Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL4101

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
08/03214 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL4101
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Gegronde bewijsklacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/03214 A

Mr. Aben

Zitting 9 maart 2010

Aanvullende conclusie inzake:

[verdachte 1]

alias [alias 1 verdachte 1]

alias [alias 2 verdachte 1]

alias [alias 3 verdachte 1]

alias [alias 4 verdachte 1]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft bij vonnis van 3 juli 2008 de verdachte ter zake van 1. "het opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 230, eerste lid, Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, als ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd" 2. "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is, meermalen gepleegd," 3. "medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd," 4. "medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van opzettelijk witwassen van geld" en 5. "medeplegen van overtreding van het bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 gestelde verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Voorts heeft het Hof een aantal voorwerpen onttrokken aan het verkeer en een aantal voorwerpen verbeurd verklaard, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Tijdens de voorbereiding van deze zaak heb ik abusievelijk geen aandacht besteed aan twee van de door mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, tijdig ingediende acht middelen van cassatie.(1) In deze aanvullende conclusie bespreek ik daarom alsnog de in de schriftuur voorgestelde middelen zeven en acht.

3.1. Het zevende middel klaagt over de omstandigheid dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 juni 2008 niet kan blijken dat de procureur-generaal op de voet van het bepaalde in artikel 353 lid 1 SvNA(2) zijn vordering aan het Hof heeft overgelegd en dat deze vordering zich evenmin onder de cassatiestukken bevindt. Dit verzuim behoort, aldus de steller van het middel, tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep te leiden, nu deze vordering van belang is ter beoordeling van de vraag of een zwaardere straf is opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd.

3.2. Het middel miskent dat de Hoge Raad reeds eerder heeft uitgemaakt dat niet-naleving van het voorschrift tot overlegging van een schriftelijke vordering niet uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd en zodanige nietigheid evenmin voortvloeit uit de aard van dat voorschrift.(3) Voor zover het middel erover klaagt dat de vordering van de procureur-generaal zich niet onder de stukken bevindt, kan die klacht niet worden aangemerkt als een middel van cassatie in de zin der wet.(4) Anders dan de steller van het middel nog lijkt te betogen, kan thans ook zonder bedoelde vordering worden beoordeeld of het Hof een zwaardere straf heeft opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd, hetgeen van belang is om te kunnen toetsen of aan het in artikel 402 lid 6 SvNA bepaalde is voldaan. Uit zowel het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 juni 2008 (pagina 6 en 7) als uit 's Hofs arrest (pagina 1 en 2) kan de door de procureur-generaal gevorderde strafmodaliteit en -maat immers moeiteloos worden afgeleid.(5)

3.3. Het middel faalt.

4.1. Het achtste middel keert zich tegen 's Hofs strafoplegging. Het Hof heeft ten nadele van de verdachte overwogen dat zij eerder in Canada werd veroordeeld wegens het plegen van frauduleuze handelingen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. De steller van het middel voert aan dat zulks onbegrijpelijk is, althans verbazing wekt, nu niet kan blijken op welke datum deze Canadese veroordeling betrekking heeft en of de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd in een aan deze veroordeling verbonden proeftijd.

4.2. Relevant voor de beoordeling van dit middel is het volgende onderdeel van 's Hofs strafmotivering (pagina's 10 en 11 van het arrest):

'Ten nadele van de verdachte geldt dat zij eerder in Canada veroordeeld werd wegens het plegen van frauduleuze handelingen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf.

(..)

Gelet op de omvang en duur van de door de verdachte gepleegde misdrijven en in aanmerking genomen dat een eerdere - voorwaardelijke - straf de verdachte niet heeft weerhouden van het plegen van deze misdrijven, oordeelt het Hof eenparig dat de door het GEA opgelegde straf onvoldoende recht doet aan de ernst en de aard van het bewezenverklaarde en dat, alles afwegende, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.'

4.3. Een blik achter de papieren muur leert het volgende. In het zaaksdossier bevinden zich stukken afkomstig van de Canadese justitiële autoriteiten, die kennelijk zijn toegezonden naar aanleiding van een daartoe gedaan rechtshulpverzoek. Daaruit kan, voor zover hier van belang, worden afgeleid dat de verdachte op 28 februari 2000 door de Canadese rechter in ieder geval veroordeeld is voor 'uttering forged document' en 'counselling false statements' tot '12 mos conditional sentence order & $1000', wat naar ik aanneem neerkomt op een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden en een (al dan niet voorwaardelijke) geldboete van $ 1.000,-.(6) Uit een zich onder de stukken bevindende tenlastelegging kan worden opgemaakt dat de verdachte deze feiten in 1997 en 1998 heeft gepleegd.(7) Voorts merk ik nog op dat blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep door het Hof aan de verdachte is voorgehouden dat zich in het dossier justitiële bescheiden uit Canada bevinden. Het kan mijns inziens haast niet anders zijn dan dat dit de door mij genoemde justitiële bescheiden betreft, waaruit blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachte aldaar met justitie in aanraking zijn gekomen. De verdachte heeft er, daarmee geconfronteerd, het zwijgen toegedaan.(8)

4.4.1. Mijns inziens kan uit de voornoemde uit Canada afkomstige stukken wel worden afgeleid op welke datum de door het Hof in zijn strafmotivering genoemde Canadese veroordeling betrekking heeft, namelijk 28 februari 2000. Voor zover het middel omtrent dit punt klaagt dient het derhalve te falen.

