Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL5584

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
08/02845
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL5584
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 322.3 Sv. Nu uit het laatste pv. ttz. niet blijkt dat de AG bij het Hof en verdachte hebben ingestemd met hervatting van het o.ttz. had het Hof op die zitting het onderzoek opnieuw moeten aanvangen. Volgt vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 284
RvdW 2010, 645
NJB 2010, 1171
NBSTRAF 2010/188
NbSr 2010/188
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02845

Mr. Knigge

Zitting: 16 februari 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, Enkelvoudige Kamer, heeft verdachte bij mondeling arrest van 23 juni 2008 ter zake van 1. "Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak"; 2. "Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak"; 3. "Aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is"; 4. "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader bepaald.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft nagelaten om de inhoud van de tenlastelegging op te nemen in de aantekening van het mondeling arrest of het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep. Volgens de steller van het middel lijdt het arrest hierdoor aan nietigheid.

5. In de onderhavige zaak, waarin verdachte tijdig een gewoon rechtsmiddel heeft aangewend tegen een mondeling arrest van de Enkelvoudige Kamer van het Hof, heeft het Hof overeenkomstig art. 425 lid 3 Sv een aantekening van het mondeling arrest opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Die aantekening houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende in:

"2. Inhoud van de tenlastelegging

Overeenkomstig de inleidende dagvaarding."

6. Ook de Politierechter in de Rechtbank van Amsterdam heeft in eerste aanleg in de aantekening van het mondeling vonnis van 15 maart 2007 volstaan met de vermelding:

"1. Inhoud van de tenlastelegging

Overeenkomstig de inleidende dagvaarding."

7. Door de Hoge Raad wordt aangenomen dat met het in casu toepasselijke voorschrift ex art. 425 lid 3 Sv, dat mondelinge arresten van de Enkelvoudige Kamer in het proces-verbaal van de terechtzitting worden aangetekend op de door de Minister van Justitie te bepalen wijze, wordt gedoeld op de wijze van aantekenen als bepaald in art. 3 van de 'Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep' van 2 oktober 1996.(1) Art. 3 aanhef en sub c van deze Regeling houdt in ten aanzien van het opnemen van de inhoud van d tenlastelegging kan worden volstaan met een verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg.

8. Uit HR 6 november 2007, LJN BB4943, volgt dat in de aantekening van een mondeling arrest met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging niet slechts dan mag worden volstaan met een verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg, indien de tenlastelegging volledig is opgenomen in het vonnis in eerste aanleg. Met de hiervoor onder 5 vermelde verwijzing is derhalve genoegzaam tot uitdrukking gebracht wat verdachte wordt verweten.(2)

9. Ten overvloede merk ik op dat, mocht de steller van het middel vrezen dat in cassatie de inhoud van de tenlastelegging niet kan worden vastgesteld, die vrees ongegrond is, aangezien het dubbel van de inleidende dagvaarding zich bevindt bij de stukken die de Hoge Raad heeft ontvangen.

10. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.

11. Het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 4, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, en meer in het bijzonder tegen het in die bewezenverklaring besloten oordeel dat bij het slachtoffer door de bedreigingen de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen.

12. Ten laste van verdachte is onder 4 bewezen verklaard dat hij:

"op 26 mei 2006 te Hilversum [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik sla je met mijn paraplu" en "Ik steek mijn paraplu door je kop"."(3)

13. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"10. Een proces-verbaal met nummer PL26S2/06-029255 van 26 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 3 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [slachtoffer]:

Op 26 mei 2006 bevond ik mij als hoofdconducteur in opleiding werkzaam voor de Nederlandse Spoorwegen, in de trein, rijdende op het traject Weesp-Hilversum. Ik was bezig met controle van vervoersbewijzen. Ik trof vervolgens een man zittend aan in voornoemde trein zonder geldig vervoersbewijs. De man gaf ongevraagd zijn paspoort, zodat ik een uitstel van betaling kon uitschrijven voor deze reiziger. De man stond op en pakte zijn paraplu. Op een gegeven moment begon de man zich vervelend te gedragen. Ik hoorde de reiziger letterlijk tegen mij zeggen: "Ik sla je met mijn paraplu", en "ik steek mijn paraplu door je kop". Ik zag dat de man een paraplu in zijn rechterhand boven zijn hoofd, vasthield. Dit alles kwam bedreigend op mij over. Vervolgens hoorde ik de man zeggen: "Je kan dood vallen". Ik nam de volgende gegevens uit het paspoort van de man over, te weten [verdachte], geboren [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats].

