Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK9637

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-03-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
08/03657
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK9637
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Uitleg van met het oog op voorgenomen echtscheiding gesloten overeenkomst; Haviltexmaatstaf; geen verdiscontering van art. 7:177 BW in de overeenkomst; geen verplichting tot een (notarieel vast te leggen) schenking ter zake des doods. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 389
RFR 2010, 70
JWB 2010/82
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/03657

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 15 januari 2010

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

Dit cassatieberoep heeft hoofdzakelijk betrekking op de uitleg van een tussen echtgenoten met het oog op hun voorgenomen echtscheiding gesloten overeenkomst. Hoe moet hieraan uitvoering worden gegeven na de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht?

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vermeld in het bestreden arrest onder 3.1 en 3.2, verwijzend naar het vonnis in eerste aanleg. In cassatie is slechts één geschilpunt overgebleven. Ik volsta daarom met een kort, eigen overzicht van de feiten:

1.1.1. Partijen zijn in 1982 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Verweerster in cassatie (de vrouw) was sinds 1978 in dienst van [A] B.V., een vennootschap waarvan eiser tot cassatie (de man) directeur en enig aandeelhouder is.

1.1.2. Medio 2001 zijn partijen met elkaar in overleg getreden om hun voorgenomen echtscheiding te regelen en de arbeidsovereenkomst tussen de vrouw en de vennootschap te beëindigen. Op 19 oktober 2001 hebben de man en de vrouw drie overeenkomsten getekend:

A. Een (vaststellings-)overeenkomst tussen de vrouw en de vennootschap over de voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst(1).

B. Een overeenkomst, in de gedingstukken aangeduid als `de erkenningsovereenkomst'(2). In deze overeenkomst is onder meer bepaald:

"1. De man erkent hierbij dat de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde van het pand [a-straat 1] te [plaats], daar dit mede door haar toedoen en inspanningen is ontstaan.

2. Ter voorkoming van ongewenste (fiscale) consequenties zullen eerst de huidige huwelijksvoorwaarden worden gewijzigd, zodanig dat er zal ontstaan een gemeenschap van woonhuis (...)

3. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding zal het voormelde pand aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting de hiervoor bedoelde hypothecaire schuld voor zijn rekening te nemen en de vrouw daarvoor te vrijwaren.

Bij deze toedeling zal de vrouw van de man een bedrag ontvangen ad f 1.400.000,-, zijnde de helft van de overwaarde van dit pand. De vrouw krijgt dit bedrag uitgekeerd onder de last, en door de overboeking casu quo bijschrijving van voormeld bedrag op haar rekening aanvaardt zij ook uitdrukkelijk deze last, om van voormeld bedrag een gedeelte ter grootte van één miljoen gulden (f 1.000.000,00) na te laten aan haar kinderen.

Partijen verklaren dat aan deze last wordt verbonden een derdenbeding ten behoeve van de kinderen, zodat de kinderen gerechtigd zijn voormeld bedrag bij het overlijden van de vrouw op te vorderen. Partijen bieden hierbij hun kinderen aan om dit derdenbeding aan te nemen."

Nog vóór de ondertekening is met de hand hieraan toegevoegd:

"De man aanvaardt daartegenover uitdrukkelijk de last om van zijn onroerend goed aan de 3 gemeenschappelijke kinderen na te laten de percelen [a-straat 1] en [b-straat 1] te [plaats]. Onbezwaard, vrij van hypotheek. Eventuele daarop rustende hypotheken komen ten laste van zijn boedel en niet ten laste van deze 3 kinderen."

C. Een echtscheidingsconvenant(3). Hieruit zijn thans de volgende bepalingen van belang:

(uit art. 3: afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

3.1. Partijen zullen - alvorens de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand - hun huwelijkse voorwaarden wijzigen in die zin dat een beperkte gemeenschap ontstaat met een omvang van NLG 2.800.000,- (...)

3.2. De vrouw verklaart dat zij haar vermogen naar beste vermogen zal beheren en dat zij de intentie heeft bij haar overlijden haar vermogen, zoals thans bij dit convenant aan haar toekomt na te laten aan de drie gezamenlijk[e] kinderen van partijen.

De man verklaart dat hij bij zijn overlijden de intentie heeft de woningen/percelen [a-straat 1] en [b-straat 1] te [plaats] onbezwaard na te laten aan de drie gezamenlijke kinderen van partijen."

(uit art. 4: verdeling beperkte huwelijksgoederengemeenschap en afwikkeling gezamenlijke schulden)

"4.1. Na de wijziging van de huwelijkse voorwaarden zal de beperkte huwelijksgoederengemeenschap van NLG 2.800.000,- bij helfte worden gedeeld. (...)"

(uit art. 6: geldlening)

"6.1. De vrouw verstrekt de man een geldlening van 1.200.000,- (...)

6.2. (...)

