Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL5262

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
08/04746
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL5262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Uitleg overeenkomst inzake indexering van pensioen; Haviltex-maatstaf; aan inhoud brief mocht redelijkerwijze de betekenis van een onvoorwaardelijke indexering worden togekend; het niet-reageren op toegezonden pensioenbochure, de overhandigde definitieve tekst van pensioenregeling en jaarlijkse pensioenoverzichten, alsmede het pas later aan de orde stellen van de indexering impliceert geen instemming met voorwaardelijke indexering; bij de uitleg in aanmerking te nemen nadere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 579
RAR 2010/99
PJ 2010/157 met annotatie van Prof. dr. E. Lutjens
NJB 2010, 1023
JWB 2010/160
JAR 2010/127
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 08/04746

Mr M.H. Wissink

Zt. 19 februari 2010

conclusie inzake

Halliburton B.V.

(hierna: Halliburton)

tegen

[Verweerder]

Inleiding

Deze zaak gaat over de uitleg van een pensioenafspraak. Halliburton heeft in 1994 aan haar werknemers - waaronder [verweerder] - een wijziging van de destijds bestaande collectieve pensioenregeling aangeboden. Inzet is de vraag of het hof de Haviltexmaatstaf juist heeft gehanteerd door te oordelen dat [verweerder] er in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van mocht uitgaan dat Halliburton niet een voorwaardelijke doch een onvoorwaardelijke jaarlijkse indexering van de pensioenaanspraken heeft willen toezeggen.

1. Feiten

1. In cassatie kan van de volgende feiten uitgegaan.(1) Ik volg hieronder de aanduiding van het hof.

a. [Verweerder] is met ingang van 1 oktober 1985 in dienst getreden bij Halliburton Company Germany GmbH Holland Branch.

b. Met ingang van 23 januari 1989 is [verweerder] in dienst getreden bij Halliburton (Reservoir) Services B.V., een rechtsvoorgangster van Halliburton.

c. Bij Halliburton is sinds 1 januari 1974 een collectieve pensioenregeling van kracht, die is ondergebracht bij Zwitserleven.

d. [Verweerder] is met ingang van 1 oktober 1985 gaan deelnemen aan de pensioenregeling.

e. Halliburton heeft besloten haar pensioenregeling te wijzigen, omdat deze de mogelijkheid bood een bovenmatig pensioen op te bouwen en niet voorzag in indexatie van de pensioenaanspraken van gepensioneerden en ex-werknemers.

f. In februari 1994 heeft Halliburton drie presentaties doen verzorgen voor haar werknemers met betrekking tot het nieuwe pensioenreglement.

g. Bij brief van 9 juni 1994 heeft Halliburton het volgende aan [verweerder] medegedeeld:

"Zoals wellicht bekend is, is er een voorstel tot wijziging van onze collectieve pensioenregeling.

(...)

In het kort komen de wijzigingen op het volgende neer:

(...)

b. Zoals in de inleiding al aangegeven worden in onze huidige pensioenregeling pensioenrechten alleen aangepast aan de salarisontwikkeling. Na de dienstverlating of pensionering vindt geen aanpassing meer plaats. In de nieuwe regeling gaat dat wel gebeuren. De rechten van de dienstverlaters en de ingegane rechten worden jaarlijks aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud. De financiering hiervan vindt plaats uit de extra renteopbrengsten die de verzekeringsmaatschappij aan ons uitkeert.

(...)

Samenvatting

De wijziging onder a. is de enige verslechtering, in die zin dat de rechten lager worden. Dit wordt evenwel gecompenseerd door:

de invoering van indexatie (b.)

het beter aanpassen aan het laatstverdiende salaris (c.)

Keuze

(...)

Op bijgaand formulier kan worden aangegeven indien niet akkoord wordt gegaan met de wijziging. Gaarne ontvangen wij het formulier uiterlijk binnen 14 dagen terug."

g.(2)Uit genoemd formulier, bijlage bij de brief van 9 juni 1994, volgt dat volgens de nieuwe regeling de pensioenrechten per 1 januari 1994 geïndexeerd worden. Daarbij is geen voorbehoud gemaakt.

h. [Verweerder] heeft het genoemde formulier niet teruggestuurd.(3)

i. Op de werknemers die met de wijzigingen van de pensioenregeling hebben ingestemd is het nieuwe pensioenreglement van toepassing sinds 1 januari 1994.

j . In januari 1995 heeft Halliburton haar werknemers, onder wie [verweerder], een Arbeidsvoorwaardenregeling gestuurd. Artikel 15 van deze regeling verwijst voor de collectieve pensioenvoorziening naar het pensioenreglement van Halliburton.

k. In juli 1995 heeft Halliburton aan de werknemers die deelnamen aan de nieuwe pensioenregeling een pensioenbrochure uitgereikt.

1. In deze brochure is onder het kopje "5. Diversen/overgangsbepaling" onder meer het volgende vermeld:

"Indexatie van ingegane pensioenen.

Halliburton streeft ernaar om ieder ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen na ingang waardevast te houden. Die aanpassing vindt overigens uitsluitend plaats voor zover de overrente die door de verzekeraar beschikbaar wordt gesteld, voldoende is ter financiering hiervan.

(...)

Indexatie van ontslagrechten.

Vanaf 1 januari 1992 is wettelijk geregeld dat pensioenrechten van ex-werknemers jaarlijks worden geïndexeerd op dezelfde wijze als ingegane pensioenen. Ook in dit geval geldt dat de beschikbare overrente voldoende is ter financiering hiervan. Deze indexatie van ontslagrechten geldt uitsluitend voor ex-werknemers die hebben deelgenomen aan de pensioenregeling zoals deze per 1 januari 1994 is aangepast en na die datum met ontslag zijn gegaan." (4)

m. Het nieuwe pensioenreglement is in augustus 1996 aan de werknemers, onder wie [verweerder], uitgereikt.

n. Artikel 16 lid 5 van dit reglement luidt als volgt:

"De maximale beschikbare middelen voor de hele groep rechthebbenden, is de overrente over het afgelopen kalenderjaar die over de reserve van deze groep is gegenereerd. Mochten de beschikbare middelen in één jaar niet voldoende zijn, dan worden de toeslagen naar evenredigheid verlaagd." (5)

o. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 1 mei 2000 geëindigd.

2. Procesverloop

2.1 Bij inleidende dagvaarding van 2 augustus 2006 heeft [verweerder] Halliburton gedaagd voor de rechtbank Haarlem, sector Kanton, locatie Haarlem, en gevorderd dat Halliburton wordt veroordeeld om:

a. Het pensioen van [verweerder] te (doen) indexeren vanaf de datum dat hij bij Halliburton uit dienst ging tot aan [verweerder]'s pensioendatum, c.q. tot aan de datum waarop het pensioenreglement zodanig wordt gewijzigd dat [verweerder] niet langer aanspraak op indexering zal hebben.

b. Af te dragen aan het pensioenfonds de op grond van het gevorderde onder a. verschuldigde pensioengelden, zodanig dat het pensioen van [verweerder] geïndexeerd wordt en blijft, en [verweerder] geen nadeel ondervindt van de vertraging in de betaling door Halliburton.

2.2 Bij vonnis van 20 december 2006 heeft de kantonrechter de vordering van [verweerder] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. De Kantonrechter volgde het standpunt van Halliburton, dat sprake is van een voorwaardelijke toezegging.

2.3 Het hof Amsterdam heeft met [verweerder] aangenomen dat sprake is van een onvoorwaardelijke toezegging. Bij arrest van 31 juli 2008 heeft het de vorderingen (met geringe modificaties)(6) toegewezen.

2.4 Halliburton is - tijdig(7) - in cassatie gekomen van dit arrest. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel begint met een inleiding die geen klachten bevat tegen het arrest van het hof.(8) Het middel bestaat uit vijf onderdelen. Deze klagen over de feitenvaststelling (onderdeel 1), het oordeel dat sprake is van een onvoorwaardelijke toezegging (onderdelen 2-4) en de indexeringsmaatstaf (onderdeel 5).

Feitenvaststelling

3.2 Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen 's hofs feitenvaststelling in rov. 3.1, sub g, van het bestreden arrest (bedoeld is de tweede vaststelling achter `g'). Het hof overweegt daar als volgt (zie blz. 4 van het bestreden arrest):

"g. Uit genoemd formulier, bijlage bij de brief van 9 juni 1994, volgt dat volgens de nieuwe regeling de pensioenrechten per 1 januari 1994 geïndexeerd worden. Daarbij is geen voorbehoud gemaakt."

Het middelonderdeel stelt dat het hof ten onrechte in rov. 2 van het bestreden arrest overweegt dat er geen geschil bestaat omtrent de feiten zoals in eerste aanleg vastgesteld door de kantonrechter. Immers, het hiervóór geciteerde rechtsfeit, dat overeenkomt met onderdeel g van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, is volgens Halliburton nu juist het onderwerp van geschil in deze zaak. Halliburton heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat zij ten aanzien van de indexering van pensioenaanspraken een voorbehoud had gemaakt.

3.3 Deze klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat het berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft met de gewraakte passage (sub g) uit rov. 3.1 niet méér willen zeggen dan dat in de bijlage bij de brief van 9 juni 1994 niet afzonderlijk een voorbehoud is gemaakt.(9) Deze bedoeling blijkt ook uit rov. 3.5 waar het hof opmerkt: "Daarbij tekent het hof nog aan dat in de bijlage bij deze brief in de rubriek "geïndexeerde rechten" in verband met de voorgestelde pensioenregeling is vermeld "ja", wederom zonder dat daarbij enig voorbehoud is gemaakt."(10) De feitenvaststelling is dus niet onbegrijpelijk. Het hof heeft uiteraard niet miskend dat de procedure draait om de vraag of ten aanzien van de indexering een voorbehoud geldt. Het hof heeft die vraag onderzocht in rov. 3.5-3.8 van zijn arrest.

