Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL2221

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
10/00123
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL2221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Voorlopige machtiging die aansluit op voortgezette inbewaringstelling (art. 31 Wet Bopz); gevolgen gebruik verkeerd modelformulier voor geneeskundige verklaring; wijze van ondertekening geneeskundige verklaring. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 465
JWB 2010/122
BJ 2010/26 met annotatie van W. Dijkers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/00123

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 27 januari 2010

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Haarlem

1. Deze Bopz-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Op 19 november 2009 heeft de officier van justitie in het arrondissement Haarlem een voorlopige machtiging verzocht om het verblijf van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren. Betrokkene verbleef daar ingevolge een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Nadat de rechtbank betrokkene, bijgestaan door haar raadsvrouwe, alsmede de behandelend (klinisch) psychiater op 30 november 2009 had gehoord, heeft zij bij beschikking van diezelfde datum de verzochte voorlopige machtiging verleend.

2. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De klachten komen grotendeels overeen met de onderdelen 1 en 2 van het cassatiemiddel dat in de zaak nr. 09/04961 is voorgedragen(1).

3. Bij het inleidend verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd met het opschrift 'Geneeskundige verklaring met het oog op het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen'. Onderdeel 1 behelst de klacht dat dit niet de juiste geneeskundige verklaring is: de officier van justitie had een geneeskundige verklaring moeten overleggen die ziet op een voorlopige machtiging. Volgens vaste rechtspraak behoeft het gebruik van een ander dan het voorgeschreven model voor de geneeskundige verklaring niet aan verlening van de machtiging in de weg te staan, mits de rechter vaststelt dat de overgelegde verklaring de gegevens bevat die de rechter voor het verlenen van de verzochte machtiging nodig heeft. Onderdeel 1 klaagt nader dat uit de thans bestreden beschikking niet, althans onvoldoende, blijkt dat aan dit vereiste is voldaan.

4. Art. 31 Wet Bopz betreft het verzoek om een machtiging die aansluit op een voortgezette inbewaringstelling. Het verklaart een aantal artikelen van de Wet Bopz van overeenkomstige toepassing, maar niet art. 5 en het vijfde lid van art. 6. Dit betekent niet, dat bij het verzoek om een aansluitende machtiging geen geneeskundige verklaring behoeft te worden overgelegd. Ingevolge HR 1 juli 1994, NJ 1994, 719, 722 en 723, m.nt. JdB moet de officier van justitie bij een zodanig verzoek een verklaring overleggen van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin de betrokkene verblijft. Hoewel die beslissing mede steunde op het argument dat in art. 31 artikel 16 Wet Bopz van overeenkomstige toepassing is verklaard, wil dat niet zeggen dat het formulier voor een geneeskundige verklaring voor een machtiging tot voortgezet verblijf moet worden gebruikt. Het door de minister van VWS vastgestelde model voor de geneeskundige verklaring bij een verzoek om een voorlopige machtiging houdt rekening beide mogelijkheden: zowel dat de verklaring wordt afgegeven door een niet bij de behandeling betrokken psychiater als dat de verklaring wordt afgegeven door de geneesheer-directeur; zie model B volgens Bijlage 1 bij het besluit van de minister van VWS van 28 oktober 2003, Stcrt, 2003, nr. 217.

5. Ook als in dit geval wordt aangenomen dat het verkeerde modelformulier is gebruikt, dan laat dit onverlet dat de geneeskundige verklaring door de juiste autoriteit is afgegeven: de geneesheer-directeur heeft de verklaring ondertekend. De rechtbank heeft hierop haar oordeel gebaseerd. De rechtbank heeft kunnen concluderen dat de overgelegde verklaring de gegevens bevat die zij voor verlening van de verzochte machtiging nodig heeft. Nadere motivering behoefde dit oordeel niet, mede in aanmerking genomen dat dit punt in de procedure bij de rechtbank niet is aangeroerd. De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.

6. Onderdeel 2 betreft de ondertekening van de geneeskundige verklaring. De overgelegde verklaring omvat twee (laatste) bladzijden met nummer 5: een op 17 november 2009 gedagtekend blad met uitsluitend de handtekening van de (niet bij de behandeling betrokken) psychiater [betrokkene 1] en een op 19 november 2009 gedagtekend blad met uitsluitend de handtekening van de geneesheer-directeur. Waar op het blad met dagtekening 17 november 2009 de handtekening van [betrokkene 1] is geplaatst, is op het blad met dagtekening 19 november 2009 de naam '[betrokkene 1]' genoteerd. Op dit laatste blad ontbreekt de handgeschreven opmerking die in de rechter bovenhoek van het andere blad is geplaatst. Volgens het middelonderdeel is door deze twee bladzijden en de genoemde verschillen onvoldoende duidelijk of de geneesheer-directeur blijk heeft gegeven van zijn instemming met - en van zijn verantwoordelijkheid voor - de bevindingen van de rapporterende psychiater.

7. Terecht stelt het middel niet ter discussie dat een aanvulling van een gebrekkige geneeskundige verklaring mogelijk is (HR 18 november 1994, NJ 1995, 262). Uit de verschillen in dagtekening blijkt dat de geneesheer-directeur de laatste bladzijde van de geneeskundige verklaring twee dagen na psychiater [betrokkene 1] heeft ondertekend. Kennelijk was toen de versie met de handtekening van [betrokkene 1] niet voorhanden en heeft de geneesheer-directeur zijn handtekening daarom op een nieuwe afdruk van de laatste bladzijde geplaatst. De bladzijden bevatten allebei de volgende tekst: 'Ondergetekende verklaart van oordeel te zijn dat voornoemde persoon lijdt aan een stoornis van de geestvermogens en daaraan lijdende zal zijn na beƫindiging van de geldigheidsduur van de lopende machtiging en als gevolg daarvan ook dan gevaar zal doen veroorzaken dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.' De plaatsing van de handtekeningen op twee afzonderlijke bladen en de door het middel aangeduide verschillen tussen deze bladen, behoefden de rechtbank geen grond te geven om in twijfel te trekken dat de geneesheer-directeur met de gehele inhoud van de geneeskundige verklaring instemt. Nadere motivering behoefde dit oordeel niet, mede in aanmerking genomen dat in de procedure bij de rechtbank op dit punt geen verweer is gevoerd. Onderdeel 2 faalt. M.i. kan art. 81 RO worden toegepast.

8. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 In die zaak heb ik op 8 januari jl. geadviseerd tot ongegrondverklaring van die klachten.