Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL3194

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
09/01735
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL3194
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Indiening schriftuur houdende grieven a.b.i. art. 410.1 Sv. Het Hof heeft verdachte n-o verklaard in het beroep nu de ingediende schriftuur niet vermeld dat de raadsman die namens verdachte h.b. instelde bepaaldelijk gevolmachtigd was. Het betreft een formulier “Hoger beroep” hetgeen klaarblijkelijk door de griffie van de Rb ter invulling en ondertekening wordt voorgelegd aan degene die h.b. wenst in te stellen. Dit formulier bevat niet de verklaring a.b.i. art. 450.1.a Sv. Aangezien het formulier wordt gebezigd en ter ondertekening wordt aangeboden door een justitiële autoriteit mag de ondertekenaar - ook wanneer deze advocaat is - erop vertrouwen dat het geen later fataal blijkende fouten of leemten bevat en dat door de ondertekening en inlevering ook het in art. 410.4.Sv beoogde doel wordt bereikt (vgl. HR NJ 1988, 849).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 487
NJ 2010, 203
NJB 2010, 869
NBSTRAF 2010/175
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01735

Mr. Vegter

Zitting: 2 februari 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep dat namens haar was ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter te 's-Gravenhage waarbij zij wegens "diefstal" is veroordeeld tot één week gevangenisstraf.

2. Namens de verdachte heeft mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Beide middelen richten zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte door het Hof, en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. De gang van zaken is als volgt: Verdachte is in persoon gedagvaard voor de zitting van de Politierechter van 11 juni 2008. Verdachte noch haar raadsman zijn daar verschenen. De Politierechter veroordeelt verdachte bij vonnis van 11 juni 2008 wegens "diefstal" tot één week gevangenisstraf.

Onder de stukken bevindt zich een "akte instellen rechtsmiddel" inhoudende dat mr. Mantz op 17 juni 2008, na de verklaring dat hij daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd was, namens verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter. Bij deze akte bevindt zich een standaardformulier "Hoger beroep", inhoudende onder meer "Dit betreft een standaardformulier waarop u grieven tegen het vonnis en/of redenen voor het instellen van hoger beroep kunt weergeven (art. 410 lid 1 en lid 4 Wetboek van Strafvordering)". De (voorgedrukte) redenen zijn op 17 juni 2008 door mr. Mantz ingevuld en het formulier is door hem ondertekend. Tevens bevindt zich onder de stukken (gehecht aan de akte instellen cassatie een kopie van een fax, die door mr. Mantz op 17 juni 2008 aan de strafgriffie van het Hof is gefaxt, en welke onder meer inhoudt: "Hierbij stel ik mij als raadsman ook in hoger beroep in bovenstaande zaak waarin ik heden op uitdrukkelijk verzoek van verdachte [verdachte] hoger beroep heb ingesteld.

5. Ter zitting van het Hof van 1 mei 2009 is verdachte niet verschenen. Haar raadsman, mr. Mantz is wel verschenen. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt voorts het volgende in:

"Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, die desgevraagd mededeelt dat de verdachte ervan op de hoogte is dat haar zaak heden ter terechtzitting dient, dat de appèlschriftuur door hem is ingevuld, ondertekend en ingediend en dat hij niet uitdrukkelijk is gemachtigd de verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Het gerechtshof verleent daarop verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

De advocaat-generaal vordert vervolgens, nu door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven op de wettelijk voorgeschreven wijze is ingediend, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk wordt verklaard in het namens haar ingestelde hoger beroep.

Nadat het hof zich kort onderling heeft beraden, sluit de voorzitter het onderzoek en doet het hof terstond uitspraak.

6. De uitspraak van het Hof houdt ten aanzien van de ontvankelijkheid in hoger beroep het volgende in:

"Namens de verdachte is op 17 juni 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 1 juni 2008. Tegen dat vonnis kan de verdachte, ingevolge artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, binnen 14 dagen na instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen. Bij het hof is een op 17 juni 2008 gedateerde schriftuur ingekomen, waarop geen acht kan worden geslagen nu deze is ingediend door een raadsman die niet verklaart bepaaldelijk daartoe te zijn gevolmachtigd, terwijl ook niet van een schriftelijke bijzondere volmacht blijkt. Derhalve is het voorschrift van artikel 450, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, te dezen van overeenkomstige toepassing krachtens artikel 452, eerst lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen.

Nu door of namens de verdachte niet op de wettelijk voorgeschreven wijze een schriftuur houdende grieven is ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven en het hof geen gronden ziet om ambtshalve over te gaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak, zal het hof ingevolge artikel 416,tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep."