Onvoorwaardelijke toezegging?

3.4.1 Ik begin met een paar algemene opmerkingen om de draagwijdte van de door de het middel opgeworpen vraag te bepalen.

3.4.2 In de eerste plaats: pensioenafspraken lijken niet in steen gehouwen te zijn, maar enige flexibiliteit te vertonen om te kunnen inspelen op veranderende omstandigheden, hetzij door aanpassing van bestaande afspraken,(11) hetzij (zoals in dit geval) door het maken van nieuwe afspraken. De vordering van [verweerder] houdt daarmee in zekere zin rekening. Het hof veroordeelde Halliburton ertoe het pensioen van [verweerder] te (doen) indexeren vanaf 1 januari 2002 tot aan de datum waarop het pensioenreglement zodanig wordt gewijzigd dat [verweerder] niet langer aanspraak op (onvoorwaardelijke; toevoeging A-G) indexering zal hebben. Of het reglement is gewijzigd, valt uit het dossier niet op te maken.

3.4.3 In de tweede plaats: daadwerkelijke indexatie van pensioenen lijkt, (ook) in de huidige economische omstandigheden, geen zekerheid te zijn.(12) Volgens de literatuur is gebruikelijk dat indexatie voorwaardelijk is, dus op de een of ander manier afhankelijk van financiële resultaten.(13) Eventuele gebruikelijkheid van voorwaardelijkheid van indexering heeft als argument geen rol gespeeld in het debat over de vraag of de tussen Halliburton en [verweerder] overeengekomen indexatie voorwaardelijk is, en kan bij de beoordeling van het middel in cassatie niet tot uitgangspunt worden genomen.

3.4.4 In de derde plaats: bij werknemerspensioenen kunnen drie verhoudingen worden onderscheiden, namelijk die tussen (i) werkgever en werknemer (de `pensioentoezegging' of `pensioenoverenkomst'), (ii) werkgever en pensioenverzekeraar of -fonds (ter uitvoering van de pensioentoezegging)(14) en (iii) werknemer en pensioenverzekeraar of -fonds (om de aanspraak van de werknemer op deze te bepalen). De afspraken die in deze relaties worden gemaakt, kunnen door de betrokken partijen met wisselende termen worden aangeduid. Zo is, blijkens de rechtspraak van Uw Raad, de term `pensioenreglement' zowel gebruikt in een geval om de onder (i) bedoelde relatie aan te geven als in een geval om de onder (iii) bedoelde relatie aan te geven. (15) Het is dus zaak om steeds goed te bezien in welke relatie de uitleg van een `pensioenafspraak' aan de orde is.

3.4.5 In het onderhavige geval gaat het om een pensioenafspraak tussen werkgever en werknemer, relatie (i) dus. De afspraak in die relatie moet volgens de Haviltexmaatstaf worden uitgelegd(16) (in de relatie onder (iii) geldt daarentegen de CAO-norm).(17) Het hof heeft in rov. 3.5 de Haviltexmaatstaf voorop gesteld om te bepalen wat tussen Halliburton en [verweerder] heeft te gelden op het punt van de indexering van het pensioen. Het middel bestrijdt niet dat de Haviltexmaatstaf moet worden toegepast.

3.4.6 Bij toepassing van de Haviltexmaatstaf bestaat soms reden voor een meer objectieve uitleg. Zie hieronder punt 3.7, waar ik deze rechtspraak kort aanstip bij de bespreking van onderdeel 2. Een werkgever die een collectieve pensioenregeling aan zijn werknemers aanbiedt, heeft bij een discussie over die regeling met één (ex-)werknemer waarschijnlijk wel in gedachten de eventuele gevolgen van die discussie voor zijn verhouding met andere werknemers.(18) Dat staat er echter niet aan in de weg dat het (ook) in de onderhavige zaak alleen gaat om de vraag naar de uitleg van de rechtsverhouding tussen deze twee partijen op basis van hetgeen zich tussen hen heeft afgespeeld. Het middel betoogt niet dat pensioenafspraken in aanmerking zouden moeten komen voor een uitleg op basis van een (op de een of andere manier) meer objectieve toepassing van Haviltex.

3.5 Daarmee kom ik dan uit bij de vraag, zoals die in deze zaak aan de orde is, namelijk of tussen Halliburton en [verweerder] is afgesproken dat de indexering van het pensioen onvoorwaardelijk zou zijn dan wel voorwaardelijk (namelijk afhankelijk van de vraag of de pensioenverzekeraar overrente aan Halliburton heeft uitgekeerd). Over het antwoord op die vraag kan verschillend worden gedacht. Het hof heeft zijn oordeel dat sprake is van een onvoorwaardelijke toezegging als volgt verwoord:

"3.5 De vraag wat tussen partijen heeft te gelden op het punt van de indexering van het pensioen moet worden beantwoord aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars wilsuitingen mochten toekennen en van hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dit verband moet allereerst acht worden geslagen op de inhoud van de brief van 9 juni 1994 met bijlage waarbij Halliburton aan [verweerder] voorstellen deed tot wijziging van de op dat moment voor hem geldende pensioenregeling. In die brief staat dat de pensioenrechten van degenen met wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd en van hen die reeds pensioengerechtigd zijn, jaarlijks worden aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud. De brief maakt niet uitdrukkelijk melding van een voorwaarde, die moet zijn vervuld wil indexering plaatsvinden. In de zinsnede in de brief die inhoudt dat de financiering van de indexering plaatsvindt uit de extra renteopbrengsten die de pensioenverzekeraar aan Halliburton uitkeert behoefde [verweerder], anders dan Halliburton betoogt, niet te lezen dat indexering slechts zou plaatsvinden indien en voor zover de pensioenverzekeraar een uitkering als hiervoor bedoeld zou doen. Daarbij tekent het hof nog aan dat in de bijlage bij deze brief in de rubriek "geïndexeerde rechten" in verband met de voorgestelde pensioenregeling is vermeld "ja", wederom zonder dat daarbij enig voorbehoud is gemaakt. Dat het hier niet gaat om een uitputtend voorstel, zoals Halliburton heeft aangevoerd, blijkt niet uit de brief, ook al worden de voorgestelde wijzigingen in het kort weergegeven. Dat het niet een uitputtend voorstel betrof is overigens ook daarom moeilijk voorstelbaar, omdat Halliburton van de ontvangers van de brief verwachtte dat zij op basis van de brief en de bijlage de keus maakten tussen handhaving van de destijds geldende pensioenregeling of instemming met een in een aantal opzichten nieuwe regeling. Dit klemt te meer nu het ging om een uitruil van een door Halliburton zelf in de brief als verslechtering aangeduide wijziging tegen - onder meer - de hier aan de orde zijnde indexatie. Hetgeen met betrekking tot de nieuwe pensioenregeling en in het bijzonder de indexering is medegedeeld tijdens presentaties die zijn gehouden voorafgaande aan de verzending van de onderhavige brief, waarop Halliburton zich voorts beroept, is reeds daarom zonder belang, omdat vaststaat dat [verweerder] bij geen van deze presentaties aanwezig is geweest en gesteld noch gebleken is dat de verplichting daartoe op hem rustte. Evenmin komt enig gewicht toe aan de destijds aan het personeel gezonden sheets van die presentaties omdat, wat daarvan zij, Halliburton heeft gesteld dat zij niet kan bewijzen dat zij deze sheets heeft gezonden aan [verweerder], die betwist dat hij deze heeft ontvangen. Nu de hierboven besproken brief en de bijlage ter zake van de voorgestelde indexering duidelijk waren, was er voor [verweerder] ook geen aanleiding over het eventueel bestaan van voorwaarden met betrekking tot de indexatie vragen te stellen, zoals Halliburton nog heeft aangevoerd.

3.6 Halliburton heeft niet alleen een beroep gedaan op de hierboven verworpen uitleg van de brief van 9 juni 1994, maar ook overigens feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan volgens haar moet worden aangenomen dat [verweerder] akkoord is gegaan met het uiteindelijk in artikel 16 van de nieuwe pensioenregeling opgenomen voorbehoud inzake indexering. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

3.7 Voor zover Halliburton zich ter ondersteuning van het vertrouwen dat bij haar zou zijn gewekt erop beroept dat [verweerder] niet heeft gereageerd op de hem op in juli 1995 gezonden pensioenbrochure, waarin uitdrukkelijk is vermeld dat indexering uitsluitend plaatsvindt voor zover de pensioenverzekeraar overrente beschikbaar stelt, faalt dat beroep. Er moet van worden uitgegaan is (sic; A-G) dat partijen in juli 1994 overeenstemming hebben bereikt over een nieuwe pensioenregeling, conform de in de brief van Halliburton van 9 juni 1994 vermelde uitgangspunten. Afwijking van die uitgangspunten behoefde de uitdrukkelijke instemming van [verweerder]. Uit het stilzwijgen van [verweerder] na toezending van de pensioenbrochure in juli 1995 heeft Halliburton geen aanvaarding van de belangrijke inperking van het recht op indexatie als omschreven in de brief van 9 juni 1994 van de kant van [verweerder] mogen afleiden, te minder nu gesteld noch gebleken is dat Halliburton hem op deze inperking heeft geattendeerd toen zij de brochure ter beschikking stelde. Nu dit laatste - het tegendeel stelt Halliburton niet - evenmin is gebeurd toen zij de definitieve tekst van de pensioenregeling in augustus 1996 aan [verweerder] overhandigde, geldt ook hier dat Halliburton aan het uitblijven van een reactie niet het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat [verweerder] alsnog instemde met beperking van de indexering. Onder de gegeven omstandigheden kon van [verweerder] niet worden gevergd dat hij verifieerde of het hem toegezonden pensioenreglement op het punt van de indexering of op enig ander punt afweek van het door hem in 1994 aanvaarde voorstel. Dat [verweerder] pas in 2005 de indexering aan de orde stelde kan Halliburton evenmin baten, reeds omdat zij geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die zich, afgezien van de terhandstelling van het pensioenreglement, hebben voorgedaan waarop zij het door haar gestelde vertrouwen mocht baseren. Als zodanige omstandigheid kan niet gelden de omstandigheid dat [verweerder] niet heeft gereageerd op jaarlijkse pensioenoverzichten die melding maakten van een bij de nieuwe pensioenregeling ingevoerde WAO-hiatenverzekering. Zoals hierboven is overwogen, behoefde [verweerder] er niet bedacht op te zijn dat het nieuwe pensioenreglement voor wat betreft de indexering afweek van het door hem geaccepteerde voorstel. Op dit laatste stuit ook af dat het indruist tegen het beginsel van redelijkheid en billijkheid dat honorering van de aanspraak van [verweerder] zou betekenen dat hij profiteert van het feit dat hij zich, anders dan zijn collega's, niet heeft verdiept in door Halliburton ter beschikking gestelde informatie, zoals zij nog heeft aangevoerd.