11. Een proces-verbaal met nummer PL26S2/06-029255 van 2 juni 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 5 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 1]:

Op 26 mei 2006 deed ik samen met mijn collega [slachtoffer] (: [slachtoffer]; naar het hof begrijpt) dienst op de trein rijdende tussen de stations Weesp en Hilversum. Ik en mijn collega waren op die dag gekleed in uniform en belast met het controleren van vervoersbewijzen in de trein.

Op een gegeven moment riep collega [slachtoffer] (: [slachtoffer]; naar het hof begrijpt) mij op. Ik hoorde dat hij vroeg of ik even bij hem wilde komen.

Ik ben vervolgens naar collega [slachtoffer] (: [slachtoffer]; naar het hof begrijpt) gegaan en zag dat hij en een reiziger aan het discussiƫren waren. Ik hoorde dat de reiziger boos werd tegenover mijn collega. Ik hoorde dat de reiziger begon te schreeuwen. Ik zag dat hij een paraplu in zijn handen had.

Op het moment dat de reiziger de paraplu in handen nam zag ik dat hij met de punt van de paraplu richting mijn collega stond. Ik hoorde vervolgens dat de reiziger zei: "Ik steek die paraplu door je kop" of woorden van gelijke strekking. Ik zag vervolgens dat hij kennelijk opzettelijk een steekbeweging maakte met de paraplu richting mijn collega [slachtoffer] (: [slachtoffer]; naar het hof begrijpt). Ik zag dat mijn collega schrok en direct een stap naar achteren deed. Ik hoorde vervolgens nog dat de reiziger tegen mijn collega [slachtoffer] (: [slachtoffer]; naar het hof begrijpt) zei: "Ik hoop datje dood neervalt" of woorden van gelijke strekking. Ik zag toen dat wij met de trein op het station Hilversum Noord waren."

14. Uit de jurisprudentie volgt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging van enig misdrijf tegen het leven gericht - voor zover hier van belang - is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, LJN AT3659).

15. Volgens de steller van het middel is de uitlating van verdachte "Ik sla je met mijn paraplu" niet van dien aard dat hierdoor bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Van de woorden "Ik steek mijn paraplu door je kop" kan evenmin worden gezegd dat die een zodanige vrees teweeg kunnen brengen, indien niet bekend is of de bedoelde paraplu geschikt is om iemand mee door het hoofd te steken,(4) aldus de steller van het middel.

16. De vraag of het Hof uit de onder 12 weergegeven bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de woorden van verdachte bij het slachtoffer de redelijke vrees konden opwekken dat hij bij eventuele uitvoering van de dreigementen het leven zou laten,(5) moet mijns inziens bevestigend worden beantwoord voor zover het de zin "Ik steek mijn paraplu door je kop" betreft.

17. De gebezigde bewijsmiddelen houden immers in dat verdachte deze op zichzelf genomen bedreigende woorden sprak, terwijl hij, staande, een paraplu boven zijn hoofd hield en vervolgens daarmee een steekbeweging maakte in de richting van het slachtoffer. Gezien het feit dat dit zich afspeelde in een treincoupƩ op het moment dat het slachtoffer een uitstel van betaling uitschreef voor verdachte, kan de afstand tussen beiden niet groot geweest zijn. Onder deze omstandigheden is de vrees dat een eventuele steek met een paraplu in het hoofd levensbedreigend is alleszins redelijk. Het ontbreken van informatie over de kenmerken van de gehanteerde paraplu in het gebezigde bewijs maakt dit niet anders. Ik merk daarbij op dat in feitelijke aanleg door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat de paraplu niet geschikt was om mee te steken. 's Hofs oordeel is dan ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Evenmin getuigt het van een onjuiste opvatting omtrent art. 285 Sr.

