Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK9253

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
08/04883
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK9253
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis. Anders dan in e.a. heeft de verdediging in h.b. uitdrukkelijk verweren gevoerd strekkende tot n-o van het OM in de vervolging en tot strafvermindering. Daarop had het Hof een uitdrukkelijke beslissing dienen te geven. Nu zodanige beslissing in het vonnis niet voorkomt, had het Hof in zoverre niet mogen bevestigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 490
NJB 2010, 817
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/04883

Mr. Vellinga

Zitting: 12 januari 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Haarlem waarbij verdachte wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeëndertig maanden met bijkomende beslissingen als in het vonnis vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid alsmede dat de Rechtbank zich heeft beroepen op bepaalde niet in de gebezigde bewijsmiddelen vermelde gegevens zonder met voldoende mate van nauwkeurigheid aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op of omstreeks 04 oktober 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen hel grondgebied van Nederland heeft gebracht 5.999,90 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I."

5. In de toelichting op het middel wordt met juistheid gesteld dat de volgende, in de door de Rechtbank gegeven nadere bewijsoverweging niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid:

a. alle drie verdachten, naar hun zeggen, niet over financiële middelen en evenmin over reguliere inkomsten beschikten en dat sprake is van schulden

b. zij in Natal gedrieën samen zijn opgetrokken

c. verzoeker na de douane te zijn gepasseerd terstond van Schiphol is vertrokken, kennelijk zonder zich verder om zijn eigen koffer te bekommeren.

6. Voorts kan niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid

- de koffers waren zwaar en de inhoud moest worden verdeeld;

- [verdachte] heeft een koffer van [medeverdachte 1] van de bagageband gehaald en meegenomen.

7. Nu de Rechtbank niet heeft aangegeven aan welke bewijsmiddelen die feiten of omstandigheden zijn ontleend leidt het vonnis aan nietigheid (art. 359 lid 3 jo. lid 8 Sv)(1) en had het Hof dit vonnis niet (zonder meer) kunnen bevestigen.

8. Na het voorgaande kan het middel voor het overige buiten bespreking blijven.

9. Het middel slaagt.

10. Het tweede middel strekt ten betoge dat het Hof heeft verzuimd te motiveren waarom het is voorbijgegaan aan een beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, subsidiair strafvermindering wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans dat de gegeven motivering niet begrijpelijk is.

11. De ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen pleitnota(2) houdt dienaangaande in:

"Strijd met goede procesorde

Mijn cliënt is tijdens de gehele gerechtelijke voorfase in ernstige mate benadeeld en geschaad. Niet alleen heeft er slechts bij mijn cliënt een huiszoeking plaatsgevonden ook hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gedurende een nog onbekende periode een cel gedeeld (B p. 47). Terwijl mijn cliënt aanvankelijk enige tijd in beperking heeft gezeten zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de gelegenheid gesteld om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Dat zij van deze gelegenheid gebruik hebben gemaakt komt duidelijk naar voren in de verhoorrapportages. Zo heeft [medeverdachte 2] de dag van haar aanhouding verklaard dat ze cliënt niet kende en dat zij hem slechts een keer in Nederland had gezien. Voorts heeft ze verklaard dat mijn cliënt in Brazilië af en toe naar de hotelkamer kwam en dat hij [...] heette (A p.3). Vier dagen nadat [medeverdachte 2] aan de politie heeft verklaard cliënt slechts een keer in Nederland te hebben gezien, heeft ze aangegeven dat ze een relatie met hem heeft gehad. De reden van de reis naar Brazilië was dat ze een ruzie met hem goed wilde maken nadat ze had ontdekt dat hij een andere relatie had (B p. 91). Eveneens heeft ze op de dag van de aanhouding aangegeven niet te weten wie de tickets naar Brazilië had gekocht. Vier dagen later herinnert ze het zich weer en verklaart ze dat cliënt de vliegtickets voor haar heeft gekocht. Aanvankelijk heeft [medeverdachte 2] verklaard dat de komst van [medeverdachte 1] naar Brazilië voor haar een verrassing was (A p. 4; 8). Vervolgens heeft ze aangegeven dat ze haar stressvolle persoonlijke omstandigheden met [medeverdachte 1] had besproken en dat [medeverdachte 1] naar aanleiding van dit gesprek [medeverdachte 2] zou hebben verrast met een reis naar Brazilië (B p. 86; 91).

Mijns inziens gaat het in deze om zeer ernstige en doelbewuste inbreuken op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

(...)

