Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK9219

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
08/02956
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK9219
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 428
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02956

Mr. Machielse

Zitting 12 januari 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 23 april 2008 de verdachte ter zake van "in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte heeft mr. N. van Vliet, advocaat te Tilburg, beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis van de Rechtbank op te geven na voordracht van de Advocaat-Generaal.

3.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2007 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, genaamd:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats],

is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.

Als raadsvrouwe van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A. van Vliet, advocate te Zwijndrecht.

De raadsvrouwe verklaart als volgt.

Cliënt is onderweg. Hij zegt over een half uur aanwezig te kunnen zijn en heeft mij gevraagd aanhouding van de zaak te verzoeken. Mocht cliënt niet op tijd komen, dan zal ik hem niet vragen mij uitdrukkelijk te machtigen.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.

Na hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de zaak zal worden onderbroken tot 10.00 uur.

De voorzitter onderbreekt daarop het onderzoek.

Na hervatting van het onderzoek antwoordt de verdachte, thans ter terechtzitting aanwezig, op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats].

De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De voorzitter deelt mede de korte inhoud van alle stukken van deze strafzaak zoals die zich in het dossier bevinden, in het bijzonder van de stukken waarvan melding wordt gemaakt in de bij het in deze zaak gewezen arrest behorende aanvulling, waarvan de inhoud geacht wordt hier te zijn ingevoegd.

Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.

(...)"

3.3 Artikel 416 Sv houdt na de inwerkingtreding op 1 maart 2007 van de Wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastelegging (stroomlijnen hoger beroep), Stb. 2006, 470 (verder: de Wet), in:

"1. Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend. Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.

(...)"

3.4 De memorie van toelichting(1) bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 5 oktober 2006, Stb. 470, waarbij art. 416 Sv werd gewijzigd, houdt onder meer in:

"In het actuele strafprocesrecht zijn de contouren van een grievenstelsel in de artikelen 410 en 416 Sv zichtbaar, maar de vrijblijvendheid daarvan doet afbreuk aan de doelmatigheid. De bepalingen zijn zelfs betekenisloos in de gevallen, dat alleen de verdachte appèl instelt en ter terechtzitting in hoger beroep niet verschijnt. Ik acht het alleszins redelijk, om van degene die in appèl komt, of dat nu het openbaar ministerie is of de verdachte, te vragen duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het vonnis. Met het karakter van appèl als voortgezette instantie verdraagt zich niet dat in appèl, zonder dat daarvoor goede redenen bestaan een min of meer nieuwe procedure wordt gestart. Van partijen mag in het bijzonder in hoger beroep een actieve proceshouding worden gevergd. Dat is uit een oogpunt van inzet van beperkte (overheids-)middelen en mensen rationeel, aangezien daardoor dubbel en nodeloos werk wordt voorkomen. Los van de praktische eisen, die een grievenstelsel met zich brengt aangaande het beschikbaar komen van uitgewerkte vonnissen alvorens van een procespartij gevergd kan worden zijn grieven te formuleren, onderken ik ook het bezwaar, dat de eis vooraf schriftelijke grieven in te dienen die vervolgens een volledig bindend karakter hebben te ver zou kunnen voeren. Dat is enerzijds omdat redelijkerwijs niet gevergd kan worden van de niet professioneel vertegenwoordigde verdachte daartoe capabel te zijn en anderzijds omdat het karakter van het debat ter terechtzitting in hoger beroep niet zo gesloten dient te zijn dat er helemaal geen ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten. Ook na indiening van grieven kan een verdachte reden hebben bij nader inzien andere zaken aan de orde te stellen dan in toegespitste schriftelijke grieven is vermeld. In de praktijk gaat de onvrede van de verdachte over de beslissingen nogal eens gepaard met de keuze voor een andere advocaat. Toch zal de advocaat in eerste aanleg namens de verdachte doorgaans wel het appèl moeten instellen en in een daartoe verplichtend stelsel de grieven formuleren. Ten slotte is er het al gememoreerde principiële punt van de eigen onderzoeksverantwoordelijkheid van de appèlrechter. Er zal naar mijn oordeel toch altijd een mogelijkheid moeten worden open gelaten dat de appèlrechter, hetzij ambtshalve, hetzij bij nader inzien op verzoek van procespartijen, de behandeling van de gehele zaak naar eigen inzicht inricht."