4.4.2. Voorts heeft het Hof in zijn strafmotivering de omstandigheid betrokken dat 'een eerdere - voorwaardelijke - straf de verdachte niet heeft weerhouden van het plegen van deze misdrijven'. Nu uit meergenoemde stukken kan worden afgeleid dat de Canadese rechter aan de verdachte in 2000 een voorwaardelijke (gevangenis)straf heeft opgelegd, acht ik 's Hofs strafmotivering op dit punt niet onbegrijpelijk. Dat niet kan blijken of de verdachte het feit heeft gepleegd in een proeftijd verbonden aan de Canadese veroordeling doet aan die begrijpelijkheid niet af. Ook dit onderdeel van klacht kan niet tot cassatie leiden.

4.5. Het middel, dat niet klaagt over het ontbreken van aanwijzingen voor de onherroepelijkheid van deze veroordeling, faalt dus.

5. De middelen 7 en 8 kunnen niet tot cassatie leiden en kunnen mijns inziens met de aan art. 81 RO te ontlenen motivering worden afgedaan.

6. Deze aanvullende conclusie strekt, gelijk mijn eerdere op 9 februari 2010 genomen conclusie, tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en voor wat betreft de strafoplegging, tot verwerping van het beroep voor het overige en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Ik merk in dit verband op dat de oorzaak van deze vergissing berust op de omstandigheid dat er zich twee versies van de cassatieschriftuur onder de stukken bevinden: de ene versie bevat zes middelen, de andere acht. Beide versies zijn door de advocaat van de verdachte op 23 april 2009 ondertekend. Volledigheidshalve merk ik nog op dat deze zaak samenhangt met de onder nr. 08/03214 A tegen [verdachte 1] aanhangige zaak, waarin ik op 9 februari 2010 reeds heb geconcludeerd.

2 Deze bepaling komt in grote lijnen overeen met het in Nederland geldende artikel 311 Sv.

3 HR 21 mei 1985, NJ 1986, 676.

4 HR 15 juni 2004, LJN AO8819. Ik merk daarbij op dat de steller van het middel de administratie van de Hoge Raad ook niet heeft verzocht om toezending van bedoelde vordering, althans blijkt niet van een dergelijk verzoek.

5 Volledigheidshalve merk ik op dat die vordering, wat betreft de gevangenisstraf, 7 jaar betrof, met een korting van 6 maanden wegens te lang verblijf in de politiecellen. De door het Hof opgelegde gevangenisstraf van 6 jaar is dus lager dan de gevorderde straf.

6 Zie pagina 423 van het zaaksdossier.

7 Zie pagina 405 van het zaaksdossier.

8 Pagina 5 van het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 juni 2008.

Nr. 08/03214 A

Mr. Aben

Zitting 9 februari 2010

Conclusie inzake:

[verdachte 1]

alias [alias 1 verdachte 1]

alias [alias 2 verdachte 1]

alias [alias 3 verdachte 1]

alias [alias 4 verdachte 1]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft bij vonnis van 3 juli 2008 de verdachte ter zake van 1. "het opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 230, eerste lid, Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, als ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd" 2. "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is, meermalen gepleegd," 3. "medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd," 4. "medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van opzettelijk witwassen van geld" en 5. "medeplegen van overtreding van het bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 gestelde verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Voorts heeft het Hof een aantal voorwerpen onttrokken aan het verkeer en een aantal voorwerpen verbeurd verklaard, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende zes middelen van cassatie.(1)

3.1. Het eerste middel en het tweede middel klagen er over dat het onder 1 respectievelijk onder 2 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.2.1. Door het Hof is, voor zover ter beoordeling van de middelen relevant, bewezenverklaard:

'1.

Dat zij in of omstreeks de periode van 9 november 2001 tot en met 13 april 2006, op het Nederlands-Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, meermalen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse Litouwse aktes naamswijziging, zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, welke valsheid hierin bestond dat die aktes naamswijziging geheel valselijk waren opgemaakt en dat in strijd met de waarheid op die aktes was vermeld dat de naam [alias 1 verdachte 1] was gewijzigd in [alias 2 verdachte 1] en bestaande het gebruikmaken hierin dat die aktes naamswijziging zijn overgelegd aan de Immigratie Dienst van Sint Maarten bij de aanvraag voor een vergunning voor tijdelijk verblijf en/of aanvraag voor verlenging voor een vergunning tot verblijf, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan;

2.

