwege gelaten dient te worden.

10. De vraag is evenwel of de lezing van het arrest waarop het middel zich baseert, juist is. Voor die lezing lijkt te pleiten dat het Hof het gedrag van de verdachte met zoveel woorden als onvoorzichtig aanmerkt. De vraag lijkt dan enkel nog te zijn of de gevolgen aan dat onvoorzichtige gedrag kunnen worden toegerekend. Maar juist omdat vragen van causaliteit en culpa nauw met elkaar verweven zijn - waardoor van schuld aan een gevolg geen sprake kan zijn als er geen causaal verband is en omgekeerd bezwaarlijk gezegd kan worden dat het redelijk is om gevolgen toe te rekenen aan gedrag dat niet onvoorzichtig was - is ook een andere lezing van het arrest mogelijk. In die lezing heeft het Hof met zijn oordeel dat de verdachte onvoorzichtig heeft gehandeld, niet bedoelen te zeggen dat hij onvoorzichtig is geweest ten aanzien van (het leven en de lichamelijke integriteit van) de omstanders (de leerlingen). Zijn gedrag is in die lezing enkel als onvoorzichtig aangemerkt omdat hij zelf daardoor gevaar liep. Schuld in de zin van art. 308 Sr levert die onvoorzichtigheid niet op. Daarvoor is nodig dat het gedrag van de verdachte ook voor de leerlingen een gevaar vormde. Het oordeel van het Hof zou zogezien aldus begrepen kunnen worden dat het gedrag van de verdachte naar 's Hofs oordeel vooraf, uitgaande van de kennis die op grond van de toenmalige stand van de wetenschap voorhanden was, geen gevaar voor de omstanders opleverde, zodat het niet redelijk is hem gevolgen toe te rekenen die voor niemand waren te voorzien. Het verschil met de casus van de Haagse winkelruit is dan dat in dit geval ook in het algemeen niet viel te voorzien dat het gedrag gevaar voor anderen opleverde, zodat niet gezegd kan worden dat de verdachte dat gedrag om die reden achterwege had moeten laten.

11. Als het oordeel van het Hof in deze zin moet worden verstaan, is de vraag of dat oordeel zonder nadere motivering begrijpelijk is. Uit het enkele feit dat de specifieke gevolgen niet vielen te voorzien, volgt niet dat het gedrag van de verdachte vooraf niet in meer algemene zin als gevaarzettend voor anderen kan worden aangemerkt. Waar het op aankomt, is mijns inziens of op grond van wat algemene ervaringsregels vooraf leerden, gezegd kan worden dat verdachte door zijn handelen een onacceptabel risico in het leven heeft geroepen dat anderen lichamelijk letsel zouden oplopen. Dat de verdachte de waarschuwingen op de fles negeerde en daarmee handelde in strijd met een veiligheidsnorm die mede met het oog op de veiligheid van anderen is geschreven, is daarbij van belang, maar niet zonder meer doorslaggevend. Wat voor verkeersregels geldt, zal ook hebben te gelden voor veiligheidsvoorschriften als de onderhavige: of de overtreding daarvan "schuld" oplevert, zal afhangen van verschillende factoren, waaronder de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die is begaan.(2) Het belang van het feit dat de verdachte een veiligheidsnorm overtrad, is hierin gelegen dat van minder gewicht is wat de verdachte persoonlijk, op grond van zijn eigen kennis en ervaring, kon voorzien. Het schuldverwijt verschuift als het ware naar de overtreding van de veiligheidsnorm. Ik merk daarbij op dat dergelijke normen nodig zijn omdat het gaat om gevaren die de doorsnee burger lang niet altijd kan onderkennen als hij daarvoor niet gewaarschuwd wordt. Ik merk ook op dat veiligheidsnormen hun grond (mede) kunnen vinden in de onvoorspelbaarheid van de gevolgen van bepaald handelen. Die onvoorspelbaarheid vormt dan mede de reden waarom dergelijk handelen achterwege gelaten dient te worden. Dat alles neemt niet weg dat de overtreding van de veiligheidsnorm begaan kan zijn onder zodanige omstandigheden dat er objectief gezien - dat wil zeggen uitgaande van de kennis van de deskundigen waarop de veiligheidsnorm is gebaseerd - in redelijkheid geen rekening behoefde te worden gehouden met de mogelijkheid dat het gevaar waartegen de veiligheidsnorm beoogt te beschermen, zich zou verwezenlijken. Van de vereiste ernstige mate van onvoorzichtigheid is dan geen sprake.