7. In de middelen wordt geklaagd dat het Hof er blijkbaar van uitgaat dat, nu de raadsman ter zitting verklaarde niet bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn om het woord te voeren, de raadsman daarmee impliciet verklaarde dat hij evenmin bepaaldelijk gevolmachtigd was toen hij op 17 juni 2008 de grieven invulde, ondertekende en indiende.

8. Inderdaad heeft de raadsman ter zitting van het Hof, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, ten aanzien van een volmacht enkel gesteld dat hij niet bepaaldelijk gevolmachtigd was om verdachte ter terechtzitting te verdedigen. Over een volmacht ten aanzien van het invullen, ondertekenen en indienen van het grievenformulier heeft hij niets opgemerkt. Uit zijn opmerking dat "de appelschriftuur door hem is ingevuld, ondertekend en ingediend" zou in mijn optiek ook eerder volgen dat de raadsman er van uit ging dat hij daartoe ook gevolmachtigd was.

9. Ik lees de overweging van het Hof overigens niet in die zin dat het Hof er van uit ging dat de raadsman, met zijn verklaring dat hij niet uitdrukkelijk gemachtigd was ter zitting verdachte te verdedigen, impliciet verklaarde dat hij evenmin bepaaldelijk gevolmachtigd was toen hij op 17 juni 2008 de grieven invulde, ondertekende en indiende. Uit 's Hofs overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid in hoger beroep volgt dat het Hof ten aanzien van het grievenformulier afgaat op de omstandigheid dat dit formulier geen aparte verklaring bevat dat de raadsman bepaaldelijk gevolmachtigd was tot het indienen van dit formulier. Daarom kan geen acht op deze schriftuur worden geslagen.

10. Was de raadsman echter gehouden om ook op het grievenformulier uitdrukkelijk te vermelden dat hij tot het indienen daarvan bepaaldelijk gevolmachtigd was? De tekst van artikel 452, tweede lid, Sv stelt de verklaring van de advocaat dat hij bepaaldelijk is gevolmachtigd inderdaad als eis, maar enige deformalisering ligt in de rede. Strekt de volmacht tot het instellen van hoger beroep zich niet vanzelf uit over alle handelingen die nodig zijn om dat hoger beroep in te stellen, en dus ook over het invullen en indienen van een verplicht grievenformulier (dat immers niet voor niets kennelijk standaard overhandigd wordt)? Uit het feit dat een verdachte een raadsman machtigt hoger beroep in te stellen moet het er toch voor gehouden worden dat die verdachte bedoeld heeft dat dit op rechtsgeldige wijze zou geschieden.(1)

11. Ik houd het er dan ook op dat het niet anders kan dan dat de raadsman, nu verdachte hem uitdrukkelijk had gemachtigd om hoger beroep in te stellen, de raadsman daarmee tevens had gemachtigd om het verplichte grievenformulier in te vullen en in te dienen. Daaraan doet volgens mij niet af dat de verdachte ook nog mondeling haar grieven ter zitting van het Hof kenbaar had kunnen maken. Hoewel daaruit volgt dat het niet inleveren van het grievenformulier in zoverre op het moment van instellen van hoger beroep nog hersteld kon worden en dat de grieven ook later nog mondeling ter zitting konden worden medegedeeld, blijft het zo dat zonder grieven het Hof de verdachte niet-ontvankelijk kan verklaren, dus dat het indienen van grieven in hoge mate een conditio sine qua non vormt om in hoger beroep ontvangen te worden.

12. Indien niet aangenomen kan worden dat ervan moet worden uitgegaan dat de schriftuur is ingediend door een advocaat die daartoe bepaalde is gevolmachtigd, dan komt het mij voor dat het Hof gehouden was om de raadsman in de gelegenheid te stellen zijn verzuim te herstellen, door hem ter zitting te vragen of hij uitdrukkelijk gevolmachtigd was om het grievenformulier in te vullen en in te dienen. Net zoals de Hoge Raad een advocaat, die heeft verzuimd te vermelden dat hij bepaaldelijk gevolmachtigd is om een schriftuur in te dienen, de gelegenheid geeft dit verzuim te herstellen.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting noch uit de uitspraak blijkt dat het Hof de raadsman er op heeft gewezen dat hij op het grievenformulier had moeten vermelden dat hij bepaaldelijk gevolmachtigd was om dit in te vullen en in te dienen, en hem in de gelegenheid heeft gesteld dit verzuim te herstellen.

13. Ik meen dan ook dat de beslissing van het Hof dat verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep niet toereikend is gemotiveerd.

14. Voor zover de middelen daarover klagen zijn zij terecht voorgesteld.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot verwijzing dan wel terugwijzing van de zaak, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. de conclusie voor HR 18 oktober 1994, NJ 1995, 118, m.nt ThWvV.