Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK8933

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
08/02584 BdW
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK8933
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Dwangbevel ex art. 575 Sv. Vervolg op HR LJN BJ7993. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 489
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02584 BdW

Mr. Aben

Zitting 5 januari 2010

Aanvullende conclusie inzake:

[Veroordeelde]

1. Bij tussenbeschikking van 22 september 2009 heeft de Hoge Raad bepaald dat de veroordeelde alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld om aan haar verplichting tot consignatie te voldoen. De veroordeelde heeft vervolgens tijdig aan die verplichting voldaan(1), zodat zij ontvankelijk is in haar cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 23 oktober 2007 waarbij zij niet-ontvankelijk is verklaard in haar op de voet van art. 575, derde lid, Sv aangetekende verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.(2)

2. Dan kom ik thans toe aan de bespreking van het namens de veroordeelde door mr. P.P. Klokkers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur voorgestelde middel van cassatie.

3.1. Het middel behelst de klacht dat de rechtbank de veroordeelde ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, niet-ontvankelijk heeft verklaard in het verzet.

3.2. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking als volgt - voor zover van belang - de standpunten van zowel de verdediging als de officier van justitie weergegeven en vervolgens beslist:

"Ten aanzien van de ontvankelijkheid heeft veroordeelde gesteld dat nog geen verkoop heeft plaatsgevonden en dat weliswaar derdenbeslag is gelegd onder de gemeente Amsterdam (Dienst Werk en Inkomen), doch dat dat beslag nog niet is geëffectueerd in de vorm van enige betaling door de DWI aan de deurwaarder. (...) Verzocht wordt het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren.

(...)

De officier van justitie heeft zich in raadkamer van 2 oktober 2007 primair op het standpunt gesteld dat veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar bezwaar omdat zij niet binnen de gestelde zeven dagen na inbeslagname bezwaar heeft ingesteld. (...)

Beoordeling

Ontvankelijkheid.

Bij verzending van het dwangbevel aan veroordeelde is tevens het bepaalde in artikel 575 lid 3 Sv bekend gemaakt, namelijk dat een bezwaarschrift inhoudende verzet tegen het dwangbevel in ieder geval binnen zeven dagen na de dag van inbeslagneming dient te worden ingesteld. Op 19 maart 2007 is beslag gelegd op gelden die de Gemeente Amsterdam, Dienst Werk en Inkomen, onder zich heeft en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding zal of mocht verkrijgen ten behoeve van [veroordeelde]. Het bezwaarschrift is echter eerst op 5 april 2007, twee en een halve week na inbeslagneming, ingekomen. Veroordeelde dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar bezwaar. De stelling van de raadsman dat een bezwaarschrift ook later kan worden ingediend indien het beslag niet is geëffectueerd, vindt geen steun in het recht.

Beslissing

De rechtbank verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar verzet."

3.3. De toelichting op het middel is alles behalve duidelijk te noemen. Bij een welwillende lezing daarvan begrijp ik de steller van het middel aldus dat hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gelegde derdenbeslag op 19 maart 2007 niet bij de veroordeelde bekend was of kon zijn. In de onderhavige zaak is immers sprake van beslag op de uitkering van de veroordeelde, zodat volgens de steller van het middel "het bezwaarschrift niet eerder dan na de dag der inbeslagname kon worden gedaan, zodat voor de geëxecuteerde heel helder dient te zijn wat de dag der inbeslagname is. Bovendien kan niet worden voldaan aan de tweede mogelijke termijn in de wet genoemd, zijnde "vóórdat de verkoop plaatsvindt". Daarvan is immers in dit geval geen sprake."

3.4.1. Het hier aan de orde zijnde art. 575, derde lid, tweede volzin, Sv houdt een uiterste termijn voor de indiening van het bezwaarschrift in:

"Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed bezwaarschrift, hetwelk vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag der inbeslagneming, wordt ingediend bij het gerecht, waartoe de rechter behoort, die de straf heeft opgelegd."

