Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL5540

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
07/12897
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2386
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL5540
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Conclusie AG o.m. over de uitleg van de tll. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 548
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12897

Mr. Vellinga

Zitting: 16 februari 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en wegens 2. "Een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd"; en 3. "Een lijk begraven en verbergen met het oogmerk het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met bijkomende beslissingen als in het arrest vermeld.

2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft één middel van cassatie voorgesteld. Mr. G Spong, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep namens de verdachte weersproken.

3. Het middel houdt in dat het Hof bij zijn vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de tenlastelegging doordat hij deze aldus heeft gelezen dat de verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer] op gewelddadige wijze om het leven heeft gebracht en dat de in de tenlastelegging omschreven handelingen alle als geweldshandelingen dienen te worden aangemerkt.

4. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd:

"dat hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 18 januari 2001 tot en met 22 januari 2001 te Nuenen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer], zijnde zijn, verdachtes, toenmalige echtgenote, van het leven heeft beroofd, immers heeft hij toen aldaar, al dan niet met die ander(en), met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer] haar keel dicht geknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden, althans [slachtoffer] de ademhaling belemmerd en/of onmogelijk gemaakt, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden;"

5. Het Hof heeft de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en daarbij - voor zover hier van belang - overwogen:

"Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het openbaar ministerie verwijt de verdachte dat hij zijn toenmalige echtgenote [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), al dan niet met voorbedachten rade, op gewelddadige wijze om het leven heeft gebracht. De geweldshandelingen zijn in de tenlastelegging omschreven als:

a. het dichtknijpen of dichtdrukken van de keel van [slachtoffer] (wurgen),

dan wel

b. het belemmeren of onmogelijk maken van haar ademhaling (smoren).

De verdachte heeft, na zijn aanhouding door de politie op 16 januari 2005, van meet af aan ontkend dat hij zijn echtgenote om het leven heeft gebracht. Vanaf zijn verhoor op 18 januari 2005 houden de verklaringen van de verdachte onder meer in dat hij zijn echtgenote op zondag 21 januari 2001 levenloos op bed had aangetroffen en dat zij toen een plastic zak over haar hoofd had, die aan de rechterzijde was dichtgedraaid. Volgens de verdachte heeft hij, nadat hij de plastic zak had weggehaald, geconstateerd dat zijn echtgenote niet meer ademde en dat zij blauwe verkleuringen had in het gelaat.

Het hof gaat er van uit dat het door het openbaar ministerie gestelde en te bewijzen gewelddadig handelen van de verdachte in de kern is gebaseerd op het verslag d.d. 27 april 2005 van dr. B. Kubat en drs. A. Maes, beiden als arts-patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), waarin zij rapporteren dat hen bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] onder meer is gebleken:

1. dat sprake was van een breuk van de rechter grote hoorn (hierna ook: cornu superior) van het strottenhoofd, hetgeen - indien bij leven opgetreden - kan passen bij samendrukkend geweld op de hals, een zogenaamde wurghandeling;

2. dat in vergelijking tot de uitstrijken van de voorhoofdsholte een sterkere tetrabaseaankleuring plaatsvond van de uitstrijken van de luchtcellen van de rotsbeenderen van de schedelbasis beiderzijds, hetgeen kan passen bij bloedstuwing in de rotsbeenderen in het kader van samendrukkend geweld op de hals. Ook de door de verdachte kort na het overlijden van [slachtoffer] waargenomen blauwe verkleuringen (cyanose) in haar gelaat, waarover hij ten overstaan van de politie heeft verklaard, kan wijzen op bloedstuwing in het hoofd ten tijde van het overlijden. In het voorliggende geval kan de blauwverkleuring van het gelaat eveneens passen bij samendrukkend geweld op de hals.

Naar het hof begrijpt is het ten laste gelegde voorts gestoeld op de gedragingen van de verdachte nadat hij, naar eigen zeggen, zijn echtgenote met een plastic zak over haar hoofd dood op bed had aangetroffen - een deel van die gedragingen komt tot uitdrukking in het onder 3 ten laste gelegde -, alsmede op de mededelingen die hij nadien, tot 18 januari 2005, tegenover derden over zijn echtgenote heeft gedaan.

In het hierna volgende zal het hof eerst ingaan op de hiervoor genoemde sectiebevindingen.

Het breukje in de rechter cornu superior van het strottenhoofd

(...)