6.3. De lening zal ingaan op de dag waarop de beperkte gemeenschap ex artikel 4 wordt verdeeld. Op die dag ontvangen beide partijen uit hoofde van de verdeling NLG 1.400.000,-. De vrouw leent NLG 1.200.000,- aan de man. Aldus ontvangt de vrouw die dag NLG 200.000,-, terwijl de man [handgeschreven ingevuld:] de echtelijke woning ontvangt.

(...)

6.4. De lening zal worden afgelost in twaalf termijnen van elk NLG 100.000,-. (... )"

1.1.3. De op 24 september 2003 uitgesproken echtscheiding is op 23 december 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand(4).

1.2. Bij inleidende dagvaarding van 16 juni 2003 heeft de vrouw de man gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en, op grond van een eerdere overeenkomst d.d. 25 februari 2000, betaling gevorderd van f 17.607,29 in hoofdsom. Deze vordering in conventie is in cassatie niet langer aan de orde.

1.3. De man heeft in conventie verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld. Hij vorderde, na wijziging van eis, dat de vrouw zal worden veroordeeld om - op straffe van verbeurte van een dwangsom - binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan het verlijden van een notariële akte waarin de erkenningsovereenkomst d.d. 19 oktober 2001 wordt overgenomen. De man heeft daartoe aangevoerd dat de afspraak in de `erkenningsovereenkomst' met betrekking tot het nalaten van f 1.000.000,- door de vrouw aan aan de kinderen notarieel moet worden vastgelegd als een schenking bij dode als bedoeld in art. 7:177 BW om het beoogde effect te sorteren. Ter toelichting heeft de man gewezen op de hoofdregel van het nieuwe versterferfrecht (art. 4:13 BW). Als de vrouw overlijdt na te zijn hertrouwd, worden bij toepassing van het versterferfecht de goederen van haar nalatenschap verkregen door haar nieuwe echtgenoot. De kinderen krijgen in dat geval slechts een vordering op de nieuwe echtgenoot, die opeisbaar is nadat deze zal zijn overleden. De nieuwe echtgenoot behoeft geen zekerheid te stellen. Aldus is het volgens de man mogelijk dat het gehele bedrag van f 1.000.000,- zal zijn geconsumeerd vóórdat dit in handen van de kinderen van partijen komt. Ook indien de vrouw bij testament beschikt, heeft de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht gevolgen m.b.t. de positie van een nieuwe echtgenoot, die volgens de man niet stroken met de bedoeling van partijen bij het sluiten van de `erkenningsovereenkomst'(5).

1.4. De vrouw heeft in reconventie verweer gevoerd. In het kort hield het verweer in dat de gesloten overeenkomst haar niet verplicht om medewerking te verlenen aan een zodanige notariële akte. De rechtbank heeft eerst een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 28 februari 2007 heeft de rechtbank de vordering in conventie afgewezen en de vordering van de man in reconventie toegewezen.

1.5. De rechtbank overwoog met betrekking tot het in cassatie aan de orde gestelde punt:

"5.7. De rechtbank stelt vast dat in artikel 3 van de erkenningsovereenkomst [naam vrouw] zich heeft verplicht om een bedrag van 1 miljoen gulden na te laten aan de kinderen. In het beding is voorts opgenomen dat dit, in combinatie met een derdenbeding ten behoeve van de kinderen, ertoe moet leiden dat de kinderen gerechtigd zijn dat bedrag bij het overlijden van de vrouw op te vorderen. Ten aanzien van dit laatste punt betoogt [de man] naar het oordeel van de rechtbank terecht dat dit overeengekomen doel niet te verwezenlijken valt door te volstaan met de onderhandse erkenningsovereenkomst en het nalaten zonder nadere (notariële) vastlegging. Na het sluiten van de erkenningsovereenkomst is immers het erfrecht in die zin ingrijpend gewijzigd dat die kinderen, ook bij het eventueel opeisen van de legitieme portie, mogelijk het vruchtgebruik van de nalatenschap door een eventuele echtgenoot van [de vrouw] zullen moeten dulden. Een redelijke uitleg van de betreffende overeenkomst brengt dan ook mee dat [de vrouw] gehouden is eraan mee te werken dat het overeengekomen doel op de meest gerede wijze wordt bewerkstelligd. [De man] heeft onweersproken gesteld dat die meest gerede wijze in dit geval een notariële schenking bij dode in de zin van artikel 7:177 BW is. Dat deze notariële schenking niet uitdrukkelijk in de overeenkomst is opgenomen staat aan toewijzing van de vordering niet in de weg, zeker niet indien in aanmerking wordt genomen dat deze wijze van schenking eerst na het sluiten van de overeenkomst bij wet mogelijk is gemaakt, namelijk op 1 april 2003."