3.8 Het voorgaande voert tot de slotsom [dat] [verweerder] recht heeft op indexering van zijn pensioen, ongeacht de vraag of de pensioenverzekeraar overrente aan Halliburton heeft uitgekeerd."

3.6 Onderdeel 2, subonderdelen a tot en met c, klaagt over de door het hof gekozen strategie om de rechtsverhouding tussen partijen te interpreteren: eerst de brief van 9 juni 1994 uitleggen, daarna bezien of er voldoende feiten en omstandigheden zijn die meebrengen dat sprake is van een uitdrukkelijke instemming met de latere afwijking van hetgeen in die brief is opgenomen. De klachten betreffen enerzijds de door het hof gekozen `gefaseerde' aanpak van de uitlegvraag, anderzijds de eis van een uitdrukkelijke instemming.

3.7 De rechtspraak van de laatste jaren, met name van na het arrest Pensioenfonds DSM Chemie/Fox, laat zien dat de uitleg aan de hand van Haviltexmaatstaf op verschillende manieren kan plaatstvinden en dat er dus, anders gezegd, diverse uitlegstrategieën binnen Haviltex mogelijk zijn. Ik wijs, bij wijze van voorbeeld, op de volgende mogelijkheden:

(i) de `gewone' uitleg onder Haviltex, waarbij de rechter rekening houdt met alle relevante omstandigheden van het geval.

(ii) een meer objectieve uitleg onder Haviltex in verband met de belangen van derden;(19)

(iii) een objectieve uitleg onder Haviltex van een notariële akte van levering van of vestiging van een recht op een registergoed voor wat betreft de vraag wat is geleverd c.q is gevestigd;(20)

(iv) een gefaseerde uitleg onder Haviltex in geval van een met behulp van juridische bijstand uitonderhandeld professioneel contract, dat wil zeggen een voorshands (vooral) meer tekstuele uitleg die in tweede instantie kan worden aangepast indien ook (meer) met andere voor de uitleg relevante omstandigheden rekening wordt gehouden;(21)

(v) het in beginsel naar gangbaar spraakgebruik uitleggen van een bepaling over `normaal gebruik' in een standaardakte zoals de NVM-akte.(22)

3.8 In de gevallen (iv) en (v) is sprake van een `gefaseerde' uitleg: er is steeds een bepaald (hoewel per geval wisselend) uitgangspunt om de uitleg voorshands te bepalen, maar in tweede instantie kan aan de hand van andere omstandigheden nog een ander (uiteindelijk) uitlegresultaat worden bereikt. De gefaseerde aanpak heeft wel gevolgen voor de posities van partijen, al was het maar in die zin dat de partij die de voorshandse uitleg tegen heeft meer moeite zal hebben om te beargumenteren waarom desalniettemin een ander uitlegresultaat moet worden gekozen. Hiertegenover kan een uitleg `ineens' worden geplaatst, waarbij alle voor de uitleg relevante omstandigheden ineens worden gewogen.

3.9 Nu moet het zojuist gemaakte onderscheid tussen een uitleg `ineens' en een `gefaseerde' uitleg niet overdreven worden. Immers in elk uitlegdebat is denkbaar dat sommige factoren zich eerder aan de uitlegger zullen opdringen dan andere, eenvoudig omdat zij makkelijker kenbaar zijn. Feitelijk kan het dus zo zijn dat een uitlegger (bij de bestudering van het dossier en/of aan de hand van het partijdebat) eerst een voorlopig oordeel bereikt op basis van bijvoorbeeld een tekstuele interpretatie en daarna een eindoordeel aan de hand van alle omstandigheden van het geval, terwijl in de uitspraak alleen het aan de hand van alle omstandigheden van het geval met toepassing van de Haviltexmaatstaf uiteindelijke bereikte oordeel wordt uiteengezet. De uitleg is dan feitelijk gefaseerd tot stand gekomen, maar in de uitspraak verantwoord als een uitleg ineens.

3.10 Tegenover deze feitelijke fasering van de uitleg, kunnen gevallen worden aangewezen waarin de fasering min of meer is genormeerd. Het onder (v) genoemde geval van de NVM-akte heeft een duidelijke normatieve component, alhoewel deze m.i. de rechter wel enige vrijheid laat.(23) In geval het onder (iv) bedoelde geval van door professionele partijen uitonderhandelde contracten gaat het m.i. niet om een voorgeschreven, maar om een toegelaten wijze van toepassing van de Haviltexmaatstaf.(24)

3.11 Men kan intussen zeggen dat zich binnen Haviltex een rijk geschakeerd palet aan nadere uitlegstrategieën aan het ontwikkelen is. Tot op zekere hoogte heeft die vaste vorm gekregen,(25) maar ook ligt nog veel open. Vaste vorm kan met name worden gevonden waar de gevallen duidelijk af te bakenen zijn (zoals bij het in punt 3.7 onder (iii) genoemde geval). Veel ligt nog open waar gevallen minder duidelijk af te bakenen zijn en bovendien in de praktijk onderling flink kunnen verschillen (zoals bij het in punt 3.7 onder (iv) genoemde geval). Dan is het moeilijker om voor die hele rijk geschakeerde `groep' gevallen een eenduidige ratio aan te wijzen om de Haviltexmaatstaf op een bepaalde wijze toe te passen. Dat vertaalt zich in een vrijheid van de feitenrechter om te kiezen voor een wijze van toepassing van Haviltex - met andere woorden: een uitlegstrategie - die zijns inziens het beste aansluit bij het voorliggende geval.

3.12 Tegen de achtergrond van deze meer algemene ontwikkelingen bij de uitleg van overeenkomsten, keer ik terug naar de bespreking van onderdeel 2 van het middel. Ik stel dan voorop dat in het onderhavige geval Haviltex `gewoon' van toepassing is, dat wil zeggen zonder dat sprake is van een geval waarvoor een min of meer speciale aanpak ontwikkeld is.

3.13 Het onderhavige geval kenmerkt zich wél door de bijzonderheid, dat de uitleg van de afspraak wordt gecompliceerd door het tijdsverloop. [verweerder] beroept zich op een brief van 6 juni 1994. Halliburton beroept zich erop dat bij uitleg van die brief óók gekeken moet worden naar latere feiten (zoals de pensioenbrochure uit 1995 en het Pensioenreglement van 1996). Het hof heeft de uitleg in die zin gefaseerd, dat het eerst heeft gekeken naar de betekenis van de brief van 9 juni 1994 en de eerder in 1994 gehouden presentaties over de nieuwe pensioenregeling (rov. 3.5) en daaraan een conclusie heeft verbonden (namelijk: een onvoorwaardelijke indexering); en daarna heeft het hof gekeken naar ontwikkelingen in de periode na 1994 (rov. 3.6-3.7) en geconcludeerd dat die omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden, nu daaruit niet blijkt van "uitdrukkelijke instemming" van [verweerder] met afwijking van de in de brief van 9 juni 1994 geformuleerde uitgangspunten.

3.14 Het faseren van de voor de uitleg relevante omstandigheden in de tijd, zoals in dit geval, vertoont verwantschap met het hierboven in punt 3.8 besproken faseren van de uitleg op basis van de bepaalde omstandigheden (ongeacht of die in tijd uit elkaar liggen). Ook in een geval als het onderhavige zijn met toepassing van de Haviltexmaatstaf daarom verschillende strategieën denkbaar om de uitlegvraag aan te vatten. Ik noem enigszins schematisch bij wijze van voorbeeld de volgende strategiën.

(1) De rechter weegt alle in de tijd verspreide relevante omstandigheden ineens om tot een oordeel te komen over de betekenis van de tussen partijen gemaakt afspraak.

(2) De rechter onderscheidt verschillende fasen in hetgeen zich tussen partijen heeft afgespeeld om tot een afspraak te komen, en koppelt aan de verschillende fasen een oordeel over de betekenis van de gemaakte afspraak (eerst een voorshands oordeel, daarna een uiteindelijk oordeel).

(3) De rechter onderscheidt verschillende afspraken die volgtijdelijk tussen partijen zijn gemaakt. De rechter legt eerst de eerste afspraak uit en bereikt daarover een uiteindelijk oordeel. Daarna gaat de rechter de tweede afspraak uitleggen en bereikt hij daarover een uiteindelijk oordeel. Dat laatste oordeel kan zijn dat door de tweede afspraak de eerste afspraak is bijgesteld of achterhaald.