3.5 De Nota naar aanleiding van het verslag(2) vermeldt nog verder:

"De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat van de verdachte die in hoger beroep gaat, in redelijkheid kan worden gevergd te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren, kortgezegd: "weerwoord " te voeren. Zij vragen welke gevolgen kunnen worden verbonden aan de handelwijze van een verdachte die aan deze verwachting niet voldoet. Het belangrijkste gevolg is de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het voorgestelde artikel 416, tweede lid, bepaalt immers dat indien de appellerende verdachte geen schriftuur met grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, het hoger beroep zonder onderzoek van de zaak niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Hieronder valt ook het geval dat de verdachte geen schriftuur heeft ingediend en ter zitting in hoger beroep niet verschijnt. Dit is geen verplichte niet-ontvankelijkheid. Het gerechtshof behoudt de bevoegdheid tot ambtshalve onderzoek. Dit onderzoek kan echter bij het ontbreken van weerwoord in die zin beperkt blijven, dat onder omstandigheden bepaalde gebreken die mogelijk aan het voorbereidend onderzoek of het onderzoek in eerste aanleg kleven, niet tot vernietiging behoeven te leiden omdat de verdediging daarover noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft geklaagd."

3.6 Vooropgesteld zij dat de voorschriften van art. 416 Sv passen bij het voortbouwend karakter van het appel. In het "voortbouwend appel" neemt de rechter in hoger beroep het vonnis inclusief de daaraan ten grondslag liggende behandeling als vertrekpunt. De terechtzitting heeft inhoudelijk betrekking op die onderdelen van het vonnis waartegen wordt geopponeerd middels een schriftuur houdende grieven of het mondeling opgeven van bezwaren. Ambtshalve behoudt de rechter de mogelijkheid tot het behandelen van onbestreden onderdelen van het vonnis. Op grond van het tweede lid van art. 416 Sv is het Hof bevoegd om, indien de verdachte hoger beroep heeft ingesteld maar geen grieven tegen het vonnis naar voren heeft gebracht, de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren. Let wel, de appelrechter heeft aldus ook de keuze om de zaak toch te onderzoeken.

3.7 Anders dan in het middel wordt gesteld is in de onderhavige zaak het voorschrift van art. 416, eerste lid, Sv niet geschonden. Weliswaar dient na de voordracht van de Advocaat-Generaal de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld in de gelegenheid te worden gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis van de Rechtbank op te geven, maar van de verdediging mag een actieve proceshouding worden gevraagd. De verdachte werd in hoger beroep bijgestaan door mr. A. van Vliet, advocate te Zwijndrecht. Op eenvoudige wijze had de raadsvrouw aan het Hof kenbaar kunnen maken dat ze de redenen van verdachtes appel duidelijk wilde maken. Bovendien heeft het Hof de zaak geheel opnieuw onderzocht en daarmee is aldus niet tekort gedaan aan het recht dat de verdachte heeft op rechtsbescherming middels een nieuwe behandeling in hoger beroep.(3) Op niet nakoming van het in art. 416, lid 1, laatste volzin, Sv gestelde is geen sanctie gesteld. Op geen enkele manier wordt duidelijk welk nadeel de verdediging heeft geleden doordat verdachte niet eerst de gelegenheid heeft gekregen zijn bezwaren kenbaar te maken. Ik breng in dit verband in herinnering dat bij de meest recente wijziging van art. 416 Sv de verbetering van de efficiëncy van de behandeling in hoger beroep op de voorgrond stond en dat het belang van verdachte slechts aan de orde kwam in het verband van een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring van het appel als verdachte niet schriftelijk tevoren of mondeling na de voordracht van de AG zijn bezwaren tegen het vonnis van eerste aanleg heeft kenbaar gemaakt.

3.8 Het middel faalt.

4.1 Het tweede middel klaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het Hof de bewezenverklaring onvoldoende met reden heeft omkleed.