Op grond van de hiervoor weergegeven standpunten van de deskundigen (waaronder andere deskundigen dan de hiervoor genoemde deskundigen Kubat en Maes; WHV) acht het hof, met de advocaat-generaal en de verdediging, niet overtuigend bewezen dat sprake was van een breukje in de rechter cornu superior van het strottenhoofd van [slachtoffer]. In zoverre kunnen de bevindingen, zoals neergelegd in het sectieverslag van 27 april 2005 en in de onderzoeksverslagen van dr. De Bakker d.d. 21 januari 2005 respectievelijk 12 april 2005, niet bijdragen tot het bewijs dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van verstikking door op de hals uitgeoefend samendrukkend geweld, zoals ten laste is gelegd.

De opvatting van de advocaat-generaal dat, als er een breukje was, dit bij het overlijden van [slachtoffer] (peri mortem) moet zijn ontstaan, omdat in zijn visie zowel uitgesloten kan worden dat het ante mortem (bij leven), als post mortem (na het overlijden) is ontstaan, behoeft op grond van het vorenstaande geen verdere bespreking.

Bloedstuwing in de rotsbeenderen en cyanose van het gelaat

Zoals hiervoor reeds vermeld hebben dr. Kubat en drs. Maes in het sectieverslag d.d. 27 april 2005 gerapporteerd dat bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is geconstateerd dat de uitstrijken van de luchtcellen van de rotsbeenderen een sterkere tetrabase-aankleuring vertoonden dan de uitstrijken van de voorhoofdsholte, hetgeen kan passen bij bloedstuwing in de rotsbeenderen.

(...)

Op grond van de hiervoor weergegeven standpunten van de deskundigen is het hof, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat sprake was van bloedstuwing in de luchtcellen van de rotsbeenderen van [slachtoffer]. Het is hof is voorts van oordeel, indien wordt uitgegaan van de hypothese dat van bloedstuwing in de rotsbeenderen wél sprake was, dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat dat verschijnsel is veroorzaakt door verstikking ten gevolge van enige vorm van gewelddadig handelen zoals in de tenlastelegging vermeld - te weten het uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals of het belemmeren of onmogelijk maken van de ademhaling -, nu uit de verklaringen van de deskundigen volgt dat talrijke alternatieve oorzaken tot bloedstuwing in de rotsbeenderen geleid kunnen hebben.

Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voorts gebleken dat de blauwverkleuring (cyanose) van het gelaat van [slachtoffer], waarover de verdachte heeft verklaard, niet zonder meer kan leiden tot de conclusie dat sprake is geweest van verstikking ten gevolge van samendrukkend geweld op de hals of smoren, zoals in de tenlastelegging vermeld. Uit de verklaringen van de deskundigen Milroy, Jacobs en Kubat kan immers worden afgeleid, dat blauwverkleuring van het gelaat niet alleen in die gevallen kan optreden, maar - in meer of mindere mate - ook in andere, waaronder in geval van suïcide door middel van een plastic zak.

Eindoordeel

Reeds in het sectieverslag d.d. 27 april 2005 concludeerden dr. Kubat en drs. Maes dat de hiervoor onder 1 en 2 genoemde sectiebevindingen verenigbaar zijn met (doch niet bewijzend voor) verstikking ten gevolge van (in- of uitwendige) afsluiting van de ademweg, zoals bijvoorbeeld bij smoren kan optreden, waarschijnlijk gecombineerd met samendrukkend geweld op de hals en dat een andere doodsoorzaak bij de sectie niet is gebleken.

In de visie van de deskundigen Milroy, Jacobs en Kubat is in de onderhavige zaak de doodsoorzaak van [slachtoffer] niet meer vast te stellen. Mede gelet daarop en op hetgeen de deskundigen Milroy en Jacobs dienaangaande ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard, kan het hof de mogelijkheid - gebaseerd op de door de verdachte afgelegde verklaringen over de wijze waarop hij zijn echtgenote had aangetroffen - dat [slachtoffer] suïcide heeft gepleegd door een plastic zak over het hoofd te trekken en dicht te draaien, niet als een hoogst onwaarschijnlijk scenario terzijde stellen.