Dat zij in of omstreeks de periode van 28 februari 2003 tot en met 26 juni 2007 op het Nederlands-Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, in het bezit was van reisdocumenten, te weten

- een Bulgaars paspoort, genummerd [001], ten name van [alias 4 verdachte 1] en

- een Litouws paspoort, genummerd [002], ten name van [alias 3 verdachte 1]

waarvan zij, verdachte, wit dat het reisdocument vervalst was, bestaande die vervalsing hieruit dat voornoemde paspoorten gedeeltelijk zijn nagemaakt, althans niet door de daartoe bevoegde autoriteiten zijn afgegeven ten name van [alias 4 verdachte 1] en [alias 3 verdachte 1] en in die paspoorten een immigration stempel is aangebracht d.d. 5 juli 2003;'

3.2.2. Het Hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

'Met betrekking tot feit 1 :

1. De verklaring van de verdachte, op 17 oktober 2007 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven -:

Ik heb het document akte van naamswijziging besteld en ervoor betaald. Vervolgens heb ik het vervalste document alhier gebruikt om een verblijfsvergunning aan te vragen. Het kan zijn dat ik het meermalen heb ingediend bij de Immigratie.

De hieronder telkens genoemde paginanummers verwijzen naar "Zaaksproces-verbaal valse identiteit, het vervalsen van documenten en het gebruik maken van die documenten ":

2. Een proces-verbaal van bevindingen Immigratiedienst, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 7 juni 2007 gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon agent van politie bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, standplaats St. Maarten, pv. nummer: 0705311300.AMB (Pagina's 1043-1046), voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisanten, - zakelijk weergegeven -:

Op 12 november 2001 werd een aanvraag voor een vergunning voor tijdelijk verblijf op Sint Maarten aangevraagd door [alias verdachte 2], geboren op [geboortedatum] 1956, van de Canadese nationaliteit. Bij deze aanvraag werd door hem overgelegd:

14. een officieel Litouws formulier "naamswijziging" waaruit blijkt dat [verdachte 2] zijn naam heeft veranderd in [alias verdachte 2], opgemaakt op 12 december 1999 te Litouwen, nr. [003]. Op 7 mei 2004 werd een aanvraag voor een verlenging vergunning voor tijdelijk verblijf op Sint Maarten gedaan door [alias verdachte 2]. Bij deze aanvraag werd door hem overgelegd:

26. een officieel Litouws formulier "naamswijziging" waaruit blijkt dat [verdachte 2] zijn naam heeft veranderd in [alias verdachte 2], opgemaakt op 12 december 1999 te Litouwen met nr. [004]. Op 13 april 2006 werd een aanvraag voor een vergunning voor tijdelijk verblijf op Sint Maarten gedaan door [alias verdachte 2].

30. een officieel Litouws formulier "naamswijziging" waaruit blijkt dat [verdachte 2] zijn naam heeft veranderd in [alias verdachte 2], opgemaakt op 12 december 1999 te Litouwen met nr. [004].

3. Een geschrift, te weten een akte van naamswijziging, nr. [004], d.d. 12 december 1999, uitgegeven te Mariampole, Litouwen (pagina 's 1026/1027-1252/1253), voor zover inhoudende dat [verdachte 2] zijn naam heeft laten wijzigen in [alias verdachte 2].

4. Een geschrift, te weten een akte van naamswijziging nr. [003] d.d. 12 december 1999, uitgegeven te Mariampole, Litouwen (pagina's 1072/1073) voor zover inhoudende dat [verdachte 2] zijn naam heeft laten wijzigen in [alias verdachte 2].

5. Een geschrift, te weten een verklaring van de Dienst Bevolkingsregister, Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Republiek Litouwen (pagina 1258), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- dat van [verdachte 2] ([alias verdachte 2]), geboortedatum [geboortedatum]1956, geen gegevens in het bevolkingsregister zijn.

6. Een geschrift, te weten een door het Parket van het District Mariampole gestempelde verklaring van het Stadsbestuur van de Gemeente Kanaus. Bureau van de Burgerlijke Stand (pagina 1262), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- dat certificaat nr. [004] niet werd afgegeven door genoemd Bureau.

7. Een geschrift, te weten een door het Parket van het District Mariampole gestempelde verklaring van het Stadsbestuur van de Gemeente Mariampole (pagina 1263), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- dat er geen documenten betreffende de naamsverandering van [verdachte 2] in de archiefbestanden van 1999-2002 voorkomen.