Blijkens de voorliggende stukken heeft de gerechtsdeurwaarder op 27 november 2006 het dwangbevel niet aan de veroordeelde in persoon kunnen betekenen. Een afschrift van het exploot is achtergelaten op het adres van de veroordeelde. Op 19 maart 2007 is bij de Gemeente Amsterdam, Dienst Werk en Inkomen (derden)beslag gelegd op de uitkering van de veroordeelde, waarna de verdachte hiervan op 26 maart 2007 op de hoogte is geraakt. Het betreffende deurwaardersexploot is aan haar op die dag in persoon betekend. Het bezwaarschrift, inhoudende het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, is eerst op 5 april 2007 ingekomen ter griffie van de rechtbank. Met de rechtbank kom ik tot de conclusie dat het bezwaarschrift tardief is. Het oordeel van de rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

3.4.2. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de termijn voor indiening van een bezwaarschrift niet eerder zou mogen aanvangen dan nadat de beslaglegging bij de veroordeelde bekend is, vindt het geen steun in het recht. Artikel 575 Sv stelt die eis niet met zoveel woorden, al moet ik toegeven dat voor de in het middel voorgestane regeling wel iets te zeggen valt.(3) Verder exploreren van deze gedachte heeft weinig zin, aangezien - zoals gezegd - het deurwaardersexploot haar op 26 maart 2007 in persoon is betekend en het verzet ook te laat is ingesteld indien veronderstellenderwijze zou worden aangenomen dat de verzettermijn (van zeven dagen) is gaan lopen op de eerstvolgende dag na de betekening. De periode van 26 maart 2007 tot 5 april 2007 beslaat immers tien dagen.

3.4.3. Voor zover nog wordt geklaagd over de zogenaamde 'tweede mogelijke termijn', namelijk die "vóórdat de verkoop plaatsvindt", waaraan volgens de steller van het middel in de onderhavige zaak niet zou kunnen worden voldaan, slaagt het middel evenmin. Artikel 575, lid 3 stelt twee cumulerende termijnvoorwaarden voor een tijdig verzet tegen het verhaal: (1) binnen zeven dagen na beslaglegging, en (2) vóór de verkoop van het voorwerp waarop het beslag rust. Doordat aan de eerste termijnvoorwaarde al niet is voldaan, behoeft de klacht met betrekking tot de tweede voorwaarde geen verdere bespreking.

4. Het middel faalt in al zijn onderdelen en leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

5. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze aanvullende conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De veroordeelde diende binnen veertien dagen na de schriftelijke aanmaning van de griffier van de rechtbank te Amsterdam het nog verschuldigde bedrag ter griffie van voornoemde rechtbank te consigneren. Uit de op de griffie van de Hoge Raad binnengekomen stukken blijkt het volgende: De griffier van de rechtbank te Amsterdam heeft de veroordeelde bij brief van 8 oktober 2009 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken het nog verschuldigde bedrag en al de kosten te consigneren. Op 23 oktober 2009 is een brief van de griffier van de rechtbank te Amsterdam ingekomen, gedateerd 20 oktober 2009, waarin te kennen wordt gegeven dat binnen de gestelde termijn een betaling van de veroordeelde is ontvangen. Een kopie van een rekeningafschrift van de rekeninghouder rechtbank Amsterdam is als bijlage aan die brief gehecht, waaruit is op te maken dat er op 14 oktober 2009 een bedrag ad € 265,- is gecrediteerd. De veroordeelde heeft dus tijdig aan de verplichting tot consignatie voldaan, in ogenschouw genomen dat aan de verplichting tot consignatie wordt voldaan op de datum waarop het bedrag door de crediteur is ontvangen (zie HR 12 februari 2002, LJN AD5409).

2 Abusievelijk is in de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Bleichrodt van 25 augustus 2009 (ook voor de onderhavige zaak) opgenomen dat de rechtbank het verzet van de veroordeelde ongegrond heeft verklaard.

3 Er is evenmin voorgeschreven dat het dwangbevel aan de veroordeelde moet worden betekend. Artikel 575, lid 2 Sv bepaalt uitsluitend dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschiedt gelijk een vonnis van de burgerlijke rechter. Artikel 475i Rv (over de tenuitvoerlegging op goederen die geen registergoederen zijn, en met name omtrent executoriaal beslag onder derden) schrijft voor dat het beslagexploot binnen acht dagen na het beslag aan de geëxecuteerde wordt betekend. Daaraan heeft de deurwaarder i.c. voldaan. Deze bepaling sluit dus niet uit dat de geëxecuteerde (i.c. veroordeelde) pas na ommekomst van de verzettermijn bekend wordt met het beslag. Artikel 576 Sv, dat voorziet in (eenvoudiger) verhaal zonder dwangbevel en waarvan de toepassing in deze zaak meer voor de hand had gelegen, gelast de betekening van een schriftelijke kennisgeving aan de veroordeelde. Pas daarna neemt de verzettermijn een aanvang (zie artikel 576, lid 6 Sv).