1.6. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld en haar verweer in reconventie aangevuld(6). Bij arrest van 8 mei 2008 heeft het gerechtshof te Amsterdam de afwijzende beslissing in conventie bekrachtigd. Met betrekking tot de thans relevante vordering in reconventie heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de man alsnog afgewezen. Het hof wees in rov. 4.6 op de samenhang tussen de erkenningsovereenkomst en het op dezelfde dag gesloten echtscheidingsconvenant. De rechtsoverweging vervolgt:

"Naar het oordeel van het hof hebben partijen met deze overeenkomsten zich jegens elkaar verplicht dit tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen ieder voor zich zo goed mogelijk te beheren en (grotendeels) in stand te laten zodat het uiteindelijk ten goede zal komen aan de kinderen. Het hof acht daarbij van belang dat uit het convenant blijkt dat de vrouw op de datum verdeling van de beperkte gemeenschap, derhalve het moment van toedeling van de echtelijke woning aan de man, van het bedrag van f 1.400.000,- onmiddellijk een bedrag groot f 1.200.000,- aan de man leent en dat de man deze lening zal aflossen in twaalf jaarlijkse termijnen van f 100.000,-, voor het eerst op 1 november 2002 en voor het laatst op 1 november 2013. De vrouw krijgt de facto op het moment van toedeling van de echtelijke woning aan de man niet de beschikking over een bedrag van f 1.400.000,-, zij krijgt slechts de beschikking over f 200.000,-. Gelet daarop kan het bij de ondertekening van de erkenningsovereenkomst en het convenant niet de bedoeling van partijen zijn geweest dat de vrouw een onvoorwaardelijke schenking bij dode aan haar kinderen doet tot een bedrag van f 1.000.000,-, zelfs voordat zij dat bedrag blijkens het convenant van de man zal hebben ontvangen. Of partijen al dan niet uitvoering hebben gegeven aan hetgeen bij convenant met betrekking tot de lening is overeengekomen, is niet van belang. Het gaat om de uitleg van de overeenkomsten en wat partijen te dier zake redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de door het hof gegeven uitleg past niet het meewerken aan het verlijden van een notariële akte in de zin van artikel 7:177 Burgerlijk Wetboek, een bepaling die eerst na het sluiten van de overeenkomsten in de wet is neergelegd. Noch uit het convenant, noch uit de erkenningsovereenkomst blijkt dat partijen zich van dit (komende) wetsartikel bewust zijn geweest en de uitdrukkelijke bedoeling hebben gehad voor de vrouw een dergelijke verplichting in het leven te roepen."

1.7. De man heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna de man heeft gerepliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het cassatiemiddel is in het bijzonder gericht tegen rov. 4.6, waarvan het belangrijkste gedeelte hiervoor reeds is geciteerd.

2.2. Onderdeel 2.1 klaagt onder (i) dat het hof heeft miskend dat de man nakoming vordert van de op 19 oktober 2001 gesloten `erkenningsovereenkomst'. Ter toelichting wijst het onderdeel (onder 1.8) op een passage in de gedingstukken waarin de man dit met zoveel woorden heeft gesteld. Subsidiair, voor het geval dat het hof dit niet heeft miskend, klaagt het middelonderdeel dat het hof in rov. 4.1 (samenvatting geschil) en in rov. 4.6 onvoldoende blijk heeft gegeven van zijn gedachtegang, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.

2.3. De primaire klacht mist m.i. feitelijke grondslag. De rechtbank had al overwogen dat de vordering van de man in reconventie is gebaseerd op de `erkenningsovereenkomst' van 19 oktober 2001 (rov. 4.2 Rb). Aan het begin van rov. 4.6 heeft het hof overwogen dat in dit geding de vraag moet worden beantwoord "of de vrouw op grond van de erkenningsovereenkomst van 19 oktober 2001 veroordeeld kan worden een notariële schenking aan de kinderen te doen (...)". Aan het hof heeft derhalve niet iets anders voor ogen gestaan dan dat de man nakoming vordert van de op die datum ondertekende `erkenningsovereenkomst'. De overige overwegingen van het hof wijzen niet in een andere richting. De subsidiaire motiveringsklacht mist zelfstandige betekenis: zij is kennelijk bedoeld als opmaat naar de daarop volgende klachten.