12. Het kan zijn dat het Hof heeft geoordeeld dat deze betrekkelijk uitzonderlijke situatie zich in casu voordeed. In het arrest ontbreekt evenwel een expliciet en met feitelijke gegevens onderbouwd oordeel op dit punt. Hoe dicht - of hoe ver - de leerlingen van het vuur afzaten, blijkt bijvoorbeeld uit de motivering van het Hof niet.

13. Ik heb mij afgevraagd of dit motiveringsgebrek gerepareerd zou kunnen worden door de overwegingen van het Hof te lezen in het licht van het verhandelde ter zitting. De exercitie die ik met het oog daarop heb ondernomen, leverde het volgende op.

- Nadat de houtstapel was opgesteld, heeft verdachte die met wasbenzine besprenkeld. Vervolgens heeft een collega van hem geprobeerd om het hout aan te steken met behulp van een brandende houtsplinter. Toen dat niet lukte, heeft die collega een uitsteker bij het hout gehouden. Daarop ontstond er een verticale steekvlam.(3)

- Verdachte heeft vervolgens wasbenzine op het weer dovende vuur gegoten. Hierbij zat hij op zijn knieën op het heuveltje zand rondom de kuil waarin het hout was opgestapeld. Deze rand was uit het oogpunt van veiligheid om de kuil heen gelegd, aldus verdachte ter zitting in eerste aanleg. Verdachte heeft toen geen moment gedacht aan zijn eigen veiligheid. Wel heeft hij getracht voorzichtig te zijn en wist hij dat wasbenzine brandbaar was, aldus nog steeds verdachte op de zitting in eerste aanleg.

- De Advocaat-Generaal heeft in zijn requisitoir aangegeven dat tijdens het (tweede) gieten van de wasbenzine diverse leerlingen binnen een afstand van één tot drie meter rond het vuur zaten of stonden. De kinderen zouden zijn gewaarschuwd om zich niet te dicht bij het vuur op te houden, maar trokken zich hier kennelijk weinig of niets van aan.(4)

- De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de getroffen kinderen op ongeveer vier meter van het vuur af stonden.(5)

14. Een eenduidig beeld levert het bovenstaande niet op, met name niet wat de afstand betreft van de kinderen tot het vuur op het moment waarop de verdachte daarop wasbenzine goot. Ik meen daarom dat de toch al moeizame weg van lezing in het licht van het verhandelde ter zitting in casu niet wel begaanbaar is.

15. Een en ander leidt tot de volgende slotsom. Het Hof heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Als het Hof heeft geoordeeld dat het vereiste causale verband (en daarmee de schuld) ontbreekt enkel omdat de precieze effecten zoals die optraden niet waren te voorzien, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Als het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte niet verwijtbaar onvoorzichtig heeft gehandeld omdat hij op het moment van zijn handelen in redelijkheid geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat de omstanders op enigerlei wijze door het vuur zouden worden getroffen, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk nu het Hof geen feiten en omstandigheden heeft vastgesteld die dat oordeel zouden kunnen dragen.

16. Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het.

17. Gronden waarop de Hoge Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou moeten vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met als strafverzwarende omstandigheid dat verdachte het feit heeft gepleegd in de uitoefening van zijn beroep, ex art. 309 Sr.

2 HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252 m.nt. Kn.

3 Over deze eerste steekvlam heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat die wel één meter hoog was en in eerste aanleg dat die 40 à 50 centimeter hoog was.

4 De A-G verwijst hierbij naar de verklaringen van twee leerlingen bij de politie.

5 In hoger beroep heeft de verdediging geen uitspraken gedaan over de afstand van de (getroffen) leerlingen tot het vuur.