4.2 Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 1 maart 2006 te Breda, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift te weten (respectievelijk) artikel 65 lid 1 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering ingevolge (respectievelijk) de Algemene Bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte telkens opzettelijk nagelaten tijdig aan de Vakdirectie Sociale Zaken van de gemeente Breda door te geven en/of te melden dat hij, verdachte, werkzaamheden had verricht en inkomsten had genoten en met een partner samenwoonde en een gezamenlijke huishouding voerde en op een ander adres woonachtig was."

4.3 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten: fotokopieën van de formulieren "Periodieke verklaring Wet werk en bijstand" inhoudende als volgt:

"Deze formulieren waren telkens gericht aan en op naam van:

[verdachte]

[a-straat 1]

[woonplaats]

Deze formulieren hadden betrekking op de perioden en waren ondertekend op:

PERIODE DATUM ONDERTEKENING

januari 2004 t/m 31 januari 2004 d.d. 28 januari 2004

februari 2004 t/m 28 februari 2004 d.d. 20 februari 2004

maart 2004 t/m 31 maart 2004 d.d. 24 maart 2004

april 2004 t/m 30 april 2004 d.d. 23 april 2004

mei 2004 t/m 31 mei 2004 d.d. 20 mei 2004

juni 2004 t/m 30 juni 2004 d.d. 18 juni 2004

juli 2004 t/m 31 juli 2004 d.d. 27 juli 2004

augustus 2004 t/m 31 augustus 2004 d.d. 21 augustus 2004

september 2004 t/m 30 september 2004 d.d. 20 september 2004

oktober 2004 t/m 31 oktober 2004 d.d. 25 oktober 2004

november 2004 t/m 30 november 2004 d.d. 23 november 2004

december 2004 t/m 31 december 2004 d.d. 23 december 2004

januari 2005 t/m 31 januari 2005 d.d. 27 januari 2005

februari 2005 t/m 28 februari 2005 d.d. 20 februari 2005

maart 2005 t/m 31 maart 2005 d.d. 23 maart 2005

april 2005 t/m 30 april 2005 d.d. 26 april 2005

mei 2005 t/m 31 mei 2005 d.d. 21 mei 2005

juni 2005 t/m 30 juni 2005 d.d. 18 juni 2005

juli 2005 t/m 31 juli 2005 d.d. 29 juli 2005

augustus 2005 t/m 31 augustus 2005 d.d. 26 augustus 2005

september 2005 t/m 30 september 2005 d.d. 7 oktober 2005

november 2005 t/m 30 november 2005 d.d. 23 november 2005

december 2005 t/m 31 december 2005 d.d. 24 december 2005

januari 2006 t/m 31 januari 2006 d.d. 30 januari 2006

Deze formulieren zijn allen ingevuld en te [plaats] ondertekend. Telkens is op deze formulieren het antwoord "nee" geantwoord op de vragen:

- Is het bovenstaande adres gewijzigd of gaat u binnen een maand verhuizen?

- Is er een wijziging in uw woonsituatie, gezinssamenstelling, burgerlijke staat, aantal kostgangers, of aantal onderhuurders?

- Hebt u of heeft uw partner deze maand werk aanvaard?

- Is het inkomen van u of uw partner deze maand gewijzigd?"

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten: een fotokopie van het formulier "Periodieke verklaring Algemene bijstandswet" inhoudende als volgt:

"Aan:

[verdachte]

[a-straat 1]

[woonplaats]

Betreft periode: van 01-12-2003 tot en met 31-12-2003

Is het bovenstaande adres gewijzigd of gaat u binnen een maand verhuizen? Nee

Plaats [plaats]

Datum 23-12-2003"

3. Het ambtsedig proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 6 april 2006, opgemaakt door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant:

"Bij onderzoek bij sociale zaken van de gemeente Breda zag ik, verbalisant:

Dat op 20 juni 2003 voor het verkrijgen van een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet een op naam van de verdachte [verdachte] gesteld aanvraagformulier en inlichtingenformulier was ingediend.

Dat de beschikking tot toekenning van die uitkering ingaande 1 juni 2003 aan de verdachte [verdachte] was toegezonden. Ingaande 1 juli 2004 is de uitkering omgezet naar een uitkering naar de norm alleenstaande in het kader van de Wet Werk en Bijstand. Deze beschikking is d.d. 7 juli 2004 aan de verdachte [Verdachte] toegezonden."

