Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BL0006

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-02-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
09/01632
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL0006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Verwerping in cassatie van beroep op schorsing van de onteigeningsprocedure; niet-toepasselijkheid art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv.

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet 2
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 98
RvdW 2010, 299
NJB 2010, 390
Module Grondzaken 2010/48
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/01632

Mr L. Strikwerda

Zt. 15 jan. 2010

conclusie inzake

1. [Eiser 1]

2. [Eiseres 2]

3. [Eiser 3]

tegen

Gemeente Heerlen

Edelhoogachtbaar College,

1. Thans eisers tot cassatie, hierna: [eiser] c.s., zijn (tijdig) in cassatie gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Maastricht van 25 maart 2009, waarbij op vordering van thans verweerster in cassatie, hierna: de Gemeente, onder meer - kort gezegd - de vervroegde onteigening van enige, in het vonnis nader omschreven perceelsgedeelten is uitgesproken en voorschotten op de schadeloosstellingen zijn bepaald.

2. Nadat de Gemeente van antwoord had gediend en de datum voor schriftelijke toelichting was bepaald, hebben [eiser] c.s. bij "akte uitlaten" zich erop beroepen dat zich de in art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv voorziene reden voor schorsing van het geding voordoet, aangezien de in het bestreden vonnis bedoelde perceelsgedeelten zijn verkocht en geleverd aan Latrusco N.V., gevestigd te Curaçao, hierna: Latrusco, welke vennootschap deze reden van schorsing aan de Gemeente heeft betekend. [Eiser] c.s. stellen zich op het standpunt dat ten gevolge van deze betekening het onderhavige geding ingevolge art. 225 lid 2 jo. art. 418a Rv van rechtswege is geschorst.

3. De gemeente heeft bij antwoordakte het standpunt van [eiser] c.s. bestreden en geconcludeerd dat voor een schorsing als door [eiser] c.s. (Latrusco) verzocht in een onteigeningsprocedure (in elk geval onder de gegeven omstandigheden) geen plaats is, althans dat de schorsingstermijn tot het minimum moet worden beperkt met handhaving van de reeds bepaalde datum voor schriftelijke toelichting.

4. Partijen hebben vervolgens stukken gefourneerd voor arrest in het incident.

5. Ingevolge art. 2 van de Onteigeningswet (Ow) zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zoveel daarvan bij de Ow niet is afgeweken. De afwijking kan blijken uit een uitdrukkelijke voorziening in de Ow, maar ook voortvloeien uit het stelsel der wet of uit de aard van het onteigeningsgeding. Vgl. HR 13 november 1946, NJ 1947, 29; HR 24 december 1969, NJ 1971, 75 nt. W.Bl.; HR 2 januari 1974, NJ 1974, 128 nt. MB. Zie voorts W. Wijting, Een studie tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, 1984, blz. 103-105; J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening, 3e dr. 2003, blz. 41.

6. Ten aanzien van de door [eiser] c.s. ingeroepen bepaling van art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv komt in de Ow geen afwijkende voorziening voor. Niettemin moet naar mijn oordeel worden aangenomen dat uit het stelsel der wet en ook uit de aard van het onteigeningsgeding voortvloeit dat die bepaling niet toepasselijk is in het onteigeningsgeding. Ik licht dit als volgt toe.

7. In het algemeen strookt het toelaten van incidenten niet met het geheel eigen, op spoed en eenvoud gerichte karakter van het onteigeningsgeding. Vgl. Kluwers Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, losbl., I, §3, sub e. Daarmee is echter nog niet gezegd dat schorsing van het onteigeningsgeding op één van de in art. 225 lid 1 Rv bedoelde gronden steeds onverenigbaar is met het stelsel van de Ow.

8. Mede in het licht van de ratio van de regeling van art. 20 Ow moet worden aangenomen dat bijvoorbeeld schorsing van het onteigeningsgeding in geval van overlijden van de gedaagde kan plaatsvinden. Vgl. HR 14 maart 1973, NJ 1973, 481 nt. WPB; zie ook Kluwers Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, losbl., I, §21, en de conclusie van A-G Wesseling-van Gent onder 2.15 voor HR 29 april 2005, NJ 2005, 446.

9. Schorsing van het onteigeningsgeding op de voet van art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv bij rechtsopvolging onder bijzondere titel is m.i. echter niet goed verenigbaar met de regeling van art. 3 en 18 Ow.

10. Op grond van art. 18 lid 1 Ow moet de onteigenende partij immers de in de onteigeningstitel aangewezen eigenaar dagvaarden, desnoods tegen de actuele werkelijkheid met betrekking tot de eigendom in. Vgl. Wijting, a.w., blz. 108. Voor degene die, anders dan in de onteigeningstitel is aangegeven, beweert eigenaar te zijn, bestaat slechts de mogelijkheid van tussenkomst. In verband daarmee verplicht art. 18 lid 5 Ow de onteigenende partij om de dagvaarding te betekenen dan wel een afschrift van de dagvaarding bij aangetekende brief toe te zenden aan de haar bekende, in art. 3 lid 2 Ow bedoelde derde belanghebbenden, waaronder degene die beweert eigenaar te zijn. De derden kunnen, trouwens ook indien zij niet op de voet van art. 18 lid 5 Ow in kennis zijn gesteld van de dagvaarding, krachtens het bepaalde in art. 3 lid 2 Ow aan de rechter verzoeken in het onteigeningsgeding tussen te komen. Vgl. Kluwers Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, losbl., I, §3. Zie ook HR 20 februari 2009, NJ 2009, 289 nt. P.C.E. van Wijmen.

11. Wanneer discussies ontstaan over de hoedanigheid van eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende, voorziet art. 3 lid 3 Ow in de mogelijkheid van consignatie van de schadeloosstelling. De bedoeling van deze bepaling is, om ter voorkoming van vertraging, in het onteigeningsgeding elk onderzoek naar het bestaan van de betwiste rechten uit te sluiten. Vgl. HR 28 augustus 1934, NJ 1934, 1689 nt. EMM. Zie voorts Den Drijver-van Rijckevorsel & Van Engen, a.w., blz. 44.

12. Is tussenkomst op de voet van art. 3 lid 2 Ow achterwege gebleven, dan wordt de schadeloosstelling uitbetaald aan de in de onteigeningstitel aangewezen eigenaar die dan moet doorbetalen. Vgl. HR 5 december 1990, NJ 1991, 352 nt. MB en HR 31 januari 1996, NJ 1996, 615 nt. MB. Zie voorts Den Drijver-van Rijckevorsel & Van Engen, a.w., blz. 44.

13. Uit dit samenstel van regelingen van art. 3 en 18 Ow blijkt dat volgens de strekking van de Ow de in de onteigeningstitel aangewezen eigenaar gedaagde is en blijft in het onteigeningsgeding, terwijl de (beweerd) opvolgend eigenaar slechts kan interveniren. Met dit op de bevordering van de snelheid van de procedure gerichte systeem strookt niet dat de door [eiser] c.s. ingeroepen schorsingsbepaling van art. 225 lid 1, aanhef en onder c, Rv in het onteigeningsgeding kan worden toegepast.

De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het beroep van [eiser] c.s. op schorsing van het geding verwerpt en de zaak verwijst naar de rol voor voortprocederen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,