3.15 Mij dunkt dat de rechter in beginsel vrij is om te bepalen welke van deze strategiën hij kiest. Het oordeel of sprake is van één afspraak dan wel van verschillende afspraken, is een feitelijk oordeel. Als de rechter oordeelt dat sprake is van één afspraak, die gefaseerd is totstandgekomen, is de vraag hoe met dat gegeven bij de uitleg moet worden omgegaan ook een kwestie die aan de feitenrechter moet worden overgelaten. Waar de feitentrechter in het algemeen - behoudens de aanwezigheid van een duidelijke subregel - de vrijheid heeft om te bepalen in welke volgorde de voor de uitleg relevante punten worden besproken en gewogen, dan heeft hij die ook waar het gaat om de vraag hoe de aanpak van de uitlegkwestie het beste kan worden georganiseerd als de relevante factoren in de tijd zijn verspreid.

3.16 Halliburton heeft de onder (1) genoemde toepassing van Haviltex verdedigd. Dat zou in dit geval zeker een toelaatbare toepassing van Haviltex zijn geweest. Immers, ook omstandigheden van na de brief van 6 juni 1994 kunnen relevant zijn bij de bepaling van de betekenis daarvan.(26) Het hof heeft deze aanpak echter niet gekozen. Onjuist lijkt mij dat niet, omdat van een verplichting om deze aanpak te volgen geen sprake is. Onbegrijpelijk lijkt mij dat evenmin, omdat de aangevoerde feiten zich over een langere periode hebben voorgedaan en het hof daarom eerst heeft mogen bezien wat [verweerder] kon opmaken uit de hem in 1994 toegezonden brief om daarna in te gaan op omstandigheden van latere datum. Hierop stuiten m.i. de klachten in subonderdeel 2.a af.

3.17.1 Dat het hof tot een gefaseerde aanpak van de uitlegvraag is gekomen, stond het hof m.i. dus vrij. Het hof heeft echter, na zijn uitleg in rov. 3.5 van de brief van 9 juni 1994, in zijn verdere beoordeling van de vraag of tussen partijen een (on)voorwaardelijke indexering was afgesproken een drempel ingebouwd. Immers, het overweegt dat van de in de brief van 9 juni 1994 neerglegde uitgangspunten slechts kan worden afgeweken met "uitdrukkelijke instemming van [verweerder]" (rov. 3.7 op blz. 8, mijn cursivering).

3.17.2 Waarop deze strenge eis is gebaseerd, is niet duidelijk. Weliswaar wordt in arbeidsrelaties soms een ondubbelzinnige instemming vereist,(27) maar een dergelijke eis geldt niet ten aanzien van het aangaan van een pensioenovereenkomst.(28) Ik breng in herinnering dat [verweerder] ook stilzwijgend akkoord is gegaan met het voorstel in de brief van 9 juni 1994; zie hierboven punt 1onder h.

3.17.3 Nu heeft het hof de eis van een uitdrukkelijke instemming niet gehanteerd ten aanzien van het akoord van [verweerder] met het voorstel vervat in de brief van 9 juni 1994, maar ten aanzien van de vraag of uit de latere omstandigheden van het geval blijkt dat een voorwaardelijke indexering is afgesproken. Het hof heeft daarbij een aanpak gekozen die op het oog aanligt tussen de in punt 3.14 onder (2) en (3) genoemde, omdat het een scherpe cesuur trekt tussen de periode tot en met de brief van 9 juni 1994 en de periode daarna; vgl. rov. 3.6-3.7. Het hof heeft zich m.i. echter één uitlegvraag gesteld - is een voorwaardelijke dan wel een onvoorwaardelijke indexering afgesproken? ( vgl. rov. 3.5, aanhef) - en heeft die uitlegvraag aan de hand van de in de tijd verspreide omstandigheden van het geval gefaseerd beantwoord, zodat het zijn benadering van het geval m.i. het meeste aansluit bij de onder (2) genoemde aanpak.

3.18.1 Zelfs in een situatie waarin een afspraak vaststaat en de vraag is, of deze is gewijzigd door een latere afspraak (het in punt 3.14 onder (3) bedoelde geval), wordt niet de eis gesteld dat sprake is van uitdrukkelijke instemming. Ook dan geldt dat aan de hand van de wilsvertrouwensleer moet worden beoordeeld of sprake is van een wilsuiting door een partij dan wel van gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij dat van zulk een wilsuiting sprake is. Zo overwoog Vgl. HR 4 februari 2000, LJN: AA4732, NJ 2000, 258 ([.../...]), rov. 3.3.3:

"Of de inhoud van een tussen twee partijen bestaande overeenkomst gewijzigd kan worden door een daartoe strekkende mededeling van de ene partij aan de andere in samenhang met het uitblijven van een reactie van de andere partij daarop, hangt hiervan af, of de partij die de mededeling deed, mocht vertrouwen dat hij het uitblijven van een reactie kon opvatten als een blijk van instemming. Zulks hangt af van de inhoud van de mededeling, de wijze waarop partijen verder aan hun contractuele relatie vorm hebben gegeven, en de overige omstandigheden van het geval, zoals de verdere inhoud van de brief waarin de mededeling werd gedaan, en de aanleiding voor het doen van de mededeling. Naar in sub-onderdeel 1.2 terecht wordt betoogd, is het enkele ontbreken van een reactie van de wederpartij op de mededeling onvoldoende grond om aan te nemen dat de overeenkomst tussen partijen gewijzigd is in overeenstemming met de inhoud van de mededeling."

Enerzijds geldt dus dat de enkele vaststelling van het uitblijven van een reactie onvoldoende is om acceptatie aan te nemen. Vereist is dat het stilzwijgen in de context van het geval als acceptatie kan worden gekwalificeerd. Anderzijds wordt geen eis van uitdrukkelijke instemming gehanteerd.

3.18.2 In het kader van een wijzing van de arbeidsvoorwaarden, die een verslechtering voor de werknemer inhoudt, overwoog Uw Raad onlangs:(29)

"3.6 De onderhavige beëindiging van de pensioenregeling ter zake van de provisie-inkomsten is een wijziging van de arbeidsovereenkomst, waarvoor een daartoe strekkende nadere overeenkomst tussen de werkgever en de werknemer vereist is. In cassatie moet voorts ervan worden uitgegaan dat de wijziging van de arbeidsvoorwaarden een verslechtering daarvan voor de werknemer meebracht, nu dit door [eiser] c.s. is gesteld en niet is vastgesteld dat deze stelling onjuist is.

De vraag of een overeenkomst als bedoeld is tot stand gekomen, moet in beginsel worden beantwoord aan de hand van de algemene regels voor de totstandkoming van een (nadere) overeenkomst, zij het dat, gelet op de aard van de rechtsverhouding tussen werkgever en werknemer, de werkgever slechts erop mag vertrouwen dat een individuele werknemer heeft ingestemd met een wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden die voor hem een verslechtering daarvan inhoudt, indien aan de werknemer duidelijkheid over de inhoud van die wijziging is verschaft en op grond van verklaringen of gedragingen van de werknemer mag worden aangenomen dat deze welbewust met die wijziging heeft ingestemd.

3.7 Op grond hiervan heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een situatie als zich had voorgedaan in de zaak waarop zijn arrest van 28 mei 1999, nr. C98/007, LJN ZC2921, NJ 1999, 509, betrekking had, de werkgever slechts erop mag vertrouwen dat een individuele werknemer heeft ingestemd met het wijzigingsvoorstel, indien uit de verklaringen of gedragingen van die werknemer tijdens of na de vergadering ondubbelzinnig blijkt van aanvaarding van het voorstel. Het ging hier om een voorstel tot salarisverlaging, dat zonder voorafgaand overleg met de werknemers was gedaan op een door de werkgever met het voltallig personeel gehouden vergadering en waarmee de werknemer hoogstens stilzwijgend had ingestemd.

Uit dit arrest kan niet worden afgeleid, dat bij de beantwoording van de vraag of de werknemer met de wijziging heeft ingestemd als bedoeld in 3.6, niet alle omstandigheden van het geval in de beoordeling mogen worden betrokken, noch dat de rechter steeds met zoveel woorden moet vaststellen dat de instemming ondubbelzinnig is."

Ook in deze gevallen - waarbij de vraag is of de werknemer heeft ingestemd met een verslechtering van een arbeidsvoorwaarde - geldt niet in het algemeen de eis van een "uitdrukkelijke" instemming. De algemene regels over de totstandkoming van overeenkomsten moeten worden toegepast, waarbij geldt dat een werkgever slechts mag vertrouwen dat een werknemer met de verslechtering heeft ingestemd indien aan de werknemer duidelijkheid over de inhoud van die wijziging is verschaft en op grond van verklaringen of gedragingen van de werknemer mag worden aangenomen dat deze welbewust met die wijziging heeft ingestemd. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

3.18.3 Uit het voorgaande volgt dus dat het hof m.i. een te strenge eis heeft gesteld, door te zoeken naar een "uitdrukkelijke instemming". Echter, wellicht zou het arrest van het hof in die zin kunnen worden gelezen, dat het hof met de eis van "uitdrukkelijke instemming" kennelijk slechts het oog heeft op wat in het arrest van 12 februari 2010 wordt bedoeld met de "welbewuste instemming". Voor een dergelijke lezing zou naar mijn mening alleen plaats kunnen zijn, als (ook voor partijen) duidelijk is, dat het in de onderhavige zaak gaat om een geval als waarop de in de vorige alinea bedoelde rechtspraak van Uw Raad ziet.

Dat hangt weer af van de wijze waarop de uitlegkwestie, die partijen verdeeld hield, wordt aangepakt. Zoals hierboven in punt 3.14 is aangegeven, kan deze kwestie m.i. op verschillende manieren worden aangepakt.

