Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL0664

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
08/04036
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL0664
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 497
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/04036

Mr Jörg

Zitting 19 januari 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 12 september 2008 verzoeker wegens vernieling en poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 920,11 en aan verzoeker voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf van twee weken.

2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de opgelegde straf onbegrijpelijk is omdat de strafmotivering de opgelegde straf niet kan dragen. De kern van het bezwaar is dat het hof het doet voorkomen verzoeker tegemoet te komen door een deel van de staf voorwaardelijk op te leggen, terwijl in wezen sprake is van een strafverzwaring doordat de acht maanden voorwaardelijke gevangenisstraf nu gedurende een proeftijd van twee jaar boven verzoekers hoofd hangt, in plaats van gedurende één jaar.

4. Het middel (waarvan het grootste gedeelte wel een niet als zodanig aangegeven toelichting daarop zal zijn) heeft een punt. Krachtens de Wet van 6 december 2007, Stb. 500, die met ingang van 1 juli 2008 in werking is getreden is de nieuwe regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling op deze zaak van toepassing.(1) Een van de belangrijke wijzigingen ten opzichte van de oude regeling is de uitsluiting van v.i. bij deels voorwaardelijke vrijheidsstraffen (art. 15, derde lid, Sr).

5. Dit brengt mee dat verzoeker de volle zestien maanden van de opgelegde straf van 24 maanden, waarvan acht voorwaardelijk, zal moeten uitzitten. Onder de oude regeling behoefde verzoeker slechts tien en een halve maand uit te zitten (de voorarrestaftrek even buiten beschouwing gelaten). Zou verzoeker een geheel onvoorwaardelijke straf van 24 maanden opgelegd hebben gekregen, was hij na éénderde daarvan (bij goed gedrag) vrijgekomen, dus ook na zestien maanden. De proeftijd bedraagt dan volgens art. 15c Sr één jaar. Het hof heeft bij de voorwaardelijke veroordeling - die `netto' op hetzelfde neerkomt - de proeftijd op twee jaar bepaald. Noch uit het proces-verbaal van de appèlzitting noch uit de pleitnota blijkt dat aandacht is besteed aan de consequenties van de nieuwe v.i.-regeling.

6. Het hof heeft ten aanzien van het litigieuze strafmotiveringspunt het volgende overwogen:

"(...) Gelet op het vorenstaande (de ernst van de poging tot doodslag; de vernieling; de recidive t.z.v. geweldsdelicten, NJ) is het hof van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur recht doet aan de ernst van het - met name onder 1 - bewezenverklaarde en dat niet kan worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde en door de rechtbank opgelegde straf.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt het hof echter (curs. van NJ) tevens rekening met de volgende omstandigheden.

[Slachtoffer] is op 25 november 2007 naar de woning van verdachte gegaan om verhaal te halen na een woordenwisselingen eerder op die dag. Het was derhalve [slachtoffer] die de confrontatie met verdachte zocht. [Slachtoffer] had daarnaast die avond diverse malen telefonisch gedreigd verdachte te zullen doodschieten.

Daarnaast houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting door verdachte en zijn raadsvrouw zijn geschetst.

Het hof ziet in deze omstandigheden aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het beoogt hiermee mede te bereiken dat verdachte zich in de toekomst zal weerhouden van het plegen van strafbare feiten.

Het hof is van oordeel dat er gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd."

7. Uit de bewoordingen van het arrest ten aanzien van de straftoemeting valt op te maken dat het hof verzoeker tegemoet heeft willen komen. Onder de oude v.i.-regeling had dat ook zo uitgepakt. De nieuwe wettelijke regeling brengt echter met zich mee dat verzoeker in het geheel niet wordt tegemoet gekomen. In hoeverre de verdubbeling van de proeftijd nu een verzwaring van de staf betekent kan buiten beschouwing worden gelaten. De bedoeling van het hof, zoals deze blijkt uit zijn strafmotivering, staat haaks op het effect van de onder de nieuwe regeling opgelegde straf, wanneer deze wordt tenuitvoergelegd. Die straf is in het licht van de strafmotivering onbegrijpelijk.

8. Het middel slaagt.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het aangevallen arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde op het punt van de straftoemeting opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Over het toepasselijke overgangsrecht heb ik op 22 december 2009 geconcludeerd in de zaak-[...] (nr. 07-13184).