4. Het proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 28 maart 2006, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op 27 maart 2006 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

"Sinds ongeveer een maand hebben wij op huisnummer [1] (het hof begrijpt: [b-straat 1]) nieuwe buren. Dit zijn een man en een vrouw. De man heeft een auto. Dit is de auto die nu voor hun deur staat. Een Golf geloof ik. Soms zie ik dezelfde auto met een "L" van leswagen er op.

Opmerking verbalisant:

Getuige wijst de VW Golf aan die voor nummer [1] staat met kenteken [AA-00-BB]."

5. Het proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 28 maart 2006, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op 27 maart 2006 afgelegde verklaring van [getuige 1]:

"Ik kan u verklaren dat op nr. [1] (het hof begrijpt: [b-straat 1]) sedert ongeveer 2 à 3 maanden nieuwe buren wonen. De buurman heeft een auto, zilverkleurig. Deze auto staat nu voor nr. [1].

Opmerking verbalisant:

Getuige wijst de VW Golf aan die voor nummer [1] staat met kenteken [AA-00-BB]."

6. Het proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 28 maart 2006, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op 27 maart 2006 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

"U zegt mij te willen spreken over de vorige buren op de [c-straat 1] te [plaats] (het hof begrijpt: het adres van [betrokkene 3]). Ik kan u verklaren dat tot ongeveer anderhalve maand terug op nummer [c-straat 1], een jonge man en een jonge vrouw woonachtig waren. Die man heb ik een keer langs zien rijden met een "L" van leswagen op de auto."

7. Het proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 28 maart 2006, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op 27 maart 2006 afgelegde verklaring van [getuige 2]:

"[Verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) woont bij zijn vriendin in een huis vlakbij de [d-straat].

Hij heeft al een jaar of vijf een relatie met zijn vriendin [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]). Of zij 5 jaar samenwonen weet ik niet, maar wel een jaar of twee denk ik. Voor de woning die zij nu hebben woonden zij op een flat aan de [c-straat].

[Verdachte] werkt als rijinstructeur bij autorijschool "[A]". De rijschool is van [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6])."

8. Het proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 28 maart 2006, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op 27 maart 2006 afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:

"Eind oktober 2005 werden er hier huis aan huis folders verspreid van een autorijschool, genaamd '[A]'. Op de folder stond een 06-nummer. Ik heb dit nummer gebeld en naar later bleek, had ik [verdachte] aan de lijn. Ik ben op 3 november 2005 begonnen met mijn eerste proefles en daarna heb ik in totaal 40 lessen gehad. In totaal heb ik 1640 euro betaald. Ik heb altijd alleen maar les gehad van [verdachte]. Tegen mij vertelde [verdachte] dat de rijschool kantoor hield aan de [e-straat], maar het adres op de folder was hetzelfde adres als van '[B]' aan [f-straat] in Breda. [Verdachte] vertelde mij dat hij ook bedrijfsleider was van '[B]'."

9. Het proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 28 maart 2006, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op 27 maart 2006 afgelegde verklaring van [betrokkene 5]:

"Via via ben ik in contact gekomen met rijschool '[A]'. Ik heb half november 2005 contact opgenomen met de rijschool en een afspraak gemaakt voor een proefles. U toont mij een foto van de rijinstructeur. Dit is de man van wie ik rijles heb gehad. Ik ben begonnen met rijles in de maand november 2005. Op 10 januari 2006 heb ik mijn rijbewijs gehaald. In totaal was ik ongeveer 1000 euro kwijt aan mijn rijbewijs. De rijinstructeur was in loondienst van de rijschool '[A]'. Dit vertelde hij mij. Het lesgeld heb ik contant aan de rijinstructeur betaald."

10. Het proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 27 maart 2006, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op 27 maart 2006 afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

"Ik sta bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met '[B]' en '[A]'. De zaak is ingeschreven op 14 januari 2005. Het is eigenlijk zo dat ik de zaak, zowel de pizzeria als de rijschool, samen met [verdachte] heb opgestart. Deze zaken worden reeds vanaf het begin gerund door [verdachte] en mij. Het aandeel van [verdachte] is de arbeid. Voor alle duidelijkheid, [verdachte] en ik zijn vanaf de inschrijving bij de Kamer van Koophandel zaakvoerder van de pizzeria [B] en de autorijschool.