Met betrekking tot feit 2:

8. De verklaring van de verdachte, op 17 oktober 2007 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Ik had in periode van 3 oktober 2004 tot en met 26 juni 2006 op Sint Maarten het Litouws paspoort genummerd [005], op de naam van [alias verdachte 2], geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats], dat bij de huiszoeking in [a-straat 1a] te [plaats] werd gevonden, in mijn bezit. Ik herken de foto in het paspoort als zijnde van mijn persoon, maar de geboortedatum is niet correct. Ik heb het paspoort ontvangen van een internationale agency.

De hieronder telkens genoemde paginanummers verwijzen naar "Zaaksproces-verbaal valse identiteit, het vervalsen van documenten en het gebruik maken van die documenten ":

9. Een proces-ver baal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 september 2007 gesloten en getekend door [verbalisant 2], buitengewoon agent van politie bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, standplaats St. Maarten, pv. nummer: 0706061500.AMB (pagina 's 1011), voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisant, -zakelijk weergegeven-:

Op 26 juni 2007 werd door de rechter-commissaris huiszoeking verricht in de woning [a-straat 1a] te [plaats], waarbij werd aangetroffen een Litouws paspoort nummer [005] op naam van [alias verdachte 2].

10. Een geschrift, te weten een proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee te Schiphol, opgemaakt ten verzoeke van het RST, met als bijlage een kopie van een Litouws paspoort nummer [005], uitgegeven 03-10-2004, ten name van [alias verdachte 2], geboren [geboortedatum]1956 (pagina 1282-1285), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

De thans op de personaliazijde zichtbare pasfoto, persoons- en afgiftegegevens zijn alle niet door de autoriteiten van Litouwen aangebracht. Het paspoort is vervalst.'

3.3. Het onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaarde kan niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. De onder de nummers 2 tot en met 7 door het Hof gebezigde bewijsmiddelen hebben immers uitsluitend betrekking op de akte naamswijziging betreffende de wijziging van de naam van haar medeverdachte [verdachte 2] in [alias verdachte 2], en zijn derhalve niet zonder meer redengevend voor hetgeen onder 1 is bewezenverklaard: het door de verdachte opzettelijk gebruik maken van een valse Litouwse aktes naamswijziging waarop in strijd met de waarheid vermeld stond dat de naam van [alias 1 verdachte 1] was gewijzigd in [alias 2 verdachte 1]. Voorts kan uit de onder 1 tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte weliswaar worden afgeleid dat de verdachte een akte naamswijziging heeft besteld, daarvoor heeft betaald en dat zij die akte heeft gebruikt, doch niet dat die akte een Litouwse akte naamswijziging betreft waarop in strijd met de waarheid stond vermeld dat de naam van de verdachte was gewijzigd in [alias 2 verdachte 1], zoals onder 1 is bewezenverklaard. De bewezenverklaring is ten aanzien van feit 1 derhalve ontoereikend gemotiveerd.

3.4. Min of meer hetzelfde heeft te gelden voor de ten aanzien van feit 2 door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. De onder de nummers 8 tot en met 10 door het Hof gebezigde bewijsmiddelen hebben immers allemaal uitsluitend betrekking op een vervalst Litouws paspoort op naam van de medeverdachte [alias verdachte 2], geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] en niet op het in de bewezenverklaring genoemde Bulgaarse paspoort ten name van [alias 4 verdachte 1] en/of het Litouwse paspoort ten name van [alias 3 verdachte 1]. De bewezenverklaring ten aanzien van feit 2 is eveneens ontoereikend gemotiveerd.

3.5. Met betrekking tot de bewijsconstructie merk ik nog het volgende op. Het heeft er alle schijn van dat het Hof in de zaak van de verdachte abusievelijk de bewijsconstructie uit de zaak van de medeverdachte [verdachte 2] heeft overgenomen, ten gevolge waarvan de bewijsconstructie in de zaak van de verdachte op bepaalde punten ontoereikend is. Meer in het bijzonder merk ik daarbij op dat uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg kan worden afgeleid dat de onder 8 tot het bewijs gebezigde, ter terechtzitting van 17 oktober 2007 afgelegde verklaring niet afkomstig is geweest van de verdachte, doch van haar medeverdachte [verdachte 2]. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdachte - zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 17 oktober 2007 - iets geheel anders verklaard dan hetgeen onder 8 is weergegeven. Overigens hebben de verdachte en haar medeverdachte, althans zo kan uit voornoemd proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg worden afgeleid, ten aanzien van feit 1 wel precies hetzelfde verklaard.

3.6. Het eerste en het tweede middel treffen doel.

4.1. Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaring van feit 3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan, aldus de steller van het middel, niet worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) het valselijk opmaken van de in de bewezenverklaring genoemde documenten, die zijn aangetroffen op de (harde schijf van de) computer die onder de verdachte en haar medeverdachte (en tevens zijn echtgenoot) is inbeslaggenomen.

