Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL3651

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
09/01115
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL3651
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht. Internationale bevoegdheid. Samenloop verdragen. Verwijzing buitenlandse rechter. EEX-Verordening prevaleert, ingevolge art. 69, aanhef en tweede gedachtestreepje EEX-Vo, bij samenloop met Nederlands-Belgisch Executieverdrag. Beroep verweerder op internationale onbevoegdheid Nederlandse rechter in dit geval (waarin verweerder in Belgische procedure bevoegdheid Nederlandse rechter heeft bepleit en na verwijzing naar Nederlandse rechter zich op onbevoegdheid van Nederlandse rechter heeft beroepen) misbruik van procesrecht (vgl. HR 4 november 1994, NJ 1996, 485). Internationale bevoegdheid op grond van art. 24 EEX-Vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2010/53 met annotatie van M. Freudenthalmr. dr.honorair senior onderzoeker Molengraaff Instituut, UtrechtMirjamFreudenthalM
RvdW 2010, 619
NJ 2010/556 met annotatie van Th.M. de Boer
NJB 2010, 1073
JWB 2010/198
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/01115

Mr L. Strikwerda

Parket, 5 febr. 2010

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze alimentatiezaak, die aanvankelijk bij de Belgische rechter is aangebracht, heeft de Belgische rechter zich onbevoegd verklaard en de zaak op de voet van art. 6 lid 1 van het Nederlands-Belgisch Executieverdrag (Verdrag van 28 maart 1925, Stb. 1929, 405) verwezen naar de rechtbank 's-Gravenhage. In de procedure voor deze rechtbank is een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. In cassatie gaat het om de vraag of dit beroep doel treft.

2. De feiten liggen als volgt (zie de beschikking van het hof onder het hoofdje "Het procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten" in verbinding met de beschikking van de rechtbank onder het hoofdje "Feiten").

(i) Partijen, hierna: de man en de vrouw, zijn van 16 september 1983 tot 9 oktober 2001 met elkaar gehuwd geweest. Beiden hebben de Nederlandse nationaliteit en hebben woonplaats in België.

(ii) Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats], en

- [kind 3], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats].

(iii) Bij beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 2001 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 9 oktober 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(iv) Bij de echtscheidingsbeschikking is ten laste van de man een bijdrage voor de kinderen vastgesteld van f 400,- per maand per kind en een uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw van f 2.050,- per maand.

(v) Bij beschikking van 18 september 2002 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage in hoger beroep de beschikking van de rechtbank aangaande de alimentatie vernietigd en de verzoeken tot vaststelling van een bijdrage voor de vrouw en de kinderen alsnog afgewezen, wegens het ontbreken van draagkracht bij de man.

(vi) De vrouw heeft op 21 januari 2003 bij de Vrederechter van het kanton Zelzate (België) een verzoek ingediend tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen van Euro 1.000,- per maand per kind en een bijdrage voor zichzelf van Euro 3.500,- per maand, met ingang van de eerste van de maand waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De man heeft verweer gevoerd en daarbij aangevoerd dat niet de Vrederechter maar de Nederlandse rechter bevoegd is.

(vii) De Vrederechter heeft op 1 juli 2003 uitspraak gedaan en daarbij de vordering van de vrouw wel ontvankelijk, maar ongegrond verklaard, nu er geen gewijzigde omstandigheden zijn aangetoond.

(viii) De vrouw is van de uitspraak van de Vrederechter in hoger beroep gegaan bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De man heeft wederom de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Hij heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg verzocht zich onbevoegd te verklaren en voor recht te zeggen dat de rechtbank te 's-Gravenhage bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

(ix) De Rechtbank van Eerste Aanleg heeft bij uitspraak van 22 december 2005 zich onbevoegd verklaard en de zaak overeenkomstig art. 6 lid 1 van het Nederlands-Belgisch Executieverdrag verwezen naar de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. De Rechtbank van Eerste Aanleg heeft daartoe overwogen dat de vordering van de vrouw betrekking heeft op een deel van hetzelfde onderwerp als de echtscheidingsprocedure in Nederland en dat, gelet op de oorspronkelijke vordering van de vrouw en het beperkte tijdsverloop tussen het instellen van de onderhavige vordering en de echtscheidingsprocedure, de vordering van de vrouw verknocht is aan de echtscheidingsprocedure gevoerd in 's-Gravenhage.

3. Op 18 januari 2006 zijn de procesdossiers van de procedure bij de Vrederechter te Zelzate en van de procedure bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent bij de rechtbank 's-Gravenhage ingekomen. Op 28 november 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld.