U vroeg mij naar het hoofd verblijfsadres van [verdachte]. Hij staat ingeschreven aan de [a-straat]. Het merendeel verblijft hij echter bij zijn vriendin, [betrokkene 3]. Dit is reeds een lange tijd het geval. Ik denk 3 tot 4 jaar. Ik denk vanaf het moment dat [betrokkene 3] haar woning kreeg aan de [c-straat].

Ten slotte vroeg u mij over de VW Golf [AA-00-BB]. Deze auto is door [verdachte] en mij gezamenlijk uitgezocht. De betaling heb ik gedaan. [Verdachte] heeft zorg gedragen voor de dubbele bediening van de auto en het onderhoud."

11. Het proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 28 maart 2006, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op 27 maart 2006 afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

"U vroeg mij vanaf wanneer de samenwoning met [verdachte] van start ging. Dit kreeg eind 2003 gestalte. De relatie werd van dien aard dat [verdachte] m.i.v. begin 2004, precies weet ik dit niet meer, bij mij zijn hoofdverblijf kreeg. Ik bedoel hiermee dat [verdachte] het merendeel toen bij mij was. De meeste nachten in 2004 sliep hij bij mij. Dit is zo door gegaan tot de dag van vandaag. [Verdachte] en ik verblijven sedert begin 2004 tot heden hoofdzakelijk bij elkaar. Eerst aan de [c-straat] en nu aan de [b-straat]. Ik kook voor [verdachte], ik was voor hem en ik strijk voor hem."

12. Het proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 27 maart 2006, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op 27 maart 2006 afgelegde verklaring van verdachte:

"U toont mij inkomstenformulieren over de periode 1 oktober 2003 tot 1 maart 2006. Die heb ik in Breda ingevuld en ondertekend.

Voor wat betreft de rijschool [A] moet ik u verklaren dat ik daar heb gewerkt tijdens mijn uitkeringsperiode. Ik ben begonnen met werkzaamheden te verrichten voor de pizzeria en de rijschool in oktober 2005. Vanaf 14 januari 2005, de datum van inschrijving van [B], heb ik geholpen in de onderneming. Ik heb toen voorraad besteld, bestellingen opgenomen, soms pizza's bezorgd en ik heb de Voedsel en Waren Autoriteit een keer te woord gestaan.

De rijschool heb ik opgezet in oktober 2005. Kort hierop ben ik reclame gaan maken. Vanaf begin oktober ben ik begonnen met rijlessen geven. Het geld nam ik in ontvangst. Hiervan ging een deel naar [betrokkene 6], een deel aan autokosten, een deel aan examenkosten en een deel voor mijzelf. Van het werk wat ik heb gedaan heb ik nooit melding gemaakt."

13. Het proces-verbaal van gemeente Breda, Vakdirectie Sociale Zaken, Afdeling Fraudebestrijding, zaaknummer: 200500225, d.d. 28 maart 2006, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als de op 28 maart 2006 afgelegde verklaring van verdachte:

"[Betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) heeft eerst ingeschreven gestaan aan mijn adres aan de [a-straat]. Wij hadden toen al een relatie. Toen [betrokkene 3] ging verhuizen naar de [c-straat] heb ik [betrokkene 3] geholpen met het opknappen en inrichten van haar nieuwe woning. Vanaf dat moment ben ik voor het merendeel gaan verblijven bij [betrokkene 3] aan de [c-straat]. Dit was meestal het merendeel van de week. Ik heb ook een sleutel van haar woning. In die periode dat ik bij [betrokkene 3] verbleef, verbleven andere personen in mijn woning, zoals mijn moeder en vrienden. Voor alle duidelijkheid, in de periode dat [betrokkene 3] haar woning kreeg aan de [c-straat] tot en met heden, heb ik mijn hoofdverblijf bij haar gehad. Wij aten bij elkaar waarbij [betrokkene 3] meestal kookte en ik af en toe. [Betrokkene 3] deed voor mij de was en strijk. De boodschappen werden altijd door [betrokkene 3] gedaan en door haar betaald. U vroeg mij of ik wel eens bezoek, specifiek voor mij, heb ontvangen in de woning van [betrokkene 3].