4.2. Het onder 3 bewezenverklaarde feit betreft, kort gezegd, het verwijt dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander 'certificates of deposit', rekeningoverzichten, 'bankstatements' en brieven van in de bewezenverklaring genoemde banken valselijk heeft opgemaakt. De valsheid bestaat hieruit dat genoemde geschriften in strijd met de waarheid vermelden dat bepaalde personen een rekening aanhielden en beschikten over een groot saldo bij de betreffende bank. Het doel van deze valsheid was om deze bescheiden als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken. Derden konden de valse bankbescheiden voorts bezigen om zich, in bewoordingen van het Hof (pagina 11), 'de schijn van kredietwaardigheid aan te meten bij duistere praktijken zoals oplichting.'

4.3. De hier betreffende valse bankbescheiden zijn blijkens de bewijsmiddelen (bewijsmiddel 11) aangetroffen op de in de woning van de verdachte en medeverdachte [verdachte 2] aangetroffen computersystemen en gegevensdragers. Die enkele omstandigheid brengt volgens de steller van het middel niet met zich dat die documenten door de verdachte en haar medeverdachte zijn opgemaakt, althans dat de verdachte als medepleger van dat valselijk opmaken kan worden aangemerkt.

4.4. Mijns inziens doet de steller van het middel met zijn betoog de bewijsconstructie ter zake het onder 3 bewezenverklaarde feit tekort. Zie daartoe de pagina's 6 tot en met 20 uit de "bijlage" bij het vonnis. Uit de bewijsmiddelen kan immers niet alleen worden afgeleid dat desbetreffende documenten op de computer van de verdachte en haar medeverdachte zijn aangetroffen, doch tevens vloeit daaruit voort dat:

(1) de verdachte en/of haar medeverdachte de valse geschriften doorgaans als bijlage via het e-mail adres '[...@...net]', waarvan op grond van onderzoek is vastgesteld dat dit in gebruik was bij de verdachte en zijn medeverdachte [verdachte 1], naar hun 'klanten' hebben verzonden (ik verwijs bijvoorbeeld naar de bewijsmiddelen 22, 32, 39 en 46);

(2) de verdachte met haar medeverdachte, en in een enkel geval ook met degene aan wie de valse bescheiden werden 'geleverd' (meestal dus als bijlage via e-mail), telefonische en/of elektronische (via e-mail) contacten onderhield welke betrekking hadden op de door hun klanten verrichte of te verrichten betalingen van forse bedragen (zie o.a. de bewijsmiddelen 39, 42, 43, 55, 60, 66 en 68);

(3) op de bankrekening van het bedrijf van de verdachte en haar medeverdachte [verdachte 1], [A] Ltd, blijkens bankafschriften van de [...] Bank grote geldbedragen zijn overgemaakt door degene aan wie de valse bescheiden steeds zijn toegezonden of door degene die kennelijk de opdracht heeft gegeven tot het opmaken van het valse geschrift ten behoeve van een derde (o.a. de bewijsmiddelen 18, 23, 24, 25, 30, 35, 40, 41, 48, 52 en 61) en

(4) in wat het Hof in de bewijsmiddelen aanduidt als 'zaak 9' niet alleen blijkt dat de valse documenten zijn aangetroffen op de onder de verdachte en haar medeverdachte aangetroffen computer, maar dat deze tevens in die computer zijn aangemaakt (bewijsmiddel 59).

4.5. Deze uit de bewijsmiddelen voortvloeiende aanwijzingen duiden in onderling verband en samenhang beschouwd op een strafrechtelijk relevante betrokkenheid bij het opmaken van de aangetroffen bescheiden. Die betrokkenheid kan m.i. als (mede)plegen van valsheid in geschrift worden aangemerkt. De door het Hof vastgestelde omstandigheden vragen overigens op z'n minst om een uitleg van de zijde van de verdachte. Deze uitleg is in hoger beroep uitgebleven. Bij deze stand van zaken heeft het Hof naar mijn inzicht kunnen oordelen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het valselijk opmaken van desbetreffende bescheiden, zoals onder 3 is bewezenverklaard. Dat oordeel is dus niet onbegrijpelijk. De bewijsconstructie is toereikend.

4.5. Het derde middel faalt.

5.1. Het vierde middel klaagt over het gebruik tot het bewijs (onder 11) van een door de politie d.d. 19 september 2007 opgemaakt proces-verbaal. Dit proces-verbaal behelst volgens de steller van het middel een mening, gissing of gevolgtrekking die niet kan worden aangemerkt als een mededeling die op eigen waarneming of ondervinding berust.