Primair verzoek ik u het Openbaar Ministerie gezien de doelbewuste inbreuken op de beginselen van een goede procesorde niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging, dan wel de op te leggen straf te verminderen waardoor het nadeel van cliënt enigszins kan worden gecompenseerd."

4. De Rechtbank heeft met betrekking tot het beroep op handelen in strijd met de goede procesorde overwogen:

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op strijd met de beginselen van een goede procesorde nu beide medeverdachten voor een haar onbekende periode samen een cel hebben gedeeld. Zij zijn, zo stelt de raadsvrouw, in de gelegenheid geweest hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Dit terwijl haar cliënt in beperkingen heeft gezeten. Daarnaast heeft slechts bij verdachte een huiszoeking plaatsgevonden. Naast het feit dat de raadsvrouw hier geen conclusies aan heeft verbonden, is de rechtbank van oordeel dat dit argument niet op zou gaan. Indien enige afstemming tussen de medeverdachten zou hebben plaatsgevonden, is niet gebleken dat verdachte daardoor nadeel heeft ondervonden of in zijn verdediging is geschaad, nu de rechtbank op grond van de hierboven opgesomde bewijsmiddelen ter zake van alle verdachten tot dezelfde bewezenverklaring is gekomen en de rechtbank de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]- voor zover gelijkluidend en derhalve mogelijk afgestemd zouden zijn - niet als bewijsmiddelen voor het bewezenverklaarde heeft gebezigd.

5. In de toelichting op haar verweer dat is gehandeld in strijd met de goede procesorde omdat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de gelegenheid zijn geweest hun verklaringen op elkaar af te stemmen wijst de raadsvrouw alleen op wisselende verklaringen van [medeverdachte 2]. Daaruit valt niet op te maken dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, laat staan dat de verdachte daarvan nadeel heeft ondervonden.

6. Of afstemming heeft plaatsgevonden laat de Rechtbank in het door het Hof bevestigde vonnis in het midden. Voor zover dat het geval zou zijn, aldus de Rechtbank, heeft de verdachte daar geen nadeel van ondervonden of is hij niet in zijn verdediging geschaad. Als eerste reden daarvoor geeft de Rechtbank op dat voor alle drie verdachten tot een gelijkluidende bewezenverklaring is gekomen. Dit argument begrijp ik niet. De afstemming van verklaringen kan immers ook van dien aard zijn geweest dat verdachtes rol zwaarder is aangezet dan in overeenstemming was met de werkelijkheid en zo tot het bewijs van medeplegen door de verdachte heeft geleid.

7. Ten tweede wijst de Rechtbank erop dat voor het bewijs geen gelijkluidende verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn gebruikt. Daaruit kan worden opgemaakt dat de Rechtbank geen gelijkluidende verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt omdat daaraan het gevaar van afstemming kleeft en die verklaringen daarom zouden kunnen inboeten aan betrouwbaarheid. Aldus is deze overweging niet onbegrijpelijk. Deze kan de verwerping van het verweer zelfstandig dragen.

8. Blijft nog de in de toelichting op het middel aangesneden vraag of de Rechtbank inderdaad geen gelijkluidende verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor het bewijs heeft gebruikt. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de Rechtbank gezien haar nadere bewijsoverweging wel gelijkluidende verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor het bewijs moet hebben gebruikt waar bijvoorbeeld in de nadere bewijsoverweging wordt overwogen:

"Alle drie verdachten beschikken, naar hun zeggen, niet over financiële middelen en evenmin over reguliere inkomsten."

9. Nu wreekt zich dat de Rechtbank - zoals bij de bespreking van het eerste middel aan de orde is geweest - niet alle door haar gebezigde bewijsmiddelen heeft aangewezen. Daarmee ligt de cassatietechnische uitweg open het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag ongegrond te achten. Daar staat echter tegenover dat de verdachte in wezen in cassatietechnische moeilijkheden komt door een motiveringsgebrek van de feitenrechter.

10. In het onderhavige geval kan naar mijn mening over dat bezwaar worden heengestapt. Omdat verdachtes raadsvrouw op geen enkele wijze heeft aangegeven waarin [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, is er geen aanwijzing dat de Rechtbank voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van op elkaar afgestemde verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165, m.nt. JR, rov. 4.2. Zie voorts HR 15 mei 2007, LJN BA0424, NJ 2007, 387, m.nt. Buruma, rov. 5.6.1 (Promis), HR 15 mei 2007, LJN BA0425, rov. 5.6 (Promis), HR 23 oktober 2007, LJN BA5851, NJ 2008, 69, rov. 3.6 (overzichtsarrest bewijsmotivering).

2 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2008, p. 2.