4. Ter terechtzitting heeft de man aangevoerd dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft en dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de zaak ten onrechte heeft verwezen naar de Nederlandse rechter. Volgens de man is de rechtbank op grond van de van toepassing zijnde EEX-Verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001, PbEG L 12) onbevoegd. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak, nu zij eenmaal is verwezen naar de Nederlandse rechter, door de Nederlandse rechter behandeld dient te worden.

5. Bij beschikking van 10 april 2007 heeft de rechtbank zich bevoegd geacht de zaak in behandeling te nemen en op het verzoek van de vrouw, zoals ingediend bij de Belgische rechter, beslist. Ten aanzien van de bevoegdheid overwoog de rechtbank dat de beslissing van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 22 december 2005, waarbij de zaak is verwezen naar de rechtbank 's-Gravenhage, op grond van art. 33 EEX-Verordening erkend dient te worden, zodat de rechtbank gehouden en derhalve ook bevoegd is de zaak in behandeling te nemen.

6. De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Met zijn grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de bevoegdheidskwestie, had de man geen succes: evenals de rechtbank achtte het hof de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek van de vrouw kennis te nemen. Daartoe overwoog het hof:

"5. (...). De man heeft in de procedure in België zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bepleit dat niet de Belgische rechter doch de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek van de vrouw kennis te nemen. (...). Na de verwijzing door de Belgische rechter heeft de man zijn standpunt bij de Nederlandse rechter gewijzigd. Tijdens de mondelinge behandeling door de rechtbank 's-Gravenhage heeft de man, zoals hij ook in hoger beroep doet, zich weer op het standpunt gesteld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft in de onderhavige procedure.

6. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat, wat er ook zij van de formele beletsels om tot een bevoegdheid in deze kwestie te komen, de Nederlandse rechter bevoegd is om van het onderhavige verzoek van de vrouw kennis te nemen. Immers, indien de Nederlandse rechter zich thans onbevoegd zou verklaren, zou het de vrouw - gelet op het feit dat de Belgische rechter zich reeds onbevoegd heeft verklaard - feitelijk onmogelijk worden gemaakt om haar verzoek ter inhoudelijke beoordeling aan een rechter voor te leggen. Dit zou in strijd zijn met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In dit artikel wordt immers het recht op toegang tot de rechter, op een aantal impliciete beperkingen na, die in het onderhavige geval geen rol spelen, gegarandeerd. Het hof is daarbij van oordeel dat de man in de onderhavige procedure, gelet op zijn standpunt in de procedure voor de Belgische rechter, slechts een beroep op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter kan doen indien zich bijzondere omstandigheden voordoen. De man heeft dergelijke bijzondere omstandigheden niet aangevoerd en deze zijn het hof ook niet gebleken. Het hof is slechts gebleken van de wijziging die de man in zijn standpunt ten aanzien van de bevoegdheidskwestie heeft aangebracht na de verwijzing door de Belgische rechter.

7. Hetgeen partijen voorts ten aanzien van de bevoegdheid naar voren hebben gebracht behoeft geen verdere bespreking meer, nu dit niet tot een ander oordeel zal leiden. (...)."

7. De man is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vijf onderdelen opgebouwd middel. De vrouw heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij het middel bestreden en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen, met veroordeling van de man in de kosten van de cassatieprocedure, ook indien de Hoge Raad de cassatieklachten gegrond bevindt en de bestreden uitspraak vernietigt.

8. Het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat, wat er ook zij van de formele beletsels om tot een bevoegdheid in deze kwestie te komen, de Nederlandse rechter bevoegd is om van het onderhavige verzoek van de vrouw kennis te nemen.

9. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende vooropgesteld te worden.

10. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het alimentatieverzoek van de vrouw kennis te nemen valt binnen het materiële toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling van het Nederlands-Belgisch Executieverdrag, nu het alimentatieverzoek van de vrouw aangemerkt dient te worden als een "burgerlijke zaak" in de zin van art. 1 van het verdrag. Vgl. J.H.P. Bellefroid, Toelichting van het Nederlandsch-Belgisch Verdrag van 28 maart 1925, 1931, blz. 22, nr. 14. De vraag valt ook binnen het door art. 9 afgebakende formele toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling van het verdrag, nu de man en de vrouw beiden de Nederlandse nationaliteit hebben en de vrouw de zaak aanvankelijk bij de Belgische rechter heeft aangebracht. Vgl. Bellefroid, a.w., blz. 19/20, nr. 10. Zie ook B.J.R.P. Verhoeven, Het Nederlands-Belgisch exekutieverdrag (28-3-1925), T.M.C. Asser Instituut, Studentenscripties internationaal privaatrecht 4, 1974, blz. 41 e.v., blz. 49-51; J.P. Verheul en M.W.C. Feteris, Rechtsmacht in het Nederlandse internationaal privaatrecht, Deel 2, Overige verdragen en het commune i.p.r., 1986, blz. 14.

11. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het alimentatieverzoek van de vrouw kennis te nemen valt tevens binnen het materiële en formele toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening. Materieel is de verordening van toepassing, aangezien onderhoudsverplichtingen blijkens art. 5, aanhef en onder 2, niet buiten het door art. 1 afgebakende materiële toepassingsgebied van de verordening vallen. Formeel is de verordening van toepassing omdat de man als verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat (art. 2 t/m 4). Zie over het toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening P. Vlas, EEX-Verordening, in: Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen & Verordeningen, art. 1, aant. 6, en art. 2, aant. 2; L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 9e dr. 2008, nrs. 232 en 233.

12. Het Nederlands-Belgisch Executieverdrag en de EEX-Verordening lopen dus samen ten aanzien van de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van het alimentatieverzoek van de vrouw kennis te nemen. Ingevolge de samenloopregel van art. 69, aanhef en tweede gedachtestreepje, EEX-Verordening gaat de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening voor. Zie over deze samenloopregel Vlas, a.w., art. 69, aant. 1. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van het alimentatieverzoek van de vrouw kennis te nemen, is derhalve uitsluitend onderworpen aan de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening. De vraag of de Nederlandse rechter onder het Nederlands-Belgisch Executieverdrag gebonden is aan de verwijzing door de Belgische rechter en de vraag of de gedaagde, die bij de eerste rechter een verzoek ex art. 6 tot verwijzing heeft gedaan, zich bij de tweede rechter kan bedienen van de exceptie van onbevoegdheid (zie over deze vragen Bellefroid, a.w., blz. 47/48, nr. 41), kunnen daarom in het midden blijven.

13. Aan de in art. 2 neergelegde hoofdregel van de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening kan de Nederlandse rechter geen bevoegdheid ontlenen, nu de man als verweerder geen woonplaats in Nederland heeft. Evenmin kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden gegrond op de alternatieve bevoegdheidsregel voor alimentatiezaken van art. 5, aanhef en onder 2, EEX-verordening. De vrouw heeft als onderhoudgerechtigde haar woonplaats of gewone verblijfplaats immers niet in Nederland, terwijl het door haar ingediende alimentatieverzoek niet kan worden aangemerkt als "een bijkomende eis die verbonden (is) met een vordering betreffende de staat van personen" in de zin van art. 5, aanhef en onder 2. Zie over dit begrip Vlas, a.w., art. 5, aant. 16.

14. Bij deze stand van zaken is de enige grond waarop de Nederlandse rechter zich tot kennisneming van het alimentatieverzoek van de vrouw bevoegd zou kunnen oordelen, de bevoegdheidsgrond genoemd in art. 24 EEX-Verordening: buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordeningen, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. De verschijning van de verweerder leidt echter niet tot bevoegdheid indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid van het gerecht te betwisten. Van betwisting van de bevoegdheid is ook sprake wanneer de betwisting gevolgd wordt door verweer ten principale. Zie ten aanzien van het met art. 24 EEX-Verordening overeenstemmende art. 18 EEX-Verdrag HvJEG 24 juni 1981, zk 150/80 (Elefanten Shuh/Jacqmain), Jur. 1981, p. 1671, NJ 1981, 546 nt. JCS. Zie nader Vlas, a.w., art. 24, aant. 1; P.H.L.M. Kuypers, Forumkeuze in het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2008, blz. 219-224.

15. Terugkerend naar het middel, verdient opmerking dat het bestreden oordeel van het hof op twee zelfstandig dragende gronden berust. De ene grond is dat, indien de Nederlandse rechter zich thans onbevoegd zou verklaren, het de vrouw - gelet op het feit dat de Belgische rechter zich reeds onbevoegd heeft verklaard - feitelijk onmogelijk zou worden gemaakt om haar verzoek ter inhoudelijke beoordeling aan een rechter voor te leggen, hetgeen in strijd zou zijn met het door art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter. De andere grond is dat de man in de onderhavige procedure, gelet op zijn standpunt in de procedure voor de Belgische rechter, geen beroep kan doen op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. Wil het middel tot cassatie kunnen leiden dan zullen zowel de klachten tegen de ene grond (de middelonderdelen 1, 2 en 3), als de klachten tegen de andere grond (middelonderdeel 4) doel moeten treffen.

