Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL1125

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
09/03617
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL1125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Appelrechter niet gehouden (ambtshalve) te toetsen of de rechter in eerste aanleg op grond van art. 2 lid l F. bevoegd was; verrekening van loonvordering met tegenvordering is beperkt tot het loon dat niet onder de beslagvrije voet valt. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 439
TRA 2010, 59 met annotatie van J.J.M. de Laat
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/03617

Mr L. Strikwerda

Zt. 22 jan. 2010

conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] een vonnis van de rechtbank Arnhem van 4 augustus 2009 bekrachtigd. Dit vonnis betreft de afwijzing door de rechtbank van het door [verzoeker] ingestelde verzet tegen het vonnis van de rechtbank van 7 juli 2009, waarbij [verzoeker] op verzoek van thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], in staat van faillissement is verklaard.

2. [Verweerder] heeft verweer gevoerd tegen het door [verzoeker] ingestelde cassatieberoep en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

3. Het cassatieberoep berust op twee middelen. De middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

4. Middel I berust op de stelling dat voor het hof kenbaar was dat [verzoeker] woonachtig is te [woonplaats] en "derhalve onder de rechtbank 's-Hertogenbosch valt". Daarom zou rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk zijn dat het hof niet (ambtshalve) de beslissing van de rechtbank Arnhem inzake haar bevoegdheid, heeft gecorrigeerd.

5. Het middel faalt. Ingevolge de hoofdregel van art. 2 lid 1 Fw wordt de (relatieve) bevoegdheid van de rechtbank bepaald door de woonplaats van de schuldenaar. Beslissend is de woonplaats van de schuldenaar ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift. Vgl. B. Wessels, Insolventierecht, Deel I, Faillietverklaring, 2e dr. 2009, par. 1367, met rechtspraakgegevens. Het hof heeft kennelijk en geenszins onbegrijpelijk geoordeeld dat de enkele door [verzoeker] in hoger beroep betrokken stelling dat hij "woonachtig is te [woonplaats]", welke stelling blijkens de gedingstukken niet vergezeld ging van de stelling dat dit ook reeds het geval was ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift, geen betwisting gelezen van de vaststelling door de rechtbank - in de aanhef van het vonnis van 4 augustus 2009 - dat [verzoeker] voorheen te [plaats] en thans te [woonplaats] woont. Bij deze stand van zaken is het hof kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat de rechtbank op de voet van art. 2 lid 1 Fw bevoegd was en was het hof niet gehouden (ambtshalve) de beslissing van de rechtbank inzake haar bevoegdheid te corrigeren.

6. Middel II bestrijdt als onjuist, althans onbegrijpelijk, het oordeel van het hof - in r.o. 3.4 - dat [verzoeker] zijn pretense vordering op [verweerder] op grond van de bepalingen in art. 7:632 BW niet, althans niet volledig, mag verrekenen met de loonvordering van [verweerder] op [verzoeker]. Volgens het middel heeft het hof miskend dat art. 7:632 sub e BW volledige verrekening toelaat met betrekking tot de huurprijs van (onder meer) werktuigen, machines en gereedschappen, door de werknemer in eigen bedrijf gebruikt, en die bij schriftelijke overeenkomst door de werkgever aan de werknemer zijn verhuurd.

7. Ook dit middel kan geen doel treffen. Het miskent dat verrekening van de loonvordering van [verweerder] met de door [verzoeker] gepretenteerde tegenvordering, al aangenomen dat deze tegenvordering is aan te merken als een vordering die voldoet aan de in art. 7:632 onder e BW gestelde eisen, is beperkt tot het loon dat niet onder de beslagvrije voet valt. Zie art. 6:135, aanhef en onder a, BW en art. 7:632 lid 2 BW jo. art. 475a, aanhef en onder a, Rv. Vgl. Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, bew. door W.H.A.C.M. Bouwens en R.A.A. Duk, 22e dr. 2008, blz. 143. Het vorderingsrecht van [verweerder] kan, ook indien wordt aangenomen dat de tegenvordering van [verzoeker] op [verweerder] aangemerkt kan worden als een vordering als bedoeld in art. 7:632 onder e BW, derhalve slechts gedeeltelijk tenietgaan door verrekening. Het middel loopt daarom reeds vast op gebrek aan belang.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,