18. Derhalve faalt het tweede middel.

19. Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. Het gaat daarbij kort gezegd om inbraak, poging tot inbraak en valse aangifte.

20. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de klacht zich toespitst op twee aspecten van de bewijsvoering. Ten eerste betoogt de steller van het middel dat de overweging waarin het Hof motiveert waarom het de door de medeverdachte [betrokkene 2] bij de politie afgelegde verklaringen bezigt voor het bewijs en voorbij gaat aan zijn ter zitting afgelegde andersluidende verklaring, niet begrijpelijk is.(6)

21. Het proces-verbaal van de zitting bevat de volgende zakelijke weergave van de aldaar afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 2]:

"Ik heb bij de politie verklaard dat [verdachte] aanwezig was bij de inbraak aan de [a-straat 1] in [plaats] en de poging tot inbraak bij de golfclub in [plaats], maar dit is onjuist. Ik heb deze feiten met andere personen gepleegd. Ik heb onder druk van de verbalisanten, die graag de namen van medeverdachten wilden weten, zomaar een naam genoemd, in de hoop snel van alles af te zijn. Het is overigens wel mogelijk dat [verdachte] aanwezig was toen ik de inhoud van de uit de woning aan de [a-straat] gestolen kluis ging ophalen bij [betrokkene 3].

De brommer van [verdachte] die op 23 december 2004 is aangetroffen bij de golfclub in [plaats] had ik van hem in bruikleen en was door mij daar achtergelaten."

22. Het Hof heeft de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:

"De getuige [betrokkene 2] heeft ter zitting verklaard dat hij bij de politie valse verklaringen heeft afgelegd omtrent de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak in [plaats] (feit 1) en de poging tot inbraak in [plaats] (feit 2). [Betrokkene 2] is naar eigen zeggen onder druk gezet om namen te noemen en heeft om die reden verdachte valselijk beschuldigd. Volgens de raadsman dient verdachte op grond van deze verklaring te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van feit 1 heeft [betrokkene 2] bij de politie verklaard dat naast verdachte ook een derde persoon, te weten [betrokkene 4], aanwezig was bij de inbraak (zie doorgenummerde pag. 1702 e.v.). De aanwezigheid van [betrokkene 4] wordt bevestigd door het resultaat van een dactylopisch onderzoek naar een op de buitenzijde van de linker openslaande deur van de betreffende woning aangetroffen vingerafdruk (zie doorgenummerde pag. 1222).

Ten aanzien van feit 1 heeft [betrokkene 2] voorts verklaard dat hij de dag na de inbraak de buitgemaakte kluis samen met [betrokkene 4] en verdachte heeft geopend bij [betrokkene 3] (: [betrokkene 3]; naar het hof begrijpt). In de kluis zat een geldbedrag en een verzameling zilveren munten (doorgenummerde pag. 414). De getuige [betrokkene 3] heeft dit verhaal in grote lijnen bevestigd (zie doorgenummerde pag. 1905 e.v.).

Ten aanzien van de poging tot inbraak in het clubgebouw van de golfclub in [plaats] (feit 2) heeft [betrokkene 2] bij de politie onder meer verklaard dat verdachte zijn brommer heeft moeten achtergelaten toen de beveiliging kwam en deze de volgende dag heeft opgehaald bij de politie (doorgenummerde pag. 505 e.v.). Dit verhaal wordt bevestigd door de processen-verbaal met nummer PL 1400/04-081045 van 23 december 2004 (doorgenummerde pag. 600 e.v.) en 24 februari 2006 (doorgenummerde pag. 609 e.v.).

Gelet op het vorenstaande en op het feit dat zijn verklaringen op veel punten steun vinden in andere bewijsmiddelen, acht het hof het aannemelijk dat [betrokkene 2] tijdens de politieverhoren de waarheid heeft gesproken aangaande de betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten, zodat deze verklaringen gebezigd dienen te worden voor het bewijs van het tenlastegelegde."