16. Ik bespreek eerst onderdeel 4 van het middel.

17. Het onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de man in de onderhavige procedure, gelet op zijn standpunt in de procedure voor de Belgische rechter, slechts een beroep op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter kan doen indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, welke bijzondere omstandigheden volgens het hof zijn gesteld noch gebleken. Volgens het onderdeel is onduidelijk waarop de door het hof gehanteerde maatstaf is gestoeld en kan deze maatstaf in ieder geval geen steun vinden in de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening, zodat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

18. De klacht dat onduidelijk is waarop de door het hof gehanteerde maatstaf is gestoeld, faalt. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat, wat er ook zij van formele beletsels om (onder de EEX-Verordening) tot een bevoegdheid in deze zaak te komen, het in de onderhavige procedure door de man gedane beroep op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter in ieder geval niet kan worden aanvaard, ten eerste omdat de man in de Belgische procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft bepleit dat niet de Belgische doch de Nederlandse rechter bevoegd is, ten tweede omdat de man dit standpunt (pas) na de verwijzing door de Belgische rechter in de Nederlandse procedure heeft gewijzigd, en ten slotte omdat geen bijzondere omstandigheden door de man zijn gesteld of aan het hof zijn gebleken, die deze draai in het standpunt van de man kunnen verklaren en rechtvaardigen. Ik maak hieruit op dat naar het oordeel van het hof de man in de onderhavige procedure, gelet op de genoemde omstandigheden, misbruik maakt van zijn bevoegdheid om zich op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter te beroepen en dat daarom aan dit beroep voorbij dient te worden gegaan.

19. Dit oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Naar Nederlands (proces)recht kan van de processuele bevoegdheid om de onbevoegdheid van een rechter in te roepen, misbruik worden gemaakt. Daarvan kan onder meer sprake zijn wanneer de uitoefening van de bevoegdheid geen ander doel heeft dan een ander te schaden of wanneer de uitoefening van de bevoegdheid wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen niet kan worden toegelaten. Vgl. HR 4 november 1994, NJ 1996, 485 nt. WMK. Zie voorts Kluwers Vermogensrecht, losbl., Art. 3:13 BW, Misbruik van bevoegdheid, aant. 17: Misbruik van processuele bevoegdheden (J.D.A. den Tonkelaar); B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen, 2004, blz. 154-156; V.C.A. Lindijer, De goede procesorde, 2006, blz. 555 e.v.

20. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend gemotiveerd. Op grond van de door het hof genoemde omstandigheden, en in aanmerking genomen dat bij een geslaagd beroep op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter de vrouw het slachtoffer dreigt te worden van een negatief internationaal jurisdictieconflict, heeft het hof kunnen oordelen dat de bevoegdheid kennelijk door de man wordt uitgeoefend met geen ander doel dan de vrouw de pas af te snijden in haar gang naar de rechter, althans dat het belang van de man bij de uitoefening van de bevoegdheid in het niet valt bij het belang van de vrouw dat erdoor wordt geschaad.

21. Daarbij teken ik aan dat het onderdeel zich niet beklaagt over het feit dat het hof de vraag of het door de man gedane beroep op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden aanvaard, kennelijk heeft beantwoord met toepassing van Nederlands (proces)recht.

22. Voor zover het onderdeel aldus moet worden gelezen dat het (tevens) de klacht bevat dat, wat er ook zij van het oordeel van het hof omtrent de toelaatbaarheid van het beroep van de man op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter, de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening in ieder geval geen grondslag bieden voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter, kan het evenmin doel treffen.

23. Ervan uitgaande dat het hof aan het beroep van de man op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter voorbij heeft mogen gaan, berust de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op art. 24 EEX-Verordening: nu de man voor de Nederlandse rechter is verschenen en op zijn betwisting van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter geen acht kan worden geslagen, brengt zijn verschijning in de Nederlandse procedure mee dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek van de vrouw kennis te nemen. Waar het geval dat de rechter van een andere lidstaat krachtens art. 22 EEX-Verordening bij uitsluiting bevoegd is, zich in het onderhavige geval niet voordoet, kan de Nederlandse rechter derhalve als "het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt" aan de bevoegdheidsregel van art. 24 EEX-Verordening zijn bevoegdheid ontlenen.

24. De slotsom is dat onderdeel 4 van het middel tevergeefs is voorgesteld.

25. Dit heeft tot gevolg dat op de hierboven onder 15 genoemde grond de onderdelen 1, 2 en 3 van het middel wegens gebrek aan belang evenmin doel kunnen treffen.

26. Onderdeel 5 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 7 - dat hetgeen partijen voorts ten aanzien van de bevoegdheid naar voren hebben gebracht, geen verdere bespreking meer behoeft, nu dit niet tot een ander oordeel zal leiden. Het onderdeel acht dit oordeel onbegrijpelijk, nu onduidelijk is op welke stellingen het hof doelt en waarom deze stellingen niet tot een ander oordeel zullen leiden.

27. Het onderdeel geeft niet aan welke stelling(en) van de man het hof tot een andersluidend oordeel omtrent de bevoegdheidskwestie had(den) moeten brengen, zodat niet duidelijk is in welk opzicht de man door het bestreden oordeel van het hof is benadeeld. Het onderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,