2.4. Onder (ii) klaagt het middelonderdeel dat nakoming van een overeenkomst "deugdelijk" dient te geschieden, waaronder de man verstaat: het verrichten van een prestatie die volledig, zowel wat betreft inhoud als wat betreft het tijdstip waarop zij is verricht, beantwoordt aan de verbintenis. Ter toelichting op deze klacht is opgemerkt dat, indien als gevolg van een wetswijziging na het sluiten van de overeenkomst doch voordat aan de overeenkomst uitvoering is gegeven, het beoogde rechtsgevolg uitsluitend kan worden bereikt door toepassing van het nieuwe recht, bij een vordering tot nakoming de toepassing van dit nieuwe recht kan worden verlangd, tenzij dit naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Meer concreet wordt in cassatie aangevoerd: "indien partijen naar oud erfrecht iets overeenkomen dat naar nieuw recht alleen nog maar (deugdelijk) kan worden nagekomen wanneer dit wordt vervat in een notariële akte als bedoeld in artikel 7:177 BW, dan kan in het kader van de nakoming van die overeenkomst het doen opstellen van een notariële akte als bedoeld in artikel 7:177 in rechte worden gevorderd, ook al hebben partijen bij het aangaan van de overeenkomst niet met zoveel woorden de situatie van artikel 7:177 BW voor ogen gehad."

2.5. Alsof dit vanzelf spreekt, gaat het middelonderdeel uit van de veronderstelling dat in dit geding vaststaat dat de wil van beide partijen bij het sluiten van de `erkenningsovereenkomst' gericht is geweest op het bereiken van een rechtsgevolg, dat overeenkomt met het effect van een schenking bij dode naar tegenwoordig recht. Dat was in hoger beroep nu juist de vraag. Alvorens dit geschilpunt te bespreken, schets ik kort de wettelijke achtergrond.

2.6. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bepaalde art. 7A:1703 lid 2 BW dat de wet geen andere schenkingen erkent dan schenkingen onder de levenden. Wie een (formele(7)) schenking wilde doen die eerst na zijn overlijden effect heeft, was aangewezen op het maken van een uiterste wilsbeschikking met een algemene erfstelling of een legaat(8). Wel was naar oud recht mogelijk, een schenking onder de levenden te doen onder het voorbehoud dat de schenker over een bepaalde geldsom kan blijven beschikken. Indien in dat geval de schenker overlijdt zonder over die geldsom te hebben beschikt, blijft het geschonkene geheel aan de begiftigde (art. 7A:1708 (oud) BW).

2.7. In verband met de herziening van het erfrecht zijn ook de wettelijke bepalingen over schenkingen in het Burgerlijk Wetboek gewijzigd. Sinds 1 januari 2003 bepaalt art. 7:177 BW, voor zover hier van belang:

"1. Voor zover een schenking de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd, vervalt zij met het overlijden van de schenker, tenzij de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt. (...).

2. Indien een bevoegdheid is bedongen tot herroeping van een schenkingsovereenkomst als bedoeld in lid 1, kan deze herroeping behalve bij een tot de begiftigde gerichte verklaring ook bij een uiterste wilsbeschikking van de schenker zonder mededeling aan de begiftigde geschieden."

Een schenking ter zake des doods (donatio mortis causam) wordt in verscheidene opzichten gelijk gesteld met een legaat(9).

2.8. Onder het oude erfrecht kon de vrouw een uiterste wilsbeschikking maken om het bedrag van f 1.000.000,- aan de drie kinderen van partijen na te laten. Indien de vrouw hertrouwt en nalaat een uiterste wilsbeschikking te maken, erven volgens het oude, in 2001 geldende, versterferfrecht in beginsel haar kinderen en een eventuele nieuwe echtgenoot voor gelijke delen (art. 879, 899 en 899a van Boek 4 (oud) BW).

2.9. Onder huidig erfrecht is het voor de vrouw nog steeds mogelijk met een uiterste wilsbeschikking het bedrag van f 1.000.000,- aan de kinderen na te laten. Indien de vrouw hertrouwt en vóór haar nieuwe echtgenoot komt te overlijden zonder een uiterste wilsbeschikking te hebben gemaakt, bepaalt het versterferfrecht dat de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van rechtswege de goederen van de nalatenschap verkrijgt (art. 4:13, lid 2 en lid 6, BW). In dat geval verkrijgt ieder van de kinderen van rechtswege een geldvordering op de nieuwe echtgenoot die overeenkomt met de waarde van zijn erfdeel. De vordering op de nieuwe echtgenoot is eerst opeisbaar wanneer deze is overleden, in staat van faillissement is verklaard of wanneer ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard. Bij uiterste wilsbeschikking kan deze regeling worden uitgesloten (art. 4:13 lid 1 BW) of worden bepaald dat de vordering ook in andere gevallen opeisbaar is (art. 4:13 lid 3 BW). De hoogte van de geldvordering wordt zo nodig bepaald op de voet van art. 4:15 en 4:16 BW. Deze geldvordering wordt vermeerderd met rente (art. 4:13 lid 4 BW).

