Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL4075

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09/01262
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL4075
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Bewijswaardering. Eigen schuld. (art. 81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 581
JWB 2010/174
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/01262

Mr L. Strikwerda

Zt. 12 febr. 2010

conclusie inzake

1. [Eiseres 1]

2. [Eiser 2]

3. [Eiser 3]

4. [Eiser 4]

5. [Eiser 5]

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig door eisers tot cassatie, hierna: [eiser] c.s., ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 16 september 2008. Bij dit arrest heeft het hof op het principaal appel van [eiser] c.s. en op het incidenteel appel van thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], het vonnis van de rechtbank Utrecht van 27 juli 2005, waarbij de bij de inleidende dagvaarding door [eiser] c.s. tegen [verweerder] ingestelde vorderingen tot schadevergoeding c.a. gedeeltelijk werden toegewezen, vernietigd en - opnieuw recht doende - de vorderingen van [eiser] c.s. alsnog afgewezen.

2. Het cassatieberoep berust op drie middelen, die door [verweerder] zijn bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

3. De voorgestelde middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

4. Middel I keert zich tegen de door het hof - in r.o. 4.1 -als vaststaand aangenomen feiten. Volgens het middel is deze feitenvaststelling onjuist, want onvolledig.

5. Het middel faalt. Het door het hof in r.o. 4.1 gegeven overzicht van de vaststaande feiten is ontleend aan de feitenvaststelling in r.o. 2.1 t/m 2.7 in het vonnis van de rechtbank van 27 juli 2005. Het hof heeft - niet bestreden in cassatie - overwogen dat daaromtrent geen geschil bestaat (r.o. 3) en is dan ook terecht ervan uitgegaan dat de rechtbank de feiten correct en volledig heeft vastgesteld. Overigens geeft het middel niet aan waarom en in welk opzicht de feiten en omstandigheden die volgens het middel op grond van de door het middel geciteerde getuigenverklaringen als vaststaand zouden moeten worden aangemerkt, het hof tot een ander oordeel hadden moeten brengen. Het middel voldoet daarom niet aan de daaraan te stellen eisen.

6. Middel II is gericht tegen de bewijswaardering door het hof, met name de waardering van de door [verweerder] als getuige afgelegde verklaring, en de daaraan door het hof verbonden gevolgtrekking met betrekking tot de vraag of [verweerder] onrechtmatig jegens [eiser] c.s. heeft gehandeld.

7. Voor zover het middel wil betogen dat het hof bij zijn waardering van de door [verweerder] als getuige afgelegde verklaring heeft miskend dat [verweerder] als partij-getuige is gehoord, zodat aan deze verklaring (ingevolge art. 164 lid 2 Rv) beperkte bewijskracht toekomt, faalt het. Het middel miskent dat in dit geval de bepaling van art. 164 lid 2 Rv niet van toepassing is. De bepaling geldt immers niet voor feiten waarvoor de partij die als getuige is gehoord, niet de bewijslast draagt (zie bijv. HR 17 januari 2003, NJ 2003, 176). [verweerder] droeg niet de bewijslast van de feiten waarvoor hij als getuige is gehoord.

8. Voor zover het middel wil betogen dat het hof op grond van de door [verweerder] als getuige afgelegde verklaring, gelet ook op diens functie en diens positie bij [A] B.V., tot het oordeel had moeten komen dat [verweerder] jegens [eiser] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, faalt het wegens gebrek aan belang. Het hof heeft, anders dan het middel kennelijk veronderstelt, niet geoordeeld dat [verweerder] niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het hof heeft de vraag of [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld in het midden gelaten en geoordeeld dat, al aangenomen dat [verweerder] inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld, dit niet kan leiden tot aansprakelijkheid, aangezien de fout van [verweerder] in ieder geval in het niet valt bij de eigen schuld van [eiser] c.s. (r.o. 4.12).

9. Middel III bestrijdt met een motiveringsklacht 's hofs oordeel omtrent de eigen schuld van [eiser] c.s.

10. Het middel is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft - niet bestreden in cassatie - overwogen (a) dat [verweerder] niet meer wist over de stand van zaken bij [A] B.V. dan [eiser] c.s. zelf hadden kunnen zien, (b) dat van investeerders als [eiser] c.s. bij een investeringsbeslissing als de onderhavige degelijk voorbereidend onderzoek mag worden verwacht, (c) dat [eiser] c.s., hoewel zij daartoe de gelegenheid hadden, dit onderzoek hebben nagelaten, en (d) dat aangenomen moet worden dat [verweerder] kenbaar heeft gemaakt dat hij zelf geen onderzoek had verricht. In het licht van deze overwegingen is het oordeel van het hof omtrent de eigen schuld van [eiser] c.s. - wat er ook zij van de twee fasen die volgens het middel moeten worden onderscheiden in de informatieverschaffing door [verweerder] - niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend gemotiveerd.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,