23. Anders dan de steller van het middel acht ik het niet onbegrijpelijk dat het Hof in de bewijsmiddelen 4 en 5 reden heeft gezien om de door [betrokkene 2] bij de politie afgelegde verklaringen (bewijsmiddelen 2 en 3) betrouwbaar te achten. De verklaring van [betrokkene 3], dat "[betrokkene 3 en verdachte]" een kluis bij hem hebben neergezet en de volgende dag zijn teruggekomen om die kluis te openen, en de uitkomst van het dactyloscopisch onderzoek, dat het spoor gevonden op de [a-straat 1] van [betrokkene 4] kwam, bevestigen immers het verhaal dat [betrokkene 2] bij de politie heeft verteld over de woninginbraak.

24. Hetzelfde geldt voor de bewijsmiddelen 8 en 9 in relatie tot [betrokkene 2]'s verklaring bij de politie over de voorgenomen inbraak bij de golfclub (bewijsmiddel 7). [Betrokkene 2]'s verklaring dat verdachte destijds zijn scooter bij de golfclub heeft achtergelaten en daarover toen heeft gezegd dat hij hem de volgende dag met een smoesje bij de politie zou ophalen en dat hij dat ook heeft gedaan strookt immers met het feit dat bij de golfclub een onafgesloten bromfiets werd aangetroffen (bewijsmiddel 9) en verdachte de dag na de onvoltooide inbraak aangifte heeft gedaan van diefstal van die bromfiets, die van hem was (bewijsmiddel 8).

25. Het tweede deel van de toelichting op het middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet kan volgen dat verdachte en zijn medeverdachte tot een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf zijn gekomen. De steller van het middel betoogt dat het tegendeel blijkt uit de verklaring van getuige [betrokkene 2] dat hij en verdachte in de club wilden inbreken, maar dat de beveiliging kwam voordat zij dit konden doen (bewijsmiddel 7). De aangetroffen braaksporen zouden door anderen kunnen zijn veroorzaakt.

26. De uitleg van verklaringen is voorbehouden aan het Hof. Het Hof heeft de opmerking van getuige [betrokkene 2] kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus uitgelegd dat verdachte en hij er nog niet in waren geslaagd om in te breken op het moment dat er een beveiligingsmedewerker aan kwam. Op die uitleg stuit de klacht af.

27. Ook het derde middel faalt.

28. Het vierde middel, dat bij aanvullende schriftuur is voorgesteld, klaagt dat het Hof, hoewel gewijzigd van samenstelling, op de zitting van 23 juni 2008 het onderzoek ter terechtzitting heeft hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing op 24 december 2007, zonder dat uit proces-verbaal blijkt dat de advocaat-generaal en verdachte hiermee hebben ingestemd.

29. De procesgang is, voor zover hier van belang, als volgt geweest.

Op de eerste terechtzitting in hoger beroep, op 24 september 2007, is de zaak inhoudelijk behandeld door raadsheer Krikke, in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman. Het Hof heeft melding gemaakt van binnengekomen stukken, de korte inhoud van de stukken uit het dossier meegedeeld en de verdachte ondervraagd. De advocaat-generaal heeft gerequireerd en de raadsman gepleit. Het Hof heeft daarop het onderzoek geschorst tot 24 december 2007, teneinde op die datum getuige [betrokkene 2] ter zitting te horen. Op 24 december 2007 is het onderzoek door dezelfde raadsheer hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de eerste schorsing. Van de verdediging is op deze zitting alleen de raadsman verschenen. De getuige is niet verschenen. Het Hof heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst en voor de volgende zitting medebrenging van de getuige gelast. Op 23 juni 2008 heeft de laatste terechtzitting plaatsgevonden, waarbij de samenstelling van het Hof was gewijzigd. Verdachte en zijn raadsman, alsook getuige [betrokkene 2], zijn ter terechtzitting verschenen. Het hof heeft het onderzoek van de zaak hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schoring op 24 december 2007. Het proces-verbaal vermeldt:

"Het hof hervat - hoewel thans anders samengesteld - het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 24 december 2007."

Met deze vermelding is de verdere gang van zaken in overeenstemming. De zaak is niet opnieuw voorgedragen. Het Hof heeft voorts geen melding gemaakt van binnengekomen stukken, heeft niet de korte inhoud van de stukken uit het dossier meegedeeld en heeft de verdachte niet ondervraagd. De getuige is gehoord, waarna de advocaat-generaal, de raadsman en ten slotte de verdachte het woord hebben gekregen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat de advocaat-generaal of de verdediging bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken.