Dit betekent naar het oordeel van het hof dat aan de gedragingen van de verdachte, nadat hij naar eigen zeggen het ontzielde lichaam van zijn echtgenote had aangetroffen - hoe merkwaardig die gedragingen menselijkerwijs ook betiteld kunnen worden en hoe onlogisch deze ook zijn in het licht van verdachtes verklaring dat hij zijn overleden echtgenote respectvol wilde behandelen -, op zichzelf geen bewijs kan worden ontleend dat de verdachte zijn echtgenote op één van de in de tenlastelegging bedoelde wijzen opzettelijk gewelddadig van het leven heeft beroofd. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat de verdachte na het overlijden van zijn echtgenote aantoonbaar valse mededelingen over haar heeft gedaan tegenover derden."

6. Blijkens zijn overwegingen verstaat het Hof het onder 1 tenlastegelegde aldus dat daarin aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij het slachtoffer door een of meer van de volgende geweldshandelingen om het leven heeft gebracht:

a. het dichtknijpen of dichtdrukken van de keel van [slachtoffer] (wurgen),

dan wel

b. het belemmeren of onmogelijk maken van haar ademhaling (smoren).

Ook overigens spreekt het Hof van het opzettelijk gewelddadig om het leven brengen van het slachtoffer. Deze uitleg van de tenlastelegging geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging.

7. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof door zijn uitleg van de tenlastelegging miskend dat het tenlastegelegde belemmeren en/of onmogelijk maken van de ademhaling van het slachtoffer ook het op niet gewelddadige wijze belemmeren en/of onmogelijk maken van de ademhaling omvat, bijvoorbeeld zoals wanneer de verdachte een zodanige dwang op het slachtoffer heeft uitgeoefend dat zij geen andere uitweg meer zag dan de plastic zak over haar hoofd te trekken en dicht te snoeren ten gevolge waarvan haar ademhaling uiteindelijk is gestokt.

8. In zijn requisitoir heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof onder meer betoogd:

Er zijn in deze zaak twee lezingen omtrent de dood van [slachtoffer]:

l) het openbaar ministerie stelt dat er sprake is van het opzettelijk doden van [slachtoffer] door verdachte

2) verdachte stelt dat zijn vrouw zelfmoord heeft gepleegd.

(...)

Ad 1)

Het openbaar ministerie heeft uitgebreid onderzoek laten doen naar de doodsoorzaak. In het dossier bevinden zich vele deskundigenrapporten en ook ter zitting, zowel in eerste aanleg, als ook hier bij Uw hof, hebben de deskundigen in ruime mate de gelegenheid gehad hun deskundige oordeel toe te lichten.

Voor het standpunt van het openbaar ministerie, dat er sprake is van verwurging of smoren van het slachtoffer, zijn de volgende bevindingen van belang:

- deskundige de Bakker stelt dat er sprake is van een breuk in de rechter cornu superior van het strottenhoofd, met enige scheefstand;

- bij de sectie is (sterke) stuwing waargenomen in de rotsbeenderen

- de blauwverkleuring van het gelaat van [slachtoffer], waarover V bij de politie rept, kunnen bij verwurging passen.(1)

(...)

Het geheel overziend, komen de deskundige Jacobs en Milroy tot de conclusie dat de doodsoorzaak in dit geval niet valt vast te stellen. Op een vraag van de oudste raadsheer of het juist is dat zij dan strangulatie ook niet kunnen uitsluiten, hebben beiden bevestigend geantwoord.

Dr Kubat heeft zich duidelijk genuanceerder uitgelaten. Zij persisteert erbij dat bevindingen bij de sectie verenigbaar zijn met (doch niet bewijzend voor) verstikking ten gevolge van (in- of uitwendige) afsluiting van de ademweg, zoals bijvoorbeeld bij smoren kan optreden, waarschijnlijk gecombineerd met samendrukkend geweld op de hals. Een andere doodsoorzaak is niet gebleken. Die conclusie is kennelijk in belangrijke mate gebaseerd op haar bevindingen mbt de stuwing. In dat standpunt wordt zij gesteund door prof de Maat.(2)

(...)

9. In het licht van de omstandigheid dat de Advocaat-Generaal bij het Hof zich in zijn requisitoir uitdrukkelijk op het standpunt stelt dat het slachtoffer om het leven is gebracht door verwurging of smoren, is de door het Hof aan de tenlastelegging gegeven uitleg niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

11. Het cassatieberoep is onbeperkt ingesteld. Dat betekent dat ambtshalve onder ogen moet worden gezien of de redelijke termijn ter zake van de feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld, is overschreden.

12. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft op 20 april 2007 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 P. 6, 7

2 P. 12, 13.