In de in punt 3.14 onder (1) en (2) genoemde benaderingen is sprake van één afspraak die (ineens dan wel gefaseerd) moet worden uitgelegd en komt men niet toe aan de vraag, of sprake is van instemming met een afspraak die voor de werknemer een verslechtering inhoudt van een bestaande arbeidsvoorwaarde. Men zegt dan: (i) de onderhavige zaak stelt niet de vraag aan de orde of [verweerder] heeft ingestemd met de nieuwe pensioenregeling - dat heeft hij gedaan (vide hierboven punt 1.h) - maar de vraag hoe deze regeling moet worden uitgelegd; en ten overvloede (ii) voorts is niet evident dat sprake is van een wijziging van de arbeidsvoorwaarden die leidt tot een verslechtering voor de werknemer - immers de in 1994 voorgestelde wijzigingen van de pensioenregeling van Halliburton had voor de werknemers positieve en negatieve aspecten (vide hierboven punt 1.g).

In de in punt 3.14 onder (3) bedoelde benadering kan men echter wel zeggen dat sprake is van instemming met een afspraak die een verslechtering van een bestaande arbeidsvoorwaarde voor de werknemer inhoudt, en dat dus aan de eisen geformuleerd in het arrest van 12 februari 2010 moet worden voldaan. Men zegt dan: (i) [verweerder] heeft in 1994 ingestemd met een onvoorwaardelijke indexering en (ii) vervolgens is de vraag of hij nadien heeft ingestemd met een verslechtering daarvan, namelijk een voorwaardelijke indexering. Of het hof de feiten inderdaad op deze laatste manier heeft geduid, betwijfel ik intussen (vide punt 3.17.3 hierboven, en punt 3.18.5, hieronder) en daarom meen ik dat er geen plaats is voor de in de aanhef van dit nummer bedoelde lezing van 's hofs arrest.

3.18.4 De rechtsklacht van de subonderdeel 2.b slaagt m.i.

3.18.5 Ik maak nog een opmerking naar aanleiding van de zojuist bereikte conclusie. Uit wat het hof vervolgens in rov. 3.7 overweegt - namelijk dat Halliburton uit het stilzwijgen van [verweerder] na toezending van de pensioenbrochure in 1995 geen aanvaarding van de afwijking van de brief van 9 juni 1994 mocht afleiden te minder nu Halliburton hem niet op deze inperking heeft geattendeerd toen zij de brochure toezond; daarna volgt een vergelijkbare passage ten aanzien van het pensioenreglement uit 1996 - lijkt te volgen dat volgens het hof [verweerder] stilzwijgend een voorwaardelijke indexering zou hebben kunnen aanvaarden indien Halliburton in 1995 en/of 1996 [verweerder] bij de toezending van informatie op die voorwaardelijkheid had gewezen. Op deze manier bezien, toetst het hof (niet per se of sprake is van een uitdrukkelijke instemming, maar) of er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat het uitblijven van een reactie van [verweerder] kan worden aangemerkt als een stilzijgende acceptatie. Dat zou op zichzelf een toegelaten aanpak zijn. Echter dan is niet duidelijk waarom de eis van een "uitdrukkelijke aanvaarding" door het hof wordt gesteld. Daarmee is onduidelijk aan welke maatstaf het hof heeft getoetst. De hierop gerichte motiveringsklacht van subonderdeel 2.c slaagt m.i.

3.19.1 De overige klachten van onderdeel 2 falen. Zoals boven is vermeld, heeft het hof de vrijheid om een bepaalde volgorde aan te brengen in de weging van de relevante omstandigheden van het geval. Evenzeer is het in beginsel aan het hof voorbehouden te bepalen tot welke uitleg de weging van de omstandigheden leidt en daarbij aan ieder van de omstandigheden een zeker gewicht toe te kennen. Dit zijn feiteljke oordelen.(30) In cassatie kan alleen worden getoetst of de feitenrechter bij die uitleg de juiste maatstaven heeft gehanteerd en of hij zijn oordeel naar behoren heeft gemotiveerd.

3.19.2 Wat betreft subonderdeel 2.d diene nog het volgende. Volgens dit subonderdeel besteedt het hof geen of te weinig aandacht aan de stelling van Halliburton dat de voorwaardelijkheid van de indexering blijkt uit de in de brief van 9 juni 1994 opgenomen passage: "De financiering hiervan vindt plaats uit de extra renteopbrengsten die de verzekeringsmaatschappij aan ons uitkeert." (31) Het hof heeft in rov. 3.5 (blz. 6, onderaan, en 7, bovenaan) bij zijn uitlegging van deze brief aandacht aan deze passage besteed. Het heeft geoordeeld dat de brief (evenals de bijlage bij de brief) niet uitdrukkelijk melding maakt van een voorwaarde die moet zijn vervuld wil indexering plaatsvinden. In dat verband oordeelt het hof dat [verweerder] in de betreffende zinsnede niet hoefde te lezen dat indexering slechts zou plaatsvinden indien en voor zover de pensioenverzekeraar een uitkering als hiervoor bedoeld zou doen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.

3.19.3 Over subonderdeel 2.e merk ik nog het volgende op. Dit klaagt dat het hof, door in rov. 3.5 te overwegen dat de brief van 6 juni 1994 "niet uitdrukkelijk melding (maakt) van een voorwaarde", uit het oog verliest dat voor de juistheid van de door Halliburton verdedigde uitleg geenszins is vereist dat van een zodanige uitdrukkelijke vermelding sprake zou moeten zijn. De klacht mist m.i. feitelijke grondslag. Het hof heeft in het kader van de Haviltexmaatstaf (die het hof in rov. 3.5 vooropstelt) als relevante omstandigheid geconstateerd dat de brief niet uitdrukkelijk melding maakt van een voorwaarde. Het hof heeft dat ten nadele van de door Halliburton bepleite uitleg laten meewegen. Het hof heeft hier echter niet, zoals het middelonderdeel veronderstelt, als maatstaf gehanteerd dat de door Halliburton bepleite uitleg slechts juist zou kunnen zijn als de voorwaarde wel uitdrukkelijk was opgenomen.

3.20 De onderdelen 3 en 4 verwijten het hof geen of te weinig aandacht te hebben besteed aan de positie van [verweerder] als lid van het managementteam van Halliburton. Onderdeel 3 plaatst dit in de sleutel van Haviltex, onderdeel 4 in de sleutel van artikel 7:611 BW.

3.21 Onderdeel 3 betreft de uitleg van de brief van 6 juni 1994. Het onderdeel stelt dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars wilsuitingen mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het middelonderdeel benadrukt daarbij de hoedanigheid van [verweerder], te weten diens functie van Sales Manager binnen het Holland Management Team van Halliburton.(32)

Volgens onderdeel 3.a heeft het hof de brief van 9 juni 1994 op onjuiste wijze uitgelegd door de positie van [verweerder] niet in aanmerking te nemen.

Onderdeel 3.b betoogt primair dat de uitleg van de brief van 6 juni 1994 onbegrijpelijk is, nu het hof geen aandacht heeft besteed aan de (essentiële) stelling dat [verweerder] lid was van het Management Team, en subsidiair dat onbegrijpelijk is dat het hof dit niet als een essentiële stelling heeft aangemerkt.

Onderdeel 3.c bevat geen klacht, maar voert aan dat bij gegrondbevinding van de onder 3.a en 3.b aangevoerde klachten de rov. 3.5, 3.7, 3.8, 3.13, 3.14 en 4 en het dictum niet in stand kunnen blijven.

3.22.1 De hoedanigheid van [verweerder] is in de door het middel aangehaalde passages op de volgende wijze in feitelijke instanties aan de orde is gekomen:

- CvD sub 10 (midden): "(...) dan staat vast dat hij ook nooit de juistheid van zijn verondersteling heeft onderzocht. Dit terwijl [verweerder] daartoe wel de mogelijkheid werd gegeven en wat voorts - gezien zijn opleidingsniveau en voormalige functie van Sales Manager en lid van het Holland Management Team - wel van [verweerder] verwacht mocht worden. Zoals aangegeven noemt de brief van 6 juni 1994 uitdrukkelijk de mogelijkheid tot het stellen van vragen over de pensioenregeling." In de MvA sub 21 wordt dit in iets andere bewoordingen herhaald.

- De MvA vermeldt sub 32 onder meer: "Gelet op de bewoordingen van de brief van 9 juni 1994 (een beknopte samenvatting), de diverse door Halliburton verstrekte respectievelijk aangeboden mogelijkheden tot het vergaren van informatie alsmede gelet op de (voormalige) positie van [verweerder], had van [verweerder] mogen worden verwacht dat hij kennis nam van deze informatie en/of hierover vragen zou stellen."

- De pleitnota in hoger beroep van mr Broersma vermeldt sub 11: "Dat [verweerder] op de hoogte was van deze presentaties is bovendien zeer waarschijnlijk, omdat hij destijds lid was van het Holland Management Team van Halliburton. Uit hoofde van deze positie moet hij immers bekend zijn geweest met het feit dat de werknemers die hij aanstuurde op een bepaald tijdstip een door Halliburton georganiseerde presentatie over de nieuwe pensioenregeling zouden bijwonen."

3.22.2 Volledigheidshalve wijs ik erop dat de hoedanigheid van [verweerder] ook is vermeld in de MvA sub 21 en in de pleitnota in hoger beroep sub 18 in het kader van het beroep op artikel 7:611 BW dat een werknemer verplicht is kennis te nemen van informatie van de werkgever.(33)

3.23 Volgens onderdeel 3.a was de positie van [verweerder] om twee redenen van belang. In de eerste plaats, zo stelt het onderdeel, bracht die positie mee dat [verweerder] uit dien hoofde beschikte over meer informatie dan de gemiddelde werknemer van Halliburton, ook ten aanzien van de voorgestelde nieuwe pensioenregeling. De implicatie van deze stelling is kennelijk dat [verweerder] meer informatie had over de voor het onderhavige geschil relevante aspecten van de voorgestelde nieuwe pensioenregeling. Zo is het debat in feitelijke instanties echter niet gevoerd. Dat [verweerder] meer informatie had over de voor het onderhavige geschil relevante aspecten van de voorgestelde nieuwe pensioenregeling, volgt ook niet uit het enkele feit van zijn functie of zijn positie als lid van het MT. Er is verder niets bekend over de vraag of en op welke wijze de voorgestelde pensioenregeling in verband met die functie of in het MT ter sprake is gebracht. In zoverre lees ik in het middel een nieuwe feitelijke stelling, waarop in cassatie geen acht kan worden geslagen.