30. De aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal van de zitting vermeldt niet op welke terechtzittingen het onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding waarvan de uitspraak is gewezen.

31. Art. 322 lid 3 Sv, dat ingevolgde art. 415 Sv van overeenkomstige toepassing is op het rechtsgeding voor het Hof, luidt:

"De rechtbank beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het geval de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting gewijzigd is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond."

32. Nu uit het proces-verbaal van de zitting van 23 juni 2008 niet blijkt dat de advocaat-generaal en verdachte hebben ingestemd met de hervatting van het onderzoek, is in casu niet aan het vormvoorschrift ex art. 322 lid 3 Sv voldaan. Ik merk daarbij op dat weliswaar de meest voor de hand liggende verklaring voor de gang van zaken is dat tengevolge van een misslag niet in het proces-verbaal is vermeld dat de advocaat-generaal en de verdachte en zijn raadsman ermee hebben ingestemd dat het onderzoek werd hervat in de stand waarin het zich op 24 december 2007 bevond, maar dat wil niet zeggen dat sprake is van een kennelijke misslag. Nu de wet expliciete instemming eist, zal vastgehouden moeten worden aan de eis dat daarvan uit het proces-verbaal van de zitting blijkt. Anders wordt de regel in de praktijk dat wie zwijgt, toestemt. (7)

33. Het voorschrift vervat in art. 322 lid 3 Sv houdt verband met het bepaalde in de artt. 348 en 350 Sv dat de rechter dient te beraadslagen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. Het moet er in casu voor gehouden worden dat het Hof niet uitsluitend heeft beraadslaagd naar aanleiding van het (onvolledige) onderzoek van 23 juni 2008, maar mede naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 24 september 2007, alwaar de zaak inhoudelijk werd behandeld. Dat betekent dat het arrest aan nietigheid lijdt.(8)

34. Het vierde middel slaagt derhalve.

35. Het vierde middel slaagt, de overige middelen falen. Die overige middelen kunnen, als de Hoge Raad aan de bespreking ervan toekomt, worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

36. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid om de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

37. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie bijvoorbeeld HR 19 juni 2007, LJN BA0422.

2 Zie ook HR 8 december 2009, LJN BK0685.

3 Tenlastegelegd, onder 4, was bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

4 De steller noemt als voorbeelden van relevante kenmerken of de paraplu een punt heeft en of de paraplu invouwbaar is en zo ja, of die in uit- of ingevouwen toestand aan het slachtoffer is getoond.

5 Zie A. Machielse, in Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 285, aant. 4, bij t/m 09-02-2009.

6 De steller van het middel gaat er hierbij vanuit dat de belastende verklaringen van [betrokkene 2] het enige en belangrijkste bewijs vormen voor verdachtes betrokkenheid bij de feiten 1, 2 en 3. Dit lijkt mij, gezien de bewijsconstructie in zijn geheel en de bewijsmiddelen 4, 8 en 9 in het bijzonder, te veel eer voor getuige [betrokkene 2].

7 In HR 15 december 2009, LJN BJ7246 vond de Hoge Raad aanleiding om inlichtingen in te winnen bij het desbetreffende gerecht. Of die weg ook in deze zaak bewandeld moet worden, laar ik over aan de wijsheid van de Hoge Raad.

8 Het opnieuw aanvangen van het onderzoek is niet vereist als op de nadere zitting geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt. Zie HR 3 februari 1998, NJ 1998, 555 en HR 26 september 2000, NJ 2000, 701. Hetzelfde geldt als op de eerdere terechtzitting(en) geen inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden. Zie o.m. HR 9 januari 2001, LJN AA9480, NJ 2001, 125 en HR 3 februari 2009, LJN BG6582. Deze situaties doen zich hier niet voor. Ook doet zich niet voor de situatie waarin onder omstandigheden kan worden gezegd dat de verdachte niet in zijn belang is geschaad omdat niet beraadslaagd is naar aanleiding van het eerdere onderzoek. Vgl. HR 25 april 1989, NJ 1989, 884.