2.10. In de wet is ermee rekening gehouden dat het voor kinderen bezwaarlijk kan zijn dat alle goederen naar de langstlevende echtgenoot gaan zonder zekerheidstelling dat de geldvordering zal worden betaald. In verband hiermee bepaalt art. 4:19 BW dat, indien een kind overeenkomstig art. 4:13 lid 3 BW een geldvordering op zijn langstlevende ouder krijgt ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden ouder en de langstlevende ouder bij de ambtenaar van de burgerlijke stand aangifte heeft gedaan van een voorgenomen nieuw huwelijk, het kind zich door de langstlevende ouder de bloot-eigendom van de goederen kan laten overdragen. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in art. 4:21 BW voor de situatie dat een kind overeenkomstig art. 4:13 lid 3 BW een geldvordering op de stiefouder heeft verkregen ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder. Deze bepalingen veronderstellen dat er op dat moment nog goederen zijn die overgedragen kunnen worden. Indien het kind vreest dat goederen ten nadele van zijn verhaalsmogelijkheden als schuldeiser worden weggemaakt, kan zo nodig een beroep worden gedaan op de Pauliana (art. 3:45 e.v. BW).

2.11. Indien de vrouw bij testament het bedrag van f 1.000.000,- aan haar kinderen heeft nagelaten, kunnen de kinderen de daaruit voortvloeiende rechten uitoefenen na haar overlijden. Aan de testeervrijheid van de vrouw worden beperkingen gesteld door de legitieme portie van de kinderen (art. 4:63 e.v. BW). Anderzijds kan de nieuwe echtgenoot van de vrouw tegenover de erfgenamen/legatarissen rechten uitoefenen met betrekking tot de woning op grond van art. 4:28 en 4:29 BW en met betrekking tot andere goederen op grond van art. 4:30 BW.

2.12. Het gaat in dit geding om een vordering van de man tot nakoming van de `erkenningsovereenkomst'. De partij die een beding ten behoeve van een derde (de kinderen) heeft gemaakt kan nakoming jegens de derde vorderen, tenzij deze zich daartegen verzet (art. 6:256 BW). Voordat een beslissing wordt genomen op de vordering tot nakoming moet worden vastgesteld welke verplichtingen voor de vrouw uit de overeenkomst voortvloeien. Daarvoor is uitleg van de overeenkomst nodig(10).

2.13. Het hof heeft bij de uitleg van de overeenkomst de Haviltexmaatstaf toegepast(11). Het hof heeft gelet op de samenhang tussen de `erkenningsovereenkomst' en het op diezelfde datum tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant. Volgens het hof hebben de man en de vrouw de toepassing van (het toen nog toekomstige) art. 7:177 BW niet in hun overeenkomst verdisconteerd: noch uit het echtscheidingsconvenant noch uit de `erkenningsovereenkomst' blijkt dat partijen zich van dit wetsartikel bewust zijn geweest en de bedoeling hebben gehad voor de vrouw een verplichting tot een (notarieel vast te leggen) schenking ter zake des doods in het leven te roepen. Het hof heeft uiteengezet waarom een dergelijke interpretatie van de overeenkomst naar zijn oordeel niet past bij hetgeen partijen van elkaar mochten verwachten: de vrouw kreeg op het tijdstip van toedeling van de echtelijke woning aan de man feitelijk de beschikking over een bedrag van f 200.000,-. Dan ligt het niet voor de hand dat zij zich contractueel verplichtte tot het doen van een schenking van f 1.000.000,- aan de kinderen. Kort samengevat: zij zou dan f 800.000,- tekort komen. Dit oordeel is te zeer verweven met de waardering van de feiten om in cassatie op juistheid te worden getoetst. De motivering is niet onbegrijpelijk. De klacht onder (ii) gaat om deze redenen niet op.

2.14. Het middelonderdeel behelst onder (iii) de klacht dat op grond van de Haviltexmaatstaf door het hof had moeten worden onderzocht of partijen hebben beoogd een resultaatsverplichting tot stand te brengen (te weten: het resultaat dat de kinderen bij overlijden van de vrouw daadwerkelijk f 1.000.000,- erven, ook in geval van eventueel hertrouwen van de vrouw), dan wel slechts sprake is van een vrijblijvend voornemen om genoemd bedrag aan de kinderen na te laten: een voornemen waarvan de vrouw naar eigen goeddunken kan afwijken. Volgens het middelonderdeel werd door beide partijen een resultaatsverplichting beoogd. Anders dan het hof overweegt, is volgens de klacht niet beslissend dat de vrouw in een andere op die dag gesloten overeenkomst, namelijk het echtscheidingsconvenant, heeft verklaard haar gehele vermogen aan haar kinderen na te laten. Subsidiair is een motiveringsklacht toegevoegd.