5.2. Voor zover ter beoordeling van het middel relevant houdt bewijsmiddel 11 als relaas van verbalisanten in:

'Met machtiging van de rechter-commissaris werd vanaf 3 april 2007 telecommunicatie gevoerd via het email adres [...@...net] onderschept. Uit het onderzoek is vastgesteld dat dit e-mail adres wordt gebruikt door de verdachten [verdachte 2] en [verdachte 1].'

5.3. Volgens de steller van het middel behelst dit verbaal een ontoelaatbare mening, gissing of gevolgtrekking voor zover daarin wordt gerelateerd dat dit e-mailadres wordt gebruikt door de verdachte.

Allereerst luistert dit relaas iets nauwer. Gerelateerd is dat het e-mailadres niet alleen door de verdachte, maar ook door de medeverdachte [verdachte 2] wordt gebruikt. Belangrijker nog is dat het gewraakte bewijsmiddel niet inhoudt dat de verbalisanten op eigen houtje tot deze vaststelling zijn gekomen. In dat geval zou onder omstandigheden inderdaad denkbaar zijn dat die waarneming op een gissing berust. De verbalisanten relateren dat "uit het onderzoek (van telecommunicatie) is vastgesteld" dat dit e-mailadres door [verdachte 1 en 2] gebruikt wordt. Over het resultaat van dit onderzoek kunnen zij uit eigen wetenschap verklaren. Van een ontoelaatbare mening, gissing of gevolgtrekking van de kant van de verbalisanten is dan ook geen sprake.

Ik wil de steller van het middel wel toegeven dat dit relaas geen 'best evidence' is van het gerelateerde en dat een motivering waarin de onderliggende bron van deze informatie is vervat niet had misstaan.(2) In aanmerking genomen dat de verdachte het gerelateerde op zichzelf niet heeft betwist, doch ervoor heeft gekozen van haar zwijgrecht gebruik te maken, meen ik evenwel dat het hof heeft mogen volstaan met dit op zichzelf niet ontoelaatbare bewijsmiddel. Tot cassatie hoeft het in elk geval niet te leiden.

5.4. Het middel faalt.

6.1. Het vijfde middel behelst de klacht dat het onder 4 bewezenverklaarde feit - door het Hof gekwalificeerd als het medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van opzettelijk witwassen van geld - niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

6.2. In het middel wordt betoogd dat uit de bewijsmiddelen in het bijzonder niet kan worden afgeleid dat de gelden welke naderhand aan het bedrijf van de verdachte [A] Ltd. zijn overgemaakt door in het buitenland gevestigde derden (bijvoorbeeld door advocaat [...]) door misdrijf, te weten valsheid in geschrift en/of oplichting, waren verkregen, en/of dat de verdachte wist dat die derden de geldbedragen door oplichting hadden verkregen.

6.3. Naar mijn indruk berust het middel op een verkeerde lezing van 's Hofs arrest. De steller van het middel schrijft aan het Hof de opvatting toe dat de verdachte wist dat de herkomst van de door derden overgemaakte gelden is gelegen in de misdrijven die deze derden (verdachtes opdrachtgevers) hebben begaan met behulp van de (mede) door de verdachte vervalste bescheiden. Ik sluit niet uit dat het Hof een dergelijke opvatting inderdaad is toegedaan, maar die opvatting is niet waarop 's Hofs bewijsoordeel is gestoeld.

6.4. 's Hofs bewijsoordeel berust daarentegen op een andere, m.i. toereikende peiler: het verwerven van geldbedragen die door eigen misdrijf zijn verkregen.(3) De door derden aan verdachtes bedrijf overgemaakte geldbedragen belichamen onmiskenbaar de tegenprestatie voor de door de verdachte zelf gepleegde misdrijven, te weten het in opdracht van deze derden valselijk opmaken van talloze bankbescheiden. Reeds op deze grondslag kan verdachtes handelen als witwassen worden gekwalificeerd. Of de gelden die aan de verdachte door derden zijn overgemaakt zelf rechtstreeks afkomstig zijn van enig door die derden begaan misdrijf doet niet ter zake. Evenmin of uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de uiteindelijke benadeelden per saldo zijn bewogen tot afgifte van geldbedragen als gevolg van door de verdachte gepleegde misdrijven.

Eenvoudig gezegd: 's Hofs oordeel behelst dat de verdachte de verdiensten van de door hem zelf gepleegde misdrijven heeft witgewassen.(4) De in het middel betrokken stellingen schieten hun doel voorbij.

6.5. Het middel faalt.

7.1. Het zesde middel behelst de klacht dat 's Hofs motivering van de aan de verdachte opgelegde straf ontoereikend moet worden geacht omdat het Hof in diens strafmotivering verzuimd heeft te betrekken de door de procureur-generaal in hoger beroep naar voren gebrachte omstandigheid dat de verdachte te lang in de politiecellen heeft verbleven en hij op grond daarvan een korting van zes maanden gevangenisstraf op zijn plaats acht.