3.24 In de tweede plaats koppelt onderdeel 3.a de positie van [verweerder] aan, kort gezegd, diens mogelijkheid om zich te informeren over de in de brief van 9 juni 1994 voorgestelde nieuwe regeling, zodanig dat hij de inhoud en de strekking van de nieuwe pensioenregeling kon vaststellen. Dit spoort met de wijze waarop het punt in feitelijke instanties in het debat is gebracht. Onderdeel 3.a wijst erop dat de maatschappelijke positie en deskundigheid relevante factoren zijn bij de toepassing van de Haviltexmaatstaf - verwijzend naar HR 2 april 1993, LJN: ZC0920, NJ 1993, 612(34) - en dat die factoren mede bepalen in hoeverre een partij navraag moet doen - daarbij verwijzend naar HR 4 januari 1991, NJ 1991, 254.(35) Het onderdeel stelt dat [verweerder] voldoende mogelijkheden zijn geboden om van informatie kennis te nemen of om nadere informatie te vragen. Het onderdeel besluit met de klacht dat het hof bij de uitleg van de brief van 9 juni 1994 een en ander heeft miskend door de positie van [verweerder] als lid van het Management Team niet in aanmerking te nemen.

3.25 Voor de beoordeling van het middel lijkt mij niet relevant de stelling in subonderdeel 3.a, dat [verweerder] voldoende mogelijkheden zijn geboden om van informatie kennis te nemen of om nadere informatie te vragen. Immers, als ik het goed zie, klaagt het middel niet dat het hof zulks zou hebben miskend. Een dergelijke klacht zou ook feitelijke grondslag missen, nu het hof niet heeft geoordeeld dat aan [verweerder] onvoldoende mogelijkheden zijn geboden om zich te informeren over de betekenis van de brief van 9 juni 1994 of latere informatie van de werkgever. Het hof heeft immers geoordeeld dat, gezien de brief van 9 juni 1994, er voor [verweerder] geen reden was navraag te doen naar het eventuele voorwaardelijke karakter van de indexering (rov. 3.5, slot, en vgl. ook rov. 3.7, op p. 9).

3.26 Dan resteert dus de vraag of het hof, oordelend dat er voor [verweerder] geen reden was navraag te doen naar het eventuele voorwaardelijke karakter van de indexering, de positie van [verweerder] heeft miskend. Ik zie dat niet. Het hof noemt weliswaar in zijn overwegingen niet dat [verweerder] lid was van het MT, maar dat is te weinig om aan te nemen dat het hof zou hebben miskend dat dit gegeven relevant kan zijn bij de toepassing van de Haviltexmaatstaf. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de positie van [verweerder], gezien hetgeen daarover in feitelijke instanties (slechts) was aangevoerd, niet meebracht dat [verweerder] navraag moest doen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en komt evenmin onbegrijpelijk voor.

3.27 Ik maak nog een enkele opmerking over het beroep in de s.t. sub 34 op HR 2 februari 2007, LJN: AZ4410, NJ 2008, 104 (NBA Management/[...]). Dat kan Halliburton niet baten. Dit arrest ziet op een specifieke (en van de onderhavige situatie afwijkende) context, namelijk de vraag hoe een kettingbeding in veilingvoorwaarden moet worden uitgelegd. Het arrest stelt, kort gezegd, een meer objectieve (`tekstuele') uitleg voorop omdat de voorwaarden zich richten tot een groep `derden', te weten potentiële veilingkopers. Dit aangrijpingspunt ziet dus op de vraag hoe de ontvangers van de informatie in de veilingvoorwaarden deze hebben kunnen begrijpen, niet op de vraag hoe die informatie door de zender daarvan (de verkoper) is bedoeld. Het arrest laat vervolgens de mogelijkheid open dat een koper onder omstandigheden moet informeren naar de bedoeling van de verkoper en dat als hij dat nalaat, hij de bedoeling van de verkoper tegen zich moet laten gelden.

Als men dit beoordelingsschema zou willen transponeren naar het onderhavige geval, dan zou dat betekenen dat de aan de werknemers verzonden brief van 9 juni 1994 in beginsel meer objectief moet worden uitgelegd om vast te stellen wat `de werknemers' daaruit mochten opmaken, waarna vervolgens zou worden bekeken of een individuele werknemer had moeten doorvragen. Ik geloof niet dat dit, gezien de manier waarop het hof de algemene Haviltexmaatstaf in het onderhavige geval heeft toegepast, tot andere uitkomsten zou hebben geleid.

3.28 Onderdeel 3.a faalt derhalve. Met het voorgaande is ook het lot van onderdeel 3.b bezegeld. Het hof moest bij zijn uitleg van de brief van 6 juni 1994 rekening houden met alle relevante, door partijen aangevoerde dan wel gebleken, omstandigheden. Maar het hof behoefde niet expliciet aan al die omstandigheden afzonderlijk aandacht te besteden in zijn rechtsoverwegingen.(36) Het hof heeft kennelijk, en niet onbegrijpelijk, Halliburtons stelling over de positie van [verweerder] als lid van het MT niet opgevat als een essentiële stelling. Immers de stelling is in feitelijke instanties niet erg uitgewerkt. Het was daarmee een omstandigheid die in het kader van Haviltex kon worden meegewogen, maar het was aan het hof voorbehouden daaraan het gewicht toe te kennen dat het juist acht. Niet kan worden gezegd, dat aan de (niet erg uitgewerkte) stelling zoveel gewicht zou moeten worden toegekend dat dit tot een andere uitkomst zou hebben moeten leiden dan wel dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn waarom deze stelling niet tot een andere uitkomst heeft geleid. Onderdeel 3.b faalt.

3.29 Onderdeel 4 van het middel richt zich tegen de volgende passage uit rov. 3.7 van het bestreden arrest (blz. 9):

"Onder de gegeven omstandigheden kon van [verweerder] niet worden gevergd dat hij verifieerde of het hem toegezonden pensioenreglement op het punt van de indexering of op enig ander punt afweek van het door hem in 1994 aanvaarde voorstel. Dat [verweerder] pas in 2005 de indexering aan de orde stelde kan Halliburton evenmin baten, reeds omdat zij geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die zich, afgezien van de terhandstelling van het pensioenreglement, hebben voorgedaan waarop zij het door haar gestelde vertrouwen mocht baseren. Als zodanige omstandigheid kan niet gelden de omstandigheid dat [verweerder] niet heeft gereageerd op jaarlijkse pensioenoverzichten die melding maakten van een bij de nieuwe pensioenregeling ingevoerde WAO-hiatenverzekering. Zoals hierboven is overwogen, behoefde [verweerder] er niet bedacht op te zijn dat het nieuwe pensioenreglement voor wat betreft de indexering afweek van het door hem geaccepteerde voorstel. Op dit laatste stuit ook af dat het indruist tegen het beginsel van redelijkheid en billijkheid dat honorering van de aanspraak van [verweerder] zou betekenen dat hij profiteert van het feit dat hij zich, anders dan zijn collega's, niet heeft verdiept in door Halliburton ter beschikking gestelde informatie, zoals zij nog heeft aangevoerd."

3.30 Het onderdeel stelt opnieuw aan de orde dat het hof rekening had moeten houden met de positie van [verweerder] als lid van het Management Team.

Onderdeel 4.a betoogt dat uit artikel 7:611 BW gezien de functie en positie van [verweerder] volgt, dat hij niet (alleen) op basis van de brief van 9 juni 1994 kon vertrouwen dat zijn pensioenaanspraken onvoorwaardelijk zouden worden geïndexeerd.

Onderdeel 4.b richt motiveringsklachten tegen de overwegingen in rov. 3.7, in het bijzonder dat Halliburton geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waarop zij het door haar gestelde vertrouwen mocht baseren. Het betoogt primair dat hof geen aandacht heeft besteed aan de (essentiële) stelling dat [verweerder] lid was van het Management Team, en subsidiair dat onbegrijpelijk is dat het hof dit niet als een essentiële stelling heeft aangemerkt.

Onderdeel 4.c bevat geen klacht, maar voert aan dat bij gegrondbevinding van de onder 4.a en 4.b aangevoerde klachten de rov. 3.7, 3.8, 3.13, 3.14 en 4 en het dictum niet in stand kunnen blijven

3.31 Na in rov. 3.5 een uitleg te hebben gegeven aan de brief van 9 juni 1994, onderzoekt het hof in rov. 3.7 of Halliburton op grond van andere feiten en omstandigheden erop mocht vertrouwen dat [verweerder] akkoord was gegaan met de voorwaardelijke indexering.

Centraal in het aangevallen deel van rov. 3.7 staat het oordeel dat van [verweerder] niet kon worden gevergd dat hij verifieerde of het reglement van 1996 afweek van de brief uit 1994. Dat oordeel draagt de overweging dat het uitblijven van een reactie van [verweerder] op de toezending van het pensioenreglement in 1996 bij Halliburton geen vertrouwen kon opwekken, de overweging dat het uitblijven van een reactie op de jaarlijks toegezonden pensioenoverzichten dat vertrouwen niet kon opwekken, en de overweging - kort gezegd - over het beroep op de redelijkheid en billijkheid.