2.15. De hiermee samenhangende klacht onder (iv) houdt in dat, anders dan het hof overweegt, niet beslissend is of aan partijen artikel 7:177 BW voor ogen heeft gestaan bij het sluiten van de overeenkomst op 19 oktober 2001. Volgens de klacht telt slechts het in de overeenkomst(12) beoogde resultaat, niet de (juridische) route die naar dat resultaat leidt. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2.16. De klachten falen. Het hof heeft niet miskend dat de man een uitleg van de overeenkomst verdedigde, waarin de overeenkomst een verdergaande verplichting van de vrouw inhield dan de vrouw hierin zag. In de redenering van de man kan de vrouw niet volstaan met het na haar overlijden nalaten van het bedrag van f 1.000.000,- aan de gezamenlijke kinderen van partijen (punt 3 van de erkenningsovereenkomst), maar zou de vrouw reeds vóór haar overlijden een notarieel vastgelegde schenking aan de kinderen moeten doen. Naar oud recht zou dit een schenking onder voorbehoud kunnen zijn als bedoeld in art. 1708 (oud) BW. Naar nieuw recht zou dit een schenking kunnen zijn op de wijze als bedoeld in art. 7:177 BW. Het is niet onbegrijpelijk, noch rechtens onjuist, dat het hof een dergelijke verplichting voor de vrouw niet in de overeenkomst heeft gelezen. De `erkenningsovereenkomst' rept hierover niet. Het hof heeft bovendien een uitleg als door de man bepleit moeilijk te verenigen geacht met het op dezelfde dag tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant.

2.17. Voor zover de man in cassatie het standpunt wil verdedigen dat het partijen bij het aangaan van de overeenkomst om het even was, langs welke (juridische) route het bedrag van f 1.000.000,- de drie kinderen bereikt, zolang maar wordt zekergesteld dát dit bedrag na het overlijden van de vrouw de kinderen bereikt, ook in geval van eventueel hertrouwen van de vrouw(13), gaat de klacht niet op. Nu partijen van mening verschilden over de juiste uitleg van de overeenkomst, stond het het hof, als rechter die over de feiten oordeelt, vrij om de overeenkomst anders uit te leggen dan de man deed. Mede in aanmerking genomen dat de `erkenningsovereenkomst' niets vermeldt over zekerheidstelling of over een nadere uitwerking met of zonder een notariële akte, is de uitleg die het hof aan de overeenkomst heeft gegeven niet onbegrijpelijk. De door het hof opgegeven redenen kunnen in ieder geval zijn beslissing dragen.

2.18. De klacht onder (v) houdt in dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep miskent. Nadat het hof de grief van de vrouw gegrond had bevonden, moest het hof opnieuw beslissen of de vordering in reconventie kon worden toegewezen. Indien het hof uitvoering van de overeenkomst overeenkomstig art. 7:177 BW niet toewijsbaar achtte, had het hof niettemin een beslissing behoren te nemen over het petitum in reconventie, aldus de klacht.

2.19. Op zich is juist dat, nadat het hof de grief van de vrouw tegen de toewijzing in reconventie gegrond had bevonden, de devolutieve werking van het hoger beroep meebracht dat het hof opnieuw een beslissing behoorde te nemen over de vordering van de man in reconventie. Dat heeft het hof gedaan. In geschil was niet of de overeenkomst moest worden gewijzigd op grond van onvoorziene omstandigheden, al dan niet verband houdend met de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht (art. 6:258 BW). In geschil was slechts de vraag of de verplichting van de vrouw tot het meewerken aan een vastlegging in een notariële akte zoals door de man gevorderd, voortvloeit uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Beantwoording van die vraag vereiste een uitleg van de overeenkomst. Het petitum liet ruimte voor vastlegging in een notariële akte anders dan een schenkingsakte als bedoeld in art. 7:177 BW. Het petitum stemde overeen met het standpunt van de man dat een resultaatsverplichting is overeengekomen, ongeacht de (juridische) route naar dat resultaat. Dit neemt niet weg, dat partijen het er niet over eens waren welke uitleg aan de overeenkomst moest worden gegeven; in het bijzonder waren zij het niet eens dat de door de man gestelde verplichting tussen hen is overeengekomen. Over dat geschilpunt heeft het hof een beslissing gegeven. Om deze redenen faalt de klacht.

2.20. De klacht onder (vi) mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten.

2.21. Middelonderdeel 2.2 is kennelijk subsidiair voorgesteld. Het neemt - terecht - tot uitgangspunt dat het hof een uitleg heeft gegeven aan de door partijen gesloten `erkenningsovereenkomst'. Onder (i) klaagt het middelonderdeel dat het hof heeft miskend dat bij toepassing van de Haviltexmaatstaf alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen. Diverse in het middelonderdeel genoemde feiten en omstandigheden zou het hof ten onrechte niet in de beoordeling hebben betrokken. Subsidiair is een motiveringsklacht toegevoegd.

2.22. Het hof heeft in rov. 4.6 onmiskenbaar de Haviltexmaatstaf tot uitgangspunt genomen bij de uitleg van de `erkenningsovereenkomst'. De Haviltexmaatstaf houdt in dat de vraag, hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Wanneer het hof één of meer gestelde feiten niet met zoveel woorden bespreekt, wil dat niet zeggen dat de Haviltexmaatstaf niet of onjuist is toegepast.