Ja, natuurlijk. U vroeg mij waar ik in haar woning slaap. Dat is meestal bij haar en door omstandigheden soms apart. U vroeg mij over de pc die in de woning van [betrokkene 3] in beslag is genomen. Deze is van mij. Ik heb die pc gekocht. [Betrokkene 3] en ik gebruiken samen die pc."

14. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. april 2008, voor zover inhoudende als volgt:

"Ik weet niet precies of ik van 1 juni 2003 tot en met 1 maart 2006 een uitkering ontving, maar het zou kunnen kloppen."

4.4 Voorts overweegt het Hof in nadere bewijsoverwegingen het volgende:

"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A.

Het hof begrijpt dat de steller van de tenlastelegging met de in het primair ten laste gelegde voorkomende woorden "een ander adres" kennelijk heeft gedoeld op een ander adres dan het adres dat verdachte aan de Vakdirectie Sociale Zaken van de gemeente Breda had doorgegeven.

B.

Door verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte onbekend was met de formulieren die hij diende in te vullen en dat hij door zijn contactpersoon bij de Sociale Dienst was geïnstrueerd op de formulieren telkens alle vragen met "nee" te beantwoorden.

Het hof overweegt als volgt.

Blijkens een mededeling op de door verdachte ingevulde formulieren worden deze formulieren vergezeld door een invulinstructie waarin elke vraag op het formulier wordt toegelicht. Verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep verklaard reeds 9 negen jaar in Nederland te verblijven. Verdachte komt derhalve geen beroep toe op zijn eigen onwetendheid. Overigens acht het hof niet aannemelijk dat verdachte door zijn contactpersoon geïnstrueerd zou zijn altijd alle vragen met "nee" te beantwoorden. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat verdachte op meerdere formulieren de vraag "Staat u of uw partner ingeschreven als werkzoekende bij de Centrum Werk en Inkomen (CWI)?" met ja beantwoord heeft.

Het verweer wordt bijgevolg verworpen.

C.

Door verdachte is in hoger beroep voorts betoogd dat de verklaringen van de getuigen [betrokkene 3],[getuige 2], [betrokkene 7] niet tot het bewijs kunnen dienen. Daartoe is aangevoerd dat hun verklaringen onbetrouwbaar zijn.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is er voor het hof geen aanleiding om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, verklaringen te twijfelen. Bovendien vinden deze verklaringen steun in de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring dat hij bij [betrokkene 3] zijn hoofdverblijf had. Mitsdien wordt het verweer verworpen."

4.5 Het middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht ziet op de tenlastegelegde periode na 31 januari 2006 (tot en met 1 maart 2006). Een gedeelte van de tenlastegelegde periode zou niet worden gesteund door enig bewijsmiddel. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou namelijk niet kunnen worden opgemaakt dat de verdachte in de periode na 31 januari 2006 heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken. De geschriften als bedoeld in bewijsmiddel 1 behelzen immers de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 januari 2006, waarbij het laatste formulier is ondertekend op 30 januari 2006.

4.6 Volgens bewijsmiddel 12 heeft verdachte van het werk dat hij heeft gedaan nooit melding gemaakt. Ingevolge art. 65 lid 1 Algemene bijstandswet, zoals dat heeft gegolden tot 31 januari 2005 had verdachte aan burgemeester en wethouders onverwijld uit eigen beweging melding moeten maken van de omstandigheden die - kort gezegd - voor de verlening en voortduring van bijstand relevant waren. Deze verplichting was daarna opgenomen in art. 17 Wet werk en bijstand. Dat in de aanvulling met bewijsmiddelen geen formulieren zijn opgenomen over de periode na 31 januari 2006 betekent dus niet dat over die periode niet kan worden bewezen dat verdachte heeft nagelaten de nodige inlichtingen te verstrekken. Uit de bewijsmiddelen 1 (formulieren "Periodieke verklaring Wet werk en bijstand"), 12 (de verklaring van de verdachte tegenover opsporingsambtenaren afgelegd) en 14 (de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep) kan worden afgeleid dat de verdachte gedurende de periode van 1 januari 2004 tot en met 1 maart 2006 een uitkering ontving. Bovendien kan worden opgemaakt uit bewijsmiddel 12 dat vanaf begin oktober 2005 de verdachte is gestart met het geven van rijlessen. In het licht van het voorgaande kan aldus uit de genoemde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte in de periode van 31 januari tot en met 1 maart 2006 inkomsten heeft verzwegen terwijl hij een uitkering ontving. In zoverre faalt het middel.

