Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL4089

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
10/00281
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL4089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Voorlopige machtiging voor opname in psychiatrische inrichting en verblijf voor de duur van zes maanden. Geneeskundige verklaring in overeenstemming met wettelijke vereisten? (art. 81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 466
JWB 2010/123
BJ 2010/27
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/00281

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 12 februari 2010

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Amsterdam

1. Deze Bopz-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Bij beschikking van 19 oktober 2009 heeft de rechtbank te Amsterdam een voorlopige machtiging verleend om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven voor de duur van zes maanden. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Middel I klaagt dat rechtens onjuist is dat, althans onbegrijpelijk is waarom, de rechtbank de machtiging heeft verleend hoewel de geneeskundige verklaring van 22 september 2009 niet aan de wettelijke voorschriften voldoet. Die verklaring vermeldt dat de onderzoekende psychiater de behandelend psychiater [betrokkene 1] heeft geraadpleegd. Volgens het middel heeft betrokkene gesteld dat zij nooit bij [betrokkene 1] in behandeling is geweest, noch door haar is onderzocht. Daarom had de onderzoekend psychiater niet mogen volstaan met het enkele noemen van [betrokkene 1] als behandelend psychiater zonder verdere motivering van de behandeling die heeft plaatsgevonden.

3. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat uit niets - ook niet uit het proces-verbaal van de zitting - blijkt dat door of namens betrokkene bij de rechtbank dit standpunt naar voren is gebracht. Bovendien mist betrokkene belang bij deze klacht, omdat de beschikking van de rechtbank is gebaseerd op de resultaten van het psychiatrisch onderzoek door [betrokkene 2], die de geneeskundige verklaring heeft ondertekend, en op de ter zitting van haar verkregen aanvullende informatie. Volgens de geneeskundige verklaring heeft [betrokkene 2] inlichtingen ingewonnen bij de psychiater [betrokkene 1]. Deze had de collegiale brief van 24 augustus 2009 (aanvraag beoordeling voor het verkrijgen van een voorlopige machtiging) medeondertekend. Zelfs indien [betrokkene 1] in de geneeskundige verklaring ten onrechte door [betrokkene 2] zou zijn aangeduid als behandelend psychiater van betrokkene - dit vergt een onderzoek naar de feiten, waarvoor in cassatie geen plaats is -, zou geen rechtsregel de rechtbank beletten haar beslissing mede te gronden op de geneeskundige verklaring en de aanvullende informatie van [betrokkene 2]. Tot nadere motivering op dit punt was de rechtbank niet gehouden. Middel I faalt.

4. Middel II klaagt dat onjuist is, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, dat de rechtbank de machtiging heeft verleend hoewel noch [betrokkene 1] noch [betrokkene 2] heeft voldaan aan de in art. 7:448 in verbinding met art. 7:464 BW neergelegde verplichting tot het informeren van de patiënt over het onderzoek met het oog op de geneeskundige verklaring.

5. Ook deze klacht stuit af op het feit dat een daartoe strekkend verweer niet is gevoerd in de procedure bij de rechtbank. Ook inhoudelijk faalt de klacht. Het middel kiest tot uitgangspunt dat ook bij handelingen op het gebied van de geneeskunst anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst een arts ingevolge het bepaalde in art. 7:448, leden 1 en 2, in verbinding met art. 7:464, lid 1, BW gehouden is de patiënt op een duidelijke wijze, desgevraagd schriftelijk, in te lichten over het voorgenomen onderzoek(1). Het handelen van [betrokkene 1] stond in dit geding niet ter beoordeling van de rechtbank. Voor wat betreft het psychiatrisch onderzoek van [betrokkene 2], heeft de rechtbank op grond van (blz. 6 van) de geneeskundige verklaring tot het oordeel kunnen komen dat deze arts voldoende moeite heeft gedaan om te trachten betrokkene met informatie over het voorgenomen onderzoek te bereiken. Betrokkene weigerde blijkbaar medewerking aan het psychiatrisch onderzoek. Middel II faalt. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

6. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie onder meer: HR 9 januari 1998 (LJN: ZC2538), NJ 1998, 456 m.nt. F.C.B. van Wijmen en HR 3 november 2000 (LJN: AA8079), NJ 2000, 717. Zie voorts: Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. C.2.2 op art. 5 (W. Dijkers). De problemen als gevolg van de geleidelijk uitgebreide inwerkingtreding van art. 7:464 BW kunnen m.i. in deze zaak onbesproken blijven.