2.23. De oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden behoefden geen uitdrukkelijke bespreking om de beslissing begrijpelijk te doen zijn. Voor zover het middel de aandacht wil vestigen op stellingen van de man die inhielden dat sprake was van een onverplichte vermogensoverheveling naar de vrouw (door de voorgenomen wijziging van de huwelijkse voorwaarden vóór echtscheiding en het creëren van een beperkte gemeenschap met betrekking tot de overwaarde van de echtelijke woning) onder de op de vrouw drukkende last dat van het overgehevelde bedrag een gedeelte groot f 1.000.000,- bij overlijden van de vrouw naar de kinderen zou gaan, heeft het hof deze context niet over het hoofd gezien. Het hof heeft onderzocht of uit de overeenkomst, uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf, voor de vrouw de verplichting voortvloeit om haar medewerking te verlenen aan het opmaken van een notariële akte, zoals door de man werd gevorderd. Op de hiervoor besproken gronden heeft het hof die vraag ontkennend beantwoord en mogen beantwoorden. De door het hof aan de overeenkomst gegeven uitleg sluit niet uit dat aan de door de man bedoelde last gevolg wordt gegeven. Wat de man in wezen verlangt, is een (extra) zekerheid dat het meergenoemde resultaat zal worden bereikt. De samenhang van de `erkenningsovereenkomst' met (de financiële condities ter zake van(14)) de beëindiging van de dienstbetrekking met de vennootschap is het hof evenmin ontgaan(15).

2.24. De motiveringsklacht in dit middelonderdeel onder (ii) komt erop neer dat de verwijzing naar punt 3.2 van het echtscheidingsconvenant zonder nadere motivering onbegrijpelijk is: ook al heeft de vrouw in het convenant verklaard dat zij haar vermogen naar beste vermogen zal beheren en dat zij de intentie heeft dit vermogen, zoals dit haar krachtens het convenant toekomt, na te laten aan de drie kinderen, dit neemt volgens de man niet weg dat zij in de `erkenningsovereenkomst' een verder gaande verplichting op zich heeft genomen met betrekking tot een gedeelte (groot f 1.000.000,-) van dat vermogen.

2.25. Het feit dat de vrouw in (punt 3.2 van) het echtscheidingsconvenant de verplichting op zich heeft genomen haar vermogen zo goed mogelijk te beheren en (grotendeels) in stand te laten, zodat het uiteindelijk na haar overlijden ten goede zal komen aan de kinderen van partijen, sluit inderdaad niet uit dat de vrouw in de `erkenningsovereenkomst' ten aanzien van een gedeelte (groot f 1.000.000,-) van dit vermogen een verder gaande verplichting op zich neemt. Niettemin leidt deze klacht niet tot cassatie. Het hof heeft de verwijzing naar punt 3.2 van het op dezelfde dag gesloten echtscheidingsconvenant slechts gebruikt om daarmee aan te geven, waarom het hof de uitleg die de man aan de `erkenningsovereenkomst' geeft, minder aannemelijk acht dan de uitleg die de vrouw daaraan geeft. Aldus begrepen, is het een zinvolle toevoeging aan de overweging dat een verplichting zoals door de man gesteld niet in de `erkenningsovereenkomst' valt te lezen. Hieruit volgt dat de motiveringsklacht geen doel treft.

2.26. Voor zover de motiveringsklacht onder (ii) mede is gericht tegen de overweging, in rov. 4.6, dat de vrouw op het moment waarop de echtelijke woning aan de man wordt toegedeeld nog niet over het gehele bedrag van f 1.000.000,- kan beschikken, gaat de klacht evenmin op. Het hof is kennelijk en niet onbegrijpelijk ervan uitgegaan dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond dat de vrouw op het moment waarop de echtelijke woning aan de man wordt toegedeeld van de helft van de overwaarde (ad f 1.400.000,-) f 200.000,- feitelijk ontvangt en f 1.200.000,- aan de man leent. Weliswaar ontstond daarmee een vordering op de man uit hoofde van geldlening, maar dit neemt niet weg dat het hof het onaannemelijk kon achten dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw zich verplichtte tot schenking aan de kinderen van een geldbedrag waarover zij feitelijk (nog) niet de beschikking had. Het argument dat de vrouw (naast genoemd bedrag van f 200.000,-) van de vennootschap een ontbindingsvergoeding zou krijgen, ten bedrage van f 5.000.000,- (bruto), neemt niet weg dat het hof als feitenrechter tot de in rov. 4.6 beschreven slotsom kon komen. Ook op dit punt behoefde de motivering geen nadere uitwerking om voor de lezer begrijpelijk te zijn.