Op zijn beurt moet dit oordeel weer worden begrepen tegen de achtergrond van het uitgangspunt dat het hof in rov. 3.7 formuleert, namelijk dat afwijking van de brief van 9 juni 1994 de "uitdrukkelijke toestemming" van [verweerder] behoefde. Nu naar mijn mening de daartegen gerichte klachten van de onderdeel 2.b en 2.c slagen, ontvalt ook de basis aan hetgeen het hof verder in rov. 3.7 heeft overwogen. De klachten van onderdeel 4 behoeven dan ook geen behandeling.

3.32 Men zou kunnen twijfelen of de klacht van onderdeel 4.a niet toch ook de uitleg van de brief van 9 juni 1994 zelf aan de orde stelt. Het onderdeel stelt immers (in de tweede alinea): "Op grond van artikel 7:611 BW kon [verweerder] er niet (alleen) op basis van de brief van 9 juni 1994 op vertrouwen dat zijn pensioenaanspraken onvoorwaardelijk zouden worden geïndexeerd (...). Door de positie van [verweerder] als lid van het Management Team niet in aanmerking te nemen, heeft het hof een onjuiste maatstaf gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of [verweerder] akkoord is gegaan (...)." Voor het geval onderdeel 4.a de uitleg van de brief aan de orde stelt, maak ik er maak ik nog enige opmerkingen over.

3.33 Onderdeel 4.a betoogt in dit verband dat op grond van artikel 7:611 BW het volgende geldt:

- een werknemer moet kennis nemen van informatie die de werkgever verstrekt en zonodig bij zijn werkgever navraag doen (het middel wijst hierbij als relevante omstandigheden nog op de functie van de werknemer);

- als een werknemer zich niet verdiept in de informatie of geen navraag doet "kan een onjuiste voorstelling van zaken terzake die informatie niet voor rekening van de werkgever komen".

En het hof zou dit dus, gezien de positie van [verweerder] als lid van het MT, uit het oog hebben verloren.

3.34 Op zichzelf beschouwd, valt er weinig in te brengen tegen de gedachte dat een werkgever er in beginsel van mag uitgaan dat een werknemer kennis neemt van de informatie die de werkgever verstrekt, al zal ook hier aan de hand van de omstandigheden moeten worden bepaald wat van de werknemer precies mag worden verwacht gezien bijvoorbeeld de aard, omvang en inhoud van de van de aangeboden informatie in relatie tot functie en opleidingsniveau van de werknemer.

Ik zou menen dat dit niet principieel anders ligt bij andere contractuele relaties, zoals bijvoorbeeld tussen huurder en verhuurder, franchisegever en franchisenemer of verkoper en koper. Een verhuurder die in een brief een voornemen tot groot onderhoud aankondigt, mag in beginsel verwachten dat daarvan kennis wordt genomen door de huurder; een franchisgever die een schriftelijk voorstel doet voor aanpasing van de franchiseformule, mag in beginsel verwachten dat de franchisenemer die brief leest; een verkoper die zijn relaties door middel van een rondschrijven bericht over een product recall, mag in beginsel verwachten dat dit niet ongelezen terzijde wordt gelegd.

Buiten contract kan het verwachtingspatroon anders liggen; men denke aan de verzender van ongevraagde reclame.

3.35 Maar welke juridische gevolgen verbinden we eigenlijk aan de constatering dat iemand in een bepaalde context in beginsel mag verwachten dat kennis wordt genomen van door hem verzonden informatie? Die juridische gevolgen kunnen heel divers zijn. Zo verbindt artikel 3:37 lid 3 BW aan de ontvangst van een schriftelijke verklaring, die een rechtshandeling bevat, het rechtsgevolg dat de rechtshandeling tot stand komt, ook als de ontvanger van de verklaring geen kennis heeft genomen. En als het gaat om bijvoorbeeld de vraag of iemand tijdig op de hoogte is gesteld (bijvoorbeeld van een product recall) zal het verweer dat het ontvangen rondschrijven niet is gelezen, weing indruk maken. Als onderdeel 4 nu in het kader van artikel 7:611 BW stelt dat een werknemer kennis "moet" nemen van door de werkgever verstrekte informatie, rijst ook de vraag welk rechtsgevolg daaraan verbonden zou moeten worden. Omdat dit artikel gaat over de plichten van partijen bij de arbeidsovereenkomst, zou men bijvoorbeeld kunnen denken aan een tekortkoming van de werknemer. Maar onderdeel 4 legt een ander verband, namelijk met de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst - in casu de vraag of een (on)voorwaardelijke indexering is afgesproken.

3.36 Ik heb mij afgevraagd of in een situatie als deze er een relevant verschil bestaat tussen toetsing aan de Haviltexformule en toetsing aan artikel 7:611 BW, voor zover het gaat om de vraag of van [verweerder] onderzoek mocht worden verwacht om te bepalen of tussen partijen een (on)voorwaardelijke indexering van het pensioen is afgesproken. Het zou onwenselijk en onpraktisch zijn, als de toetsingskaders van Haviltex en van artikel 7:611 BW in een geval als het onderhavige tot verschillende uitkomsten zouden kunnen leiden. Immers dan zou enerzijds worden gezegd, bijvoorbeeld op basis van een uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf: "u heeft een onvoorwaardelijke indexering afgesproken". En anderzijds zou kunnen worden gezegd, op basis van artikel 7:611 BW: "u heeft een voorwaardelijke indexering afgesproken" want het is uw eigen risico dat u zich te weinig heeft verdiept in de aangeboden informatie. Dat resultaat veroordeelt zichzelf.

3.37 Het is ook niet nodig om tot verschilende uitkomsten te komen. Hoewel de gedachte van onderdeel 4.a in aanzet aantrekelijk is, blijkt zij dat in haar uitwerking bepaald niet te zijn. Het middel veronderstelt namelijk een plicht van de werknemer om van informatie kennis te nemen en verbindt aan schending van die plicht de consequentie - en daar gaat het nu om - dat een onjuiste voorstelling van zaken terzake die informatie niet voor rekening van de werkgever kan komen. Vertaald in Haviltexterminologie staat hier: "De werkgever mag erop vertrouwen dat de werknemer kennis neemt van de geboden informatie en bij onduidelijkheid navraag doet. Indien de werknemer zulks nalaat, mag de werkgever erop vertrouwen dat de werknemer ermee instemt dat de informatie de betekenis heeft die de werkgever daaraan toekent." Dat laatste is natuurlijk niet waar, want daarmee zou de betekenis van een afspraak eenzijdig kunnen worden vastgesteld.

3.38 Daarmee ontken ik niet, dat redelijkheid en billijkheid bij de uitleg een rol spelen, zoals ook Uw Raad in zijn arrest Pensioenfonds DSM Chemie/Fox heeft overwogen.(37) En men kan de redelijkheid en billijkheid ook in de gedaante van artikel 7:611 BW ten tonele voeren. In artikel 7:611 BW wordt immers dezelfde norm gehanteerd als in het algemeen in artikel 6:248 wordt bedoeld.(38) Maar ik constateer wel, dat het beroep op artikel 7:611 BW om deze reden aan de Haviltexmaatstaf niets toevoegt dat niet reeds in die maatstaf ligt besloten.

3.39 In het onderhavige geval heeft het hof feitelijk geoordeeld dat de werknemer in de brief van 9 juni 1994 geen aanleiding behoefde te vinden te twijfelen aan het onvoorwaardelijke karaker van de indexering. De klachten van onderdeel 4 stellen dat het hof hierover (mede) in het licht van latere ontwikkelingen anders had moeten oordelen gezien de positie van [verweerder] als lid van het Management Team. De klachten van onderdeel 4.a falen om dezelfde redenen als de klachten van onderdeel 3.a (ik verwijs naar punt 3.26), en de klachten van onderdeel 4.b falen om dezelfde redenen als de klachten van onderdeel 3.b (ik verwijs naar punt 3.28).

Indexatiemaatstaf

3.40 Onderdeel 5 van het middel richt zich tegen rov. 3.11 van het bestreden arrest. Het hof overweegt als volgt:

"3.11 Verder is het volgens Halliburton onduidelijk welk percentage [verweerder] in verband met indexatie vordert. Die steling gaat niet op. het (sic; A-G) voorstel van Halliburton maakt melding van aanpassing aan de gestegen kosten van levensonderhoud, zonder dit te specificeren. Nu Halliburton evenwel in artikel 16 lid 4 sub 2 van het nieuwe pensioenreglement als maatstaf voor de aanpassing noemt de door het CBS gepubliceerde consumentenprijsindex, reeks voor werknemersgezinnen met een gezinsinkomen beneden de loongrens voor de ziekenfondsverzekeringen (CPI-laag), zoals op 1 januari is gepubliceerd (1990=100), tegen welke maatstaf [verweerder] geen bezwaar heeft gemaakt, zal het hof de vordering tot indexering in deze zin lezen."

3.41 Het vijfde middelonderdeel bevat een motiveringsklacht die er op neerkomt, dat onbegrijpelijk is het feit dat het hof bij de uitwerking van de vordering tot indexering - zoals hiervóór in punt 2.1 onder a genoemd - aansluit bij het in augustus 1996 aan [verweerder] toegestuurde pensioenreglement. Dit is volgens Halliburton niet te rijmen met 's hofs verwerping in rov. 3.6 t/m 3.8 van Halliburtons stelling dat [verweerder] akkoord is gegaan met het in artikel 16 van het nieuwe pensioenreglement bepaalde.(39)

3.42 De in het middelonderdeel aangevoerde motiveringsklacht faalt. Zij miskent dat de (on)voorwaardelijkheid van het recht op indexering niets hoeft te zeggen over de tussen partijen geldende wijze van berekening van de hoogte van de indexering. Nu [verweerder] indexatie vorderde van zijn pensioen, moest de hoogte van de indexatie nader worden bepaald. Het ligt voor de hand dat het hof in dit opzicht aansluiting heeft gezocht bij het pensioenreglement dat geldt voor de (ex-)werknemers van Halliburton die daarmee destijds akkoord zijn gegaan. Zoals het hof in rov. 3.11 heeft overwogen, heeft [verweerder] tegen die maatstaf geen bezwaar heeft gemaakt.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis van de kantonrechter d.d. 20 december 2006 en het bestreden arrest van het hof d.d. 31 juli 2008 (rov. 3.1).