4.7 De tweede klacht richt zich tegen de bewezenverklaring. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is 's Hofs bewezenverklaring onbegrijpelijk.

4.8 In de bewezenverklaring zijn volgens de steller van het middel door het Hof - ten aanzien van het in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift te weten (respectievelijk) artikel 65 lid 1 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken - alternatieven opengelaten. In een dergelijk geval zal elk van die alternatieven door bewijsmiddelen dienen te worden geschraagd.(4)

4.9 Art. 65 (oud) van de Algemene Bijstandswet is door art. 17 van de Wet werk en bijstand opgevolgd. Beide richten zich tot de belanghebbende die meent dat hij recht heeft op bijstand. In de onderhavige zaak heeft de verdachte aanvankelijk een uitkering ontvangen op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en later op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het woord 'respectievelijk' in de tenlastelegging is door het Hof kennelijk aldus verstaan dat de verplichting om het college van burgemeester en wethouders in te lichten eerst heeft berust op artikel 65 lid 1 van de Algemene bijstandswet en vervolgens op artikel 17 van de Wet werk en bijstand, en niet aldus dat dezelfde verplichting tegelijkertijd op beide wetten heeft berust. Volgens het Hof heeft er zodoende geen alternatief in de tenlastelegging gestaan, maar een opeenvolging van wettelijke bepalingen. Die uitleg is niet alleen niet onbegrijpelijk maar zelfs begrijpelijk te noemen. Op 1 januari 2004 is de Abw immers ingetrokken en is de WWB in werking getreden.(5) Alle door het college van burgemeester en wethouders op grond van de Abw genomen besluiten gelden voor maximaal 2 jaar als door hem genomen besluiten op grond van de WWB.(6) Voor cliënten die vóór 1 januari 2004 recht hadden op algemene bijstand heeft de gemeente binnen die 2 jaar de rechten en plichten opnieuw moeten vaststellen op basis van de WWB. Deze rechten en plichten werden vastgelegd in een nieuwe, opgestelde beschikking.(7)

4.10 Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode van 1 januari 2004 tot en met 1 maart 2006 bijstand heeft ontvangen. Op 20 juni 2003 is voor het verkrijgen van een uitkering ingevolge de Abw een op naam van verdachte gesteld aanvraagformulier en inlichtingenformulier ingediend. Die uitkering is per 1 juni 2003 ingegaan. Ingaande 1 juli 2004 is de uitkering omgezet naar een uitkering in het kader van de WWB. Deze beschikking is op 7 juli 2004 aan de verdachte verzonden (bewijsmiddel 3). Van 1 januari 2004 tot en met 1 juli 2004 ontving de verdachte aldus een uitkering die was vastgesteld op grond van de Abw en na 1 juli 2004 heeft de verdachte bijstand ontvangen op grond van de WWB.

4.11 De successievelijke mogelijkheden in de bewezenverklaring, te weten artikel 65 lid 1 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, worden, gelet op het voorgaande, geschraagd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het Hof heeft, anders dan in het middel wordt betoogd, zijn oordeel toereikend gemotiveerd.

4.12 Het middel faalt.

5. Beide middelen kunnen mijns inziens met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Kamerstukken II, vergaderjaar 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 11.

2 Kamerstukken II, vergaderjaar 2005-2006, 30 320, nr. 6, p. 9.

3 Dit ligt anders in het in de toelichting op het middel aangehaalde arrest van HR 12 februari 2008, LJN BC3773 betreffende het in art. 311, vierde lid, Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift, te weten het recht van de verdachte op het laatste woord. Verdachtes rechten waren in die zaak geschonden.

4 Zie bijvoorbeeld HR 22 juni 2004, LJN AO8315.

5 Besluit van 10 oktober 2003 houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand en van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, Stb. 2003, 386 en Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 7.

6 Kamerstukken I, vergaderjaar 2002-2003, 28 960, nr. 293, p. 2.

7 Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 3-4.