7.2.1. Ter beoordeling van het middel acht ik het volgende van belang. Blijkens het proces-verbaal (pagina 6) van de zitting in hoger beroep heeft de procureur-generaal aangevoerd dat hij "te doen" heeft met de verdachten vanwege hun lange verblijf in de politiecellen en dat hij met dat lange verblijf rekening zal houden bij de strafmaat. De procureur-generaal vorderde een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met een korting van 6 maanden wegens te lang verblijf in de politiecellen. In dit verband verdient opmerking dat de pleitnota omtrent de omstandigheid van het lange verblijf in de politiecellen geheel niets inhoudt en ook overigens is ter terechtzitting in dit verband door de verdediging niets aangevoerd.

7.2.2. Het Hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren opgelegd, met de volgende motivering:

'Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, wordt de na te noemen beslissing passend geacht. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en haar mededader hebben zich gedurende langere tijd op grote schaal bezig gehouden met het plegen van valsheid in geschrifte en gebruikmaking van valse documenten. Zij hebben hun ware identiteiten verhuld. De door hen opgegeven namen werden ondersteund door valse paspoorten en andere valse documenten. Vanaf Sint Maarten hebben zij zich bezig gehouden met de vervaardiging, verkoop en levering van valse bankbescheiden aan derden, waarvan de bewezenverklaring slechts een selectie bevat. Die derden konden de valse bankbescheiden bezigen om zich de schijn van kredietwaardigheid aan te meten bij duistere praktijken zoals oplichting. Met deze transacties waren, in ieder geval naar Antilliaanse maatstaven, ongekend grote bedragen gemoeid en de verdachte en haar mededader verwierven miljoenenopbrengsten met hun misdrijven. Uit het onderzoek komt naar voren dat de verdachte bij het plegen van de valsheden de regie in handen had en ook bij de uitvoering de hoofdrol vervulde. Tenslotte heeft de verdachte met haar mededader in hun woning drie vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Het Hof houdt er rekening mee dat niet de verdachte maar haar echtgenoot de eigenaar van deze wapens was.

Ten nadele van de verdachte geldt dat zij eerder in Canada veroordeeld werd wegens het plegen van frauduleuze handelingen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De door de verdachte aangevoerde door haar ondervonden problemen als gevolg van haar detentie zijn door de verdediging niet met (medische) stukken onderbouwd en ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de verdachte detentieongeschikt is. Gelet op de omvang en duur van de door de verdachte gepleegde misdrijven en in aanmerking genomen dat een eerdere - voorwaardelijke - straf de verdachte niet hebben weerhouden van het plegen van deze misdrijven, oordeelt het Hof eenparig dat de door het GEA opgelegde straf onvoldoende recht doet aan de ernst en de aard van het bewezenverklaarde en dat, alles afwegende, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.'

7.3. Uit 's Hofs strafmotivering blijkt niet dat het Hof de door de procureur-generaal naar voren gebrachte omstandigheid van het lange verblijf in de politiecellen van de verdachte heeft betrokken bij het bepalen van de hoogte van de straf. Normaliter zou ik niet aarzelen om voor te stellen deze strafmotivering in stand te laten. Door de verdediging is niets aangevoerd omtrent het kennelijk (te) lange verblijf in de politiecellen. Het Hof heeft de opgelegde straf op zichzelf voldoende gemotiveerd, en de hoogte van de straf wekt - bezien in het licht van de bewezenverklaarde feiten - geen verbazing.

7.4. Wat een en ander in deze zaak anders maakt is de strafoplegging in de met de zaak van de verdachte samenhangende zaak tegen haar medeverdachte [verdachte 2]. Deze zaak is gelijktijdig doch niet gevoegd met de zaak van de verdachte door het Hof behandeld en hierin is op dezelfde dag als in de zaak tegen de verdachte uitspraak gedaan. In de zaak tegen [verdachte 2] heeft de advocaat-generaal met exact dezelfde bewoordingen naar voren gebracht dat de gevangenisstraf met 6 maanden dient te worden verminderd op grond van de hierboven genoemde omstandigheid van het lange verblijf in de politiecellen. In de zaak van [verdachte 2] heeft het Hof, anders dan in de onderhavige zaak, echter wel expliciet in zijn strafmotivering overwogen dat de gevangenisstraf vanwege het te lange verblijf in politiecellen met 8 maanden dient te worden verminderd. Dat heeft het Hof ook gedaan door aan de medeverdachte [verdachte 2] een gevangenisstraf van 5 jaar en vier maanden op te leggen; acht maanden minder dus dan in de zaak van de verdachte.