2 Het hof heeft in rov. 3.1 abusievelijk twee keer een sub `g' opgenomen.

3 Hieruit volgt dat [verweerder] akkoord is gegaan met de wijzigingen. [verweerder] heeft dit zelf ook gesteld (dagvaarding in eerste aanleg sub 7). Het rechtbankvonnis onder h constateert dit expliciet; het hof impliciet.

4 Productie 6 bij CvA.

5 Productie 4 bij CvA.

6 Rov. 3.12-3.13.

7 De cassatiedagvaarding dateert van vrijdag 31 oktober 2008, de laatste dag van de beroepstermijn.

8 Ik vat de laatste volzin van de Inleiding (p. 3 van de dagvaarding) niet op als een (afzonderlijke) klacht.

9 In deze bijlage - productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg - wordt in de rubriek "Geïndexeerde rechten" enkel vermeld: "ja".

10 Pag. 7, bovenaan.

11 Vgl. bijvoorbeeld, thans, artikel 19 Pensioenwet (i.w. 1 januari 2007): "Een werkgever kan de pensioenovereenkomst zonder instemming van de werknemer wijzigen indien de bevoegdheid daartoe schriftelijk in de pensioenovereenkomst is opgenomen en er tevens sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken." Artikel 25 lid 1 sub e bepaalt dat de uitvoeringsovereenkomst tussen werkgever en pensioenuitvoerder onder meer moet inhouden een regeling met betrekking tot "de procedures welke gelden bij het opstellen en wijzigen van het pensioenreglement in verband met het sluiten en wijzigen van een pensioenovereenkomst".

12 Vgl. in deze zaak: de pensioenen bij Halliburton werden geïndexeerd tot in het jaar 2001, niet meer in de jaren 2002-2006 (CvD sub 5, MvA sub 30).

13 Vgl. Lepoutre, Contracteren, 2005/1, blz. 24; Praktijkgids Pensioenen (red. C.W.G.M. Dekkers en. S.J.S. Terwee), Kluwer 2009, onder `De kosten van de pensioenregeling'; Pensioen en andere toekomstvoorzieningen (red. L.G.M. Stevens e.a.), 2009, onder IV.C.6 ten aanzien van pensioenfondsen.

14 Indien het pensioen bij een verzekeraar is ondergebracht, bestaat tussen werkgever en die verzekeraar een contractuele relatie. Zie H.V.R. Lepoutre, 'Pensioenproblematiek', Contracteren, 2005/1, blz. 21, 23, alsmede, thans, artikel 25 Pensioenwet.

15 Respectievelijk in HR 18 oktober 2002, LJN: AE7002, NJ 2003, 258 ([...]/Nationale Nederlanden; het ging hier overigens om een collectieve verzekering van een arbeidsongeschiktheidspensioen) en in HR 20 februari 2004, LJN: AO1427, NJ 2005, 493 (Pensioenfonds DSM Chemie/Fox). Artikel 1 Pensioenwet verstaat onder de term pensioenreglement "de door de pensioenuitvoerder opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en deelnemer".

16 Zie HR 18 oktober 2002, LJN: AE7002, NJ 2003, 258.

17 Volgens HR 20 februari 2004, LJN: AO1427, NJ 2005, 493, rov. 5.2. In het eerder gewezen arrest [...]/Nationale Nederlanden werd de aanspraak van de werknemer op de verzekeraar echter bepaald op basis van een gecombineerde uitleg, aan de hand van de Haviltexmaatstaf, van hetgeen was toegezegd door de werkgever aan de werknemer (relatie i) en hetgeen ter uitvoering daarvan door de werkgever met de verzekeraar was overeengekomen (relatie ii). Ik zal thans niet ingaan op dit verschil in behandeling.

18 Zijdens Halliburton is bij pleidooi in hoger beroep (pleitnota mr Broersma sub 14) een opmerking gemaakt over de potentiële impact van het geschil voor haar.

19 Zie HR 20 februari 2004, LJN: AO1427, NJ 2005, 493 (Pensioenfonds DSM Chemie/Fox), rov. 4.4. Zie voor een uitwerking hiervan HR 2 februari 2007, LJN: AZ4410, NJ 2008, 104 (NBA Management/[...]) t.a.v. de uitleg van een kettingbeding in veilingvoorwaarden.

20 Zie HR 8 december 2000, LJN: AA8901, NJ 2001, 350 ([.../...]); HR 13 juni 2003, LJN: AH9168, NJ 2004, 251 ([.../...]).

21 HR 19 januari 2007, LJN: AZ3178, NJ 2007, 575 (Meyer Europe/PontMeyer); HR 29 juni 2007, LJN: BA4909, NJ 2007, 576 ([.../...]).

22 HR 23 december 2005, LJN: AU2414, NJ 2010, 62 ([.../...]). Vergelijk ook HR 16 mei 2008, LJN: BC2793, NJ 2008, 284 ([.../...]) inzake het met name aan de hand van objectieve factoren uitleggen van voorwaarden die deel uitmaken van een beurspolis, wanneer over die voorwaarden niet is onderhandeld. Hoewel dat in het arrest niet wordt vermeld, lijkt het te impliceren dat de uitleg niet met name objectief behoeft te zijn indien wel over de voorwaarden is onderhandeld. Wat in dat laatse geval dan wel moet gebeuren - bijvoorbeeld of in dat laatste geval een in beginsel objectieve uitleg voor de hand ligt, maar dat daarvan kan worden afgeweken aan de hand van aan de onderhandelingen te ontlenen omstandigheden - vermeldt het arrest uiteraard niet.

23 Vgl. HR 20 juni 2008, LJN: BD0669, NJ 2008, 355 (Pontmeyer/Archon).

24 Ik verwijs naar mijn annotatie, sub 6, onder HR 29 juni 2007 ([.../...]), supra noot 21

25 In de vorm van subregels, vuistregels of gezichtspuntencatalogi. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 102 e.v.

26 Vergelijk HR 20 mei 1994, LJN: ZC1368, NJ 1994, 574 en HR 27 november 1992, LJN: ZC0771, NJ 1993, 273, waarop middelonderdeel 2.b een beroep doet.

27 Vgl. het vereiste van ondubbelzinnige instemming met een beëindigingsovereenkomst, waarover Asser/Heerma van Voss 7-V* (2008), nr. 300. Zie uitgebreid de conclusie sub 3.3 e.v van A-G Keus voor HR 12 februari 2010, LJN: BK3570.

28 Vgl. Pensioen en andere toekomstvoorzieningen (red. L.G.M. Stevens e.a.), 2009, onder V.F.2 onder Algemeen: "Een pensioenovereenkomst is een overeenkomst waarbij een werkgever en een werknemer afspraken maken over pensioen (art. 1 Pensioenwet). Dat kan mondeling of schriftelijk; dat kan uitvoerig of heel eenvoudig gebeuren. Een enkele verwijzing naar een bestaand pensioenreglement kan al zo'n afspraak opleveren."

29 HR 12 februari 2010, LJN: BK3570.

30 Bijv. HR 17 februari 2006, LJN: AU9717, NJ 2006, 378, rov. 4.2.

31 Zie par. 36 t/m 45 van de Conclusie van Antwoord, waarnaar wordt verwezen in par. 6 van de pleitnotities in hoger beroep. 32 Zie par 18 en 21 van de Memorie van Antwoord en par. 11 en 18 van de pleitnotities in hoger beroep.

33 Vindplaatsen ontleend aan s.t. sub 45 en 48. Anders dan de s.t. lees ik geen verwijzingen naar de hoedanigheid van [verweerder] in CvA sub 43, CvD sub 8 en 11, MvA sub 13-14 en 18-20, en de pleitnota in hoger beroep sub 12-13 en 15.

34 Hieruit blijkt dat toepassing van de Haviltexmaatstaf geschiedt mede in het licht van wat partijen over en weer van elkaar aan inzicht mochten verwachten (HR 2 april 1993, LJN: ZC0920, NJ 1993, 612, rov. 3.2).

35 Hieruit kan voor het onderhavige geval hoogstens worden afgeleid, dat de vraag of op een partij een onderzoeksplicht rust naar de betekenis die de ander hecht aan een contractuele term, afhangt van de omstandigheden van het geval (HR 4 januari 1991, LJN: ZC0103, NJ 1991, 254, rov. 3.3).

36 Vaste rechtspraak. Zie Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes- Groen (2005), nr. 122.

37 HR 20 februari 2004, supra noot 19 (rov. 4.5).

38 Zie HR 8 april 1994, LJN: ZC1322, NJ 1994, 704 (AGFA); HR 30 januari 2004, LJN: AM2312, JAR 2004, 68. Uiteraard krijgt artikel 7:611 BW een contextgebonden invulling. Zie bijvoorbeeld SdU Commentaar Arbeidsrecht (Jellinghaus), 2007, art. 611 BW Boek 7, C.1.2; D.J.B. de Wolff, Goedwerknemerschap, 2007, hfd. 9 over de informatieplicht van de werknemer.

39 Zie m.b.t. de maatstaf voor de vaststelling van de indexeringstoeslag arikel 16 lid 4 van het nieuwe pensioenreglement, productie 4 bij CvA.