2.27. Onderdeel 2.3 komt neer op de klacht dat het hof niet kon volstaan met een onderzoek naar de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar - ambtshalve de rechtsgronden aanvullend op grond van art. 25 Rv - ook had behoren te onderzoeken welke gevolgen naar de aard van de overeenkomst uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien: art. 6:248 BW, de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid.

2.28. Indien de man feiten en omstandigheden zou hebben aangevoerd die, indien zij komen vast te staan, de slotsom rechtvaardigen dat niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook andere rechtsgevolgen uit de overeenkomst voortvloeien, is het aan de rechter om toepassing te geven aan art. 6:248 BW. Dat was in het geding in hoger beroep niet het punt van geschil. De in het middelonderdeel aangehaalde passage uit de gedingstukken, gelezen in combinatie met de aangehaalde rechtsoverweging van de rechtbank, gaat uit van een overeengekomen resultaatsverplichting. Wanneer het hof in rov. 4.6, na uitleg van de overeenkomst daarin niet de door de man bepleite resultaatsverplichting van de vrouw leest, omdat partijen iets anders zijn overeengekomen, leidt aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid niet tot een ander resultaat. Het middelonderdeel faalt.

2.29. Onderdeel 2.4 herhaalt het in alinea 2.26 hiervoor besproken argument dat de vrouw beschikte over een vordering op de man uit hoofde van de geldlening, die in termijnen door de man zou worden afgelost. Het feit dat de vrouw het bedrag van f 1.000.000,- niet cash in handen heeft, vormt volgens het middelonderdeel voor haar geen verhindering om dit in de vorm van een notarieel vastgelegde schenking bij dode aan de kinderen na te laten.

2.30. Zelfs al zou worden aanvaard dat de vrouw op het moment waarop de echtelijke woning aan de man wordt toegedeeld financieel in staat was een schenking bij dode aan de kinderen te doen en deze notarieel te laten vastleggen, dan is daarmee nog niet noodzakelijk gegeven dat partijen zich hebben willen verbinden aan een daartoe strekkende overeenkomst. Aan de hand van de Haviltexmaatstaf heeft het hof een andere, niet onbegrijpelijke uitleg aan de overeenkomst gegeven. Om deze reden gaat de klacht niet op.

2.31. Onderdeel 2.5 is gericht tegen rov. 4.7 en 4.8 en het dictum en bouwt voort op de vorige klachten. Dit onderdeel mist zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Prod. 20 bij de akte namens de man d.d. 13 december 2004.

2 Prod. 14 bij "akte in reconventie houdende vermeerdering van eis" (in het dossier: bijlage bij de dagvaarding in hoger beroep).

3 Prod. 7 bij de inleidende dagvaarding.

4 De datum van echtscheiding is niet vermeld in het bestreden arrest, maar is geen punt van discussie tussen partijen. Deze datum blijkt onder meer uit het overgelegde vonnis van 29 december 2004 in de zaak tussen de vrouw en de vennootschap (rov. 2 onder k) en uit de cassatiedagvaarding in de onderhavige zaak (onder 1.1).

5 De cassatiedagvaarding (blz. 4 en 5) verwijst voor het standpunt van de man naar de "aantekeningen tevens akte" ter comparitie d.d. 4 maart 2005, blz. 16 - 17.

6 Zie rov. 4.3 van het bestreden arrest. Het hof heeft in de stellingen van de vrouw tevens een (subsidiair voorgestelde) vermeerdering van eis in conventie gelezen. Aan de subsidiaire stellingname van de vrouw is het hof niet meer toegekomen: zie rov. 4.7 slot.

7 Vgl. HR 26 maart 1965, NJ 1966, 328 m.nt. JHB.

8 Zie over het oud recht: Asser-Kleijn (5-IV, 1988), nr. 211.

9 Zie bijv. art. 4:126 BW. Zie i.h.a. over het nieuwe recht: Asser-Perrick, 4*, Erfrecht en schenking, 2009, i.h.b. nr. 219.

10 Vgl. s.t. namens de vrouw, blz. 4 onder 8.

11 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB.

12 Bedoeld is: de erkenningsovereenkomst.

13 De man ziet de overeenkomst blijkbaar als een soort kaderovereenkomst. Vgl. het citaat in de cassatiedagvaarding, onder 1.10, uit de aantekeningen van de zijde van de man ter comparitie, waarin hij heeft doen betogen dat de zijns inziens duidelijke bedoeling van partijen moet worden uitgewerkt en vastgelegd: "Mevrouw dient dus te worden veroordeeld om mee te werken aan het verlijden van een notariële akte, waarin de verplichting om na te laten wordt gebaseerd op artikel 7:177 BW."

14 Blijkens de beëindigingsovereenkomst zou de vrouw van de vennootschap een beëindigingsvergoeding ontvangen van f 5.000.000,- bruto, te betalen in tien jaarlijkse termijnen.

15 Zie rov. 4.5, eerste twee zinnen.