7.5. In essentie gaat het erom dat de rechter in zijn strafmotivering de verbazing wegneemt die zijn straf zou kunnen wekken in het licht van wat ter zitting is aangevoerd of uit de stukken blijkt.(5) Thans is een complicatie gelegen in de omstandigheid dat de Hoge Raad binnen het bestek van de ene strafzaak kennis zou moeten nemen van de strafoplegging en motivering in een andere strafzaak, en het is uitsluitend vanwege de onverklaarbare verschillen dat de strafoplegging in de voorliggende zaak verbazing wekt.(6) Niettemin meen ik dat de Hoge Raad verondersteld wordt ambtshalve bekend te zijn met de strafoplegging in de samenhangende zaak tegen [verdachte 2]. Bedacht moet worden dat het Hof vrij is in het bepalen van de straf en de waardering van de factoren die het daartoe van belang acht.(7) Deze afweging is aan het Hof voorbehouden. In cassatie niet kan worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de persoon van de verdachte en in het bijzonder diens langdurig verblijf in een politiecel. Niettemin schiet 's Hofs strafmotivering m.i. tekort waar het ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het voorstel van de procureur-generaal om de hier bedoelde strafkorting toe te passen.

7.6. Het middel is terecht voorgesteld.

8. De middelen 3, 4 en 5 kunnen niet tot cassatie leiden en kunnen mijns inziens met de aan art. 81 RO te ontlenen motivering worden afgedaan.

9. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Namens verdachte is op 7 juli 2008 beroep in cassatie ingesteld. Thans staat al vast dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, welk tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak aan de orde kan worden gesteld.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en voor wat betreft de strafoplegging, tot verwerping van het beroep voor het overige en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de onder nr. 08/03215 A tegen [verdachte 2] aanhangige zaak, in welke zaak ik vandaag ook concludeer.

2 Een blik achter de papieren muur laat zien dat uit onderzoek inderdaad is vastgesteld dat de verdachte en haar medeverdachte [verdachte 2] gebruik maakte van het e-mail adres [...@...net]. Ik moge in dit verband verwijzen naar het zaaksdossier (pagina's 258-336), waaruit vloeit voort dat het betreffende e-mail adres gebruikt werd ten behoeve van de communicatie tussen de bedrijven waarvan de verdachte en haar medeverdachte de eigenaren waren en hun klanten.

3 In gelijke zin heeft het Hof in een nadere bewijsoverweging overwogen dat 'de verdediging er aan voorbij [gaat] dat ook reeds van witwassen in de zin van artikel 1 lid 1 van de Landsverordening strafbaarstelling witwassen van geld sprake kan zijn indien de verdachte gelden heeft verworven als tegenprestatie voor door hem zelf gepleegde misdrijven' (pagina 9 en 10 van het arrest).

4 Vgl. Van Woensel en Mul in Cleiren & Nijboer, Tekst & Commentaar Strafrecht, 7e druk, art. 420bis Sr, aant. 9 onder c, pagina 1555, en HR 2 oktober 2007, LJN BA7923, NJ 2008, 16, m.nt. Borgers. Zij opgemerkt dat Borgers zich in zijn noot onder laatstgenoemd arrest keert tegen de situatie waarin het enkele voorhanden hebben van de onmiddellijke opbrengst van het eigen misdrijf binnen de reikwijdte van de strafbaarstelling van witwassen wordt gebracht, zulks als gevolg van de automatische verdubbeling van strafbaarheid doordat de wetgever de heler-steler-regel bij witwassen welbewust buiten werking heeft gesteld. Denk hierbij aan de fietsendief, wiens "verwerven" en voorhanden hebben van de betreffende fiets gelijktijdig witwassen oplevert aangezien die fiets van het eigen misdrijf afkomstig is. Het middel snijdt deze problematiek geheel niet aan, en dat strookt ook met de in het middel voorgestane - onjuiste - lezing van 's Hofs overwegingen. Niettemin meen ik dat de door Borgers bestreken kwestie in de voorliggende zaak niet, althans niet in volle omvang aan de orde is. De opbrengsten van verdachtes misdrijven zijn niet onmiddellijk verkregen door het begaan ervan, maar betreffen uitsluitend de inkomsten die de misdrijven hebben opgebracht. Het automatisme van de gelijktijdige verdubbeling van strafbaarheid doet zich hier dus niet voor.

5 Vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e druk, Kluwer: 2009, pagina 265.

6 Anders zou dit zijn indien zonneklaar uit 's Hofs arrest of het verhandelde ter zitting zou blijken dat de verdachte, anders dan de procureur-generaal stelt, helemaal niet (te) lang in de politiecellen heeft verbleven.

7 Vgl. Conclusie Machielse voor HR 5 januari 2010, LJN BJ2772, en voorts: HR 10 september 1991, NJ 1991, 839; HR 16 november 1999, NJ 2000, 214 m.nt Reijntjes; HR 14 maart 2006, LJN AU9353; HR 20 november 2007, LJN BB6218 en CAG Knigge daaraan voorafgaand.